CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.6 rvs Vaststelling bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen bijlage 4b regels

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve13.527 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen Vlissingen

2/180

DATUM IMRO IDN

29-06-2023

PROJECT PROJECTLEIDER

Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen ir. C.A. Louws

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Vlissingen 0718.20210605

AUTEUR STATUS

vastgesteld

NL.IMRO.0718.BPSL01-VA01

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

117

Artikel 1

Begrippen

117

Artikel 2

Wijze van meten

125

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

127

Artikel 3

Agrarisch met waarden

127

Artikel 4

Bedrijf

131

Artikel 5

Gemengd - Stadslandgoed

133

Artikel 6

Groen

138

Artikel 7

Maatschappelijk

139

Artikel 8

Recreatie

141

Artikel 9

Verkeer

143

Artikel 10

Water

144

Artikel 11

Leiding - Gas

145

Artikel 12

Leiding - Hoogspanningsverbinding

147

Artikel 13

Leiding - Riool

149

Artikel 14

Waarde - Archeologie 1

151

Artikel 15

Waarde - Archeologie 2

154

Artikel 16

Waterstaat

157

Hoofdstuk 3

Algemene regels

159

Artikel 17

Anti-dubbeltelregel

159

Artikel 18

Algemene bouwregels

160

Artikel 19

Algemene aanduidingsregels

161

Artikel 20

Algemene afwijkingsregels

162

Artikel 21

Algemene wijzigingsregels

163

Artikel 22

Algemene gebruiksregels

164

Overgangs- en slotregels

165

Artikel 23

Overgangsrecht

165

Artikel 24

Slotregel

166

Hoofdstuk 4

5/180

6/180

REGELS

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Stadslandgoed Nieuwerve Vlissingen, met identificatienummer NL.IMRO.0718.BPSL01-VA01 van de gemeente Vlissingen. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en /of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over het certificaat als bedoeld in paragraaf 5.1, artikel 5.1 tot en met artikel 5.6, van de Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 1.6 agrarische productie het bedrijfsmatig telen van gewassen en houden van dieren ten behoeve van gebruik van plantaardige of dierlijke producten door mens of dier. 1.7 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarden dan wel de aan een gebied toegekende hoge of middelhoge verwachtingswaarde ten aanzien van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.9 bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 1.10 bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.11 bedrijfs- of dienstwoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor de bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein.

117/180

1.12 bedruimte ruimte bestemd voor een of meer bedden bestemd voor slapen. 1.13 bestaand gebruik het op het tijdstip van het in werking treden van het plan bestaande gebruik. 1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.15 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16 bevoegd gezag het bevoegde bestuursorgaan als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.17 bijbehorend bouwwerk de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.18 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.19 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20 bouwperceelsgrens een grens van een bouwperceel. 1.21 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.22 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.23 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.24 bouwwerk, geen gebouw zijnde elk bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde. 1.25 bruto-standplaatsgrootte De totale oppervlakte van een kampeerterrein, inclusief landschappelijke inpassing, gedeeld door het totaal aantal standplaatsen.

118/180

1.26 centrale bedrijfsmatige exploitatie het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een gezamenlijk beheer en exploitatie van alle:  op een recreatieterrein aanwezige standplaatsen en verblijfsrecreatieaccommodaties gericht op het bieden van verblijfsrecreatieve mogelijkheden;  op een volkstuinencomplex aanwezige volkstuinen. 1.27 cultuur het aanbieden en uitoefenen, al dan niet bedrijfsmatig, van activiteiten gericht op kunst, cultuur, beschaving, ontspanning en vermaak, niet zijnde seksinrichtingen en prostitutie. 1.28 dagrecreatie activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport niet zijnde een sportcomplex, spel, toerisme, cultuur en educatie, waarbij overnachting en lawaaisporten uitdrukkelijk zijn uitgesloten. 1.29 deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen aangaande een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals bijvoorbeeld een archeologisch deskundige, een landschapsdeskundige, een milieudeskundige en een natuurdeskundige. 1.30 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen.

1.31 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.32 erf een al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. 1.33 extensieve dagrecreatie activiteiten in de openlucht ter ontspanning of de beleving van en/of kennismaking met natuur, landschap en cultuur waarbij het gaat om een relatief beperkt aantal recreanten per oppervlakte-eenheid, zoals wandelen, fietsen, skaten, vissen, zwemmen, natuurobservatie, varen, kanoën, suppen, paardrijden, klimmen en overige kleinschalige sportactiviteiten waarbij gebruikgemaakt wordt van het landschap, de paden, het water en de openbare voorzieningen. 1.34 externe veiligheid de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewenst voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

119/180

1.35 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.36 geluidsgevoelige objecten woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. 1.37 geluidshinderlijke inrichtingen bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken. 1.38 grenswaarde de grens, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer en zoals uitgewerkt in het Besluit externe veiligheid inrichtingen ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico. 1.39 grens zone industrielawaai de grens van de zone, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. 1.40 groepsrisico cumulatieve kansen per jaar, dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof, een gevaarlijke afvalstof of een bedrijfsmiddel is betrokken. 1.41 grondgebonden agrarisch gebruik a. akkerbouw, fruitteelt- en overige tuinbouw, waaronder bloem- en boomkwekerij: het telen of veredelen van gewassen in of op de open grond (de teelt onder afdekmateriaal en in lage tijdelijke voorzieningen daarbij begrepen); b.

