5.4 rvs bestemmingsplan Souburg Noord bijlage 1 toelichting
Tekst van het document
In het groen in het plangebied zouden soorten als houtduif, merel, zanglijster en heggenmus tot broeden kunnen komen. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels (indien aanwezig) zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart - 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Ook dit dient op aanwijzingen van een ecoloog te worden uitgevoerd. Tijdens de werkzaamheden kan een geschikte nestlocatie ontstaan voor oeverzwaluwen, indien zand aangebracht wordt. Oeverzwaluwen broeden van april tot en met augustus waarbij zij doorgaans 2 legsels hebben. Beide legsels worden grootgebracht in dezelfde tunnel in een zandhoop. Er kunnen diverse maatregelen genomen worden om te voorkomen dat oeverzwaluwen zich vestigen op het werkterrein. Vleermuizen In de omgeving van het plangebied ontbreekt het aan bebouwing, waardoor vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn uitgesloten. Het plangebied is wel geschikt voor boombewonende soorten. In meerdere bomen, met name essen, verspreid door het plangebied werden holtes aangetroffen.
Dit was het geval langs de Middelburgsestraat, de bosjes in de zuidpunt ter hoogte van de Berkenstraat en langs de Reijersweg. Deze holtes kunnen dienen als zomer-, kraam-, winter- of paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis of gewone grootoorvleermuis. Daarnaast vormen de bomen, percelen en bosschages een groene omgeving, welke gebruikt kan worden door vleermuizen (gewone en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger) als foerageergebied. Gezien de omvang van het terrein is niet uit te sluiten dat het essentieel functioneel leefgebied is. De bomen en groenstructuren in het plangebied zijn tevens onderdeel van een gesloten opgaande lijnvormige structuur. Dit is het geval langs de Schroeweg, Middelburgsestraat, Reijersweg en bij de bosschages in de zuidpunt. Deze lijnvormige structuren kunnen door eerder genoemde vleermuizen en laatvlieger als vliegroute worden gebruikt. Gezien de beperkte hoeveelheid opgaande structuren in het landschap kunnen deze groenstructuren essentieel van aard zijn. Vanuit Oost-Souburg loopt een beperkt aantal groenstructuren naar het oosten, zodat de hagen en bomenrijen mogelijk essentieel zijn om foerageergebieden in het buitengebied te bereiken (zie Figuur 1). Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
28
Figuur 3, Groenstructuren rondom het plangebied
Amfibieën Het plangebied is potentieel geschikt voor de rugstreeppad. In het plangebied zijn regenplassen, al dan niet tijdelijk watervoerende sloten en ondieptes aanwezig die geschikt zijn als voortplantingsgebied voor rugstreeppad. Ook is een goed vergraafbare bodem aanwezig binnen het plangebied. Daarnaast kan het plangebied tijdens uitvoering van grondwerkzaamheden tevens potentieel geschikt leefgebied voor rugstreeppad zijn, deze mobiele soort is op een afstand van minder dan 1 kilometer van het plangebied bekend en kan het plangebied tijdens de werkzaamheden als voortplantingsplaats in gebruik nemen. Onder meer braakliggende bouwterreinen vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is er bouwmateriaal om onder te schuilen. Regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan, vormen ideaal voortplantingswater. Voor muurhagedis ontbreken oude gevels of hopen/stapels stenen. Conclusie Quickscan In een rij knotwilgen is potentie voor een vaste rust- en verblijfplaats en functioneel leefgebied van steenuil. Tevens vormt het plangebied mogelijk essentieel onderdeel van foerageergebied van steenuilen. Aanvullend onderzoek naar steenuilen is noodzakelijk en dient 's nachts uitgevoerd te worden middels drie bezoeken in de periode 1 februari t/m 30 april.
Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn in de bomen aanwezig; meerdere gaten werden aangetroffen die gebruikt kunnen worden door boombewonende vleermuizen (gewone en ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis). Tevens kunnen de bomen en groenstructuren gebruikt worden als essentieel foerageergebied en kan het onderdeel zijn van essentiële vliegroutes van vleermuizen. Vervolgonderzoek is noodzakelijk, ondanks dat de groenstructuur behouden blijft. Er zullen voor de aanleg van infrastructuur namelijk enkele bomen gekapt worden. Geschikt voorplantingsgebied voor rugstreeppad is in het plangebied aanwezig. Daarnaast kan in het plangebied tijdens uitvoering van grondwerkzaamheden potentieel geschikt leefgebied voor rugstreeppad Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
29
ontstaan. Wanneer werkzaamheden in het gebied worden uitgevoerd, kunnen verbodsbepalingen Art. 3.5 lid 1, 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek is dan nodig. Bevindingen aanvullend onderzoek Vleermuizen Naar aanleiding van de voorgaande quickscan is vervolgonderzoek gedaan naar de geschiktheid van boomholtes voor bewoning door vleermuizen. Dit is op basis van camera-inspectie gedaan. Hieruit is gebleken dat er voor boom-bewonende vleermuizen geen geschikte boomholten aanwezig zijn. Verder aanvullend vleermuisonderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen in bomen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis is daarom niet nodig. Vogels In het voorjaar van 2020 een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenuilen. Uit het onderzoek is gebleken dat deze niet aanwezig zijn in het plangebied, waardoor de steenuil geen belemmerende factor oplevert. Amfibieën In het voorjaar van 2020 een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de rugstreeppad. Uit het onderzoek is gebleken dat deze niet aanwezig zijn in het plangebied, waardoor de rugstreeppad geen belemmerende factor oplevert.
