5.7 Rvs Excuses slavernijverleden bijlage 2 Ketenen van het verleden
Tekst van het document
Toch vond een groep deelnemers deze discussies belangrijk, omdat er in de hedendaagse maatschappij nog steeds etnisch geprofileerd wordt, niet specifiek in één sector, maar in de gehele samenleving. Er bestaan vooroordelen over gekleurde mensen. Mensen met een donkere huidskleur worden nog steeds regelmatig racistisch bejegend en er is nog steeds kansenongelijkheid. Een grote meerderheid van de deelnemers aan dit panel vond dat de media, het onderwijs, en de arbeidsmarkt prioriteit moeten hebben als het gaat om het wegnemen van negatieve beeldvorming en kansenongelijkheid. 69 procent van de deelnemers zag hiervoor een grote of zeer grote verantwoordelijkheid weggelegd voor de overheid – slechts 12 procent zag een kleine of zeer kleine verantwoordelijkheid voor de overheid.
6.1.2 Sectorale dialogen De worsteling over hoe om te gaan met beeldvorming, kwam ook duidelijk naar voren in de sectorale dialogen. In de dialoog over de doorwerking van de slavernij op de arbeidsmarkt waren de deelnemers het erover eens dat het slavernijverleden ook in de huidige arbeidsmarkt doorwerkt, ook al gebeurt dat op een vaak subtiele manier. Ook hier speelt beeldvor-
27
ming weer een rol, wat in dit geval leidt tot een onderrepresentatie van mensen van kleur in hogere posities, of tot een impliciete bias bij het personeelsbeleid. Daarnaast werd opgemerkt dat diversiteit geen prioriteit heeft in de bedrijfswereld, omdat er te weinig besef is van de positieve gevolgen van diversiteit voor de productiviteit, de internationaliteit, en uiteindelijk voor de verdienste. Er zijn daarom leiders nodig die de meerwaarde van diversiteit begrijpen en implementeren. Sommige deelnemers spraken zich expliciet uit voor een quotum. In de sectorale dialoog Justitie en Veiligheid pleitten de deelnemers unaniem voor erkenning en excuses, en zij waren het erover eens dat er meer historisch besef nodig is. Maar over de vraag wat te doen met koloniale standbeelden, was er meer verdeeldheid. Hoewel deelnemers het erover eens waren dat ‘standbeelden van omstreden historische figuren gewoon op geen enkele manier’ kunnen, waren zij er niet van overtuigd dat deze standbeelden zonder meer moeten worden weggehaald. De groep erkende hoe diep geworteld deze beelden zijn, het weghalen daarvan tast ook een bepaald Nederlands zelfbeeld aan: ‘Er zijn mensen die zeggen: er mag niks meer. Zwarte Piet mag niet meer, het beeld mag niet meer. Van de ene op de andere dag alles afschaffen, leidt tot frustraties.
Het groeit wel naar elkaar toe, maar van vandaag op morgen gaat het niet lukken. Waar mensen trots op waren, blijkt allemaal niks te zijn, en dat slaat diep in.’ In de sectorale dialoog Cultuur en Media stond, zoals te verwachten, beeldvorming ook centraal. Deelnemers constateerden dat de normalisering van witheid sinds de Black Lives Matter-beweging licht aan het verschuiven is, maar dat er breder bekeken nog steeds vanuit wit perspectief gedacht wordt. Er is met name discussie gevoerd over wat de intentie van een standbeeld is. ‘Een standbeeld is altijd een verering’ en ‘een standbeeld is altijd ter ere of ter nagedachtenis van iemand of iets’ waren twee van de uitspraken waar iedereen het over eens was. Maar over de vraag hoe daarmee om te gaan, verschilden de meningen enorm. De een vond dat standbeelden van omstreden historische figuren verwijderd moeten worden; de ander wilde standbeelden niet vervangen maar wilde wel nieuwe plaatsen; weer een ander vond dat standbeelden in context geplaatst moeten worden, niet alleen met een uitlegbordje, maar ook met een verhaal eromheen. Een van de deelnemers gaf aan dat ‘standbeelden juist ook een educatief karakter kunnen hebben mits het in de totale context wordt geplaatst’. Daar werd tegenin gebracht dat standbeelden niet hoeven te blijven staan om een verhaal te vertellen of om aan de geschiedenis herinnerd te worden.
In de sectorale dialoog Sport gaf de moderator zelf ook een voorbeeld. Zij vertelde dat zij bij belangrijke toernooien regelmatig door haar moeder van de tennisbaan gehaald werd, ‘omdat ze steeds als n*g*rkind en aap werd uitgescholden’ en opmerkingen kreeg dat ‘deze sport niet voor jullie soort’ is. Hoewel bleek dat ervaringen van racisme individueel kunnen verschillen, was er wel consensus over het feit dat het een probleem is dat aangepakt moet worden. Er ontstond veel discussie over het ‘hoe’. Sommige deelnemers pleitten bijvoorbeeld voor hardere straffen, andere voor meer dialoog en anti-racismetraining. Ook hier kwam naar voren dat racisme als een systemisch probleem wordt gezien, niet als enkel het handelen van individuen. Het probleem was volgens deelnemers dat scheve verhoudingen genormaliseerd zijn, ‘daardoor merken we ze niet meer op’.
28
In de sectorale dialoog Bestuur ging het gesprek onder andere over participatie en fundamentele waarden. Volgens de deelnemers moet racisme vanuit een meervoudig perspectief worden aangepakt. Het kan niet de taak zijn van één groep. Ook werd opgemerkt dat Nederland fundamentele waarden hoog in het vaandel heeft, maar dat dit nog niet voor iedereen geldt. Als een belangrijke eerste stap werden ook in deze dialoog erkenning en excuses genoemd. Strengere wetgeving met betrekking tot racisme werd in deze dialoog wel als optie gezien, maar belangrijker vond men bewustwording en educatie. In de sectorale dialoog Zorg ging het gesprek over de fysieke gevolgen van racisme. Mensen worden daadwerkelijk ziek door microagressies en een zorgstelsel met te weinig culturele kennis en gevoeligheid. Het probleem hierbij is dat de doorsneepatiënt vaak wordt voorgesteld als een witte man, waardoor er minder oog is voor de zorgbehoefte van mensen die niet met dit beeld overeenkomen. Ook hier worden volgens deelnemers witheid en mannelijkheid dus genormaliseerd, waardoor er blinde vlekken ontstaan. De deelnemers aan deze dialoog waren doordrongen van de complexiteit van beeldvorming, en benadrukte dat er geen eenvoudige oplossingen zijn. In de sectorale dialoog Onderwijs was iedereen zich bewust van de bijzondere rol die het onderwijs moet hebben met betrekking tot het slavernijverleden.
Tegelijkertijd bleek ook dat dit geen eenvoudige opgave is. Meer kennis van het slavernijverleden is niet per se beter. De deelnemers benadrukten dat het gaat om het soort kennis. Die moet niet vanuit slechts één dominant perspectief onderwezen worden. Om een ander perspectief te bereiken, zijn er volgens de deelnemers substantiële en structurele investeringen nodig in het onderwijs en de lerarenopleiding. Ook de segregatie in het onderwijs moet volgens de deelnemers stevig worden aangepakt, zelf als dit implicaties heeft voor artikel 23 van de Grondwet (onderwijsvrijheid).