veeteeltbedrijf: het houden van melkvee en/of overig vee waarvoor in de bedrijfsvoering weidegang essentieel is. 1.42 hogere grenswaarde een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen. 1.43 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.44 invloedsgebied een gebied waarin, op grond van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

120/180

1.45 justitieel complex een complex ten behoeve van justitie en veiligheid met daarin onder andere:  een extra beveiligde zittingslocatie (EBZ);  een penitentiaire inrichting met als onderdeel daarvan: 1. een extra beveiligde inrichting; 2. een steunpunt voor de Dienst Vervoer & Ondersteuning; 3. een beveiligde faciliteit waar procespartijen, zoals rechters etc., kunnen overnachten en werken;  ondersteunende en bijbehorende voorzieningen;  mogelijkheid voor het landen en opstijgen van een helikopter. 1.46 kantoor een gebouw of gedeelte van een gebouw dat, blijkens haar aard, indeling en inrichting kennelijk dient voor het bedrijfsmatig aanbieden en uitoefenen van administratieve werkzaamheden ten behoeve van derden zonder of met een sterk ondergeschikte baliefunctie, waaronder begrepen congres- en vergaderaccommodatie. 1.47 kampeermiddel een kampeerauto/camper op kampeerterreinen bestemd voor recreatief nachtverblijf waarvan de gebruikers hun hoofdgebruik elders hebben. 1.48 kampeerterrein een terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en verblijfsrecreatieaccommodaties.

1.49 lawaaisport een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingslawaai wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport en modelvliegsport. De jachtsport wordt hier niet onder begrepen. 1.50 maatschappelijke voorziening educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening; 1.51 NEN een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 1.52 netto-standplaatsgrootte de effectieve, vrije ruimte per standplaats, gemeten zonder beplantingen, wegen, (schouw)paden, sport- en spelvoorzieningen en parkeergelegenheid. 1.53 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

121/180

1.54 ondergeschikte detailhandel de detailhandel waarbij de detailhandelsactiviteit een directe relatie heeft met de hoofdactiviteit maar daaraan ondergeschikt is. 1.55 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.56 peil a. de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw, indien de afstand tussen het gebouw en de kant van de weg minder dan 5 meter bedraagt; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het, op het moment van inwerkingtreding van het plan, afgewerkte terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw. 1.57 perceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. 1.58 plaatsgebonden risico het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. 1.59 plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar de risicocontour 10-6/jaar, ingevolge de artikelen 6, 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, die aangeeft waar er een bepaalde effectkans van één op een miljoen is op een incident met één of meer dodelijke slachtoffers.

1.60 productiegebonden detailhandel de detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en of toegepast in het productieproces waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.61 proefvelden een perceel waar onderzoek kan worden uitgevoerd met betrekking tot voedsel- en bosproductie, waterhuishouding, energie, klimaat en aanverwante thema's. 1.62 QRA een Quantitative Risk Analysis (kwantitatieve risicoanalyse) voor activiteiten met gevaarlijke stoffen. 1.63 richtwaarde de richtwaarde, zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer, en zoals uitgewerkt in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico.

122/180

1.64 risicovolle inrichting a. een inrichting bij welke ingevolge artikel 2, lid 1, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde of richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het inpassingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; b. een AMvB-inrichting/vergunningsplichtige inrichting, waarvoor krachtens de Wet milieubeheer afstanden gelden met het oog op de externe veiligheid, met uitzondering van gasdrukmeet- en regelstations. 1.65 sportcomplex een complex met meerdere sportvelden dan wel sportaccommodaties. 1.66 standplaats een gedeelte van een verblijfsrecreatieterrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel inclusief de bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens zoals bijzettenten, of een verblijfsrecreatieaccommodatie . 1.67 Staat van Bedrijfsactiviteiten de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 2) die van deze regels onderdeel uitmaakt. 1.68 Staat van Horeca-activiteiten de Staat van Horeca-activiteiten (bijlage 3) die van deze regels onderdeel uitmaakt.

1.69 teeltondersteunende voorzieningen bouwwerken, ten behoeve van de bescherming van gewassen en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, onderzoeksfuncties en duurzaam waterbeheer, klimaatadaptatie en duurzame voedselproductie, nader te onderscheiden in: a. boog- en gaaskassen: al dan niet verplaatsbare gebouwen overtrokken met en omsloten door lichtdoorlatend materiaal anders dan glas; b. afdekfolie: folie die op de bodem wordt aangebracht; c. containervelden: al dan niet verharde of met worteldoek afgedekte percelen ten behoeve van de teelt van planten in potten; d. overkappingconstructies: bouwwerken zonder wanden, geen gebouwen zijnde, overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan glas, zoals hagelnetten; e. stellingen: bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarop of waarlangs planten worden geteeld/geleid; nader te onderscheiden in: f. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst zoals afdekfolies, acryldoek en tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 m; g. permanente voorzieningen: voorzieningen die langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, zoals containervelden, boog- en gaaskassen, stellingen en regenkappen.

