5.7 rvs Verklaring van geen bedenkingen herontwikkeling Crocuslaan e.o. bijlage 1 omgevingsvergunning Crocuslaan eo
Tekst van het document
OMGEVINGSVERGUNNING CROCUSLAAN E.O. TE VLISSINGEN GEMEENTE VLISSINGEN
Opdrachtgever l'escaut woonservice Auteur Bureau Dhondt Projectnummer 22048 IMRO-identificatie NL.IMRO.0718.22048-0001 Status ontwerp Datum 24 augustus 2023
Ruimtelijke onderbouwing
3
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing projectgebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 7
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Nieuwe situatie
8 8 9
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
12 12 14 16
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Geluid verkeer 4.3 Water 4.4 Flora en fauna 4.5 Stikstofdepositie 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.8 Externe veiligheid 4.9 Ontplofbare oorlogsresten 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 M.e.r.-beoordeling
18 18 23 24 28 32 33 34 37 41 42 44
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Financiële uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
46 46 46
Hoofdstuk 6
48
Conclusie
4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Ter plaatse van de Crocuslaan en omgeving (hierna: Crocuslaan e.o.) te Vlissingen heeft woningcorporatie l'escaut 143 grondgebonden woningen in eigendom. De meeste woningen zijn inmiddels al 100 jaar oud, hebben last van vochtproblematiek en verkeren technisch in een slechte staat. In het jaar 2021 is l'escaut derhalve het initiatief gestart om, in samenspraak met de bewoners van de wijk, de huurdersvereniging en de gemeente Vlissingen, tot een toekomstplan voor de Crocuslaan e.o. te komen. Uiteindelijk is na een zorgvuldige afweging van diverse factoren de keuze gevallen om de 143 bestaande woningen te slopen en deze te vervangen door 137 nieuwe woningen. Het doel is om de wijk hiermee toekomstbestendig en duurzamer te maken. De uitgangspunten van de nieuwbouw zijn om het sfeervolle tuindorp karakter in de wijk te behouden en het groene karakter te versterken. De beoogde nieuwe stedenbouwkundige opzet van de wijk en de nieuwe woningen overschrijden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de ter plaatse geldende beheersverordening 'Middengebied' van de gemeente Vlissingen, vastgesteld op 11 februari 2016. Om de beoogde herontwikkeling van de wijk mogelijk te maken wordt er derhalve middels een omgevingsvergunning buitenplans afgeweken van de beheersverordening, conform Artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3º van de Wabo.
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de ruimtelijke inpassing van het planvoornemen en de effecten op de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu beoordeeld.
1.2
Ligging en begrenzing projectgebied
Het projectgebied is gelegen te midden van woonwijk de Bloemenbuurt in Vlissingen. De Crocuslaan e.o. zijn grofweg gelegen tussen de Anjelierenlaan aan de noordzijde, de Irislaan aan de oostzijde, de Paul Krugerstraat aan de zuidzijde en de Bloemenlaan aan de westzijde.
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing Crocuslaan e.o.
5
Het project bestaat uit 143 grondgebonden woningen die in eigendom zijn van l'escaut, specifiek gaat het om de volgende adressen: Bloemenlaan 2 t/m 8, 16 t/m 26 en 32 t/m 46; Magrietenlaan 12 t/m 16 en 15 t/m 29; Irislaan 5 t/m 33; Primulalaan 1 t/m 29 en 2 t/m 30; Anjelierenlaan 88 t/m 108; Begonialaan 1 t/m 11 en 2 t/m 12; Hyacinthenlaan 6 t/m 32 en 21 t/m 45; Crocuslaan 2 t/m 24 en 3 t/m 15.
Figuur 1.2 Weergave eigendommen l'escaut aan de Crocuslaan e.o.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het projectgebied geldt de beheersverordening 'Middengebied' van de gemeente Vlissingen. Deze beheersverordening is op 11 februari 2016 vastgesteld. De woningen zijn allen gelegen binnen een besluitvlak aangeduid als 'Wonen' met een bouwvlak waaraan een maximale goot- en bouwhoogte is gekoppeld.
6
Ter bescherming en veiligstelling van de, mogelijk in de grond aanwezige, archeologische waarden is het besluitvlak 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing over het gehele projectgebied. Met uitzondering van de woningen die zijn gebouwd na de Tweede Wereldoorlog, zijn de meeste woningen binnen het projectgebied tevens voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. Deze aanduiding is bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, zoals deze zijn beschreven in de toelichting bij de verordening. De beheersverordening 'Paraplubeheersverordening parkeernormering' is op 11 december 2020 vastgesteld door de raad van de gemeente Vlissingen. Met de paraplubeheersverordening worden de parkeernormeringen die zijn vastgelegd in de 'Beleidsnota parkeernormeringen Vlissingen' en diens rechtsopvolgers in de geldende beheersverordeningen, waaronder 'Middengebied', ingepast.
Toetsing beheersverordening De beheersverordening is een planologische beheerregeling voor het bestaande gebruik voor een gebied, waarin geen concrete of slechts ondergeschikte ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien. Het stedenbouwkundig plan van het projectgebied in de nieuwe situatie (zie paragraaf 2.2 en Bijlage 1) gaat uit van de sloop van de bestaande 143 woningen en nieuwbouw van 137 woningen. De stedenbouwkundige opzet van het projectgebied en de nieuwe situering van de woningen wijken af van de bestaande mogelijkheden die in de beheersverordening zijn opgenomen. Om de beoogde herontwikkeling van de wijk mogelijk te maken wordt er derhalve middels een omgevingsvergunning afgeweken van de beheersverordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vormt een bijlage van de omgevingsvergunning. Ten behoeve van het planvoornemen zijn ter plaatse van het projectgebied een archeologisch onderzoek en een onderzoek naar de cultuurhistorische waarden uitgevoerd. In paragraaf 4.7 zijn deze aspecten nader toegelicht. In het stedenbouwkundige plan is ten behoeve van het aspect verkeer en parkeren rekening gehouden met de parkeernormeringen die zijn opgenomen in de beheersverordening 'Paraplubeheersverordening parkeernormeringen' van de gemeente Vlissingen.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een planbeschrijving gegeven van enerzijds de bestaande situatie en anderzijds de nieuwe situatie. In hoofdstuk 3 worden de beleidskaders van rijk, provincie en gemeente beschreven. De aspecten met betrekking tot het milieu en landschap komen in hoofdstuk 4 aan bod. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan bod. En hoofdstuk 6 sluit af met een conclusie.