6.1.3 Gesprekken met jongeren Ook uit de gesprekken met jongeren bleek de cruciale en tegelijkertijd complexe rol van het onderwijs met betrekking tot het thema slavernij. Onder de deelnemers heerste er grote overeenstemming over het idee dat het onderwijs een van de belangrijkste instrumenten is om negatieve beeldvorming tegen te gaan. Volgens de deelnemers zou meer kennis van het slavernijverleden negatieve beeldvorming kunnen tegengaan. Uit de jongerenpanels kwam duidelijk de meerwaarde van meer kennis over het slavernijverleden naar voren: ‘Als je in iemands schoenen kunt gaan staan en kunt begrijpen wat hij/zij of zijn/haar voorouders hebben meegekregen, kun je al beter een discussie voeren. Als je meer kanten van het verhaal weet, kun je beter een goede oplossing vinden’. Scholieren zagen ook de uitdagingen van gesprekken tussen witte en zwarte leerlingen: ‘Ik denk dat veel witte Nederlanders nog geen behoefte hebben om te leren over de ‘zwarte’ geschiedenis. Die behoefte moeten we nu gaan creëren.’ Ook zou het voor witte mensen moeilijk zijn om zich in te leven in zwarte mensen: ‘Ik kan nooit de ervaringen van mensen uit een ander tijdperk, of van een andere leeftijd ervaren en ik denk niet dat witte mensen kunnen spreken voor zwarte mensen en voelen wat zij voelen. Luisteren en vragen stellen is belangrijk, en vooral niet over elkaar heen praten’.
Dit werd echter niet ervaren als onoverkomelijk: ‘Er is veel onbegrip dat voortkomt uit onwetendheid. Het
29
is niet alleen belangrijk voor de mensen van kleur, maar ook voor de witte mensen uit onze samenleving. Het is belangrijk dat je weet waar mensen vandaan komen.’ In veel van de gesprekken werd de rol van sociale media in het vergaren van kennis benadrukt. Voor veel jongeren is het gebruikelijk om kennis op te doen via sociale media, en sommige waren enthousiast over de mogelijkheden die dit biedt: ‘we moeten filmpjes delen’. Aan de andere kant waren er ook meer kritische geluiden; de sociale media werden ook gezien als een broedplaats voor racisme: ‘Om racisme de wereld uit te halen moet je je richten op sociale media. Mensen zitten nu veel thuis tijdens de lockdown, brengen veel tijd online door. Er is een overload aan informatie’. De ervaring van sommige jongeren, zeker op sociale media, was dan ook dat je ‘meer gepest’ wordt als je over je verleden praat. Ook vonden jongeren de manier waarop je over het slavernijverleden praat belangrijk: ‘Het slavernijverleden is niet het enige verleden van mensen met Afrikaanse roots. En slavernijverleden bestaat ook uit verhalen over moed, veerkracht, verzet, niet alleen verhalen over gruwelen’. Uit sommige dialogen met jongeren bleek ook onzekerheid over het verleden: ‘wat moet ik met al die informatie?’.
Jongeren worstelen soms met de vraag hoe zij zich moeten verhouden tot het verleden en tot hun leeftijdsgenoten die op een andere manier met geschiedenis omgaan. In feite vragen leerlingen hier om sturing en leiderschap vanuit hun leerkrachten.
30
Ook in de maatschappelijke dialogen was het onderwijs een belangrijk thema. Met name de toenemende segregatie in het onderwijs werd als belangrijk probleem aangekaart. Zowel zwarte als witte ouders lijken hun kinderen zo mogelijk naar een beter presterende school te willen sturen, waardoor er een tweedeling ontstaat die zowel langs etnische, als langs klasse-lijnen loopt. Ouders met meer middelen ‘vangen het falen van het onderwijsstelsel op’ door hun kinderen zelf te helpen of bijlessen te laten geven. Daardoor presteren scholen met kinderen van welgestelde, vaak witte ouders beter, ondanks gelijke kwaliteit van de leerkrachten. Hier ligt volgens de deelnemers een belangrijke taak voor de overheid.
6.1.4 Dialogen in Caribisch deel van het Koninkrijk Naast de dialooggesprekken in Nederland organiseerde het adviescollege dialogen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Op alle eilanden in het Caraïbische deel van het Koninkrijk werd de noodzaak van het bespreken van dit onderwerp gevoeld, en was men van mening dat het onderwerp aandacht verdient in de Rijksministerraad. Benadrukt werd dat het benoemen, bespreken en erkennen van het slavernijverleden een essentieel onderdeel is van de verwerking ervan. Deze verwerking is de basis voor de emancipatie van de bevolking van de eilanden. De gesprekspartners onderschreven het grote belang hiervan. Op verschillende eilanden gaf het bevoegd gezag aan dat de aandacht voor het koloniale verleden in het onderwijs momenteel te beperkt is. Het ontbreken van voldoende kennis werd ervaren als een belemmerende factor voor het voeren van goede dialogen. De kennis over het slavernijverleden die in musea wordt aangeboden, is van algemene aard, en gaat niet specifiek over het slavernijverleden van het betreffende eiland. In alle gesprekken kwamen ook de museale voorzieningen ter sprake. Net zoals in de in Nederland georganiseerde dialogen, worstelden deelnemers ook hier met negatieve beeldvorming, die in hun ogen de emancipatie op persoonlijk en politiek vlak in de weg staat.
Toch verschilde het beeld dat er in het Caribische deel van het Koninkrijk heerste enigszins van dat in Nederland. Er lag bijvoorbeeld meer nadruk op de bestuurlijke verhoudingen binnen het Koninkrijk. De dialoogdeelnemers ervoeren die als ‘koloniaal’ of ‘neokoloniaal’. Van Arubaanse zijde drongen deelnemers erop aan om de landelijke (Nederlandse) dialoog niet alleen uit te breiden naar de verschillende Caribische landen en bijzondere gemeenten, maar vooral toe te werken naar een gemeenschappelijke Koninkrijksdialoog waarin deelnemers op basis van multiperspectiviteit kunnen nadenken over het gedeelde en ook het verdeelde slavernijverleden van het Koninkrijk. Volgens deelnemers aan de dialogen op Curaçao had bijvoorbeeld de langdurige invloed van de Nederlandse staat een zeer indringende impact op vrijwel alle aspecten van de Curaçaose samenleving. In deze dialoog waren deelnemers van mening dat de grondslag van de huidige Curaçaose samenleving een direct voortvloeisel is uit de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel. In deze dialoog lag de nadruk op de vraag om rehabilitatie voor Tula, met name ook door de Nederlandse volksvertegenwoordiging. De deelnemers vonden dat het beeld van Tula als misdadiger moet veranderen. Tijdens de dialoog op Aruba lieten deelnemers blijken trots te zijn op het ontstaan van een unieke Afrikaans-Bonairiaanse cultuur.
Toch werd er ook felle kritiek geuit op de relatie met Nederland. Uit de reacties tijdens de bijeenkomsten van de dia-
31
looggroep is duidelijk geworden dat de nieuwe status van Bonaire gezien wordt als een voortzetting van het slavernijverleden. De echo van dat verleden wordt steeds luider hoorbaar. Het is tijd, aldus de deelnemers, om te werken aan een betere samenwerking om een herhaling van de geschiedenis van de tijd van de slavernij te voorkomen en te werken aan een nieuwe geschiedenis op grond van wederzijds respect. Het heeft geen enkele zin om naar elkaar te wijzen wanneer bepaalde zaken niet goed of te langzaam verlopen. Deelnemers aan de dialoog op Sint Maarten constateerden grote gaten in de kennis over het slavernijverleden. Zij gaven aan dat het onderwerp niet op scholen wordt onderwezen. Ook in deze dialoog werd de huidige relatie met Nederland in verband gebracht met het slavernijverleden, hoewel deelnemers ook vaststelden dat er niet per se een directe relatie hoeft te zijn: ‘Kingdom Relations may be at it’s all-time worst’. Op Sint Eustatius wordt er hard gewerkt om de herinnering aan de slavernij levend te houden, onder andere door de inzet van sociale media. Vanwege zijn beperkte grootte is er op Saba nooit een grote plantage-economie ontstaan. Toch heeft er ook op Saba slavernij bestaan, en dit heeft geleid tot raciale ongelijkheid. Volgens de deelnemers aan deze dialoog is dit tot op de dag van vandaag voelbaar.
