5.5 Rvs Beslissing op bezwaar van eigenaren Edisonweg 1 tegen aanwijzingbesluit wet Voorkeursrecht gemeenten bijlage 2 Advies commissie bezwaarschriften
Tekst van het document
Advies van de commissie bezwaarschriften Vlissingen over de bezwaarschriften van 17 en 23 mei 2022, ontvangen op 18 respectievelijk 25 mei 2022, en het bezwaarschrift van 21 juli 2022, ontvangen op 25 juli 2022. De bezwaarschriften zijn ingediend door de heer mr. J.A. Platteeuw namens de heer J.M. de Koning, mevrouw I. Wiersma en de besloten vennootschap Beheersmaatschappij C.R. van de Gruiter B.V. (hierna: bezwaarmakers). De bezwaarschriften waren aanvankelijk (tevens) gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen van 19 april 2022 waarbij gronden van bezwaarmakers voorlopig zijn aangewezen op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Na intrekking van dit gedeelte van het bezwaar tijdens de hoorzitting is het bezwaar uitsluitend nog gericht tegen het besluit van de gemeenteraad van 7 juli 2022.
De commissie adviseert in de volgende samenstelling: mevrouw mr. F.S. Alting-Landa (plv. voorzitter), mevrouw mr. A.J.A. de Bie (lid) en de heer mr. W. Boogaard (lid).
1. OVERZICHT VAN DE PROCEDURE Bezwaarmakers zijn (gedeeltelijk) eigenaar van de gronden gelegen aan de Edisonweg 1 te Vlissingen, kadastraal bekend als: - gemeente Vlissingen, sectie K, nummer 356, met een grootte van 294 m² (J.M. de Koning 1/2 eigendom en I. Wiersma 1/2 eigendom); - gemeente Vlissingen, sectie K, nummer 405, met een grootte van 497 m² (Beheersmaatschappij C.R. van de Gruiter B.V.) - gemeente Vlissingen, sectie K 578, met een grootte van 100 m2 (Beheersmaatschappij C.R. van de Gruiter B.V.) - gemeente Vlissingen, sectie K 580, met een grootte van 1.669 m2 (Beheersmaatschappij C.R. van de Gruiter B.V.) - gemeente Vlissingen, sectie K 1069, met een grootte van 95 m2 (Beheersmaatschappij C.R. van de Gruiter B.V.) Bij besluit van 19 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen voornoemde gronden van bezwaarmakers voorlopig aangewezen als gronden waarop het voorkeursrecht zoals bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing is. Bezwaarmakers hebben tegen de (voorlopige) aanwijzing van hun gronden bezwaar gemaakt.
Omdat het college van burgemeester en wethouders de gronden alleen voor de duur van drie maanden kan aanwijzen, moet de gemeenteraad de gronden aanwijzen, opdat de aanwijzing geen voorlopig karakter meer heeft. De gemeenteraad van Vlissingen heeft dit, op grond van artikel 5 van de Wvg, gedaan bij besluit van 7 juli 2022. Op grond van artikel 6, derde lid van de Wvg wordt het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2022 van het college van burgemeester en wethouders mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 7 juli 2022 van de gemeenteraad van Vlissingen. Bezwaarmakers hebben vervolgens ook nog in een separaat bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen de aanwijzing van hun gronden. Namens het college van burgemeester en wethouders is een verweerschrift ingediend. Ter zitting is aangegeven dat de gemeenteraad de standpunten die verwoord zijn in het verweerschrift onderschrijft. De bovengenoemde stukken zijn ter advisering doorgezonden naar de commissie bezwaarschriften. Op 20 oktober 2022 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting waren aanwezig de heer J.M. de Koning, tezamen met zijn dochter, bijgestaan door de heer mr. J.A. Platteeuw. Namens het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad was aanwezig mevrouw C. Dekker, projectleider, bijgestaan door de heer K. van de Laar van Metafoor.