1.70 verblijfsrecreatie een tijdelijk recreatief nachtverblijf in kampeermiddelen of verblijfsrecreatieaccommodaties gedurende korte perioden per jaar, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

123/180

1.71 verblijfsrecreatieaccommodatie een vrijstaand gebouw op een standplaats bestemd voor verblijfsrecreatie, met een maximale oppervlakte van 75 m² en een fundering niet dieper dan 30 cm beneden maaiveld; 1.72 verblijfsrecreatieve voorzieningen voorzieningen, geen kampeermiddelen of verblijfsrecreatieaccommodaties zijnde, ten behoeve van de verblijfsrecreatie. 1.73 voorgevel de naar de weg of naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw. 1.74 voorkeursgrenswaarde de maximale waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen. 1.75 vuurwerkbedrijf een inrichting waar professioneel vuurwerk en/of meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig is. 1.76 wet/wettelijke regelingen indien in dit plan, de begrippen in de regels daaronder begrepen, wordt verwezen naar een wet, een wettelijke regeling (Algemene Maatregel van Bestuur of ministeriële regeling), een Keur of een verordening dienen deze te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan. 1.77 windturbine een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding.

124/180

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte (op de achterzijde van een gebouw meer dan 70%), wordt de goot of boeibord van de dakkapel als goothoogte aangemerkt. 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en /of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, zonnepanelen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.6 de breedte, lengte of diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren. 2.7 de bouwhoogte van een ander bouwwerk tussen het hoogste punt van het bouwwerk en het peil; bij constructies worden de werken in verticale stand meegerekend. 2.8 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de tip (uiteinde) van het bovenste verticaal staande rotorblad; als een windturbine op of aan een gebouw wordt gerealiseerd, wordt gemeten tussen het punt waarbij de windturbine het dakvlak kruist en de tiphoogte van de windturbine.

125/180

126/180

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. agrarisch natuurbeheer; c. de bescherming en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden in de vorm van behoud van de kenmerkende openheid, beplantingspatroon, verkavelingspatroon, reliëf en bebouwingspatroon; d. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen; e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen en water, inclusief natuurvriendelijke oevers, laaden losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Bouwregels Bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 meter. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Overkappingconstructies als teeltondersteunende voorziening Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, voor het bouwen van overkappingconstructies als teeltondersteunende voorziening, met inachtneming van het volgende: a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 4 meter; b. de teeltondersteunende voorziening staat ten dienste aan het grondgebonden agrarisch bedrijf; c.

de omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van het grondgebonden agrarisch bedrijf; d. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de landschapswaarden, zoals benoemd in lid 3.1., onder b, niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van een landschaps- en natuurdeskundige; e. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien is aangetoond dat is voorzien in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een opgaande beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van ten minste 10 meter; f. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;

127/180

3.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. de opslag van goederen, anders dan agrarische producten afkomstig van het eigen agrarisch bedrijf is niet toegestaan; b. de opslag van dierlijke mest ten behoeve van handelsdoeleinden is niet toegestaan; c. het gebruik van mestbassins is niet toegestaan; d. het gebruik van waterbassins is niet toegestaan; e. het gebruik van kuilvoerplaten en sleufsilo's ten behoeve van de opslag van producten die niet afkomstig zijn van, of worden gebruikt op, het eigen agrarisch bedrijf, is niet toegestaan; f. het gebruik van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor een aaneengesloten periode van langer dan 10 weken is niet toegestaan; g. containervelden zijn niet toegestaan; h. detailhandel is niet toegestaan; i. fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (terreinen voor kleinschalig kamperen daaronder inbegrepen) is niet toegestaan; j. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in boog- en gaaskassen is niet toegestaan.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Verbod Het is verboden op de in lid 3.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie- leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; b. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; c. het vellen of rooien van struiken of bomen; d. het beplanten van gronden met struiken of bomen. 3.5.2 Uitzondering Het verbod van lid 3.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden, die: a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

128/180

3.5.3 Voorwaarden Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.5.1. zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de in lid 3.1 onder b genoemde aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. 3.5.4 Advisering Alvorens te beslissen omtrent een aanlegvergunning als bedoeld in lid 3.5.1 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige omtrent de criteria genoemd in lid 3.5.3 . 3.6 Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag is bevoegd de bestemming Agrarisch met waarden te wijzigen, door het opnemen van een aanduiding waarmee bemesting wordt uitgesloten of door het wijzigen van de bestemming in de bestemming Natuur of Groen, ten einde te verzekeren dat de stikstofdepositie als gevolg van het door middel van de bestemmingen Bedrijf, Gemengd - Stadslandgoed en Maatschappelijk toegelaten gebruik in voldoende mate wordt gesaldeerd, met inachtneming van het volgende: a. toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden ter plaatse van de in de nabijheid gelegen bestemmingen en functies; b. bij wijziging naar de bestemming Natuur geldt: 1.

aangewezen gronden zijn bestemd voor:  het behoud, de versterking en/of de ontwikkeling van natuurwaarden;  water, groen en waterpartijen, inclusief natuurvriendelijke oevers;  extensieve dagrecreatie in de vorm van wandelen, fietsen, paardrijden en verpozen en andere daarmee vergelijkbare activiteiten en de daarbij behorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;  aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen. 2. gebouwen, uitgezonder ntugsvoorzieningen en schuilvoorzieningen, zijn niet toegestaan; 3. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van terreinafscheidingen, mag ten hoogste 5.00 meter bedragen; 4. de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag ten hoogste 3.00 meter bedragen.