In de discussies bleek dat weinig deelnemers kennis hadden van de slavernij op Saba. Desondanks vond een aantal deelnemers dat er op het eiland racisme is, en dat dit een gevolg is van het slavernijverleden. Om dit tegen te gaan werd onder andere aanbevolen om meer te investeren in het onderwijs over en onderzoek naar het slavernijverleden. Ook vonden deelnemers dat excuses door de Nederlandse regering op hun plaats zijn.
6.1.5 Slot Tijdens de dialogen, zowel met jongeren als met volwassen deelnemers, kwam er een diepe afkeer van slavernij tot uitdrukking. Jongeren noemden de slavernij ‘asociaal’ en ‘egoïstisch’, en in de dialogen in algemene groepen bestond er geen twijfel dat de slavernij onmenselijk, mensonterend, en een misdaad tegen de menselijkheid is geweest. Dit te erkennen en onder ogen te zien was voor de meeste deelnemers een vanzelfsprekendheid. Een meerderheid vond ook dat de Nederlandse regering excuses moet aanbieden voor het veroorzaakte leed. Volgens de deelnemers zou dat een belangrijk signaal zijn in het helingsproces, zowel voor nazaten van tot slaaf gemaakte mensen, als voor nazaten van slavenhouders en -handelaren. Wel plaatsten sommige deelnemers hier enige kanttekeningen bij. Een meerderheid vond dat excuses alleen zinvol zijn als ze oprecht zijn, dat wil zeggen, zij vonden dat er iets tegenover moet staan. Alleen het gebaar was voor de meesten onvoldoende: ‘Excuses maken door alleen ‘sorry’ te zeggen is niet genoeg. Dit is gewoonweg te eenvoudig. Beter zou zijn om geld, vaccinaties, andere soort steun te geven aan de landen die schade hebben van het slavernijverleden.’ In de sectordialoog Cultuur en Media drukte een deelnemer dit kort en bondig uit met een Surinaams gezegde: ‘Sorry brengt moesje niet naar Parijs’.
32
6.2 Wetenschappelijke adviezen 6.2.1 Bijdrage van wetenschappers In het algemeen wordt in wetenschappelijke kring erkend dat de slavernij een mensonterend systeem was, dat gedurende 250 jaar veel pijn en leed heeft veroorzaakt. De fysieke, mentale, en economische schade voor de tot slaaf gemaakte mensen en hun nazaten, was in alle delen van de Atlantische wereld enorm. De wetenschappers die door het adviescollege zijn geraadpleegd, zijn het er ook over eens dat de gevolgen van dit systeem tot op de dag van vandaag voelbaar zijn en negatieve effecten hebben op mensen. De afschaffing van de slavernij wordt herdacht in de gemeenschappen van nazaten, en in de afgelopen dertig jaar ook steeds meer daarbuiten. Dat gebeurt op verschillende manieren. Zo zijn er verschillende herdenkingsdagen: in Suriname is 1 juli een nationale herdenkingsdag; voor de Surinaamse Marrons is 10 oktober belangrijk omdat deze dag het ondertekenen van het vredesverdrag tussen de Ndyuka en de Sociëteit van Suriname in 1760 markeert; op Curaçao wordt op 17 augustus herdacht dat Tula in het jaar 1795 in opstand kwam. In Nederland vormt vooral 1 juli een centraal herdenkingsmoment, hoewel in kleinere kring ook 17 augustus en 10 oktober herdacht worden.
De door ons geraadpleegde wetenschappers zijn het er in hun adviezen over eens dat erkenning van dit verleden door de Nederlandse overheid noodzakelijk is en een belangrijke bijdrage kan zijn voor het ‘genezen’ van een gewelddadige en mensonterende geschiedenis. Juridisch gezien zijn er geen bezwaren met betrekking tot het hogere geschreven recht en de algemene rechtsbeginselen. Ook civiel- en strafrechtelijk zijn er geen bezwaren tegen erkenning per wet. De wetenschappelijke deskundigen constateren echter dat erkenning alleen niet voldoende is: ‘Een erkenning die zich beperkt tot het plakken van een algemeen etiket van strafbaarheid op slavenhandel en slavernij die zich meer dan 150 jaar geleden hebben afgespeeld, is in de kern een abstracte en vrijblijvende uitspraak’.53 Erkenning moet gepaard gaan met het nemen van verantwoordelijkheid, en dit houdt in dat er formeel excuses moeten worden aangeboden. De wetenschappelijke deskundigen hebben zich daarbij op ons verzoek ook over de vraag gebogen of een huidige regering excuses kan aanbieden voor het handelen van eerdere regeringen.
Zij constateren dat dit in het verleden vaker is gebeurd, bijvoorbeeld voor de rol van de Nederlandse overheid bij de Holocaust (minister-president Rutte in 2020), de ontsporingen in Indonesië na de onafhankelijkheidsverklaring (bij monde van Koning Willem-Alexander in 2020) en meer recent voor de toeslagenaffaire.54 De afgelopen jaren lijkt het aantal door de overheid gemaakte excuses zelfs toegenomen te zijn. De wetenschappers concluderen dat er ‘geen staatsrechtelijke bezwaren bestaan tegen betekenisvolle excuses voor het slavernijverleden. Op basis van een in de staatsrechtdoctrine verdedigde, en door de staatsrechtspraktijk geschraagde, opvatting 53 Bijdrage Van Rijn, Rijpkema & Thodé, zie bijlage 4. 54 Ibidem.
33
kan namelijk gesteld worden dat de ministeriële verantwoordelijkheid zich niet per se verzet tegen dergelijke excuses. Een huidig kabinet kan daarom als opvolger middels excuses de verantwoordelijkheid nemen voor het handelen van de Staat der Nederlanden vanaf haar vestiging in 1814.’55 Historisch gezien is het aanbieden van excuses zowel in moreel als in geschiedkundig opzicht een kwestie van consistentie: ‘het is moeilijk vol te houden om enerzijds het Plakkaat van Verlatinge uit 1581 expliciet als begin van het huidige Nederland te presenteren, maar anderzijds de slavenhandel en slavernij van de 17e en de 18e eeuw niet als iets van Nederland te zien. Voor de slavernij die juridisch toegestaan was tussen 1814 en 1863 ligt het nog eenvoudiger: weinigen zullen willen ontkennen dat er een sterke continuïteit bestaat tussen de Nederlandse staat van de Grondwet van 1814 en de huidige Staat der Nederlanden.’56 Uit de wetenschappelijke adviezen blijkt echter ook dat erkenning en excuses ‘complex en doorgaans niet zonder risico of controverse’ zijn omdat het gaat om ‘historische en tegenwoordige machtsrelaties tussen nationale eenheden en (delen van) de bevolking’.57 Met name wordt er gewezen op de rol van het Koninkrijk.
Moeten excuses komen vanuit de Staat der Nederlanden alleen (bij Nederlandse wet), of van de Nederlandse staat als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden (in een consensusrijkswet)?58 Hoe dan ook, excuses moeten ‘oprecht’ zijn, dat wil zeggen dat zij ‘op zijn minst (enige) voldoening of tevredenheid [moeten] bewerkstellingen onder de slachtoffers en nabestaanden, ongeacht of het om morele, psychologische, symbolische, culturele, materiële of andere vorm van genoegdoening gaat.’59 Erkenning en excuses moeten daarom volgens de wetenschappers gepaard gaan met herstel. Hoewel zij aangeven dat er in de afgelopen dertig jaar in Nederland veel gebeurd is op het gebied van herdenking en historische canonisering van het slavernijverleden, constateren zij ook dat de algemene kennis op het gebied van het Nederlandse slavernijverleden gering blijft. Dat geldt voor Nederland als geheel, maar ook voor de gemeenschappen van nazaten, waar vaak slechts oppervlakkige, door populaire cultuur (films, sociale media) verkregen kennis bestaat. Wel bestaat er in de gemeenschappen van nazaten een vorm van kennis die via culturele uitingen wordt doorgegeven (religie, muziek, literatuur). Als bijzonder aandachtspunt noemden de wetenschappers het thema geschiedenis in het lerarenonderwijs: dat ontbreekt daar geheel, er is dus ook geen aandacht voor het slavernijverleden.
