5.7 rvs Regionale Mobiliteitsstrategie bijlage 5 brief GS
Tekst van het document
Provincie Zeeland Gedeputeerde Staten Postbus 6001 4330 LA MIDDELBURG
UW BRIEF VAN
UW KENMERK
BEHANDELD DOOR F. Hamelink
BEZOEKADRES Paul Krugerstraat 1
ONS KENMERK 1318654 / 1318774 TELEFOON 0118-487176
DATUM 21 januari 2022 BIJLAGEN
ONDERWERP Reactie Concept Mobiliteitsstrategie Zeeland
Geachte heer/mevrouw, U heeft ons gevraagd te reageren op de Concept Mobiliteitsstrategie. In zijn algemeenheid kunnen we stellen dat de meeste voorstellen ons logisch lijken. Tegelijkertijd geven de hoofdstukken “De mix van mobiliteit” en “Mobiliteitscentrale” wel aanleiding tot een aantal grote zorgen vanuit het oogpunt van bereikbaarheid, het sociaal domein en de artikel 12positie van de gemeente. Vooraf merken wij op dat deze reactie is opgesteld onder tijdsdruk, waardoor niet alle risico’s op dit moment volledig kunnen worden overzien. Het is dus niet uitgesloten dat we later nog op aanvullende risico’s zullen stuiten. In deze brief leest u onze zorgen. Algemeen Twee hoofddoelstellingen in het lokale doelgroepenvervoerbeleid zijn het zorg dragen voor een kwalitatief goed aanbod aan vervoer voor onze kwetsbare inwoners enerzijds, en het verminderen van de uitgaven anderzijds. Het is onduidelijk hoe de voorstellen uit de conceptstrategie aan deze lokale doelen bij zou kunnen dragen. Vooralsnog dreigen we juist financiële risico’s te lopen in plaats van mogelijkheden tot besparing te zien. We vinden het bovendien van belang dat bij het inrichten van een nieuw systeem, het mobiliteitssysteem zich aan de doelgroep aanpast en niet andersom. Dit vraagt om een verdieping in de diverse mobiliteitsprofielen van het doelgroepenvervoer.
Daarnaast is het tijdspad dat u voorstelt problematisch. In november wilt u reeds een definitieve mobiliteitsstrategie ter besluitvorming voorleggen. Dit betekent onder andere dat het onderzoek naar integratie van het Wmo-vervoer en openbaar vervoer tussen Vlissingen en Middelburg niet wordt afgewacht. Gelet op de onduidelijkheid over de praktische uitvoerbaarheid van integratie van Wmo-vervoer en openbaar vervoer, gegeven de kenmerken van de Wmo-doelgroep, kunnen deze resultaten zeker van belang zijn. De gemeente Vlissingen is voornemens om te onderzoeken op welke wijze het doelgroepenvervoerbeleid geoptimaliseerd kan worden. We sluiten niet uit dat naar aanleiding hiervan nog aanvullende principes of risico’s naar voren komen.
POSTBUS 3000, 4380 GV VLISSINGEN TELEFOON 0118-487000 EMAIL GEMEENTE@VLISSINGEN.NL FAX 0118-410218 IBAN: NL36BNGH0285008889 BIC: BNGHNL2G
Financieel In uw Concept Moiliteitsstrategie geeft u aan dat de budgetten voor doelgroepenvervoer de komende jaren ongewijzigd dienen te blijven om het aanbod te kunnen waarborgen. Uit analyse blijkt dat de huidige vervoersstromen in het doelgroepenvervoer al dusdanig efficiënt worden ingepland dat hier slechts een beperkte winst in valt te behalen binnen het doelgroepenvervoer. Echter stelt de provincie tegelijkertijd wel dat het belangrijk is dat de gemeentelijke budgetten voor het doelgroepenvervoer en de provinciale budgetten voor het deeltaxisysteem moeten worden ontschot, omdat het voor een efficiënt systeem van deelmobiliteit nodig is dat deze twee systemen in de uitvoering gebundeld worden. De speciale financiële situatie van de gemeente Vlissingen maakt dat we als gemeente zeer kritisch moeten kijken naar de financiële consequenties van nieuwe plannen. Het ontschotten van budgetten lijkt op het eerste zicht dan ook niet logisch. Hiermee geven we immers een stuk grip en zicht op financiën weg, terwijl onduidelijk is op welke wijze het gemeenschappelijke zorgpunt van ‘grip op de financiën’ zich vertaalt naar de inhoud en op welke wijze de gemeenten grip kunnen houden in een nieuw samenwerkingsverband. Aan de voorkant is hierover meer duidelijkheid nodig. Bijvoorbeeld in de vorm van een businesscase.