7
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
De Crocuslaan e.o. is opgezet volgens het zogenaamde 'tuinstadmodel'. Dit model is rond 1900 bedacht door de Engelse stedenbouwkundige Ebenezer Howard. Het idee van de tuinstad was om de woonomstandigheden voor arbeiders te verbeteren. Kenmerken van deze stedenbouwkundige opzet zijn het dorpse karakter, veel groen, een eigen tuin en een ruime opzet. In het projectgebied zijn nog veel kenmerken van de tuinstad terug te zien. De woningen verspringen en verdraaien ten opzichte van elkaar. Er zijn nog steeds grote tuinen, maar weinig openbaar groen. De straten hebben door kleine verschillen allemaal hun eigen karakter. Dat geldt ook voor de woningen. Ondanks subtiele verschillen vormen de woningen duidelijk één familie. Er is ook veel veranderd in de wijk. De opbouw na de oorlog en de grondige renovaties hebben ervoor gezorgd dat het ambachtelijke karakter van de wijk grotendeels is verdwenen. De meeste woningen binnen het projectgebied zijn inmiddels al meer dan 100 jaar oud, hebben last van vocht- en tochtproblematiek en/of zoutdoorslag. De woningen voldoen daarnaast niet meer aan de huidige isolatienormen, wat zich vertaald in hogere energierekeningen. Ook voldoen de afmetingen van slaapkamers, badkamer en toilet niet meer aan de huidige woonstandaard.
De woningen zijn in de bestaande situatie niet toekomst- en klimaatbestendig, waarmee een integrale aanpak van de problematiek noodzakelijk is om de woonkwaliteit te waarborgen.
Figuur 2.1 Luchtfoto projectgebied
8
2.2
Nieuwe situatie
Om de bestaande problemen van de Crocuslaan e.o. op te lossen is l'escaut in 2021 het initiatief gestart om in samenspraak met de bewoners, de huurdersvereniging en de gemeente Vlissingen te komen tot een toekomstplan voor de wijk. Dit heeft geresulteerd in een buurtplan waarin gezamenlijk met alle betrokkenen een afweging is gemaakt tussen renovatie en sloop met vervangende nieuwbouw. Uiteindelijk is na zorgvuldige afweging van diverse factoren de keuze gemaakt om de 143 woningen te slopen en deze te vervangen door 137 nieuwe woningen met groene speelstraten. Op lange termijn is nieuwbouw vanuit financieel oogpunt een betere keuze dan renovatie. De eenmalige investering is bij nieuwbouw hoger, maar hiermee worden wel in één keer de bestaande problematiek van de woningen opgelost en is een langere levensduur van de woningen gegarandeerd. Het uitgangspunt van de beoogde ontwikkeling is om het karakter van de wijk te behouden en het openbare groen te versterken. Er worden daarnaast verschillende woningtypen toegevoegd aan de wijk, waaronder kleinere woningen en levensloopbestendige woningen. De huidige bewoners van de wijk krijgen voorrang bij het toewijzen van de nieuwe woningen om zo terug te keren in de wijk waarmee de sterke sociale cohesie in de wijk zoveel mogelijk blijft behouden.
Stedenbouwkundig plan l'escaut heeft samen met de gemeente Vlissingen en Architectenbureau [delacourt][vanbeek] een stedenbouwkundig plan opgesteld voor het projectgebied aan de Crocuslaan e.o. Het stedenbouwkundig plan is als bijlage 1 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. In het stedenbouwkundig plan staan de nieuwe woningen in dezelfde stijl als de huidige woningen, maar dan in een eigentijdse vertaling. Alle bestaande woningen worden fasegewijs gesloopt. Hier komen 137 nieuwe woningen voor terug, in een mix van verschillende woningtypes, hetgeen de diversiteit in de wijk ten goede komt. Om het groene karakter te versterken worden de Primulalaan en de Hyacintenlaan zogenaamde tuinstraten. Deze straten zijn autovrij, met een sterk collectief karakter. Een groene doorsteek verbindt de straten met elkaar.
9
Figuur 2.2 Stedenbouwkundig ontwerp (bron: Architectenbureau [delacourt][vanbeek])
Verkeer en parkeren Rijrichting De Primulalaan en een deel van de Hyacintenlaan worden autovrij. Daarnaast wordt een deel van de Magrietlaan afgesloten en wordt hiermee een woonhofje toegevoegd. Verder verandert de verkeersstructuur niet. De Crocuslaan en Irislaan blijven straten met tweerichtingsverkeer en de Anjerlierenlaan blijft eenrichtingsverkeer. Wel wordt hier het parkeren naar de overzijde verplaatst zodat er een overzichtelijkere en veiligere verkeerssituatie ontstaat. In de Crocuslaan worden twee wegversmallingen gemaakt. Deze hebben een snelheidsremmende werking en vormen tevens logische plaatsen voor het laden en lossen van bestelbusjes die in de tuinstraten moeten zijn.
Parkeren Het parkeerplan is opgesteld op basis van recente parkeertellingen in de wijk (zie bijlage 2)
10
en in overleg met de verkeerskundige van de gemeente Vlissingen. In de nieuwe situatie worden in totaal 210 nieuwe plaatsen gerealiseerd. Hiervan zijn 58 parkeerplaatsen op eigen terrein in de nieuwe parkeerhoven en 6 parkeerplaatsen op eigen terrein bij de woningen aan de Bloemenlaan. De overige 146 parkeerplaatsen zijn openbaar in de straten. Hiervan zijn 7 parkeerplaatsen haaks op de rijrichting aan het Margrietenhof. Op de overige plaatsen betreft het langsparkeren.