129/180

130/180

Artikel 4

Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven, zoals deze voorkomen in ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag': tevens voor opslag c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, ontsluitingswegen, laad- en losvoorzieningen, waterberging en andere waterhuishoudkundige voorzieningen, erven, windturbines, afvalverzamelvoorzieningen en reclame-uitingen en tevens voorzieningen ten behoeve van productiegebonden detailhandel en ondergeschikte detailhandel. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Voor gebouwen, niet zijnde nutsvoorzieningen, gelden de volgende regels: a. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; c. de totale oppervlakte van gebouwen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangegeven percentage van het maatvoeringsvlak; d. de afstand van de gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt ten minste 3 m; e. de afstand van de gebouwen tot de openbare weg bedraagt ten minste 5 m, tenzij op de verbeelding anders staat aangegeven. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 7 m; c. windturbines mogen uitsluitend worden gebouwd op of aan een gebouw; d. de bouwhoogte van windturbines bedraagt ten hoogste 50% van de bouwhoogte van gebouwen met een maximum van 5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte ten opzichte van het peil ten hoogste 20 m bedraagt; e. van windturbines met een verticale as bedraagt de maximale hoogte van de rotor 5 m; f. voor niet-wiekturbines geldt een maximale rotordiameter van 2 m. 4.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van bebouwing ten behoeve van: a. een samenhangend bebouwingsbeeld; b. de veiligheid; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing.

131/180

4.4 Specifieke gebruiksregels a. het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 4.1 omschreven bestemmingen is slechts toegestaan, indien: 1. een landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein op de aangrenzende gronden met de bestemming Groen die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten is aangelegd en vervolgens aldus in stand wordt gehouden en beheerd; 2. binnen het plangebied van het bestemmingsplan een waterberging wordt aangelegd, beheerd en in stand gehouden met een omvang, die voorziet in een bergingsvolume van minimaal 75 liter per m2 verhard oppervlak, een en ander conform het beleid en de normen van het waterschap; b. de losse opslag in de open lucht van goederen en stoffen vóór de naar de ontsluitingsweg(en) van het bedrijventerrein gekeerde gevel(s) van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag'; c. risicovolle inrichtingen, geluidshinderlijke inrichtingen en opslag van vuurwerk zijn niet toegestaan; d. zelfstandige kantoren en zakelijke dienstverlening zijn niet toegestaan; e. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels Bevoegd gezag kan afwijken van: a. het bepaalde in lid 4.1, sub a: 1.

teneinde bedrijven toe te laten, die voorkomen in ten hoogste twee categorieën hoger dan genoemd in lid 4.1, sub a, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werk- of productiewijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de volgens lid 4.1, sub a, toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat risicovolle inrichtingen, geluidshinderlijke inrichtingen en opslag van vuurwerk niet zijn toegestaan; 2. teneinde bedrijven toe te laten, die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werk- of productiewijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de volgens lid 4.1 sub a toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande, dat risicovolle inrichtingen, geluidshinderlijke inrichtingen en opslag van vuurwerk niet zijn toegestaan; 3. indien afwijken niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

132/180

Artikel 5

Gemengd - Stadslandgoed

5.1 Bestemmingsomschrijving Voor Gemengd - Stadslandgoed aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een robuuste groen- en waterstructuur, onder andere bestaande uit opgaande beplanting, water en open vegetaties; b. dagrecreatie; c. horeca t/m categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten; d. voorzieningen gericht op cultuur; e. maatschappelijke voorzieningen, commerciële instellingen en bedrijven die gericht zijn op duurzaamheidsthema's, zoals klimaatadaptatie, duurzaam waterbeheer, duurzame voedselproductie en duurzame energieopwekking, waaronder begrepen kennis- en onderzoeksinstellingen en laboratoria; f. proefvelden; g. kinderboerderij; h. grondgebonden agrarisch gebruik, met dien verstande het aanwenden van dierlijke mest en/of kunstmest en veehouderij niet zijn toegestaan; i. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' tevens verblijfsrecreatie; j. ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - 2' en 'overige zone 3' tevens volkstuinen; k. ondergeschikte detailhandel; l. wegen; m. fiets- en voetpaden; n. watergangen en andere waterpartijen en daarbij behorende voorzieningen zoals bruggen en duikers; o. verkeer- en parkeervoorzieningen; p.

andere, bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, energievoorzieningen, verlichting en laad- en losvoorzieningen en nutsvoorzieningen, straatmeubilair, abri's, kunstobjecten, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen algemeen Voor gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; c. de totale oppervlakte van gebouwen per bouwperceel bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangegeven percentage; d. op een volkstuinencomplex is ten hoogste één, niet voor bewoning, maar voor centrale voorzieningen bestemd gebouw ten dienste van het volkstuinencomplex worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 100 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 5,00 meter.