4.9
Duurzaamheid
Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Het Bouwbesluit vormt het minimaal te realiseren kwaliteitsniveau in Nederland. Voor de geplande ontwikkeling geldt, dat nieuwe gebouwen minimaal moeten voldoen aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen met betrekking tot duurzaamheid en energie. Daarnaast is op 1 januari 2020 de BENG-eis ingegaan. BENG, "Bijna Energie Neutrale Gebouwen", vervangt de EPC. BENG stelt ook de eis dat de energiebronnen voor het gebouw in bepaalde mate duurzaam moeten zijn. In het nationaal energieakkoord voor duurzame groei is afgesproken dat de energievoorziening in 2050 geheel klimaatneutraal is. Voor de gebouwde omgeving betekent dat geen aardgas meer gebruikt mag worden voor het verwarmen van gebouwen. We stappen over van fossiele brandstoffen naar duurzame energie, wat onder andere betekent dat we straks geen aardgas meer gebruiken voor verwarmen en koken. Dit wordt ook wel de energietransitie genoemd. Hiervoor is energie besparen door bijvoorbeeld isolatiemaatregelen en opwekken van duurzame energie uit zon en wind van groot belang.
Daarnaast heeft de Eerste Kamer op 6 april 2018 het besluit genomen om de gasaansluitplicht voor nieuwbouw uit de wet te schrappen. Per 1 juli 2018 is de wet VET van kracht die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hiervan af te wijken. Aardgasvrij is dus de norm.
Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
30
4.10
Besluit m.e.r.
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r . De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage. Laatstgenoemde is per 1 april 2011 gewijzigd, waarbij de drempelwaarden in kolom 2 van de D-lijst indicatief gemaakt zijn. Dit betekent, dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. De consequentie van de nieuwe regeling is, dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan de m.e.r.
Dit kan zijn in de vorm van een motivering of in de vorm van een beschrijving van de resultaten van de m.e.r. (-beoordeling). Voor dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r-(beoordelings)plichtig is, te weten: 1. D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied betreft het realiseren van circa 80 woningen. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van genoemde categorie, dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. 4.10.1 Wettelijk kader Op 29 september 2006 is de gewijzigde Wet milieubeheer, en het hieraan gekoppelde Besluit milieueffectrapportage 1994 in werking getreden, waarin de Europese richtlijnen betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's is omgezet. Er worden twee typen milieueffectrapporten onderscheiden: een 'planmer' en een 'projectmer'.
Een planmer is vereist voor wettelijk of bestuursrechtelijke verplichte plannen, die: het kader vormen voor toekomstige projectmer(beoordelings)-plichtige projecten besluiten; in het Besluit m.e.r., bijlagen C en D, staat aangegeven om welke activiteiten in welke omvang het moet gaan: m.e.r.-plichtige activiteiten staan vermeld in bijlage C en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten staan vermeld in bijlage D; een passende beoordeling vereisen op grond van artikel 2.8 Wet Natuurbescherming (oud: artikel 19f van de Natuurbeschermingswet 1998). 4.10.2 Onderzoeksresultaten Dit plan valt niet onder genoemde criteria, waardoor het opstellen van een milieueffectrapport niet vereist is. Deze afweging is gemaakt in de vormvrije merbeoordeling waarover d.d. 6 oktober 2020 door het college van Vlissingen is besloten. De Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling "Bestemmingsplan Souburg-Noord, fase twee en drie" is opgenomen in de bijlages, behorend bij deze toelichting.
Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
31
Hoofdstuk 5 5.1
JURIDISCHEASPECTEN
Inleiding
Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.