Parkeerhof In het parkeerhof is parkeerruimte voor de bewoners van de aanliggende woningen. Dit binnenhof is afgesloten met een poort van circa 1,50 meter hoog, maar is zodanig ingericht dat het een open uitstraling heeft. De duidelijke zichtrelaties vanuit de openbare ruimte dragen bij aan de sociale veiligheid van dit binnengebied. De zuidzijde grenst aan de Crocuslaan en vormt de ontsluiting voor het parkeren. De noordzijde sluit aan op de groene verbinding tussen de Tuinstraten en maakt op deze manier deel uit van het netwerk van langzaamverkeer. Het hof wordt hier afgesloten met een sluispoort.
Figuur 2.3 Impressie van het parkeerhof
11
Hoofdstuk 3 3.1
Beleid
Rijksbeleid
Bij het maken van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met het beleid van hogere overheden (het rijk en de provincie) en de vastgestelde gemeentelijke beleidskaders. Hieronder wordt het relevante ruimtelijke beleid voor het projectgebied weergegeven.
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking zal treden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020 en biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die er zijn. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden om te bouwen aan een mooier en sterker Nederland. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonden steden en regio's Toekomstig bestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
12
Beoordeling en conclusie Bovenstaand rijksbeleid is niet direct van invloed op onderhavige ontwikkeling. Het initiatief draagt wel bij aan het toekomstbestendig maken van de wijk en voorziet in de woonbehoeftes van huidige en toekomstige generatie van inwoners. De inhoudelijke keuzes en afweging ligt bij de gemeente. Zij zullen daarbij uiteraard de richtlijnen en vier prioriteiten van het Rijk als leidraad gebruiken.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen etc.. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Figuur 3.1 Weergave radarverstoringsgebieden, Rarro 1 december 2020
Beoordeling en conclusie Zoals te zien is in figuur 3.1 is het projectgebied gelegen binnen een radarverstoringsgebied. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom radarstations mogen geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Binnen het radarverstoringsgebied geldt een maximale bouwhoogte van 90 meter ten opzichte van het NAP. In het vigerende bestemmingsplan 'Leisuregebied Binnentuin' is deze maximale bouwhoogte gewaarborgd middels de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar'. In het onderhavige plan wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt die deze maat overschrijdt.
13
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Op 1 oktober 2012 is artikel 3.1.6 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. Bij toepassing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' dient antwoord gegeven te worden op een aantal vragen. Indien een vraag positief kan worden beantwoord, dient de 'Ladder' verder te worden doorlopen. Indien een vraag niet positief kan worden beantwoord dan is de 'Ladder' niet (verder) van toepassing, dan wel kan niet aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?
Beoordeling en conclusie 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Op basis van jurisprudentie kan geconcludeerd worden dat een woningbouwontwikkeling van meer dan 12 woningen gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling. Onderhavig planvoornemen voorziet in de sloop van 143 woningen en nieuwbouw van 137 woningen. Na de realisatie van de beoogde ontwikkeling is er daarmee sprake van een afname van 6 woningen binnen het projectgebied. Aangezien het projectgebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied is er daarnaast ook geen sprake van een groter beslag op de ruimte. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Conclusie Op basis van de bovenstaande beoordeling betreft de beoogde ontwikkeling van het projectgebied betreft geen stedelijke ontwikkeling. Een verdere verantwoording aan de Ladder is derhalve niet nodig.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Zeeuwse Omgevingsvisie 2021
In november 2021 is de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze vervangt het Omgevingsplan Zeeland uit 2018. De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor de gehele provincie Zeeland en beschrijft de uitdagingen, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
Ambities: 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; 2. Balans in de grotere wateren en het landelijk gebied;
14
3. Een duurzame en innovatie economie; 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht (zie hiervoor onder 'NOVI'), zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland. 1. 2. 3. 4.
Doe meer met minder grond; Werk samen en deel kosten en baten; Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
De afwegingsfactoren verwijzen naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken zoals bebouwing, openbare ruimte, landschap, natuur en cultuurhistorie. Ze zijn zichtbaar in de omgeving. Ze gaan samen met de immateriële waarden zoals rust, gezondheid, leefbaarheid, levendigheid, aantrekkingskracht en andere culturele en sociale aspecten. Kernkwaliteiten zijn niet objectief; ze drukken een bepaalde mate van waardering uit. De afwegingsfactoren maken duidelijk dat het erg belangrijk is om bij ieder initiatief vooraf goed na te denken. Niet alleen over het doel van dat initiatief, maar met een brede blik. Programma’s zijn de vertaling van doelen naar acties. Bij die vertaling én bij de uitvoering van de acties wordt uiteindelijk bepaald wat er terecht komt van de gezamenlijke ambities uit de visie. In de uitvoering doen zich kansen en knelpunten voor die vragen om een keuze. Die keuzes zijn bepalend voor het succes van het beleid. De gezamenlijke ambities zijn alleen te halen als iedereen de keuzes maakt die zoveel mogelijk bijdragen aan deze ambities.
Beoordeling en conclusie Onderhavig planvoornemen betreft de sloop van 143 woningen en nieuwbouw van 137 woningen. De vervanging van de woningen is noodzakelijk om de wijk toekomst- en klimaatbestendig te maken en te kunnen voorzien in de woonbehoeftes van zowel de huidige als toekomstige bewoners. Uitgangspunten van de beoogde nieuwe situatie zijn om het tuindorp karakter van de wijk te behouden en de groene uitstraling te versterken. Het plan sluit derhalve aan bij de ambities en afwegingsfactoren van de provincie Zeeland.
3.2.2
Provinciale Omgevingsverordening Zeeland 2018
De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Er zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen die dit projectgebied raken. Ten aanzien van de functie wonen is in de omgevingsverordening het volgende opgenomen: Artikel 2.7 Wonen: In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied wordt toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden. Nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied, die niet voldoen aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden, worden in een bestemmingsplan niet toegelaten. In bijlage C zijn drie mogelijkheden opgenomen: 1. Het benutten van bestaande bebouwing, rood voor rood; 2. Ruimte voor Ruimte; 3. Nieuwe bebouwing, rood voor groen.