‘Bijeengenomen lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat, ondanks alles wat er de laatste decennia is gedaan op het gebied van kennisproductie en verspreiding met betrekking tot het Nederlands slavernijverleden, er in feite nog te weinig (collectieve) herinnering aan dit verleden is om levend te houden of te borgen. Er zal dus eerst nog veel meer kennis en collectief bewustzijn moeten worden geproduceerd over dat verleden. Tegelijk moet dat op een dusdanige manier worden gepresenteerd dat Nederland zich daarmee ook gaat identificeren in de zin van: dit is onze gezamenlijke, nationale geschiedenis. Als de 55 Bijdrage Van Rijn, Rijpkema & Thodé, zie bijlage 4. 56 Ibidem. 57 Bijdrage Essed, zie bijlage 4. 58 Bijdrage Van Rijn, Rijpkema & Thodé, zie bijlage 4. 59 Bijdrage Essed, zie bijlage 4.
34
opstand tegen Spanje nationale geschiedenis is, dan is de opstand van Tula dat ook; als de Franse bezetting nationale geschiedenis is, dan is de bezetting van de koloniën dat ook; als soldaat van Oranje nationale geschiedenis is, dan is die van de Marrons dat ook; als vrouwenemancipatie tot de nationale geschiedenis behoort, dan geldt dat ook voor Zwarte emancipatie. De borging van die historische bewustwording en identificatie met dat verleden moeten parallel verlopen.’60
6.2.2 Juridische aspecten Het adviescollege kreeg specifiek ook de opdracht om een advies uit te brengen over de motie-Nicolaï. Omdat het bij deze motie gaat om het verzoek na te gaan of er reden bestaat om – net zoals in Frankrijk – bij wet de slavernij en de slavenhandel die in het verleden heeft plaatsgevonden als een misdaad tegen de menselijkheid aan te merken, heeft het adviescollege ook een juridische inschatting gevraagd van het Asser Instituut (Centre for International & European Law), en een groep rechtswetenschappers uit Nederland en de Antillen. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de juridische aspecten van een wetsvoorstel. Het Asser Instituut kijkt in zijn adviesrapport vooral naar voorbeelden van vergelijkbare wetgeving, te weten van Frankrijk en Polen. Voor de overzichtelijkheid licht het adviescollege voor het rapport vooral de Franse wet-Taubira eruit. De Franse wet-Taubira uit 2001, waarin de trans-Atlantische slavernij en de slavernij in de Indische Oceaan als misdaad tegen de menselijkheid gedefinieerd werden, is een zelf-veroordelende, maar niet strafbaar-stellende wet. Ook het ontkennen van het misdadige karakter van slavernij en slavenhandel is volgens de wet-Taubira niet strafbaar.
Volgens de juristen Van Rijn, Rijpkema en Thodé kan de Nederlandse staat niet in strafrechtelijke zin aansprakelijk zijn, en ook civielrechtelijke gevolgen zijn zeer onwaarschijnlijk. Zij bevelen aan om aansprakelijkheid ook in de wet duidelijk en expliciet te regelen. Het Asser Instituut schat in dat het ontbreken van aansprakelijkheid de vraag zal oproepen wat deze wet toevoegt, aangezien op civiel- en strafrechtelijk vlak zowel in Frankrijk als in Nederland wetgeving bestaat die bijvoorbeeld het ontkennen van misdaden tegen de menselijkheid en groepsbelediging strafbaar stellen: ‘Hence, technically there is no need in further legislation on this specific aspect.’ Aan de andere kant kan een wet zoals de wet-Taubira een verklarend karakter hebben, waarbij historisch onrecht en wandaden erkend worden, en er daadwerkelijk verantwoording voor wordt genomen. Deze erkenning zou van het grootste belang zijn om conflicten op te lossen tussen etnische groepen die ontstaan door onderdrukte historische trauma’s en wederzijds onbegrip. Deze zienswijze wordt beaamd door Van Rijn, Rijpkema en Thodé, die in hun bijdrage stellen dat ‘een meerwaarde van de vorm van een wet is dat deze vorm van erkenning, excuses en herstel, door de betrokkenheid van het parlement, met meer overtuiging aanspraak kan maken op een breed maatschappelijk draagvlak te berusten.’
60 Bijdrage Van Stipriaan, zie bijlage 4.
35
Het rapport van het Asser Instituut zet echter ook vraagtekens bij een normatieve omgang met geschiedschrijving. In Frankrijk heeft een reeks memory laws tot grote weerstand geleid onder historici die zich in hun academische vrijheid beperkt voelden. Het ging daarbij ook om de wet-Mekachera, waarin verplicht werd om in geschiedschrijving ook de ‘positieve kanten’ van het kolonialisme te belichten. Verklarende wetgeving die betrekking heeft op de geschiedenis, ook al is deze niet straffend, moet de balans tussen vrijheid van meningsuiting (inclusief de vrijheid van onderzoek) en andere fundamentele rechten in het oog houden. ‘It is up to the Board to conclude, based on this report and parallel studies, on whether a law mimicking the Taubira Law in France best meets this purpose. Other legal means, e.g. solemn declarations on behalf of the Netherlands, acknowledging Dutch colonial slave trade as crimes against humanity, may be a valid alternative.’61 Van Rijn, Rijpkema en Thodé spreken deze visie tegen. Volgens hen kan de staat zich niet afzijdig houden van geschiedschrijving en van ethische kwesties. Staten en regeringen nemen per definitie standpunten in met betrekking tot ethische en historische kwesties, en kunnen per definitie ook niet anders.
Ze citeren daarbij Eric Heinze (2017): ‘Every authorised gradeschool history curriculum stamps an official imprimatur upon particular readings of history.’62 Zij menen bovendien dat een wettelijke vormgegeven erkenning, excuses en herstel een meerwaarde heeft boven een regeringsverklaring. Via de betrokkenheid van het parlement kunnen dergelijke excuses, erkenning en herstel aanspraak maken op een groter draagvlak. Het Asser Instituut wijst er verder op dat een wetsvoorstel een duidelijk referentiekader moet hebben. Op welke historische periode en welk geografisch gebied heeft deze wet betrekking? Ook zou er specifiek aandacht moeten zijn voor een niet-polariserend taalgebruik. Polariserende termen zijn bijvoorbeeld ‘dader-natie’ of ‘slachtoffer-natie’. Gebaseerd op deze kanttekeningen concludeert het Asser Instituut: ‘... it appears that a ‘declaratory law’ (i.e. without a punitive effect) guaranteeing the establishment of a national monument, knowledge center, and / or museum of slavery is less problematic than adoption of the law prescribing slavery as a crime against humanity in the Netherlands.’63 Van Rijn, Rijpkema en Thodé zijn daarentegen van mening dat een wettelijk erkenning van het slavernijverleden verder zou moeten gaan dan alleen het geven van een verklaring van erkenning. De overheid zou expliciet ook een duidelijke eigen verantwoordelijkheid moeten aanvaarden.