5.2
De opzet van de planregels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. 5.2.1
Inleidende regels
In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. 5.2.2
Bestemmingsregels
De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Agrarisch met waarden Artikel 4 Groen Artikel 5 Verkeer Artikel 6 Water Artikel 7 Woongebied Dubbelbestemmingen Artikel 8 Leiding -riool Artikel 9 Leiding - water- drinkwater Onderstaand wordt per bestemming een toelichting gegeven. Enkelbestemmingen Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
32
Artikel 3 Agrarisch met waarden Deze bestemming ligt op het noordoostelijke perceel dat zijn agrarisch gebruik blijft behouden Deze gronden zijn dan ook bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, zonder bouwvlak, wat betekent dat er geen gebouwen op dit perceel gebouwd kunnen worden. Ook waterpartijen, waterlopen en andere waterhuishoudkundige voorzieningen worden als passend in de bestemming geacht, net als voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, en bijbehorende voorzieningen. Artikel 4 Groen Deze bestemming is van kracht op de gronden die als groengebied ingericht gaan worden. Deze gronden zijn dan ook bestemd voor groenvoorzieningen en parken. Ook waterpartijen, waterlopen en andere waterhuishoudkundige voorzieningen worden als passend in de bestemming geacht, net als voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, extensief dagrecreatief medegebruik en bijbehorende voorzieningen. Binnen de bestemming Groen is ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' een geluidwerende voorziening toegestaan. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn zeer beperkt. Alleen nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijde, mogen worden opgericht. Hierbij dient voldaan te worden aan de gestelde hoogtematen. Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is van toepassing op de nieuw aan te leggen straten.
Binnen deze bestemming is het toegestaan om rijbanen aan te leggen, bestaande uit maximaal twee rijstroken. Ook voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen kunnen worden aangelegd. Bermen, beplanting, waterlopen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair, kunstobjecten en waterhuishoudkundige voorzieningen passen eveneens in deze bestemming. Binnen deze bestemming zijn dezelfde bouwmogelijkheden van kracht als binnen de bestemming 'Groen'. Dat betekent, dat alleen nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kunnen worden opgericht. Wel gelden binnen de bestemming andere hoogtematen. Artikel 6 Water De te realiseren waterpartij is voorzien van de bestemming 'Water'. Binnen deze bestemming mogen de gronden gebruikt worden voor waterpartijen en -lopen, alsook voor waterberging en andere waterhuishoudkundige voorzieningen en de daarbij behorende voorzieningen. Ook groenvoorzieningen worden als passend in de bestemming aangemerkt. Verder zijn ook binnen deze bestemming enkel nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Bij het oprichten van deze bouwwerken dient voldaan te worden aan de gestelde hoogtematen. Artikel 7 Woongebied De gronden waarop de beoogde woningen worden gerealiseerd, zijn voorzien van de bestemming 'Woongebied'.
Naast de functie wonen zijn deze gronden ook bestemd voor erven, tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en andere bij het wonen behorende voorzieningen. De woningen moeten worden opgericht binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Per bouwperceel is één woning toegestaan en de bouwhoogte en goothoogte weergegeven. Voor bijbehorende bouwwerken geldt, dat deze uitsluitend in het verlengde van de voorgevel of achter de Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
33
voorgevel gebouwd mogen worden. Indien het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft, is de hoogte gemaximeerd op de hoogte van de begane grond van het hoofdgebouw. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen maximaal 3 meter hoog zijn. Tevens zijn diverse hoogtebepalingen opgenomen inzake de realisatie van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In de specifieke gebruiksregels is bepaald onder welke voorwaarden woningen gebruikt mogen worden voor aan huis verbonden beroepen en -bedrijven. Dubbelbestemmingen Artikel 8 Leiding - Riool De gronden waarop een dubbelbestemming ligt ter bescherming van een rioolpersleiding. De dubbelbestemming zorgt voor beperkingen op het graven (of werken en werkzaamheden) in de ondergrond. Artikel 9 Leiding - Water - drinkwater De gronden waarop een dubbelbestemming ligt ter bescherming van een drinkwaterleiding. De dubbelbestemming zorgt voor beperkingen op het graven in de ondergrond. 5.2.3
Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat vijf algemene regels. Artikel 10 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 11 Algemene bouwregels Dit artikel bevat enkele bepalingen omtrent beperkte overschrijding van de bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen omtrent ondergronds bouwen. Artikel 12 Algemene gebruiksregels Dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een aan huis verbonden beroep of bedrijf uitgevoerd mag worden. Tevens is een regeling opgenomen t.a.v. parkeren; indien niet wordt voldaan aan de parkeernormen zoals gesteld in de beleidsnota parkeernormering Vlissingen is namelijk sprake van een strijdig gebruik. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane maten. De criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels zijn hierin eveneens opgenomen.
Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
34
Artikel 14 Overige regels In dit artikel is bepaald, dat de wettelijke regelingen waarnaar in de planregels wordt verwezen, de regelingen betreffen zoals deze luiden op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.2.4
Overgangs- en slotregels
In artikel 15 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,
35
Hoofdstuk 6 6.1
UITVOERBAARHEID
Financiële uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De initiatiefnemer ontwikkelt voor eigen rekening en risico de nieuwe woningen. Tussen de gemeente Vlissingen en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten over de grondexploitatie. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de door de gemeente te maken kosten in het kader van de beoogde ontwikkeling. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar. De gemeente Vlissingen vervult voorts enkel een kaderstellende
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan wordt daartoe toegezonden aan de voor de gemeente Vlissingen vaste vooroverlegpartners.
Souburg-Noord, fase 2 & 3 vastgesteld,