15
Beoordeling en conclusie Met betrekking tot wonen is de Omgevingsverordening Zeeland 2018 voornamelijk gericht op woningbouw in het landelijk gebied. De omgevingsverordening stelt geen voorwaarden aan woningbouw in bestaand stedelijk gebied. Onderhavig projectgebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, de Omgevingsverordening Zeeland 2018 is derhalve niet van invloed op het planvoornemen.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie 'Vlissingen stad aan zee - een zee aan ruimte'
Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad van Vlissingen de structuurvisie 'Vlissingen stand aan zee - een zee aan ruimte' vastgesteld. De gemeente heeft de ambitie Vlissingen gereed te maken voor de toekomst. De gemeente wil in deze structuurvisie verschillende ontwikkelingen koppelen aan de ruimtelijke opgave, een visie tot 2020. In Vlissingen is een groot deel van de woningen gebouwd in de periode 1945-1970. Hiervan moet worden bezien of en hoe ze in de toekomst bruikbaar blijven voor de Vlissingse bevolking. Een opvallend kenmerk van de Vlissingse woningmarkt is de fors lagere gemiddelde woningwaarde ten opzichte van Zeeland. Vooral de groep woningen met een WOZ waarde van € 100.000 - € 150.000 per woning is oververtegenwoordigd (38% Vlissingen t.o.v. 26% Zeeland). Herstructurering van met name deze categorie levert kansen op voor verbetering van de woonkwaliteit, de aantrekkelijkheid van de stad als geheel en een grotere diversiteit in het woningaanbod. De basis voor het toekomstig beleid is het inspelen op ontwikkelingen door vergrijzing en krimp als kans te zien en zo meer kwaliteit aan de stad toe te voegen. Waar verouderde huizen staan, wordt gericht opgeknapt en selectief bijgebouwd, passend bij de bevolkingsopbouw en voorziene woningvraag vanuit de stad.
Beoordeling en conclusie Op de structuurvisiekaart is het projectgebied niet aangewezen met een specifieke aanduiding. De woningen binnen het projectgebied zijn nog van vóór de periode 1945-1970. De woningen hebben te maken met vocht, tocht en zout, zijn slecht geïsoleerd en verkeren in slechte technische staat. Er is derhalve gekozen voor vervangende nieuwbouw, waarmee de woonkwaliteit en leefbaarheid aanzienlijk wordt verbeterd. Het planvoornemen past daarmee binnen het gemeentelijke beleid.
3.3.2
Toekomstvisie Vlissingen 2040
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen heeft in juli 2021 de Toekomstvisie Vlissingen 2040 vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente. In september 2021 is de visie ook door de raad vastgesteld. Met de toekomstvisie wil de gemeente antwoord geven op vragen als: wat wil de gemeente in 2040 hebben bereikt? Met welke thema's moet de komende jaren aan de slag worden gegaan? Wat maakt de gemeente bijzonder? En wat vinden inwoners, ondernemers en verenigingen belangrijk? Met de beantwoording op deze vragen vormt de toekomstvisie de basis voor alle ontwikkelingen in de gemeente Vlissingen. De gemeente Vlissingen heeft voor het jaar 2040 onder andere de ambitie om een duurzame gemeente te zijn waarin volop gebruik wordt gemaakt van de aanwezige deltabronnen als hernieuwbare energie. De aanwezige specialistische (delta)kennis zal daarbij de sleutel vormen tot innovatieve oplossingen. Door klimaatadaptief te bouwen zijn de woonwijken in 2040 gewapend tegen de gevolgen van klimaatveranderingen zoals de toenemende wateroverlast, hittestress en droogte. In 2040 zijn nieuwbouwprojecten en renovaties daarnaast ook circulair en natuurinclusief. Om dit te bereiken is het hergebruik
16
van materialen een must en wordt er gebouwd aan natuur in de wijk. Een groene omgeving stimuleert beweging en sociaal contact waarmee er een positieve bijdrage kan worden geleverd aan de mentale en fysieke gezondheid van bewoners en de sociale cohesie binnen een wijk. Met het oog op duurzame mobiliteit, grondstoffen en energie, is het streven van de gemeente dat de auto in 2040 is teruggedrongen uit het straatbeeld door alternatieve duurzame manieren van vervoer aan te bieden. Voor bouwen is gasvrij de regel en streeft de gemeente om in 2040 bijna volledig gasvrij te zijn.
Beoordeling en conclusie De bestaande woningen binnen de wijk verkeren in een slechte staat en zijn daardoor niet duurzaam in energieverbruik en bestand tegen de gevolgen van klimaatverandering. Een van de grote problematieken van de wijk is dat bij zware regen- en onweersbuien het hemelwater onvoldoende kan worden opgevangen en verwerkt, waardoor het water in de straten blijft staan en overloopt tot binnen de woningen. Met de beoogde herontwikkeling van de wijk door sloop en nieuwbouw kan er een bijdrage worden geleverd aan de ambities van de gemeente Vlissingen met betrekking tot klimaatadaptie en duurzaamheid. De nieuwbouwwoningen zullen gasloos worden aangelegd en voldoen aan alle moderne eisen en normen van bouwkwaliteit. Met de nieuwe inrichting van de wijk wordt meer ruimte vrijgemaakt voor groen en natuur, dit kan bijdragen aan de gezondheid van de inwoners en kan daarnaast bij zware regenbuien worden gebruikt ten behoeven van de opvang en infiltratie van hemelwater. Op basis van de bovenstaande beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde herontwikkeling van de Crocuslaan e.o. aansluit op de ambities van de gemeente die zijn opgenomen in de Toekomstvisie Vlissingen 2040.
17
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuhygiënische aspecten die van belang zijn voor het projectgebied nader toegelicht.
4.1
Bodem
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.
4.1.1
Vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek
Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van deze onderzoeken is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen ontwikkeling. Door de omvang is het projectgebied bij de uitvoering van deze onderzoeken in twee deellocaties gesplitst. De volledige rapportage van het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van deellocatie 1 'Crocuslaan e.o.' is als bijlage 3 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De rapportage van het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van deellocatie 2 'Bloemenlaan e.o.' is te vinden in bijlage 4.