133/180

5.2.2 Overige bouwwerken en nutsvoorzieningen Voor overige bouwwerken en nutsvoorzieningen, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt ten hoogste: 1. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - 1': 7 m; 2. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - 2': 15 m, met dien verstande dat de hoogte van vrijstaande windturbines ten hoogste 21 m bedraagt; 3. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - 3': 20 m; b. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 7 m; c. in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen ten hoogste 2 m; d. voor windturbines op of aan een gebouw gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van windturbines bedraagt ten hoogste 50% van de bouwhoogte van gebouwen met een maximum van 5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte ten opzichte van het peil ten hoogste 21 m bedraagt; 2. per gebouw is slecht één windturbine hoger dan de maximale bouwhoogte zoals gesteld onder a toegestaan; 3. van windturbines met een verticale as bedraagt de maximale hoogte van de rotor 5 m; 4. voor niet-wiekturbines bedraagt de maximale rotordiameter 2 m. 5.2.3 Verblijfsrecreatie Op een kampeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' gelden in aanvulling op het bepaalde in 5.2.1 en 5.2.2 de volgende regels: a.

het aantal verblijfsrecreatieaccommodaties bedraagt maximaal 25; b. de oppervlakte van een verblijfsrecreatieaccommodatie bedraagt maximaal 75 m²; c. de bouwhoogte van verblijfsrecreatieaccommodaties bedraagt maximaal 5 m; d. de bouwhoogte van aansluitpalen voor elektra en/of water bedraagt, in afwijking van het bepaalde in 5.2.2, ten hoogste 1,5 m; e. de totale oppervlakte van verblijfsrecreatieaccommodatie en privésanitair bedraagt gezamenlijk ten hoogste 13% van het bouwperceel; f. per standplaats is privé sanitair met een oppervlakte van maximaal 6 m² toegestaan. 5.3 Nadere eisen Bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmeting van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. de vormgeving en inrichting van het openbaar gebied waarbij het ruimtelijk raamwerk van het landgoed, bestaande uit onder andere bos, lanen, waterpartijen, lineaire beplanting en vlakvormige beplanting, wordt aangelegd en in stand wordt gehouden c. het oprichten van windturbines, gelet op het stedenbouwkundig en landschappelijk effect en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

134/180

5.4 Afwijken van de bouwregels 5.4.1 Afwijken algemeen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde 5.2.1: a. ten aanzien van de in deze regels voorgeschreven breedte- en dieptematen, oppervlakten, afmetingen en/of de uitkomst daarvan, met uitzondering van de hoogteregels, tot ten hoogste 10%. 5.4.2 Bouwhoogte gebouwen Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte gebouwen' bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 5.2.1 onder b om een hogere bouwhoogte van gebouwen toe te staan, met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte van gebouwen is maximaal 12 m; b. de bouwhoogte past binnen de stedenbouwkundige invulling en landschappelijke visie op het Stadslandgoed; c. de omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 5.4.3 Bebouwingspercentage Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1 onder c: a.

voor een bebouwingspercentage tot ten hoogste 30% indien, in aanvulling op het bepaalde in 5.5 sub a onder 3, een oppervlakte van 15% van het bouwperceel op het betreffende bouwperceel of elders binnen de bestemming wordt ingericht met opgaande beplanting of natuur, als onderdeel van de totale groenstructuur van het Stadslandgoed en duurzaam in stand wordt gehouden; 5.4.4 teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1 onder c. voor het bouwen van overkappingsconstructies als teeltondersteunende voorzieningen tot een oppervlakte van ten hoogste 40% van het bouwperceel met inachtneming van het volgende: 1. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 4 m; 2. de teeltondersteunende voorziening staat ten dienste aan de in artikel 5.1 toegestane functies; 3. afwijking wordt niet verleend:  binnen een afstand van 100 m van een verblijfsrecreatief bedrijf;  binnen een afstand van 100 m van de plangrens rond woonbebouwing; 4. afwijking wordt verleend, indien is aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering; 5. afwijking wordt verleend indien is aangetoond dat de robuuste groen- en waterstructuur, zoals benoemd in lid 5.5.1, niet onevenredig wordt of kan worden geschaad; 6.

afwijking wordt verleend indien wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een gemiddelde breedte van ten minste 5 meter, waarvan instandhouding is geborgd;