Daarnaast is het juist mogelijk dat veranderingen in het busnetwerk zouden leiden tot een groter beroep op het doelgroepenvervoer. In welke mate dit het geval zou kunnen zijn, blijkt niet uit de huidige onderzoeken. Dit roept de vraag op of het handhaven van ons huidige budget dan überhaupt wel toereikend zal zijn om het doelgroepenvervoer te financieren. Ook deze potentiële kostenstijging is problematisch gelet op de artikel 12-status van de gemeente Vlissingen. Zeeuwse hub strategie De (door)ontwikkeling van het concept Zeeuwse hub strategie op diverse niveaus vinden wij logisch en passend bij de hieronder te behandelen mobiliteitsmix. De belangrijkste hub in Vlissingen wordt het stationsgebied. Dit wordt de ‘centrum’ hub van Vlissingen en deze gaan we uitwerken met het project Stationsgebied. Hierbij wordt ingezet op het versterken van de ketenvervoermogelijkheden en de verbinding met het centrum en de Kenniswerf. Voorbeelden hiervan zijn het verbeteren van het auto-en fietsparkeren, deelfietsen, e-deelauto’s en oplaadfaciliteiten voor elektrische auto’s en innovatieve vervoersmogelijkheden. Tevens wordt gekeken naar het aantrekkelijker maken van de verblijfskwaliteit van het stationsgebied. Als onderdeel van ‘Wind in de zeilen’ sluit dit project naadloos aan op het project ‘Slimme Mobiliteit’.
Naast de investering in het stationsgebied voorzien wij de noodzaak voor meerdere mobiliteitshubs in de gemeente Vlissingen. Waar deze moeten komen en hoe deze er uit moeten zien willen we graag verder met u onderzoeken. De gekozen richting van de Zeeuwse hub strategie kunnen wij ondersteunen en graag werken wij dit samen met u verder uit. Op basis van deze verdere uitwerking zijn we in staat om te bepalen welke investeringen hiermee gemoeid zijn en in welke mate de gemeente Vlissingen hieraan bij kan dragen. De mix van mobiliteit De concept mobiliteitsstrategie Zeeland schetst een beeld waarbij het “reguliere “openbaar vervoer als concept alleen nog in en tussen steden functioneert. Een fijnmazig netwerk aan openbaar vervoer, met vaste lijnen en bedieningstijden past steeds minder goed op plaatsen en tijden waar de vraag beperkt is. Delen van het openbaar vervoer worden te duur om goed te exploiteren en komen in een negatieve spiraal van minder gebruik, bezuinigen, minder aanbod en nog minder gebruik. Daarmee vermindert de kwaliteit van de beschikbare mobiliteitsvoorzieningen in o.a. het landelijk gebied. Daar zullen meer en meer nieuwe flexibele vraagafhankelijke concepten verschijnen. Tegelijkertijd zien we dat de kosten van het doelgroepenvervoer – in normale omstandigheden, dus zonder de impact van corona
Blad 2 behorend bij 1318654 / 1318774
mee te rekenen – steeds verder stijgen. De gedachtegang uit de Richtingennotitie was om in te zetten op sterke buslijnen en een aanvullend netwerk van fijnmazig vervoer. In dit nieuwe concept is het van belang dat er goed gekeken wordt naar goed bezette buslijnen en juist deze zo in te richten dat ze zo snel mogelijk reizigers vervoeren tussen belangrijke knooppunten. In de werksessie voor Walcheren waren er vooraf 3 varianten bedacht. Scenario 1 is de basis met 1 buslijn tussen Vlissingen, Koudekerke en Middelburg. In variant 2 en 3 krijgt deze variant een uitbreiding met een lijn van Middelburg door een deel van de gemeente Veere richting Noord- Beveland. Dit betekent dat er geen echt snelle verbinding is tussen Middelburg en Vlissingen terwijl dit 1 van de drukste routes is. Daarnaast rijdt er geen bus meer over Oost-Souburg. In de werksessie is het niet gelukt om met de beschikbare budgetten een fijnmazig systeem op te bouwen zonder reizigers te gaan verliezen. In de Concept Mobiliteitsstrategie staat dit ook vermeld en wordt aangegeven eerst een voldoende fijnmazig systeem op te bouwen en dan te bezien of de vervoerder nog mogelijkheden ziet om scenario 3 uit te voeren.