Deellocatie 1 Op de locatie gelegen aan de Crocuslaan e.o. te Vlissingen is in oktober tot december 2021 een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie is aangelegd omstreeks 1921 en betreft de straten: Anjelierenlaan, Begonialaan, Bloemenlaan, Crocuslaan, Hyancinthenlaan, Irislaan, Margrietenlaan, Primulalaan te Vlissingen. De onderzoekslocatie heeft een totaal oppervlakte van circa 33.500 m2 (kadastraal bekend als; gemeente Vlissingen, sectie B, (ged.) percelen 2071, 2282, 2323, 2324, 2325, 2326, 2327, 2329, 2359, 2361 en 2365). De locatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in totaal 43 boringen verricht waarvan vier boringen zijn afgewerkt met een peilbuis. De volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage 3 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
Conclusies Sterke verontreiniging met PAK in bovengrond In de bovengrond ter plaatse van boringen P3, 10, 12, 13, 27, 28, 30, en 42 is een sterk verhoogd gehalte met PAK aangetoond.
Verticale afperking PAK De verontreiniging ter plaatse van P3 is niet afgeperkt in verticale richting. De sterke
18
verontreiniging met PAK is in de overige boringen niet aangetoond in de laag dieper dan 0,5 m -mv.
Sterke verontreiniging met zink in bovengrond In de bovengrond ter plaatse van boringen 5, 27, 28 en 42 is een sterk verhoogd gehalte met zink is aangetoond.
Verticale afperking zink De sterke verontreiniging met zink is in boring 5 niet verticaal afgebakend (tot 0,6 m -mv een sterke verontreiniging). In de overige boringen is geen sterke verontreiniging met zink aangetoond dieper dan 0,4 m -mv.
Ondergrond en grondwater In de ondergrond zijn lichte verontreinigingen met PCB, minerale olie, zink, lood, PAK, cadmium, kwik, koper en molybdeen aangetoond. In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met barium aangetoond.
PFAS Het PFAS gehalte in de bovengrond overschrijdt de toepassingsnorm voor bodemkwaliteitsklasse Wonen en Industrie. Het PFAS gehalte in de ondergrond voldoet aan de landelijke achtergrondwaarde.
Algemene conclusie De hypothese "De onderzoekslocatie onderzoeksresultaten verworpen te worden.
is
onverdacht"
dient
op
basis
van
Aanbevelingen Op basis van de onderzoeksresultaten is de verwachting dat de sterke verontreinigingen met zink en PAK binnen het projectgebied heterogeen verspreidt aanwezig zijn. Hierdoor wordt verwacht dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De bron van de aangetroffen verontreinigingen is niet bekend. Vermoedelijk betreft het een historische verontreiniging (ontstaan voor 1987). Om meer inzicht te verkrijgen in de mate en omvang van de verontreiniging wordt aanbevolen een nader bodemonderzoek uit te voeren. Verspreidt binnen het projectgebied komen in de bovengrond gehalten aan PFOS voor, die hoger liggen dan de toepassingseisen van grond binnen de bodemkwaliteits- en/of functieklasse Wonen of Industrie. Aanbevolen wordt om eventueel vrijkomende grond binnen deze delen van het projectgebied en in hetzelfde bodemtraject te hergebruiken. Opgemerkt dient te worden dat aan de hand van de bevindingen van onderhavig onderzoek geen absolute uitspraken kunnen worden gedaan over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond. Om te bepalen of er sprake is van grond (bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde, wonen of industrie) ofwel een bouwstof gelden er andere beoordelingscriteria en onderzoeksstrategieën. Voldaan moet worden aan het Besluit bodemkwaliteit.
19
Deellocatie 2 Op de locatie gelegen aan de Bloemenlaan e.o. te Vlissingen is in oktober en november 2021 een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie is aangelegd omstreeks 1921 en heeft een totaal oppervlakte van circa 800 m2 (kadastraal bekend als; gemeente Vlissingen, sectie B, (ged.) perceel 2092). De locatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in totaal 6 boringen verricht waarvan één boring is afgewerkt met een peilbuis. De volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage 4 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
Conclusies Grond De bovengrond ter plaatse van boring 48 is sterk verontreinigd met zink. De omvang van deze sterke zinkverontreiniging is niet geheel in kaart gebracht. Hiervoor is nader bodemonderzoek noodzakelijk. Het vermoeden bestaat dat de sterke zinkverontreiniging bij boring 48 beperkt van omvang is. De bron van de aangetroffen zink verontreiniging is niet bekend. Verder blijkt uit de analyseresultaten dat de (boven)grond plaatselijk licht verontreinigd is met PCB, koper, cadmium, kwik, lood en PAK. De ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde.
PFAS Het PFAS gehalte in de bovengrond voldoet aan de toepassingsnorm voor bodemkwaliteitsklasse Wonen en Industrie. Het PFAS gehalte in de ondergrond voldoet aan de landelijke achtergrondwaarde.
Grondwater In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetroffen. De hypothese "De onderzoekslocatie is onverdacht" dient op basis van onderzoeksresultaten verworpen te worden.
Aanbevelingen Op basis van de onderzoeksresultaten is de verwachting dat de omvang van de sterke verontreiniging met zink, ter plaatse van de bovengrond van boring 48 (traject 0,15 0,5 m mv) beperkt is. Om meer inzicht te verkrijgen in de mate en omvang van de verontreiniging wordt aanbevolen een beperkt nader bodemonderzoek uit te voeren. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is al wel duidelijk dat de (boven)grond niet vrij is van verontreinigingen. Bij toekomstige ontwikkelingen of grondverzet dient rekening te worden gehouden met de aangetoonde bodemkwaliteit. Opgemerkt dient te worden dat aan de hand van de bevindingen van onderhavig onderzoek geen absolute uitspraken kunnen worden gedaan over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond. Om te bepalen of er sprake is van grond (bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde, wonen of industrie) ofwel een bouwstof gelden er andere beoordelingscriteria en onderzoeksstrategieën. Voldaan moet worden aan het Besluit bodemkwaliteit.
20
4.1.2
Nader bodemonderzoek
Door Gemeente Vlissingen is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van het nader bodemonderzoek aan de Crocuslaan e.o. te Vlissingen. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de wijk, waaronder wegreconstructies, rioleringswerk, herinrichting van het openbaar gebied en nieuwbouw. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de te roeren bodemlagen en op te breken wegconstructies. De volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage 5 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Hieronder volgt een samenvatting met de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek.