61 Bijdrage Asser Instituut, zie bijlage 4. 62 Heinze (2017). 63 Bijdrage Asser Instituut, zie bijlage 4.
36
In een eerdere versie van de wet-Taubira werden de ‘Europese mogendheden’ nog wel aangeduid als daders, maar dit haalde de finale versie niet. Ook een bepaling over onderzoek naar mogelijke herstelbetalingen sneuvelde. Zo resteerde een wet die volledig gericht is op ‘herinnering’ als vorm van herstel, en waarin de schuld van de Franse Republiek slechts gesuggereerd wordt. Het is de vraag of een zo abstracte erkenning daadwerkelijk een rol kan spelen in een proces van ‘herstel’ door ‘herinnering’: ‘(…), memory can only accomplish so much when the criminal remains unnamed and will not confess.’64 Zij stellen een wet voor die erkenning en excuses omvat (mogelijk gecombineerd met vormen van herstel), en wel met de volgende formulering: ‘Erkend wordt dat de slavenhandel en slavernij die tussen het begin van de 17e eeuw en 1 juli 1863 direct of indirect onder Nederlands gezag hebben plaatsgevonden misdrijven tegen de menselijkheid waren.’ ‘Erkend wordt tevens het leed van alle mensen die slachtoffer van deze misdrijven zijn geworden, alsmede het leed van hun afstammelingen.
De Staat der Nederlanden, mede als rechtsopvolger van eerdere Nederlandse gezagen, die slavenhandel en slavernij direct of indirect heeft toegestaan, mogelijk gemaakt, bevorderd of bedreven, biedt hiervoor zijn excuses aan.’ Hoewel er een verschil van mening bestaat, komen het Asser Instituut en Van Rijn, Rijpkema en Thodé tot vergelijkbare conclusies met betrekking tot investeringen in herdenken, onderwijs en onderzoek.
6.2.3 Voorstellen wetenschappers Alle om advies gevraagde wetenschappers stellen investeringen voor in onderzoek, onderwijs en in de culturele sector, om de herinnering aan het slavernijverleden en de kennis daarover te borgen. Deze investering moet structureel zijn en vraagt om ‘veel samenhangende interventies, van educatief lesmateriaal en musea tot media en politieke discours. Herstel van de voortdurende vernedering van mensen van Afrikaanse komaf in de Europese en Nederlandse beeldvorming is vaak onderschat en verdient een specifieke plek in het streven naar een racismevrije samenleving.’65 Specifiek moet er hierbij volgens de wetenschappers ook aandacht zijn voor onderzoekers uit de gemeenschappen van nazaten, in het bijzonder ook uit het Caribisch gebied en Suriname. Concreet stellen de geraadpleegde wetenschappers voor om een nationaal onderzoeksprogramma (NWO / KNAW), een museum en onderzoekscentrum op het thema ‘slavernij en zijn hedendaagse erfenissen & doorwerkingen’ op te richten, waarvan de opstellers en uitvoerders zowel afkomstig zijn uit de hoek van nazaten van totslaafgemaakten als uit kringen van niet-nazaten. Het perspectief dient niet-eurocentrisch te zijn en toekomstgericht, dat wil zeggen: niet slachtofferschap, maar kracht en emancipatie worden de focus.
64 Garraway (2008) aangehaald in bijdrage Van Rijn, Rijpkema & Thodé, zie bijlage 4. 65 Bijdrage Essed, zie bijlage 4.
37
In het onderzoeksprogramma werken academici en grassroots-onderzoekers samen om een zo breed mogelijk scala aan materiaal, kennis en perspectieven te integreren. Het onderzoek beperkt zich niet tot de geschiedenis, maar bestrijkt alle sociaal-economische, medisch-psychische, spiritueel-religieuze en cultureel-politieke aspecten van verleden en heden met betrekking tot het slavernijthema. Museum & onderzoekscentrum vormt een spin in het web van activiteiten in het hele land, met andere musea, erfgoed- en cultuurinstellingen, met het onderwijs, met de media en op het vlak van dialoog en discussie. Als netwerk (spin in het web) moet het museum & onderzoekscentrum een heel zichtbaar, nationaal symbool zijn, in de hoofdstad en liefst in een cluster of campus met niet alleen museum en onderzoek, maar ook een theater voor alle immateriële culturele expressies, een kunstwerkplaats en een av-studio voor het opnemen en uitzenden van bijvoorbeeld orale geschiedenis.
38
7 . Conclusies en aanbevelingen Het adviescollege staat op de schouders van vele voorgangers. Het ziet zijn werk als een nieuwe en belangrijke stap op een lange weg, die begon met de strijd tegen de slavernij door de totslaafgemaakten zelf, door abolitionisten en door de nazaten van de totslaafgemaakten, doorlopend tot de dag van vandaag. Er is veel bereikt, maar er is ook nog een lange weg te gaan. Het adviescollege heeft kennisgenomen van wetenschappelijke adviezen, en van de uitkomsten van de dialogen en het panelonderzoek. Het constateert een aantal centrale uitkomsten. Ondanks de vele initiatieven tot herdenking van het slavernijverleden, de herijking van de nationale geschiedenis en een groeiend bewustzijn in de politiek, bestaat er nog steeds een gebrek aan kennis over het slavernijverleden. In alle geledingen van het onderwijs, van het basisen middelbaar onderwijs tot en met het universitair onderwijs, in de lerarenopleidingen en het voortgezet onderwijs, is er te weinig aandacht voor het koloniale verleden en de slavernij. Dat geldt ook voor het wetenschappelijk onderzoek. Ondanks de sterk gegroeide aandacht voor het slavernijverleden, zijn er nog grote gebieden waar onderzoek nodig is, zowel op historisch vlak, als op politiek en sociaalwetenschappelijk vlak.
De gevolgen van de slavernij beperken zich niet tot enkele sectoren, maar hebben een reikwijdte in de hele maatschappij. Beeldvorming speelt een cruciale rol in het voortleven van raciaal denken en is diepgeworteld in maatschappijen met een slavernijverleden, zoals de Nederlandse. Beeldvorming is een complex cultureel fenomeen dat geen eenduidige bron heeft en dat daardoor niet eenvoudig tegen te gaan is. Toch is beeldvorming niet onveranderlijk. Het is daarom zaak om meer te weten te komen over hoe verandering teweeggebracht kan worden. Dit kan alleen met een integrale, systemische aanpak.
7.1 Erkenning Het adviescollege is ervan overtuigd dat erkenning van het slavernijverleden een noodzakelijke eerste stap is. Daarbij is het de visie van het adviescollege dat niet alleen het bestaan van de slavernij en haar gruwelen erkend en veroordeeld moeten worden, maar dat het ook eenduidig als misdaad tegen de menselijkheid aangemerkt moet worden. Daarnaast moet ook het aandeel in de slavernij van het Nederlands gezag erkend worden. Het adviescollege is van mening dat dit niet een veroordeling van groepen mensen inhoudt (bijvoorbeeld ‘witte mensen’) en daarmee een raciale logica omarmt. De aanduiding ‘Nederlands gezag’ geeft juist
39
de bijzondere verantwoordelijkheid van de staat aan. Zonder deze kwalificaties zou erkenning gratuit zijn. Erkenning is mogelijk op verschillende manieren. Zowel de regering, als de wetgever kan het slavernijverleden erkennen. In onze visie moet erkenning bij wet geregeld worden. Op zijn minst moet dit een Nederlandse wet zijn, maar bij voorkeur een rijkswet, hoewel dit laatste geen belemmering moet vormen om tot wetgeving over te gaan. Deze wet moet ook het werk erkennen dat door vele generaties nazaten van totslaafgemaakten verricht is in het kader van geschiedschrijving, emancipatie en het agenderen van de doorwerking van het slavernijverleden. De wet moet een einde maken aan hun marginale positie in het collectieve geheugen. Erkenning is een belangrijke stap voor Nederland als geheel. Aan de ene kant geeft erkenning genoegdoening aan degenen die onder de slavernij hebben geleden, en aan de andere kant bevordert het een kritische kijk op de Nederlandse geschiedenis in bredere zin. Geschiedenis hoeft niet glorieus te zijn om je ermee te kunnen identificeren. Identificatie met de Nederlandse geschiedenis – en daarmee Nederlands burgerschap – kan juist ook voortkomen uit een kritische omgang met het eigen verleden. Andere landen zoals Duitsland en Zuid-Afrika laten zien dat dit mogelijk is. Een wet alleen kan dit niet afdwingen.
