5.2 rvs Wauwelhofje Ritthem bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Er is geen sprake van een peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende
23
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Het projectgebied grenst niet aan natte natuurgebieden. Derhalve zijn er geen bijzondere maatregelen te treffen of beperkingen te verwachten Er liggen geen waterlopen binnen het projectgebied en er worden geen nieuwe waterlopen voorzien. Derhalve is het aspect onderhoud van de waterlopen niet aan de orde.
Andere belangen waterbeheer
4.6.3
Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
n.v.t.
Wegen in beheer bij het waterschap
In het projectgebied en in de direct omgeving zijn geen waterschapswegen gelegen. De bestaande wegen ondervinden voorts geen wijzigingen, waardoor de goede bereikbaarheid en of veiligheid in het gedrang komt.
CONCLUSIE Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het projectgebied.
4.7
Flora en fauna
4.7.1
WETTELIJK KADER De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Hieronder worden beide aspecten nader toegelicht. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wetnatuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren,
24
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • Strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • Alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Dit betreffen de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. 4.7.2
ONDERZOEK Quickscan flora en fauna Door Econsultancy is op 16 oktober 2023 een quickscan Dorpsweg te Ritthem uitgevoerd. In de onderstaande tekst is een samenvatting van de rapportage weergeven. In Bijlage 4 is het gehele onderzoek opgenomen. Soortenbescherming Op basis van de quickscan is een nader onderzoek niet vereist. Wel wordt geadviseerd, vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de realisatie- en gebruiksfase te hanteren. Daardoor wordt strooisellicht en hiermee verstoring van deze lichtgevoelige soortgroep voorkomen en zal de functionaliteit van het gebied behouden blijven tijdens en na de voorgenomen ingrepen. Voor de te verwachten algemene zoogdieren en amfibieën geldt, dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Dit houdt in dat er volgens normaal gebruik zorgvuldig gewerkt moet worden, waarbij indien mogelijk verstoring van fauna wordt voorkomen. Het actief doden van dieren is altijd verboden.
Gebiedsbescherming/Stikstofdepositie NNZ De locatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De locatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Zeeland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich op 430 meter afstand ten oosten van de locatie. Gezien de afstand en de zeer lokale invloed van de maatregelen kan worden gesteld, dat de voorgenomen ontwikkeling geen invloed heeft op het functioneren van het NNZ, omdat wezenlijke kenmerken niet worden aangetast of veranderd. Natura2000 De locatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Westerschelde, bevindt zich op circa 500 meter afstand ten oosten van de locatie. Gezien de afstand van de locatie ten opzichte van het Natura 2000 gebied en de lokale aard van de geplande maatregelen kan er van uit worden gegaan dat deze geen directe invloed hebben op het Natura 2000 gebied. Bij ontwikkelingen nabij Natura 2000 gebieden dient er echter ook gekeken te worden naar externe effecten. Met behulp van de Aerius Calculator, welke als Bijlage 5 aan deze onderbouwing is gehecht, is er berekend wat de stikstofdepositie van de beoogde toekomstige situatie, zowel in de aanleg- als gebruiksfase is.
Uit het resultaat van de berekening blijkt, dat geen sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Hieruit wordt geconcludeerd, dat de beoogde ontwikkeling wordt uitgezonderd van vergunningplicht.