135/180

5.5 Specifieke gebruiksregels 5.5.1 Algemeen a. het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 5.1 omschreven bestemmingen is slechts toegestaan, indien: 1. een waterberging wordt aangelegd, beheerd en in stand gehouden met een omvang, die voorziet in een bergingsvolume van minimaal 75 liter per m2 verhard oppervlak, een en ander conform het beleid en de normen van het waterschap; 2. nieuwe functies landschappelijk goed worden ingebed in het landschap van het Stadslandgoed, door de realisatie en de instandhouding van een strook met opgaande beplanting om het betreffende erf met een gemiddelde breedte van 10 m, dan wel een equivalente oppervlakte opgaande beplanting, water of natuur elders in het Stadslandgoed én een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing; 3. een evenredige bijdrage wordt geleverd aan de robuuste groen- en waterstructuur zoals bedoeld onder b; b. ten minste 30% van het oppervlak van de gronden met bestemming Gemengd - Stadslandgoed wordt ingericht met een robuuste groen- en waterstructuur, met dien verstande dat: 1. de robuuste groen- en waterstructuur bestaat uit opgaande beplanting, lanen en landschapselementen, water, open graslandvegetaties en natuur; 2. extensieve dagrecreatie in de groen- en waterstructuur is toegestaan; c.

rondom het Stadslandgoed wordt een groen- en waterstructuur gerealiseerd, conform bijlage 1; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - laanbeplanting' wordt een laanstructuur gerealiseerd conform bijlage 1 met een lijnvormig beplantingselement met een lengte van ten minste 600 m, bestaande uit opgaande beplanting, een langzaamverkeersverbinding en water, waarbij een mogelijke onderbreking van dit beplantingselement niet groter is dan 50 m; e. ten minste 15% van de gronden binnen deze bestemming is openbaar toegankelijk; f. zelfstandige kantoren en zakelijke dienstverlening zijn niet toegestaan; g. volkstuinen zijn uitsluitend toegestaan: 1. als onderdeel van een clustering van meerdere volkstuinen in een complex en; 2. indien sprake is van een centrale bedrijfsmatige exploitatie en; 3. indien rondom het volkstuinencomplex realisatie van een adequate landschappelijke inpassing met een gemiddelde breedte van 10 m is aangelegd die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten én een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing ; h. volkstuinen zijn niet toegestaan binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - 1'; i. de minimale oppervlakte van een individuele volkstuin binnen een complex bedraagt 100 m2; j.

wonen is niet toegestaan; k. dagrecreatie is slechts toegestaan indien deze qua aard, schaal en maat past bij het stadslandgoed; l. het houden van dieren voor agrarische productie en het aanwenden van dierlijke mest en/of kunstmest ten behoeve van agrarische productie is niet toegestaan.

136/180

5.5.2 Verblijfsrecreatie Verblijfsrecreatie is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. verblijfsrecreatie is uitsluitend toegestaan in kampeermiddelen en verblijfsrecreatieaccommodaties op standplaatsen op een kampeerterrein; b. het gezamenlijk aantal standplaatsen bedraagt maximaal 35; c. het aantal camperplaatsen bedraagt maximaal 10; d. er standplaats mag maximaal 1 kampeermiddel of verblijfsrecreatieaccommodatie worden geplaatst; e. op een standplaats mogen naast het kampeermiddel als bedoeld onder e maximaal twee bijzettentjes worden geplaatst met een maximale oppervlakte van ieder 10 m²; f. de netto-standplaatsgrootte bedraagt ten minste 150 m²; g. in afwijking van sublid h bedraagt de oppervlakte van een standplaats voor een camper ten minste 80 m²; h. de netto-standplaatsgrootte ten behoeve van een verblijfsrecreatieaccommodatie bedraagt ten minste vier maal de oppervlakte van de op de standplaats aanwezige bebouwing; i. de bruto-standplaatsgrootte bedraagt ten minste 2 maal de minimale netto-standplaatsgrootte; j. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, bestaande uit een integraal landschappelijk ontwerp van het terrein, de standplaatsen en centrale voorzieningen, waarbij zorg wordt gedragen voor een goede visuele afscherming met opgaande beplanting naar de omgeving; k.

aangetoond moet worden dat sprake is van een goed verblijfsrecreatief milieu, waaronder begrepen een goed akoestisch milieu; l. verblijfsrecreatie ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar en vinden plaats op basis van een businessplan; m. ontwikkelingen zetten qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept; n. ontwikkelingen leveren een bijdrage aan de werkgelegenheid en behoud van voorzieningen passend in het karakter van het Stadslandgoed en de daarin gevestigde en te vestigen andere functies; o. er dient sprake te zijn van een centrale bedrijfsmatige exploitatie; p. in afwijkingen van het bepaalde onder 5.5.1 onder a is het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatie slechts toegestaan indien rondom de verblijfsrecreatie een strook met opgaande beplanting met een gemiddelde breedte van ten minste 10 m wordt aangelegd, beheerd en in stand gehouden; q. het al dan niet tijdelijk gebruiken van een verblijfsrecreatieaccommodatie of kampeermiddel als hoofdverblijf is niet toegestaan; r. een hotel is niet toegestaan; s. verblijfsrecreatieve functies worden ontsloten via de Oostelijke Bermweg.

137/180

Artikel 6

Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. opgaande beplanting ten behoeve van een adequate landschappelijke inpassing van aangrenzende bestemmingen; b. groenvoorzieningen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. grondgebonden agrarisch gebruik, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch'; e. aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen, geluidswerende en ecologische voorzieningen; f. paden; g. perceelontsluitingen en ontsluitingswegen t.b.v. aangrenzende bestemmingen. 6.2 Bouwregels Voor de bebouwing gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Verbod Het is verboden op de tot 'Groen' bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van paden; b. het vergraven of ontgraven van dijken of taluds; c. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.