Er is een verandering in de bredere herdenkingscultuur voor nodig. Toch schept een wet een duidelijk standpunt en referentiekader, en maakt die de noodzaak tot verandering expliciet.
7.2 Excuses Het adviescollege volgt de visie van alle betrokken wetenschappers, evenals die van de deelnemers aan de dialogen, dat erkenning gepaard moet gaan met excuses. Excuses helpen bij de heling van historisch leed, maar vooral zijn excuses gericht op het bouwen aan een gezamenlijke toekomst. Het gaat er hierbij niet om individuele personen aan te wijzen als schuldigen, maar om het erkennen van het door de slavernij toegevoegde leed, en het nemen van verantwoordelijkheid met zicht op een toekomstige verhouding. Excuses worden dus niet verwacht van individuen, maar van de staat. Daarbij is belangrijk dat excuses oprecht zijn en voortkomen uit een daadwerkelijk besef van de betekenis en reikwijdte van het slavernijverleden voor het heden, zowel voor nazaten van totslaafgemaakten als voor nazaten van slavenhouders. Spijtbetuiging (berouw) getuigt van een grondig besef van wat is en nog steeds wordt aangedaan, besef van de gevolgen tot op heden en van de morele verplichting van herstel en vergoeding of genoegdoening.66 Concreet betekent besef dat er excuses gemaakt moeten worden door het hoogste orgaan, dat wil zeggen premier, koning, en parlement.
66 Essed verwijst in haar bijdrage naar Marrus 2007:87, zie bijlage 4.
40
De keren dat de koning zich uitgesprak over het verleden (met betrekking tot Indonesië en Wilhelmina (WO II)), had dat grote symbolische betekenis voor de gemeenschap. Excuses zijn bovendien een wederkerig proces. Excuses moeten niet alleen gemaakt, maar ook aanvaard worden. Aan de ene kant moeten de ontvangers daadwerkelijk genoegdoening ervaren, aan de andere kant moet de maker van de excuses erop kunnen vertrouwen dat deze excuses ook aanvaard worden. Na de excuses, kan een proces van verzoening op gang komen. Excuses moeten naast oprechtheid ook een andere waarde hebben. Het aanbieden van excuses door Nederland kan ook een eerste stap zijn voor het genezen van de open wonden. Dat betekent dat het aanbieden van excuses weliswaar noodzakelijk, maar op zichzelf nog onvoldoende is. Excuses moeten daarom bijdragen aan herstel.
7.3 Herstel Het moge duidelijk zijn dat de geschiedenis niet teruggedraaid kan worden. Wel kan de bereidheid worden uitgesproken om dit historisch onrecht, dat tot de dag van vandaag als onrecht wordt ervaren en waarvan de nadelige gevolgen nog steeds worden gevoeld, zoveel mogelijk te herstellen, en deze bereidheid tot uitgangspunt te maken voor het beleid. Het gaat om verantwoordelijkheid nemen voor de nadelige gevolgen van dit verleden. Het adviescollege deelt de overtuiging van wetenschappers en dialoogdeelnemers dat de slavernij tot grote sociale, culturele, economische en psychologische schade heeft geleid. Hierbij is van belang ook specifiek aandacht te besteden aan de verschillende gevolgen voor nakomelingen. Vandaag de dag bestaat institutioneel racisme dat niet los te zien is van eeuwen slavernij en kolonialisme en de denkbeelden die in deze context zijn ontstaan. Herstel betekent in onze ogen dat de gevolgen integraal en systemisch aangepakt moeten worden. In de visie van het adviescollege volgt herstel op excuses en geeft inhoud aan de gemaakte excuses. Dit moet wettelijk geregeld worden. Het gaat dus niet om financiële compensatie voor alle schade uit het verleden, maar wel om passende structurele financiering voor het tegengaan van de schadelijke doorwerking van dat verleden in het heden.
Er zijn tal van voorstellen gedaan door zowel de wetenschappelijke adviseurs als ook de deelnemers aan de dialogen. Globaal gezegd zijn deze gericht op het onderwijs, het onderzoek en de culturele sector. Via onderzoek, onderwijs, en kunstzinnige projecten kan het bewustzijn van de trans-Atlantische slavernij en haar gevolgen vergroot worden. Initiatieven gericht op het burgerschap van Afro-Antillianen en Afro-Surinamers in Nederland, kunnen worden gecontinueerd, geïntensiveerd en versterkt. Een Koninkrijksfonds kan worden ingesteld waar het maatschappelijk middenveld in Nederland, de CAS- en BES-eilanden, projecten kan indienen tot versterking van de positie van Afro-Antillianen en Afro-Surinamers. De betrokken departementen van de Nederlandse staat kunnen formeel en op gelijke voet samenwerken met hun counterparts op de CAS-eilanden om onderwijs, sociale voorzieningen, werkgelegenheid,
41
goed bestuur, en milieubescherming te verbeteren op de eilanden. Ook studiebeurzen worden voorgesteld. Een ander voorstel beoogt de rehabilitatie en het eerherstel van historische figuren zoals Tula. Ook het instellen van 1 juli als een nationale feestdag is mogelijk. Op dit moment bevindt de oprichting van een Nederlands slavernijmuseum zich in de verkennende fase. Het adviescollege deelt de conclusies van wetenschappers, dialoogpartners en maatschappelijke organisaties dat dit uitgebreid moet worden tot een internationaal centrum voor onderzoek, onderwijs en kunst om de complexiteit van beeldvorming en structureel racisme te onderzoeken en aan te pakken. Het museum & onderzoekscentrum moet een zichtbaar, nationaal symbool zijn, als een spin in het web (netwerk). Het dient in de hoofdstad te komen, mogelijk als campus met meer dan alleen museum en onderzoekscentrum, en bijvoorbeeld ook een theater voor alle immateriële culturele expressies, een kunstwerkplaats en een av-studio voor het opnemen en uitzenden van bijvoorbeeld orale geschiedenis. Het verdient aanbeveling op deze campus verwante instellingen te huisvesten zoals NiNsee, Black Archives, Nederland Wordt Beter, Control-Alt-Delete, Black Achievement Month, Musea Bekennen Kleur.
Die campus moet actief contact onderhouden met soortgelijke initiatieven in de rest van de wereld, zodat het wiel niet steeds opnieuw hoeft te worden uitgevonden. Willen het slavernijverleden, de hedendaagse erfenissen en doorwerkingen daarvan in Nederland op een zinvolle duurzame manier een plaats krijgen, dan gaat het erom een geheel van op elkaar aansluitende en elkaar stimulerende initiatieven een zichtbare en permanente plek te geven.67
7.4 Conclusie met betrekking tot de motie-Nicolaï De motie-Nicolaï behelsde het verzoek aan de regering om na te gaan of er reden bestaat om, net zoals in Frankrijk, bij wet de slavernij en de slavenhandel die in het verleden hebben plaatsgevonden als een misdaad tegen de menselijkheid aan te merken. Tevens behelsde de motie het verzoek om na te gaan of er een Nationaal Monument Slavernijverleden, een Kenniscentrum en een Slavernijmuseum kunnen worden opgericht en in stand gehouden. Zoals hierboven gezegd, concludeert het adviescollege dat erkenning, excuses en herstel bij wet geregeld dienen te worden, waarbij de slavernij in de Nederlandse koloniën tussen de zeventiende en de negentiende eeuw als misdaad tegen de menselijkheid wordt aangemerkt, en waarbij het Nederlands gezag uitdrukkelijk genoemd wordt. Onder verwijzing naar de bevindingen van de geraadpleegde wetenschappers concludeert het adviescollege dat er geen bezwaren zijn om de voorstellen die in de motie-Nicolaï onderwerp waren van onderzoek, uit te voeren. Zelfs in deze expliciete en bindende vorm zijn er op basis van de juridische rapporten geen civiel- en strafrechtelijke gevolgen te verwachten. Om hier geen twijfel over te laten bestaan, stelt het adviescollege zich op het standpunt om in de wetstekst ook expliciet civiel- of strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te sluiten.