Van de hoorzitting is, met toestemming van de aanwezigen, een audio-opname gemaakt. 2. DE ONTVANKELIJKHEID Alvorens het bezwaarschrift inhoudelijk in behandeling kan worden genomen, is het volgens het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van belang dat bezwaarmaker ontvangen kan worden in hun bezwaren. Daaraan zijn vier wettelijke voorwaarden gesteld: 1. Het bezwaarschrift moet zijn gericht tegen een appellabel besluit; 2. De bezwaarmaker moet belanghebbende zijn; 3. Het bezwaarschrift moet tijdig zijn ingediend, en 4. Het bezwaarschrift moet voldoen aan de daaraan gestelde wettelijke vormvereisten. Ad 1. De bestreden besluiten betreffen besluiten in de zin van artikel 1:3, tweede lid van de Awb en zijn derhalve vatbaar voor bezwaar. Ad 2. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit betrokken is. Bezwaarmakers zijn als geadresseerde van het besluit aan te merken als belanghebbende. Ad 3.
Op grond van artikel 6:8 van de Awb is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aangevangen op 22 april 2022. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb betekent dit dat de bezwaartermijn is geëindigd op 2 juni 2022. De bezwaarschriften die gericht zijn tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders zijn op 18 respectievelijk 25 mei 2022 ontvangen en dus tijdig ingediend. Deze bezwaarschriften worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad. Het (aanvullende) separate bezwaarschrift dat gericht is tegen het besluit van de gemeenteraad is derhalve eveneens tijdig ingediend. Ad 4. Het bezwaarschrift is ondertekend en is voorzien van de namen en een adres van bezwaarmakers, een datum, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaar. Het bezwaarschrift voldoet daarmee aan de in artikel 6:5 van de Awb gestelde eisen. De commissie concludeert derhalve dat bezwaarmakers ontvankelijk zijn in hun bezwaar. 3. DE GRONDEN VAN HET BEZWAAR Bezwaarmakers maken bezwaar tegen de aanwijzing op grond van de Wvg van hun gronden gelegen aan de Edisonweg 1 te Vlissingen. Zij voeren daartoe onder meer aan dat in het aanwijzingsbesluit meerdere keren de verkeerde naam van een eigenaar is opgenomen.
Verder wordt aangevoerd dat als motivering voor de aanwijzing slechts wordt aangegeven dat het voornemen bestaat de Kenniswerf te herontwikkelen/transformeren en dat de gemeente Vlissingen als gevolg van die transformatie een andere bestemming dan wel een ander gebruik voor ogen heeft, maar welke andere bestemming dan wel welk ander gebruik voorzien is, wordt niet gemotiveerd. Ook wordt niet gemotiveerd dat het gebruik thans niet overeenkomstig een voorgenomen andere bestemming zou zijn. Het gebruik van de onderhavige percelen wijkt in ieder geval niet af van de huidige bestemmingsplannen. De betreffende gronden zijn niet zijn begrepen in een structuurvisie, een inpassingsplan of een bestemmingsplan. Nu op geen enkele wijze duidelijk is geworden welke andere bestemming wordt toegedacht aan de locaties van bezwaarmakers of dat sprake is van een intensiever gebruik van de bestaande locatie en dus niet blijkt van een afwijkend gebruik, kan de beslissing niet in stand blijven. Het besluit dient op motiveringsgebreken te stranden. Daarnaast stellen bezwaarmakers dat, mede gelet op de van toepassing geldende bestemmingsplannen en de inhoud van het reeds in 2020 vastgestelde beeldkwaliteitsplan, niet wordt beargumenteerd op grond waarvan sprake zou zijn van een zodanig spoedeisende situatie dat de gronden van bezwaarmakers voorlopig moeten worden aangewezen.