Conclusies nader bodemonderzoek Bodemopbouw De bodemopbouw van de openbare wegen (rijbanen) is klinkers op puin op zand. Kortheidshalve wordt verwezen naar hoofdstuk 3 en bijlage 1 en 2 van het onderzoeksrapport (zie bijlage 5) voor meer gedetailleerde informatie. De bodem van de woonpercelen bestaat hoofdzakelijk uit kleilagen, met in de bovengrond veelal met lichte stedelijke bijmengingen van baksteen en kolengruis. In de brandgangen zijn ook veelal kleilagen aanwezig, hier met meer bijmenging.
Funderingskwaliteit In de funderingen van de rijbanen is geen asbest aangetroffen. Ook zijn bij indicatief onderzoek naar chemische verontreinigingen in de rijbanen geen bijzonderheden gebleken.
Civieltechnische kwaliteit cunetzand Het cunetzand voldoet in alle straten indicatief aan de eisen voor zand in aanvulling of ophoging. Het zand onder de kruising Irislaan-Boterbloemlaan-Paul Krugerstraat is grover en voldoet indicatief ook aan de eisen voor draineerzand.
Bodemkwaliteit rijbanen De verschillende bodemlagen voldoen grotendeels aan de achtergrondwaarden. Alleen het zandpakket in de Primulalaan en de veenlagen worden indicatief beoordeeld als grond klasse Industrie.
Bodemkwaliteit brandgangen De bodem in de brandgangen tussen de Bloemenlaan-Primulalaan, de Primulaan-Hyacinthenlaan en de Hyacinthenlaan-Irislaan is sterk verontreinigd met zink en/of PAK10. Vermoedelijk gaat het om een historische verontreiniging (<1987). Het betreft dan een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Bodemkwaliteit woonpercelen In algemene zin zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten van met name zware metalen en PAK10 aanwezig. Dit is typerend voor oudere woonwijken. De gehalten voldoen grotendeels aan de Maximale Waarde voor de klasse Industrie.
21
Uitzonderingen hierop zijn de tuinen van Bloemenlaan 2 en Margrietenlaan 25. Hier wordt in de bovengrond de interventiewaarde voor zink overschreden. Dit betreffen saneringsplichtige verontreinigingen. Daarnaast wordt in de bovengrond van de tuin van de Hyacinthenlaan 21 de interventiewaarde voor PCB7 overschreden. De ernst en omvang van deze verontreiniging is niet bekend. Er is geen reden om aan te nemen dat de verontreiniging doorloopt in de aangrenzende openbare weg, die en andere bodemopbouw heeft. Het zelfde geldt voor het zuidelijk deel van deze tuin, waar de kleiige bovengrond met bijmenging is vervangen door een zandfundering onder de tegels.
Grondwaterkwaliteit De grondwaterkwaliteit ten behoeve van eventuele bemaling en lozing is vastgelegd in paragraaf 4.5 en Bijlage 4B van het onderzoeksrapport (zie bijlage 5). De milieuhygiënische grondwaterkwaliteit was reeds in 2021 vastgelegd door ABO Milieuconsult BV (zie paragraaf 4.1.1 en bijlagen 3 en 4).
Veiligheid bij werken in de bodem Voor het gehele plangebied geldt dat op basis van CROW400 kan worden uitgegaan van werkzaamheden met basishygiënische maatregelen. Er is geen veiligheidsklasse van toepassing.
Aanbevelingen Sanering Bloemenlaan 2, Margrietenlaan 25, Hyacinthenlaan 21 en brandgangen Voor de Hyacinthenlaan 21 is het aan te raden om eerst middels nader bodemonderzoek de omvang van de PCB7-verontreiniging vast te leggen. Geadviseerd wordt om dit bodemonderzoek voor te leggen aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming (RUD Zeeland) teneinde een beschikking •"ernst en spoed" op de bovengenoemde terreindelen te verkrijgen. Daarnaast het advies om deze terreindelen gelijktijdig met de herinrichting van het plangebied te saneren. De meest voor de hand liggende saneringsvarianten zijn verwijdering (woonpercelen en brandgangen) en/of isolatie onder verharding (alleen brandgangen). Afhankelijk van de voorgenomen saneringswijze en verwerkingstechnieken van vrijkomende verontreinigde grond, kan aanvullend saneringsonderzoek noodzakelijk zijn naar bijvoorbeeld de korrelverdeling of het chloridegehalte.
Partijkeuringen bij grondverzet De bodemkwaliteit op de woonpercelen en de kwaliteit van de veenlagen voldoet in het algemeen niet aan de verwachting op basis van de bodemkwaliteitskaart. In geval van het nuttig herbestemmen van deze uitkomende grond kan alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring op grond) nodig zijn. Dit is afhankelijk van onder andere -maar niet uitsluitend- de afzetlocatie, de partijomvang, de aangetroffen gehalten en de bodemvreemde bijmengingen. De eventuele noodzaak tot verdere keuring en mogelijkheden hiervoor kunnen in overleg met het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (veelal de ontvangende gemeente) en/of een milieuadviesbureau worden bepaald.
Hergebruik niet-vormgegeven bouwstoffen binnen plangebied Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er geen belemmeringen tegen het hergebruik
22
van de funderingen van de rijbanen binnen het projectgebied.
Grond en funderingen niet vermengen Bodemvreemde lagen of bijmengingen kunnen stoffen bevatten die, bij vermenging met grond, een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken of reeds hebben veroorzaakt. Vermenging met (bijvoorbeeld onder-, boven-, en naastgelegen) grond dient daarom voorkomen te worden.
Conclusie bodem Ten aanzien van het initiatief zullen de aanbevelingen uit het bodemonderzoek door de initiatiefnemer worden opgevolgd. Hiervan uitgaande zullen de verontreinigde gornden volledig worden gesaneerd en zal de bodemkwaliteit geschikt worden gemaakt voor de functie wonen.
4.2
Geluid verkeer
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald, dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bebouwing binnen geluidzones van (spoor)wegen, middels een akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond of ter plaatse de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient namelijk te worden voorkomen.