Een uitsluiting 67 Bijdrage Van Stipriaan, zie bijlage 4.
42
van aansprakelijkheid neemt niet weg dat de wetgever bevoegd is om op vrijwillige basis een stelsel van financiële tegemoetkomingen in het leven te roepen.68 Daarnaast kwam uit de dialogen de wens naar erkenning, excuses en herstel naar voren. Aan deze wens zou met het opstellen van een wet en het oprichten van monument, kenniscentrum en museum, zoals onderzocht naar aanleiding van de motie-Nicolaï, tegemoet worden gekomen.
7.5 Aanbevelingen 1. Erken bij wet dat de slavenhandel en de slavernij die tussen de zeventiende eeuw en 1 juli 1863 direct of indirect onder Nederlands gezag hebben plaatsgevonden, misdrijven tegen de menselijkheid waren. Erken daarbij ook het leed van alle mensen die slachtoffer van deze misdrijven zijn geworden en het leed van hun afstammelingen. Erken ook de strijd, successen en invloed van degenen die zich in de loop der eeuwen tot heden toe hebben verzet tegen slavernij, racisme en discriminatie. 2. De Staat der Nederlanden, mede als rechtsopvolger van eerder Nederlandse gezag, die slavenhandel en slavernij direct of indirect heeft toegestaan, mogelijk gemaakt, bevorderd of bedreven, biedt hiervoor bij wet zijn excuses aan. 3. Spreek bij het aanbieden van excuses de bereidheid uit bij wet om dit historisch onrecht dat tot op heden in velerlei vormen wordt ervaren, zoals discriminatie en institutioneel racisme, zoveel mogelijk te herstellen. Het adviescollege adviseert hierbij de volgende acties te ondernemen. 4. Vergroot het bewustzijn over de trans-Atlantische slavernij via onderzoek, onderwijs en kunstzinnige projecten onder meer door: • Een nationaal onderzoeksprogramma te starten naar het slavernijverleden, de hedendaagse erfenissen en de doorwerkingen daarvan waaronder institutioneel racisme.
In de opstelling en uitvoering van dit onderzoek moeten zowel nazaten als niet-nazaten van de slavernij participeren. Meer onderzoek, ook vanuit een grassroots-perspectief, zou de meerstemmigheid ten goede komen. Dit onderzoek moet niet alleen de geschiedenis maar ook sociaal-economische, medisch-psychische, spiritueel-religieuze en cultureel-politieke aspecten van verleden en heden met betrekking tot de slavernij omvatten. Bekijk daarbij de wijze waarop reeds bestaande instituten zoals het NiNsee op integrale wijze kunnen worden betrokken, zodat doublures worden voorkomen en duurzaamheid wordt gewaarborgd.
68 Bijdrage Van Rijn, Rijpkema & Thodé, zie bijlage 4.
43
• Onderzoek daarbij de wijze waarop reeds bestaande initiatieven en instituten gericht op het verdiepen van het substantieve burgerschap van Afro-Antillianen en AfroSurinamers kunnen worden gecontinueerd, geïntensiveerd en versterkt. • Onderwijs: neem effectieve maatregelen om ervoor zorg te dragen dat het slavernijverleden en de doorwerking daarvan in het heden een vast onderdeel worden van het curriculum in het onderwijs in alle niveaus, en vooral ook in de pedagogische beroepsopleidingen. 5. Versterk de kennis over de betekenis van discriminatie in het leven van alledag en tref wettelijke maatregelen ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat. Draag zorg voor systematische handhaving: • Implementeer een structureel intersectioneel programma ter bestrijding van discriminatie en racisme waaronder institutioneel racisme en etnisch profileren. • Daarbij verdient de bestrijding van institutioneel racisme op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, het onderwijs en de politie specifieke en dringende aandacht. Voor effectieve maatregelen verwijst het adviescollege naar het KIS-rapport en het Zwart Manifest. 6.
Maak het slavernijverleden zichtbaar zodat dit een gedeelde geschiedenis kan worden: • Slavernijmuseum Draag zorg voor een nationaal museaal centrum of nationale voorziening waarin op ruime en toegankelijke wijze het slavernijverleden en de doorwerking daarvan worden getoond met een veelzijdige blik. Draag er daarbij zorg voor dat dit verleden ook in de Caribische landen en Suriname beter gekend en getoond kan worden. • Monumenten Ontwikkel na afstemming met organisaties van nazaten beleid op basis waarvan er in de publieke ruimte meer nieuwe, gemeenschappelijke symbolen voor een gedeelde toekomst kunnen worden gecreëerd. Betrek daar ook bestaande, aan het slavernijverleden verbonden beelden, monumenten, gebouwen en straatnamen bij om enerzijds het verhaal van de geschiedenis te vertellen, en anderzijds de pijn die de confrontatie in de publieke ruimte bezorgt, te verzachten. • Herdenkingsdagen Maak van 1 juli een nationale herdenkingsdag, gesteund en bijgewoond door de koning en de regering (minister-president) als erkenning dat het slavernijverleden het hele land aangaat. Het staat ieder deel van het voormalig Koninkrijk uiteraard vrij ook eigen herdenkingsdagen te kiezen. Maak van publieke media gebruik om die dag nationaal stil te staan bij de verschrikkingen van de slavernij en het leed en lot van de tot slaaf gemaakte mensen in het hele voormalige Koninkrijk.
44
• Tula In de adviesopdracht is gevraagd ook de rehabilitatie van Tula te betrekken. Mede gelet op de verstrekte adviezen van wetenschappers en bevindingen uit de dialogen, adviseert het adviescollege positief over de rehabilitatie van Tula. • Andere verzetshelden Het adviescollege merkt daarbij op dat de opdracht zich beperkt heeft tot Tula, en dat er meer verzetshelden zijn die in het nationale onderzoek over het slavernijverleden betrokken dienen te worden. 7. Draag zorg voor voldoende en structurele financiering van herstelmaatregelen waardoor er duurzaam geïnvesteerd kan worden in het verminderen van de gevolgen van het slavernijverleden. Het adviescollege adviseert daarbij het volgende: • Veranker de hiervoor genoemde erkenning, excuses en herstel bij wet, zodat duidelijk is dat er geen sprake is van vrijblijvendheid. Daarbij geeft het adviescollege in overweging voor een consensusrijkswet te kiezen. Dit mag echter niet leiden tot vertraging om de zo noodzakelijk geachte herstelmaatregelen voortvarend te implementeren. Een consensusrijkswet biedt de Caribische landen de mogelijkheid om mee te denken over de wijze waarop Nederland overgaat tot erkenning, excuses en herstel. Naarmate erkenning, excuses en herstel meer aanvaard kunnen worden door de landen waar de slavernij plaatsvond, hebben zij meer betekenis voor de toekomstige samenleving.
Daarbij zal in een consensusrijkswet nadrukkelijk tot uitdrukking moeten worden gebracht dat de verantwoordelijkheid voor het slavernijverleden uitsluitend ligt bij en genomen wordt door het Europese deel van het Koninkrijk. • Stel daarbij een Koninkrijksfonds ter beschikking van passende, respectvolle omvang, ter structurele en duurzame financiering van herstelmaatregelen. De herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Koninkrijk op 1 juli 2023 zou een bij uitstek geschikt moment zijn voor de inwerkingtreding daarvan. • Treed met de landen binnen het Koninkrijk, Curaçao, Aruba en Sint Maarten, en ook de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en waar toepasselijk Suriname in overleg over de wijze van het te ontwikkelen herstelbeleid, met inbegrip van het hierboven genoemde Koninkrijksfonds. Dit beleid dient op 1 juli 2023 tot resultaat te hebben geleid. Alleen een gezamenlijk gedragen beleid kan leiden tot uitkomsten die voor alle partijen bevredigend zijn. Gelet op de grote onderlinge verschillen zal er ruimte moeten zijn voor eigen opvattingen en maatwerk, zodat neokoloniale reflexen worden voorkomen. Daarbij is van belang dat de samenwerking tussen deze delen van het voormalige Koninkrijk waar gewenst ook in operationele zin wordt bevorderd.