Bezwaarmakers stellen dat verweerder de door haar op grond van de Wvg toekomende bevoegdheid aanwendt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld. Zij hebben de indruk dat verweerder een aanwijzing in het kader van de Wvg gebruikt om op oneigenlijke wijze de druk te leggen op bezwaarmakers. Enige noodzaak om een aanwijzing op de
percelen van bezwaarmaker te doen is niet aanwezig, aangezien bezwaarmakers in het geheel niet voornemens zijn om te komen tot verkoop van de aan hen toebehorende percelen. Verder worden, als gevolg van het gevestigde voorkeursrecht, de mogelijkheden voor bezwaarmakers voor het verkrijgen van financiering en verder planontwikkeling ernstig belemmerd. Nu de belangen van de gemeente enerzijds, die op geen enkele wijze gemotiveerd of verduidelijkt worden, in schril contrast staan tot de belangen van bezwaarmakers anderzijds bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijfsactiviteiten c.q. woongenot, is de conclusie gerechtvaardigd dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een aanwijzing in het kader van de Wvg. Bezwaarmakers verzoeken het bezwaarschrift gegrond te verklaren, het bestreden besluit te heroverwegen en te herroepen. Verder verzoeken zij om hen een vergoeding van de proceskosten toe te kennen. 4. STANDPUNT VERWEERDER Verweerder geeft aan dat de gronden van bezwaarmakers zijn aangewezen op grond van de Wvg.
Als reden daarvoor wordt verwezen naar het Bestuursakkoord Compensatie-pakket Marinierskazerne waarin de Staat der Nederlanden, de provincie Zeeland, het waterschap Scheldestromen en de gemeente Vlissingen een maatregelenpakket zijn overeengekomen om de provincie Zeeland en de gemeente Vlissingen te compenseren voor het niet verplaatsen van de Marinierskazerne van Doorn naar Vlissingen. Het maatregelen-pakket is verwoord in het advies “Wind in de zeilen, een nieuwe start”. In dat advies zijn Fiches benoemd, waar onder Fiche 1D, de “Fysieke ontwikkeling Kenniswerf Vlissingen”. De Kenniswerf zal zich moeten gaan ontwikkelen van een verouderd bedrijventerrein naar een volwaardig stadsdeel waar kennis, innovatie en ondernemerschap centraal staan. De formele vereisten van het aanwijzen van gronden op basis van de Wvg zijn dat aan de gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Volgens verweerder is aan deze formele eisen voldaan. In de huidige situatie hebben de in het aanwijzingsbesluit opgenomen gronden de bestemmingen “Bedrijf”, “Maatschappelijk” en “Verkeer”. Binnen de bestemming “Bedrijf” is er een aantal functieaanduidingen, zoals wonen, sport en specifieke vorm van detailhandel.
Na de herontwikkeling zal een gebied moeten ontstaan waar ruimte is voor het vestigen van nieuwe ontwikkel-, test- en demofaciliteiten, starters, scale-ups en R&D afdelingen. Qua bestemmingen kan worden gedacht aan maatschappelijke voorzieningen, onderwijs, maar ook bedrijventerrein. Het kan voorkomen dat op een deel van de gronden weliswaar een bedrijfsbestemming komt, maar door de aard van de herontwikkeling van de Kenniswerf zal het daarbij gaan om een ander gebruik binnen de bestemming en andere type bedrijven dan de huidige bedrijven die in het aangewezen gebied liggen. Op dit moment is nog niet voor de volledige 100% duidelijk hoe het gebied van de Kenniswerf exact wordt ingedeeld en welke bestemmingen landen op welke gronden. Dat heeft echter te maken met het proces van gebiedsontwikkeling. In de toekomst zal duidelijk worden wat de exacte bestemming en het gebruik is. Duidelijkheid over een exacte 100% invulling is echter ook geen vereiste die door de wetgever is gesteld om de gronden op grond van de Wvg (voorlopig) aan te wijzen.