4.2.1
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de zone van een weg is het uitvoeren van een onderzoek verkeerslawaai verplicht gesteld. Onderhavig voornemen voorziet in de bouw van woningen (geluidgevoelige objecten) binnen de geluidszone van de Paul Krugerstraat en Singel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen: Acacialaan, Anjelierenlaan, Beatrixlaan, Begonialaan, Bloemenlaan, Bosjeslaan, Boterbloemlaan, Crocuslaan, Geraniumlaan, Hyacintenlaan, Irislaan, Margrietenlaan, Meidoornlaan en Primulalaan in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. De volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage 7 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Voor het projectgebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningblokken. Voor elke zijde van een blok zijn toetspunten ten behoeve van 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2022.41. Ten gevolge van Paul Krugerstraat en de niet-gezoneerde wegen Bloemenlaan, Irislaan en Margrietenlaan treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB.
De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Paul Krugerstraat is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Voor de overige wegen die leiden tot een overschrijding kunnen vanwege het geldende snelheidsregime van 30 km/uur formeel geen hogere waarden aangevraagd worden. Het akoestisch klimaat van de woningen (het zogenaamde binnenniveau) dient wel te worden gegarandeerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een afweging van geluidsreducerende maatregelen voor de Bloemenlaan, Irislaan en Margrietenlaan gewenst.
Conclusie
23
Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Paul Krugerstraat dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.
4.2.2
Nader onderzoek geluidwering gevels
PM
4.3
Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen dan ook verplicht. In het kader van de beoogde ontwikkeling binnen het projectgebied is een watertoets uitgevoerd. Hierin wordt beschreven op welke wijze in het projectgebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. De volledige rapportage van de watertoets is aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegevoegd als bijlage 6. Hieronder volgen de meest relevante aspecten en conclusies uit de watertoets.
Waterbeleid Beleid Waterschap Scheldestromen Het waterschap heeft met betrekking tot waterbeheer een serie richtlijnen opgesteld voor planontwikkelingen in bebouwd gebied. Met deze richtlijnen geeft het waterschap aan waarmee rekening moet worden gehouden bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan. Uitbreiding van verhard oppervlak heeft tot gevolg dat hemelwater sneller wordt afgevoerd en veelal minder geborgen/geïnfiltreerd kan worden in de ondergrond. Bij een ruimtelijk plan met een toename aan afstromend verhard oppervlak dient vooraf te worden bepaald waarheen en hoe het overtollige hemelwater wordt geborgen (afgevoerd). Dit geldt overigens ook voor 'inbreidingen' en voor afkoppelprojecten van (bestaand) bebouwd gebied. Wanneer er een toename is van verhard oppervlak, mag het extra verharde oppervlak niet worden aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Hiervoor dient, indien het water niet hergebruikt wordt, compensatie plaats te vinden in de vorm van een infiltratie- of extra aan te leggen waterbergingsvoorziening. Waterberging kan aangelegd worden op eigen terrein of gezocht worden in het watersysteem van het waterschap. Voor de inrichting van deze berging bestaat een groot aantal mogelijkheden.
Berging kan aangelegd worden door middel van nieuw te graven open water, maar kan bijvoorbeeld ook worden gevonden in droge bergingen zoals wadi's, regenwaterbassins en doorlatende verhardingen met ondergrondse waterberging. Het te hergebruiken of te infiltreren water kan in mindering worden gebracht op de waterbergingseis. Voor de berekening van de waterberging wordt uitgegaan van een neerslagsituatie met een herhalingstermijn van 1 x per 100 jaar (T=100). Een dergelijke bui moet in principe binnen het ruimtelijk projectgebied kunnen worden geborgen. Als richtlijn wordt gerekend met een waterbergingsbehoefte van 75 mm neerslag per m2 toename verhard oppervlak. In nieuw bebouwd gebied moet worden tegengegaan dat 'schone' verhardingen op het vuilwaterriool worden aangesloten. In bestaand bebouwd gebied is dat beter bekend onder de term afkoppelen. Wanneer geen uitlogende materialen, zoals koper, zink en lood
24
worden gebruikt, wordt het afstromende hemelwater beschouwd als schoon. Dit hemelwater dient bij voorkeur in de aangegeven voorkeursvolgorde te worden aangewend: 1. hergebruik (bijv. voor toiletten, (auto)wassen, tuinsproeien); 2. infiltratie in de bodem; 3. lozing op oppervlaktewater (en kansen voor het (extra) doorspoelen daarvan). Het verlies aan waterberging door dempingen en door het instellen van een hoger oppervlaktewater-peil binnen een ruimtelijk projectgebied t.o.v. het oorspronkelijk waterpeil dient te worden gecompenseerd. Doorgaande verbindingen die voor het waterbeheer van het achterliggende gebied noodzakelijk zijn, kunnen pas worden gedempt of aangepast nadat zij afdoende zijn gecompenseerd of omgeleid. Als de benodigde totale waterberging planologisch gelokaliseerd is in een latere fase, dan dient per fase van het ruimtelijk plan rekening te worden gehouden met voldoende compensatie per onderdeel, zodat de realisatie van de waterberging (eventueel elders) ook gelijke tred houdt met de uitbreiding van het verharde oppervlak. In de waterparagraaf dient ingegaan te worden op de fasering en onderbouwing van de waterbergingsaspecten. Het heeft de voorkeur om waterberging en waterpartijen in het laagste deel van het peilgebied te situeren.
Bij een hogere ligging van de waterberging dient de effectiviteit van een waterberging te worden gewaarborgd; vaak is het dan nodig dat er een specifiek peilregulerend kunstwerk wordt geplaatst.
Gemeente Vlissingen De gemeente Vlissingen heeft een Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2021 opgesteld. Hierin heeft de gemeente Vlissingen een afkoppelplan opgesteld. Het doel hiervan was om inzichtelijk te krijgen waar kansen liggen om verhard oppervlak van het gemengde riool af te koppelen. Afkoppelen betekent dat er minder afstromend verhard oppervlak op het gemengde riool is aangesloten waardoor er minder schoon regenwater door het gemengde riool afgevoerd hoeft te worden. Minder regenwater in het gemengde riool heeft een positief effect op het terugdringen van de vuilemissie en verkleint de kans op wateroverlast bij de meer hevige buien. Daarnaast kan afkoppelen toegepast worden om bijvoorbeeld het afgekoppelde schone water naar oppervlaktewateren af te voeren en de doorstroming te verbeteren. Voor bestaande situaties wordt, waar mogelijk, bovengronds afkoppelen toegepast. Indien dit niet mogelijk blijkt wordt gekozen voor de aanleg van een apart hemelwaterriool. Het afkoppelen geschiedt zorgvuldig, met aandacht voor risico’s ten aanzien van de waterkwaliteit en aandacht voor beheer- en onderhoudsaspecten. Ook wordt gewaakt voor kapitaalvernietiging. Dit alles heeft tot doel om te komen tot meer robuuste en flexibele afvoersystemen die de klimatologische ontwikkelingen aankunnen.
Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente Vlissingen wordt aangesloten op de riolering of een alternatieve voorziening. Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozing op oppervlaktewater en in de bodem niet toe te laten. Bij de bouwaanvraag wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Bij nieuwbouw zal in principe al het hemelwater worden afgekoppeld. De afvoer van het hemelwater dient daarbij wel te voldoen aan de eisen van de watertoets. Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater riolering en voor grondwater aangelegd bij het bouwrijp maken van de locatie. De aanleg- en investeringskosten hiervoor zijn opgenomen in de grondexploitatie(s). Wanneer dit zou worden bekostigd uit de rioolheffing wordt de rioolheffingsgrondslag daardoor substantieel verhoogd. Dit resulteert dan voor alle inwoners en gebruikers tot hogere heffingslasten. Verhard oppervlak wordt in principe volledig afgekoppeld. In een rioleringsplan (of
25
waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, zal met behulp van riolering worden ingezameld en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Beoogde ontwikkeling Verhard oppervlak Voor de benadering van zowel het huidig als toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van de verhardingsberekening. In het kader van de watertoets wordt 75 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van tuin/erfverharding. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met 3.370 m2. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 26.625 m2.
Waterbergingsopgave Conform het beleid van het waterschap Scheldestromen mag bij een toename van het verhard oppervlak, het extra verharde oppervlak niet worden aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Hiervoor dient, indien het water niet hergebruikt wordt, compensatie plaats te vinden in de vorm van een infiltratie- of extra aan te leggen waterbergingsvoorziening. Waterberging kan aangelegd worden op eigen terrein of gezocht worden in het watersysteem van het waterschap. De gemeente Vlissingen hanteert geen specifiek beleid voor het realiseren van waterberging of een bergingseis bij nieuwbouw. Ten aanzien van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak af en zal de wijk groener worden ingericht. Doordat er sprake is van een afname van het verhard oppervlak is, volgens het beleid van het waterschap geen watercompensatie vereist.
Waterhuishouding Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; Huidig verhard oppervlak circa 29.995 m2; Toekomstig verhard oppervlak circa 26.625 m2; Afname verhard oppervlak 3.370 m2; Geen compensatieplicht; Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); Hemelwater Algemeen Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt.
26
De gemeente Vlissingen heeft aangegeven dat er wel een bergingsbehoefte binnen de wijk Bloemenbuurt bestaat. Met de herstructurering van de wijk wordt gestreefd naar een robuuste en klimaatbestendige inrichting met zowel binnen en buiten de planlocatie groene zones, welke als tijdelijke waterberging voor overtollig water kunnen fungeren. Bij de verdere planuitwerking dient dit meegenomen te worden. Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit kan o.a. beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen of bepaalde bedrijfsprocessen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Klimaatbestendige wijk Er zijn verschillende maatregelen die getroffen kunnen worden om het hemelwater op een robuuste manier te bergen. Om het hemelwater op een duurzame manier te verwerken (hydrologisch neutraal) wordt geadviseerd om in de toekomstige (tuin)ontwerpen niet te veel verharding aan te brengen en bijvoorbeeld te werken met halfverhardingen. Het toepassen van halfverhardingen zorgt ervoor dat het regenwater gemakkelijk in de bodem kan wegzakken. Op deze manier kan het grondwater worden aangevuld. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van waterpasserende verharding of halfverharding (grind, schelpen, steenslag). Daarnaast kan de wijk zodanig ontworpen worden dat het regenwater gemakkelijk naar het groen kan stromen door bijvoorbeeld groenstroken en/of plantvakken lager te plaatsen en deze zonder opstaande rand aan te leggen. Door in het ontwerp daarnaast te werken met hoogteverschillen kan tijdens zware regenbuien tijdelijk water worden vastgehouden in de onverharde lager gelegen delen. In deze delen kan het regenwater dan geleidelijk infiltreren in de bodem. Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden dat de lager gelegen delen op afstand van zowel de woning als naastgelegen percelen zijn gelegen. Ook het toepassen van een ondergrondse voorzieningen zoals infiltratiekratten, infiltratiegoten, Rainblox of grindkoffers behoort tot de mogelijkheden.
Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd.
Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.
Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.
Conclusie Vanuit het oogpunt van de waterhuishouding worden geen belemmeringen verwacht ten
27
aanzien van de beoogde ontwikkeling van het gebied.
4.4
Flora en fauna
Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.
Quickscan Wet natuurbescherming Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden die aanwezig kunnen zijn binnen het projectgebied en de mogelijke projecteffecten op beschermde soorten is een quickscan Wet natuurbescherming opgesteld. De volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage 8 toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.
Toetsing gebiedsbescherming Natura 2000 De werkzaamheden vinden plaats buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. De voorgenomen werkzaamheden daarom niet leiden tot versnippering en oppervlakteverlies. Nabij de voorgenomen werkzaamheden komen geen aangewezen habitatsoorten voor waarvoor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden en Westerschelde en Saeftinghe zijn aangewezen. Het projectgebied vormt geen essentieel leefgebied voor deze soorten omdat het grotendeels een intensief beheerde (deel van een) woonwijk betreft. Hierdoor kunnen effecten op voorhand worden uitgesloten. Verstoringseffecten zijn op aangewezen vogels van Westerschelde & Saeftinghe, Veerse Meer en Oosterschelde is niet aan de orde. De wegberm waarin de werkzaamheden zijn voorzien vormt geen essentieel leefgebied voor aangewezen soorten. Effecten van de voorgenomen ingreep op aangewezen vogels kunnen op voorhand worden uitgesloten.