6.3.2 Voorwaarden omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien de waarden van de in lid 6.1 omschreven gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. 6.3.3 Uitzondering op verbod Het verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.3.1 welke: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

138/180

Artikel 7

Maatschappelijk

7.1 Bestemmingsomschrijving Voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een justitieel complex; b. groen-, verkeer- en parkeervoorzieningen; c. watergangen en andere waterpartijen en daarbij behorende voorzieningen; d. grondgebonden agrarisch gebruik, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch'; e. andere, bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals waterhuishoudkundige voorzieningen, energievoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, verlichting, kunstwerken en laad- en losvoorzieningen en nutsvoorzieningen. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Gebouwen Voor gebouwen, niet zijnde nutsvoorzieningen, gelden de volgende regels: a. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte; c. de totale oppervlakte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangegeven oppervlakte van het maatvoeringsvlak. 7.2.2 Overige bouwwerken en nutsvoorzieningen Voor overige bouwwerken en nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen en overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 10 m; b. de bouwhoogte van afschermende muren en hekwerken bedraagt ten hoogste 7 m en de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen en bouwwerken ten behoeve van de veiligheid bedraagt ten hoogste 10 m; c.

in afwijking van het bepaalde onder a bedraagt de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen ten hoogste 3 m; d. windturbines mogen uitsluitend worden gebouwd op of aan een gebouw; e. de bouwhoogte van windturbines bedraagt ten hoogste 50% van de bouwhoogte van gebouwen met een maximum van 5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte ten opzichte van het peil ten hoogste 21 m bedraagt; f. van windturbines met een verticale as bedraagt de maximale hoogte van de rotor 5 m; g. voor niet-wiekturbines geldt een maximale rotordiameter van 2 m. 7.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. een samenhangend bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing.

139/180

7.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, mits het ruimtelijk en stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 7.2.1, onder b, en van het bepaalde in sublid 7.2.2, onder a en b tot ten hoogste 20% van de aangegeven bouwhoogte. 7.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 7.1 omschreven bestemmingen is slechts toegestaan, indien: 1. op de aangrenzende gronden met de bestemming 'Groen' en/of de gronden met de functieaanduiding 'groen' de landschappelijke inpassing van justitieel complex met zijn gebouwen wordt aangelegd, beheerd en in stand gehouden conform de uitgangspunten en randvoorwaarden voor de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 1, bestaande uit ten minste een 20 m brede strook met opgaande beplanting, met dien verstande dat de breedte van de strook met opgaande beplanting ten westen van de Visodeweg ten minste 15 m is; 2. een waterberging wordt aangelegd, beheerd en in stand gehouden met een omvang, die voorziet in een bergingsvolume van minimaal 75 liter per m2 verhard oppervlak, een en ander conform het beleid en de normen van het waterschap; b.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - laanbeplanting' wordt een laanstructuur gerealiseerd conform bijlage 1 met een lijnvormig beplantingselement met een lengte van ten minste 600 meter, bestaande uit opgaande beplanting, een langzaamverkeersverbinding en water, waarbij een mogelijke onderbreking van dit beplantingselement niet groter is dan 50 meter; c. indien gronden met de aanduiding 'agrarisch' binnen de aangrenzende bestemming 'Groen' of in de bestemming Maatschappelijk worden gebruikt ten behoeve van grondgebonden agrarisch gebruik wordt een gelijke oppervlakte binnen de aanduiding 'groen' ingericht ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het justitieel complex, conform de voorwaarden zoals hiervoor onder a beschreven; d. opslag van munitie, anders dan noodzakelijk voor de reguliere bedrijfsvoering van het justitieel complex op deze locatie, is niet toegestaan; e. geluidshinderlijke inrichtingen zijn niet toegestaan; f. het opstijgen en landen van een helikopter is toegestaan; g. de opslag in de open lucht van materialen en goederen tussen de ringmuur en openbare weg is niet toegestaan.

7.5.1 Voorwaardelijke verplichting geluid Een omgevingsvergunning voor bouwen van bedruimte wordt slechts verleend indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan de gewenste binnenwaarde van maximaal 35 dB(A) ten aanzien van het aspect industrielawaai.

140/180

Artikel 8

Recreatie

8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin' : uitsluitend voor volkstuinen; b. ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden' : tevens voor de bescherming en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden in de vorm van behoud van de kenmerkende openheid, beplantingspatroon, verkavelingspatroon, reliëf en bebouwingspatroon; c. bij de bestemming behorende erven, tuinen, groen-, verkeer- en parkeervoorzieningen; d. aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Gebouwen Voor de bebouwing gelden de volgende bepalingen: a. op de gronden met de aanduiding 'volkstuin' mag ten hoogste één, niet voor bewoning, maar voor centrale voorzieningen bestemd gebouw ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 100 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 5.00 meter; b. op de gronden met de aanduiding 'volkstuin' mag per volkstuin ten hoogste één, niet voor bewoning bestemd, dagverblijf worden gebouwd met een oppervlakte ten hoogste 25 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 4.00 meter. 8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en nutsvoorzieningen a. de bouwhoogte van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van terreinafscheidingen, mag ten hoogste 5.00 meter bedragen; b.

de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag ten hoogste 3.00 meter bedragen. 8.3 Nadere eisen 8.3.1 Nadere eisen bouwvergunning Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de sociale veiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing.