Ten aanzien van de onjuiste tenaamstelling van een van de eigenaren op het kadastraal overzicht merkt verweerder op dat de lijst wordt samengesteld op basis van kadastrale recherche en dat naar aanleiding van het bezwaarschrift is gebleken dat er een naamwijziging heeft plaatsgevonden. In de naar de gemeenteraad gestelde stukken is een en ander inmiddels aangepast. Deze onjuiste tenaamstelling doet niets af aan de rechtsgeldigheid van het besluit. Verder is verweerder het niet eens met bezwaarmaker dat de aanwijzing tot gevolg heeft dat er beperkte mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling van het eigen terrein en dat een en ander financiële gevolgen heeft. De aanwijzing laat onverlet dat het bezwaarmaker vrij staat, om binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan en overige wet- en regelgeving, gebruik te maken van de gronden. Indien en voor zover wordt besloten tot het doen van investeringen en de gemeente wil het perceel kopen, dan zullen de gedane investeringen een rol spelen bij een waardebepaling van de aangewezen gronden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard en ziet geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten. 5. HET WETTELIJK KADER Het wettelijk kader bestaat onder meer uit de Wvg. 6. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL De commissie overweegt als volgt.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen (ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015: 1089) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wvg dat de wetgever met de invoering van deze wet heeft beoogd om de positie van gemeenten bij de grondverwerving ten behoeve van de verwezenlijking van het ruimtelijke beleid te versterken door de gemeenteraad een middel te geven waarmee speculatie kan worden tegengegaan en de regie bij de verwezenlijking van de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen kan worden behouden. Op grond van artikel 6 van de Wvg kan het college van burgemeester en wethouders gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking treedt. In het onderhavige geval is het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 21 april 2022, waarbij de gronden van bezwaarmakers voorlopig zijn aangewezen, komen te vervallen door de inwerkingtreding van het besluit van de gemeenteraad van 7 juli 2022 tot aanwijzing van de betreffende gronden op grond van artikel 5 van de Wvg.
Ter zitting is namens bezwaarmakers het bezwaar, voor zover dit zich richt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouder, ingetrokken. Dit gedeelte van het bezwaar behoeft derhalve geen advisering meer vanuit de commissie bezwaarschriften.
De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of de gemeenteraad terecht en op goede gronden heeft kunnen besluiten tot het aanwijzen van de gronden van bezwaarmakers als gronden waarop het voorkeursrecht zoals bedoeld in artikel 5 van de Wvg van toepassing is. De commissie overweegt hieromtrent het volgende. Uit artikel 5 van de Wvg volgt onder meer dat ook voor aanwijzing in aanmerking komen gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een nietagrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. Deze bepaling is in het leven geroepen voor situaties waarin aan een locatie wel reeds een andere bestemming is toegedacht en met het oog daarop de vestiging van een voorkeursrecht wenselijk wordt geacht, doch maar (een ontwerp van) een bestemmingsplan of een structuurplan nog niet gereed is. De door verweerder voorgenomen ontwikkelingen zijn naar het oordeel van de commissie voldoende gebleken uit het verweerschrift en de nadere toelichting tijdens de hoorzitting.
Gebleken is dat de gemeente in het kader van het Bestuursakkoord Compensatiepakket Marinierskazerne (waarin de Staat der Nederlanden, de provincie Zeeland, het waterschap Scheldestromen en de gemeente Vlissingen een maatregelenpakket zijn overeengekomen om de provincie Zeeland en de gemeente Vlissingen te compenseren voor het niet verplaatsen van de Marinierskazerne van Doorn naar Vlissingen) voornemens is om de locatie “De Kenniswerf” te herontwikkelen. In de huidige situatie hebben de in het aanwijzingsbesluit opgenomen gronden de bestemmingen “Bedrijf”, “Maatschappelijk” en “Verkeer”. Binnen de bestemming “Bedrijf” zijn er een aantal functieaanduidingen, zoals wonen, sport en specifieke vorm van detailhandel. Na de herontwikkeling zal een gebied moeten ontstaan waar ruimte is voor het vestigen van nieuwe ontwikkel-, test- en demofaciliteiten, starters, scale-ups en R&D afdelingen. Qua bestemmingen kan worden gedacht aan maatschappelijke voorzieningen, onderwijs, maar ook bedrijventerrein. Het kan voorkomen dat op een deel van de gronden weliswaar een bedrijfsbestemming komt, maar door de aard van de herontwikkeling van de Kenniswerf zal het daarbij gaan om een ander gebruik binnen de bestemming en andere type bedrijven dan de huidige bedrijven die in het aangewezen gebied liggen.
