5.3 rvs Inzet instrumentarium onteigening JCV bijlage 1 processtappen onteigening
Tekst van het document
Processtappen onteigening onder de Omgevingswet In de Omgevingswet staan de stappen benoemd voor het onteigenen van gronden. In de Omgevingswet zijn de betreffende artikelen opgenomen in de hoofdstukken 11, 15 (afdeling 15.3) en 16 (paragraaf 16.3.8, afdeling 16.9 en afdeling 16.10) van de wet. Het onteigenen van gronden kent in basis de volgende procedure en stappen. 1. Het minnelijk trachten te verwerven van de gronden. 2. Indien het minnelijk verwerven van de gronden niet lukt, dan moet een schriftelijke bieding worden uitgebracht op basis van een taxatie welke als uitgangspunt heeft een schadeloosstelling op onteigeningsbasis. Tevens dient een logboek te worden gemaakt van de onderhandelingen waarin ook alle contactmomenten zijn opgenomen . 3. Op grond van de Nota Grondbeleid gemeente Vlissingen, dient alvorens het instrument onteigening wordt ingezet, de raad worden verzocht of ze akkoord gaat met de inzet van het instrument. 4. Gedurende het voorgaande traject dient een ontwerp-onteigeningsbeschikking met de bijbehorende stukken te worden opgesteld. 5. De onteigeningsbeschikking dient aan een aantal formele voorwaarden te voldoen (artikel 7.5. Omgevingsbesluit). Het gaat dan om: a. de kadastrale aanduidingen van de te onteigenen onroerende zaak of zaken en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen.
In de onteigeningsbeschikking kunnen dus meerdere onroerende zaken van meerdere eigenaren worden opgenomen; b. de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen; c. als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat gedeelte; d. de namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de te onteigenen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie kadaster; e. een beschrijving van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor de onteigening nodig is; en f. de naam van de onteigenaar. 6. De onteigeningsbeschikking moet aan vereisten voldoen om later voor bekrachtiging in aanmerking te komen. Die vereisten zijn dat - een onteigeningsbelang - noodzaak - urgentie aanwezig moeten zijn. 7. Noodzaak ontbreekt als er geen redelijke poging is gedaan tot minnelijke verwerving van de onroerende zaak. Ook ontbreekt de noodzaak als geen poging is gedaan tot het bereiken van overeenstemming over het vervallen van de erop rustende zakelijke en persoonlijke rechten. Hiertoe zal met de
2
grondeigenaar en eventuele overige belanghebbenden moeten worden onderhandeld, in het kader waarvan aan hen een bieding moet worden uitgebracht. 8. Op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat betekent dat de ontwerp onteigeningsbeschikking met de bijbehorende stukken ter inzage moeten worden gelegd. Voorafgaande aan de ter inzage legging worden de stukken naar de belanghebbende gestuurd. 9. Van de ter inzage legging dient een kennisgeving te worden gedaan in het Gemeenteblad en worden de stukken ter inzage gelegd. 10. Indien en voor zover er zienswijzen worden ingediend, dan dienen die te worden beantwoord en dient een voorstel voor de afhandeling te worden toegevoegd aan de raadsstukken. 11. De raad kan nu de onteigeningsbeschikking afgeven. 12. De onteigeningsbeschikking moet bekend worden gemaakt door toezending daarvan aan de belanghebbenden alsmede aan degene die een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerp. 13. Van het besluit tot het af geven van de onteigeningsbeschikking dient kennis te worden gegeven in het gemeenteblad en dient vervolgens ter inzage te worden gelegd. 14. Vervolgens moet de onteigeningsbeschikking door de bestuursrechter worden bekrachtigd.
Hiertoe dient een verzoek te worden ingediend binnen 6 weken vanaf de dag dat de beschikking ter inzage is gelegd en daarvan kennis is gegeven. 15. Belanghebbenden kunnen bij de rechter bedenkingen inbrengen tegen de onteigeningsbeschikking. Hierop dient door de gemeente te worden gereageerd. 16. De gemeente moet kennisgeven van de uitspraak van de rechtbank aan de belanghebbenden door toezending van de uitspraak en moet deze ter inzage leggen. 17. Belanghebbenden maar ook de gemeenteraad kunnen hoger beroep instellen tegen de uitspraak van de rechtbank bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 18. Nadat de onteigeningsbeschikking is bekendgemaakt, moet de gemeenteraad de rechtbank verzoeken om de schadeloosstelling vast te stellen. De rechtbank zal deskundigen benoemen die een deskundigenbericht uitbrengen met een begroting van de schadeloosstelling. In het kader van dat bericht wordt een onderzoek ter plaatse gehouden. De rechtbank bepaalt een voorlopige
3
schadeloosstelling middels een tussenbeschikking. Daarna wordt over de hoogte van de schadeloosstelling een eindbeschikking gegeven, waartegen beroep in cassatie open staat. 19. Het verzoek moet worden ingediend binnen 12 maanden nadat de onteigeningsbeschikking onherroepelijk is geworden. Het mag al worden gedaan nadat de onteigeningsbeschikking ter inzage is gelegd. 20. Ten slotte moet de notaris verzocht worden om de onteigeningsakte te verlijden. Daarbij geldt als voorwaarde dat de onteigeningsbeschikking en het besluit ter uitvoering waarvan wordt onteigend onherroepelijk zijn en de voorlopige schadeloosstelling is betaald. 21. Met het inschrijven van een door een notaris verleden onteigeningsakte in de openbare registers verkrijgt de gemeente de eigendom vrij van alle lasten en rechten die met betrekking tot de zaak bestaan. De verkrijging is niet vrij van eventuele beperkingen die op basis van een publiekrechtelijk besluit gelden (de zogenoemde publiekrechtelijke beperkingen).