141/180

8.4 Specifieke gebruiksregels 8.4.1 Strijdig gebruik Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het gebruik van het onbebouwde gedeelte van een bouwperceel voor de opslag van materialen en goederen, hoger dan 1.50 meter, met uitzondering daarvan ter realisering van de bestemming is niet toegestaan; b. verlichting door middel van lichtmasten is niet toegestaan; c. het gebruik van voorzieningen ten behoeve van overnachtingsmogelijkheden op de gronden met de aanduiding 'volkstuin' is niet toegestaan. 8.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden met de aanduiding 'volkstuin' te wijzigen in 'Agrarisch met Waarden'.

142/180

Artikel 9

Verkeer

9.1 Bestemmingsomschrijving De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen met ten hoogste 2 rijstroken; b. fiets- en voetpaden; c. bermen, beplanting, waterberging en andere waterhuishoudkundige voorzieningen; d. andere, bij de bestemming, behorende voorzieningen, zoals verlichting, verkeersborden, geluidswerende voorzieningen, verwijzingsborden en verkeersregelinstallaties; e. aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen. 9.2 Bouwregels Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en nutsvoorzieningen, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte, met uitzondering van terreinafscheidingen, bedraagt ten hoogste 10 m; b. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 3 m. 9.3 Nadere eisen Bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing.

143/180

Artikel 10

Water

10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterpartijen, waterlopen en waterwegen, inclusief natuurvriendelijke oevers; b. waterberging en waterhuishouding; c. oevers, bermen, vijvers, groen en beplanting; d. bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals duikers, bruggen, sluizen, aanlegsteigers en verwijzingsborden; e. extensieve dagrecreatie, zoals een recreatieve vaarroute en daarbij behorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; f. aan de bestemming ondergeschikte nutsvoorzieningen. 10.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en nutsvoorzieningen, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en nutsvoorzieningen, met uitzondering van terreinafscheidingen, mag ten hoogste 10 m bedragen; b. de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag ten hoogste 3 m bedragen.

144/180

Artikel 11

Leiding - Gas

11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een gasleiding. 11.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: a. uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van bouwwerken ten hoogste 5 m en de oppervlakte ten hoogste 50 m² mag bedragen; b. ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) en dubbelbestemming(en) mag, met inachtneming van de bij deze bestemming(en) en dubbelbestemming(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 11.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 11.2, onder a, tot ten hoogste 10 m en een oppervlakte van 100 m² per bestemmingsvlak; b. lid 11.2, onder b, met inachtneming van de bouwregels, die voor de betrokken bestemming(en) en dubbelbestemming(en) gelden en het belang van de leidingstrook niet wordt geschaad; c.

alvorens te besluiten omtrent een aanvraag tot afwijking, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de beheerder van de leiding met betrekking tot de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding. 11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van alle oppervlakte verhardingen zijnde wegen, paden en andere soorten verhardingen; b. het aanbrengen van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting, waaronder bijv. rietbeplantingen; c. het verrichten van grondroeractiviteiten, waaronder bijv. het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage; d. het diepploegen; e. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; g. het indrijven van voorwerpen in de bodem; h. het plaatsen van onroerende objecten, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; i. het permanent opslaan van goederen, waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen.

145/180

11.4.2 Uitzonderingen Het verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden, die: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan, waarvoor ontheffing is verleend, als bedoeld in lid 11.3; b. het normale onderhoud en beheer van de gastransportleiding en de belemmeringenstrook of van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) en dubbelbestemming(en) betreffen; c. normaal spit- en ploegwerk; d. in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; e. mogen worden uitgevoerd op grond van een verleende vergunning; f. graafwerkzaamheden als bedoel in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. 11.4.3 Procedure Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag als bedoeld in sublid 11.4.1, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de beheerder van de leiding met betrekking tot de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding. 11.5 Wijzigingsbevoegdheid Bevoegd gezag kan het plan wijzigen ten behoeve van het doen vervallen van de bestemming Leiding - Gas, indien de leiding buiten gebruik wordt gesteld dan wel wordt verwijderd.

146/180

Artikel 12

Leiding - Hoogspanningsverbinding

12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en instandhouding van een bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding inclusief de daarbij behorende masten en (veiligheids)voorzieningen. 12.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op of in de gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) en dubbelbestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) en dubbelbestemming(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte en bouwhoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 12.3 Afwijken van de bouwregels a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2 overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) en dubbelbestemming(en), indien de belangen, de veiligheid, betrouwbaarheid en duurzaam functioneren van de betreffende hoogspanningsverbinding niet worden geschaad en de netbeheerder in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen. b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12902815/1