Uit deze ontwikkelvisie blijkt naar het oordeel van de commissie voldoende dat aan de betreffende gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en dat het gebruik van die bestemming afwijkt. Dit vormt naar het oordeel van de commissie voldoende grondslag voor de aanwijzing op grond van artikel 5 van de Wvg. Dat door verweerder niet is beargumenteerd op grond waarvan sprake zou zijn van een spoedeisende situatie als gevolg waarvan de gronden van bezwaarmakers (voorlopig) moeten worden aangewezen is naar het oordeel van de commissie, mede gelet op hetgeen de wetgever met de invoering van de Wvg heeft beoogd, niet relevant.
Verder blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder voornemens is om over te gaan tot het opnemen van de onderhavige locatie in een nog vast te stellen structuurvisie. Aan het vereiste van artikel 5, eerste lid, van de Wvg dat in het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie, wordt derhalve ook voldaan. Dat verweerder in het aanwijzingsbesluit, vanwege een naamswijziging, een verkeerde naam van een eigenaar heeft opgenomen, doet naar het oordeel van de commissie niets af aan de rechtsgeldigheid van het besluit. Over welke percelen het besluit ging kon in ieder geval geen misverstand bestaan. De commissie adviseert de onjuiste naam, voor zover dat nog niet is gedaan in het bestreden raadsbesluit, te herstellen in de beslissing op bezwaar. De commissie volgt bezwaarmakers niet in hun bezwaargrond dat verweerder de door haar op grond van de Wvg toekomende bevoegdheid aanwendt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld en dat de indruk bestaat dat de aanwijzing in het kader van de Wvg gebruikt wordt om op oneigenlijke wijze druk te leggen op bezwaarmakers. Hiervan is naar het oordeel van de commissie in ieder geval niet gebleken.
Ook is naar het oordeel van de commissie niet gebleken dat bezwaarmakers door de vestiging van het voorkeursrecht onevenredig worden benadeeld ten opzichte van de belangen die verweerder op het oog heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ABRvS 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4666) is bij het vestigen van een voorkeursrecht weliswaar sprake van een inbreuk op het ongestoorde genot van het eigendomsrecht, maar deze inbreuk vindt plaats in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de Wvg, terwijl niet kan worden gezegd dat daarbij niet een redelijk evenwicht is bereikt tussen het door die wet nagestreefde algemene belang en de fundamentele rechten van de eigenaar. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het wettelijke voorkeursrecht slechts een betrekkelijk beperkte inbreuk op het eigendomsrecht maakt. Niet kan worden gezegd dat in de Wvg niet een redelijk evenwicht is bereikt tussen het door de wet nagestreefde algemene belang en de rechten van de eigenaar. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niet tot gevolg dat bezwaarmakers als eigenaren van de betreffende percelen niet langer de aan hen toekomende eigendomsrechten zouden kunnen uitoefenen, doch uitsluitend dat zij - indien zij tot vervreemding zouden willen overgaan - eerst de gemeente in de gelegenheid moet stellen de gronden te kopen.
Gelet op het vorenstaande acht de commissie het bezwaar ongegrond.
7. ADVIES De commissie adviseert de gemeenteraad het bezwaarschrift dat is ingediend namens de heer J.M. de Koning, mevrouw I. Wiersma en de besloten vennootschap Beheersmaatschappij C.R. van de Gruiter B.V. en gericht is tegen het besluit van 7 juli 2022 ontvankelijk en ongegrond te verklaren. Vlissingen, 15 november 2022, Commissie bezwaarschriften Vlissingen
mw. mr. F.S. Alting-Landa
mw. mr. I. de Moor
plv. voorzitter
secretaris