25
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.7.3
CONCLUSIE Geconcludeerd kan worden, dat het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Bij de werkzaamheden zal te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
WETTELIJK KADER De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving voor het beheersen van risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de nabijheid van risicobronnen dienen te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Twee begrippen staan in dit beleidsveld van de externe veiligheid centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is omschreven als de kans dat een persoon die gedurende een heel jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, ten gevolge van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof komt te overlijden. In het relevante beleid- en wetgevingskader geldt het PR met de risicocontour van de kans één op een miljoen per jaar (kans 10-6 per jaar) als grenswaarde voor kwetsbare objecten. Vanwege de definiëring als grenswaarde kan hiervan niet worden afgeweken. Voor beperkt kwetsbare objecten werkt deze norm slechts als een richtwaarde. Van een richtwaarde kan na een uitgebreide motivering eventueel worden afgeweken.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de kans van één op de honderdduizend per jaar (kans 10-5 per jaar) als grenswaarde. Kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar zich kwetsbare en/of grote groepen personen (kunnen) bevinden. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen of verblijfsterreinen waar dat doorgaans niet het geval is. Ook belangrijke infrastructuur, zoals een belangrijke verbindingsweg, kan als beperkt kwetsbaar object worden aangemerkt. Een limitatieve opsomming van (beperkt) kwetsbare objecten, wordt in de wetgeving niet gegeven. Het bevoegd gezag heeft daarom een zekere mate van beoordelingsvrijheid over wat zij in een specifieke situatie als kwetsbaar object beschouwt. Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans dat een groep personen van 10, 100 en 1.000 personen tegelijk komt te overlijden als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriënterende waarde waarboven een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico’s. Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR.
Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10-8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar). Aangezien sommige ongevalscenario’s ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%letaliteitsgrens). Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange
26
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogt om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico’s die dat transport mag veroorzaken. Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen: • De contour van het PR met een kans van 10‐6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet; • Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: − het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde; of; − het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt; of − de oriëntatiewaarde wordt overschreden. • Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.
Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen Op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat algemene voorschriften waaraan een exploitant van een buisleiding dient te voldoen. Het tweede deel bevat de instructieregels die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De contour van het PR met een kans van 10 ‐6 per jaar geldt op grond van het Bevb als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet op grond van het Bevb worden bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in het invloedsgebied van de betreffende buisleiding. De Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) bevat een technische uitwerking van het Bevb. In artikel 2 van de Revb zijn onder andere aardgastransportleidingen met een diameter van 50 mm of meer en een werkdruk van 16 bar of meer aangewezen als leidingen waarop het Bevb van toepassing is. 4.8.2
ONDERZOEK Uit de provinciale risicokaart blijkt, dat het projectgebied ligt: • Binnen het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals; • Binnen het invloedsgebied van Kloosterboer Vlissingen VOF; • Binnen het invloedsgebied van de kerncentrale Borssele; • Binnen het Invloedsgebied van de Westerschelde. Verder is het projectgebied niet gelegen binnen het invloedgebied binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen en (buis-)leidingen. Ook worden er binnen het projectgebied ook geen nieuwe risicobronnen gerealiseerd. Wel is het projectgebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van een aantal inrichtingen en de Westerschelde gesitueerd. Hierover kan het navolgende worden gesteld: Verbrugge Zeeland Terminals Op het perceel Engelandweg 1 gelegen op het zeehaven- en industrieterrein Sloe is de inrichting Verbrugge Zeeland Terminals gevestigd (logistieke dienstverlening). De inrichting is gericht op laad-, los- en overslagactiviteiten ten behoeve van zeeschepen. Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals wat reikt tot 7.937 meter. Echter, voor deze inrichting heeft te gelden dat deze afstand berekend is voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden
27
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. Kloosterboer Vlissingen VOF Op het zeehaven- en industrieterrein Sloe is de inrichting Kloosterboer Vlissingen VOF gelegen. Dit is een bedrijf dat voorziet in opslag en transport van temperatuur gecontroleerde voedselproducten. Het invloedsgebied van deze inrichting strekt zich uit tot 6.500 meter. Daarmee ligt het projectgebied binnen het invloedsgebied. Echter, voor deze inrichting geldt een zelfde redenatie als voor Verbrugge Terminal en Van Citters Beheer; er treden door de beoogde ontwikkeling geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico op. Kerncentrale Borssele Voor de kerncentrale van Borssele zijn veiligheidsmaatregelen getroffen, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. Het gebied om de plaats van het ongeval is in drie zones ingedeeld; elke zone heeft een eigen maatregel. Dit betekent bijvoorbeeld voor de kerncentrale in Borssele: evacuatie tot op vijf kilometer van de kerncentrale; slikken van jodiumtabletten tot op 10 kilometer en schuilen tot op 20 kilometer.