45
Motie-Nicolaï 8. Het adviescollege adviseert, met inachtneming van de hiervoor genoemde overwegingen en aanbevelingen, de voorstellen die in de motie-Nicolaï onderwerp waren van onderzoek, uit te voeren. Suriname 9. Het adviescollege betreurt het dat de dialoog over het slavernijverleden in Suriname en de doorwerking daarvan in het heden geen onderdeel van de aan het adviescollege verstrekte opdracht was. Deze was immers beperkt tot het huidige Koninkrijk. Gelet op de aanzienlijke rol die de Nederlandse trans-Atlantische slavernij heeft gespeeld in de voormalige kolonie Suriname en de actieve rol die de diaspora in Nederland speelt bij zowel het herdenken als verwerken van het slavernijverleden, wordt geadviseerd om Suriname te betrekken bij de uitvoering van dit advies en de totstandkoming van het beleid daartoe. Oost-Indië 10. Het slavernijverleden van Nederland betreft zowel Oost- als West-Indië. De opdracht van het adviescollege beperkte zich tot het trans-Atlantische slavernijverleden. Om een integraal beeld van de Nederlandse betrokkenheid in de slavernij te hebben, is nader onderzoek naar slavernij in Oost-Indië wenselijk. Daarom beveelt het adviescollege aan om dit onderwerp en de doorwerking in het heden nader in onderzoek te nemen, in een daartoe passend proces.
Internationaal 11. Het adviescollege heeft kennisgenomen van de VN-resolutie van 22 december 2018 waarbij is besloten een permanent forum op te richten ten behoeve van mensen van Afrikaanse afkomst. Het forum zal dienen als overlegorgaan voor mensen van Afrikaanse afkomst en andere belanghebbenden, als platform voor het verbeteren van de levenskwaliteit en het levensonderhoud van mensen van Afrikaanse afkomst en om bij te dragen aan de uitwerking van de VN-resolutie in een verklaring. Die declaration zal een eerste stap zijn tot een juridisch bindend instrument, voor de bevordering en volledige eerbiediging van de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst. Het adviescollege beveelt aan actief te participeren in dit forum en de realisatie van het bindend instrument te bevorderen.
46
Bijlagen
bijlage 1
STAATSCOURANT
Nr. 38358 20 juli 2020
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 juli 2020, 2020-0000385792, tot instelling van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden (Regeling instelling Adviescollege dialooggroep slavernijverleden) De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad; Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges; BESLUITEN: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. minister: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; b. adviescollege: Adviescollege dialooggroep Slavernijverleden. Artikel 2 1. Er is een Adviescollege dialooggroep Slavernijverleden. 2. Het adviescollege heeft tot taak het organiseren van een dialoog over het slavernijverleden en het opstellen van een rapport met bevindingen van de dialoog. De dialoog gaat over de doorwerking van het slavernijverleden in de hedendaagse samenleving en is gericht op een bredere erkenning en inbedding van dit gedeelde verleden. 3.
Het adviescollege zal: a) de onafhankelijkheid en inhoudelijke samenhang van de dialoog waarborgen; b) gesprekstafels binnen de maatschappelijke sectoren en in het Caribische deel van het Koninkrijk organiseren en faciliteren; en c) een rapport met bevindingen van de dialoog opstellen en aanbieden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 3 Het adviescollege bestaat uit zes leden. Artikel 4 1. Het adviescollege brengt zijn advies uit voor 1 mei 2021 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Na het uitbrengen van het advies is het adviescollege opgeheven. Artikel 5 De archiefbescheiden van het adviescollege worden na zijn opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 6 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 2021.
1
Staatscourant 2020 nr. 38358
20 juli 2020
Artikel 7 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling instelling Adviescollege dialooggroep slavernijverleden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops
2
Staatscourant 2020 nr. 38358
20 juli 2020
bijlage 1
TOELICHTING 1. Inleiding Deze regeling strekt tot instelling van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden. Dit adviescollege wordt gevraagd om een dialoog over het slavernijverleden te organiseren en om een rapport met bevindingen van de dialoog op te stellen.
2. Achtergrond Er is in Nederland in toenemende mate maatschappelijke aandacht voor het slavernijverleden. Sporen van het slavernijverleden werken in de samenleving door tot op de dag van vandaag. Het kabinet vindt het van belang om jaarlijks bij de afschaffing van de slavernij en de doorwerking van het slavernijverleden stil te staan en daarnaast ook op andere manieren hieraan actief aandacht te schenken. Hiermee wil het kabinet een rol spelen in het levend houden én aan volgende generaties doorgeven van de herinnering over het slavernijverleden, zodat nooit vergeten wordt dat ook het leed van zovelen in slavernij, deel uitmaakt van onze geschiedenis. Het kabinet is via de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) dan ook betrokken bij een palet aan activiteiten gericht op het slavernijverleden. In een brief aan de Tweede Kamer van 1 juli 2019 over het slavernijverleden1 werden die activiteiten door de minister van BZK, mede namens de ministers van OCW en SZW, geschetst.
Een aantal voorbeelden hiervan is de ontwikkeling van een nationale museale voorziening slavernijverleden, de voortaan structurele financiering van de jaarlijkse herdenking bij het Nationaal Monument Slavernijverleden en de Nederlandse invulling van het decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst (januari 2015–december 2024), dat zich richt op de versterking van de aanpak van racisme in Nederland. In diezelfde Kamerbrief over het slavernijverleden schreef de minister van BZK ook dat het kabinet het van groot belang acht dat er een dialoog over het slavernijverleden, en over de doorwerking daarvan in de hedendaagse samenleving plaatsvindt. Een dialoog die gericht is op verbinding en op een bredere erkenning en inbedding van dit gedeelde verleden. Een onafhankelijke dialooggroep (‘Adviescollege dialooggroep slavernijverleden’) zal via verschillende gesprekstafels de dialoog voeren. De dialoog richt zich niet alleen op Nederlanders van Afrikaanse afkomst, maar op de Nederlandse samenleving in zijn geheel en in het bijzonder ook op de Caribische delen van het Koninkrijk. Voor 1 mei 2021 zal de dialooggroep een rapportage aan de minister van BZK aanbieden met de bevindingen van de dialoog. Deze regeling strekt tot het instellen van de dialooggroep.
3. Adviescollege Het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden heeft tot taak het organiseren van een dialoog over het slavernijverleden en het opstellen van een rapport met bevindingen van de dialoog. Daartoe zal het adviescollege: 1. de onafhankelijkheid en inhoudelijke samenhang van de dialoog waarborgen; 2. de gesprekstafels binnen de maatschappelijke sectoren en in het Caribische deel van het Koninkrijk organiseren en faciliteren; en 3. een rapport met bevindingen van de dialoog opstellen en aanbieden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het instellen van een Adviescollege dialooggroep slavernijverleden waarborgt dat de dialoog over het slavernijverleden onafhankelijk van de overheid gevoerd kan worden. De overheid faciliteert slechts de dialoog. Dat is van belang, omdat de Nederlandse overheid immers gezien kan worden als een partij in deze discussie. Het instellen van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden zorgt er bijvoorbeeld voor dat de overheid geen rol hoeft te spelen in het selecteren van deelnemers aan de gesprekstafels. Dit zou de bevindingen van de dialoog kunnen sturen en deze daarmee aan waarde doen verliezen. De leden van het Adviescollege dialooggroep slavernijverleden handelen niet op last van ruggespraak met een bepaalde achterban.