In deze opzet wordt de bereikbaarheid binnen Vlissingen met de bus minder, de verbinding tussen Middelburg en Vlissingen niet beter, krijg je minder reismogelijkheden vanaf het station Vlissingen en rijdt er geen bus meer door OostSouburg. Hoe het fijnmazig systeem eruit komt te zien en of dit een geschikt alternatief is blijft nog onduidelijk. Vlissingen is een gemeente met een relatief laag autobezit. Het nu voorgestelde systeem heeft het risico dat we reizigers in het openbaar vervoer gaan verliezen. Een deel van deze reizigers zal extra gebruik gaan maken van het doelgroepenvervoer of zelfs een auto aanschaffen. Er is, voor wat betreft het fijnmazige systeem, bovendien niet veel bekend over de toegevoegde waarde van deelmobiliteit i.c.m. doelgroepenvervoer. Belangrijke aandachtspunten die wel overwogen moeten worden bij de inzet van deelvervoer zijn is de geschiktheid van voertuigen en vervoerder. Niet alle deelvoertuigen en platforms zijn dusdanig ontwikkeld dat ze toegankelijk zijn voor mensen met een rolstoel. Daarnaast dienen voor sommige doelgroepen ook chauffeurs/ vrijwilligers ondersteuning te kunnen bieden.
Wanneer we constateren dat de steden een belangrijke rol vervullen bij de economische groei en in het overeind houden van (regionale) voorzieningen en het bieden van een aantrekkelijke blik op Zeeland, dan is het van essentieel belang dat deze voorzieningen te bereiken zijn voor iedereen. Dit vraagt om verbindingen tussen de steden die optimaal zijn, zowel over de weg als over het spoor. We zien de steden als knooppunten in reizigersstromen. Deze knooppunten willen we met elkaar verbinden zodat een robuust netwerk ontstaat, waar andere stromen op aan kunnen sluiten. Wij vragen u om snelle rechtstreekse verbindingen aan te leggen tussen de steden. Op deze snelle verbindingen tussen de steden kunnen kleinere lijnen worden aangesloten uit de meer rurale gebieden. Door het op deze wijze in te richten wordt een robuust basisnetwerk opgebouwd voor openbaar vervoer en wordt het zwaartepunt gelegd op de reizigersstromen en de voorzieningen die voor alle Zeeuwen van belang zijn, met de noodzakelijke snelle verbindingen naar buiten toe. Daarnaast vinden wij het van belang dat de openbaar vervoerverbindingen binnen de steden zelf ook op orde zijn, zodat de regionale voorzieningen ook binnenstedelijk te bereiken zijn. In de huidige Concept Mobiliteitsstrategie Zeeland lezen wij dit onvoldoende terug en ligt de focus teveel op het kernnetwerk dat tijdens de vorige concessie werd beoogd.