Omdat de afstand van het projectgebied tot de kerncentrale meer dan vijf maar minder dan 10 kilometer bedraagt, is het projectgebied gelegen binnen de zone waarin aan specifieke doelgroepen wordt geadviseerd jodiumtabletten te slikken, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/straling/jodiumtabletten). De kerncentrale vormt geen belemmering voor het onderhavige ontwikkeling. Westerschelde Over de vaarverbinding Westerschelde vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6 contour valt binnen de begrenzing van de vaarweg. Conform de 'Actualisatiestudie 2011 risico's transport gevaarlijke stoffen Westerschelde en prognoses 2015-2030', uitgevoerd door Det Norske Veritas (DNV), is bepaald dat het toxisch invloedsgebied van de Westerschelde 2.887 meter is. De locatie valt daarmee binnen het invloedsgebied van de Westerschelde. De groepsrisicocontour ligt op 200 meter vanaf het hart van de vaarweg. Het projectgebied ligt buiten deze zone. De inschattingen van het extern risico van transport van gevaarlijke stoffen (dit zijn: toxische en brandbare stoffen) over de Westerschelde wijzen uit dat zowel in de referentieperiode 2004-2008 en de prognosejaren 2015 en 2030 het groepsrisicocurve de oriënterende waarde niet overschrijdt. Aannemelijk is dat door de ontwikkeling het groepsrisico niet met meer dan 10% zal toenemen.
Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist, daar het aantal bewoners in het gebied zal toenemen. Beknopte verantwoording groepsrisico Ter motivering van de groepsrisicoverantwoording wordt in het onderstaande ingegaan op de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval en de middelen om de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken. Groepsrisico Het plangebied valt binnen de laatste 2.500 meter van het invloedsgebied. Deze afstand is echter berekend voor de voor de omgeving meest ongunstige scenario (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid wordt aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico.
Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn én er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden.
28
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid van personen bij rampen en zware ongevallen heeft betrekking op de mogelijkheid van personen zichzelf en anderen in veiligheid te brengen. De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven. Het maatgevende scenario bij een eventuele ramp betreft het vrijkomen van een toxische gaswolk. Om het aantal slachtoffers bij een dergelijk scenario te minimaliseren, is het van belang dat aanwezige personen kunnen schuilen in bebouwing, waarvan ramen, deuren en ventilatie zijn gesloten/uitgeschakeld. Aangezien het beoogde bouwplan voorziet in woningbouw wordt op grond van het Bouwbesluit voldoende aandacht geschonken aan de luchtdichtheid. Elke woning beschikt daarnaast minimaal over ventilatieroosters die handmatig te sluiten zijn. Mogelijk dat mechanische ventilatie wordt toegepast; in dat geval zal het een variant betreffen die met één druk op de knop uit te schakelen is. Bij ongevallen met toxische stoffen is het van belang, dat de alarmering snel verloopt en dat de bevolking snel wordt gewaarschuwd met het advies ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten.
Daarbij is het tevens van belang dat de brandweer snel ter plaatse van het ongeval is om een inschatting te maken van de situatie. Daarnaast wordt verwacht dat de bewoners van deze reguliere woningen mobiel genoeg zijn om te kunnen vluchten of schuilen en daardoor zelfredzaam zijn. Bestrijdbaarheid Bij een ongeval met toxische stoffen kunnen de hulpdiensten, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De bestrijdbaarheid is verder afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. Uit deze handreiking volgt welke breedte de ontsluiting van een projectgebied dient te bedragen en op welke afstand de woningen ten opzichte van de bluswatervoorzieningen moeten zijn gesitueerd.