Er wordt niet voorzien in sterke snelle lijnen binnen en tussen steden en nog niet voorzien in een uitgewerkt aanvullend netwerk. Hierdoor ontstaat er een risico voor de bereikbaarheid van en binnen Vlissingen. Mobiliteitscentrale
Blad 3 behorend bij 1318654 / 1318774
U beoogt de huidige Gemeentelijke Vervoerscentrale B.V. (GVC) door te ontwikkelen tot een mobiliteitscentrale die de rechtsvorm van een openbaar lichaam aan dient te nemen. Alhoewel het idee van de ontwikkeling van een mobiliteitsbureau een “interessante gedachte“ is en een beter vervoersaanbod in Zeeland een streven is waar niemand op tegen kan zijn, houden de voorstellen voor het doelgroepenvervoer in Vlissingen een (groot) risico in. Daarom voelen wij ons genoodzaakt om in dit stadium te wijzen op diverse risico’s. De provincie stelt dat het van belang is dat er, samen met de definitieve Regionale Mobiliteitsstrategie, de intentie wordt uitgesproken om te komen tot een mobiliteitscentrale en hier een bestuursopdracht voor vast te laten stellen. In deze mobiliteitscentrale zou de nieuwe GVC onder andere verantwoordelijk worden voor de (Zeeuwse) aanbestedingen. Ook zouden zij de gemeenten voorzien van beleidsadvies. Ons beleid is echter een van de twee gemeentelijke sturingsmechanismen om grip te behouden op de uitgaven in het doelgroepenvervoer. Het tweede sturingsmechanisme om grip te behouden op de uitgaven in het doelgroepenvervoer is de indicatiestelling.
In het voorstel zou de gemeente zelf de verantwoordelijkheid blijven behouden over indicatiestelling, tarifering eigen bijdrage in het Wmo-vervoer en eventuele maximering van het aantal kilometers per reiziger in het Wmovervoer. Tegelijkertijd dient er echter harmonisering van het beleid op Zeeuws niveau plaats te vinden om te komen tot een samenwerking binnen het mobiliteitsbureau wat toch een effect kan hebben op onze regels omtrent indicatiestelling. Voorts stelt het onderzoeksrapport dat “Wel moet voorkomen worden dat deelnemers ander beleid vaststellen waarmee de uitvoering door de Mobiliteitscentrale niet op een effectieve en efficiënte wijze kan worden georganiseerd1.” Dit in potentie uit handen geven van de gemeentelijke regie, zowel op vlak van beleid als van indicatiestelling, lijkt strijdig met de aanvliegroute die in het kader van het artikel 12 traject is gekozen en de goedkeuring draagt van de artikel 12-inspecteur, die toezicht houdt op de financiën van de gemeente Vlissingen. Meer in zijn algemeenheid willen we meegeven dat u stelt dat er een mobiliteitscentrale moet komen, maar het voor ons onduidelijk is of betere/meer gestructureerde samenwerking tussen de aandeelhouders van de GVC ook resultaten op zou kunnen leveren. Het beantwoorden van deze vraag is een belangrijke stap die overgeslagen lijkt te zijn in het proces.
Hierop hebben wij u reeds gewezen in onze brief in reactie op de voorstellen uit de Richtingennotitie Slimme Mobiliteit. Living Lab Uiteraard kunnen we instemmen met uw voornemen om de beschikbare middelen uit het compensatiepakket ‘Wind in de zeilen’ te investeren voor het Living Lab Slimme Mobiliteit Zeeland. Hiermee kunnen nieuwe technieken en ontwikkelingen met pilots getest en uitgeprobeerd worden in de Zeeuwse situatie. Met Vlissingen als focusgebied is het in ieders belang om te zorgen voor goede en innovatieve pilots. We werken hierin graag met u samen om te komen tot de beste resultaten voor Vlissingen en Zeeland. Heeft u nog vragen? Wij hopen hiermee uw college voldoende geïnformeerd te hebben over onze zorgen en raakvlakken. Graag worden wij betrokken bij de verdere uitwerking om te komen tot een ideale mix van ‘Slimme Mobiliteit’ waarbij de gebruikers centraal staan. Heeft u nog vragen?
Neemt u dan gerust contact op met onze medewerkers Anouschka van Immerseel op 0118 487471 of via avanImmerseel@Vlissingen.nl of via Fernando Hamelink op 0118-487176 of via fhamelink@vlissingen.nl. 1
De Blaay, N., Molendijk, R. & Tersteeg, A. (2021). Mobiliteitscentrale Zeeland. KokxDeVoogd.
Blad 4 behorend bij 1318654 / 1318774
Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Vlissingen, de secretaris,
de burgemeester,
mr. drs. ing. M. van Vliet
drs. A.R.B. van den Tillaar
Blad 5 behorend bij 1318654 / 1318774