Verder dient het projectgebied goed bereikbaar te zijn voor de hulpverleningsdiensten, via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor het plangebied bereikbaar is. Het plangebied wordt aan de zuidoostzijde ontsloten via de Dorpsweg. In noordelijke richting wordt de Dorpsweg via de Rammekensweg op de N662 ontsloten en is daarmee in geval van werkzaamheden of calamiteiten voor de hulpverleningsdiensten goed bereikbaar. 4.8.3
CONCLUSIE Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat geen van de risicobronnen leidt tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Hoewel vanuit planologisch perspectief geen beperkingen aanwezig zijn, wordt geadviseerd om naast het treffen van bouwkundige maatregelen in te zetten op goede voorlichting en instructie om toekomstige bewoners voor te bereiden op een eventuele ramp. Zo worden de bewoners geïnformeerd op het handelen bij een toxische wolk vanaf de Westerschelde middels de infographic van de Veiligheidsregio. Tot slot zal de ontwikkeling aan de Veiligheidsregio Zeeland ter beoordeling worden voorgelegd.
29
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.9
Ontplofbare oorlogsresten
4.9.1
WETTELIJK KADER De gemeente Vlissingen is in de Tweede Wereldoorlog zwaar gebombardeerd. Hiervan zijn ook in de huidige tijd nog sporen te vinden. Eén van die sporen is de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (CE). In het kader hiervan heeft de gemeente Vlissingen een beleidskaart opgesteld. Op deze kaart staat aangegeven of het betreffende gebied een verhoogde kans heeft op de aanwezigheid van dergelijke explosieven. Op basis van deze beleidskaart blijkt dat het projectgebied een verdachte locatie is.
4.9.2
ONDERZOEK
Figuur 8: Beleidskaart niet-gesprongen conventionele explosieven. Rode contour betreft indicatief projectgebied. Bron: gemeente Vlissingen.
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Op basis van de beleidskaart wordt het projectgebied aangeduid als ‘vóór-oorlogs bebouwd onderzoeksgebied (oranje)’, het betreft een gebied met een verhoogde kans op het voorkomen van CE. Dit betekent, dat er bij grondverzet van meer dan 100 m³ en bij heiwerkzaamheden per project wordt bekeken of, en zo ja, welke maatregelen er moeten worden getroffen. Ter plaatse van het projectgebied is een onderzoek gedaan door Expload Explosieven Adviseurs (zie Bijlage 6). In dit onderzoek is vastgesteld, dat op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal en analyse er in relatie tot de uitgevoerde luchtaanvallen en bombardementen een aantoonbaar verhoogde kans aanwezig is op explosieven. Dit betekent dat het onderzoeksgebied aangemerkt moet worden als verdacht. Om te voorkomen dat eventueel blindgangers worden geraakt, dienen voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden deze te worden opgespoord en verwijderd. Hierbij wordt aangenomen, dat deze zich op twee meter – maaiveld kunnen bevinden. Dit daar vliegtuigbommen die dieper terechtkwamen dan – twee meter, naar alle waarschijnlijkheid wel zijn opgemerkt maar mogelijk niet geruimd zijn vanwege de hoge grondwaterstand in het gebied. 4.9.3
CONCLUSIE Nu de kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten niet (volledig) kan worden uitgesloten, dienen eventuele blindgangers voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden te worden opgespoord en verwijderd. Met in achtneming hiervan, levert het aspect ontplofbare oorlogsresten geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan op.
4.10
Luchtkwaliteit
4.10.1
WETTELIJK KADER Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: • De ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • De ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; • De gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • Projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.10.2
ONDERZOEK In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de Regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend plan worden er maximaal zeven grondgebonden woningen toegevoegd. Op basis van deze getallen kan gesteld worden, dat het project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.10.3
CONCLUSIE De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Overige kabels en leidingen Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. In en nabij de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het bouwplan.
4.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.12.1
WETTELIJK KADER In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden, zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een m.e.r. moet worden opgesteld.
In onderdeel D is de activiteit ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein’ opgenomen met een drempelwaarde van een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen. De nieuwbouw ten behoeve van zeven grondgebonden woningen bijbehorende (parkeer-)voorzieningen is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Met de bouw wordt ruim onder de drempelwaarde gebleven. Voor onderhavig project is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De aanmeldingsnotitie is als Bijlage 7 bijgevoegd.
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.12.2
ONDERZOEK Gelet op het inzicht in de potentiële effecten (op basis van de beschikbare gegevens) en de mate en omvang waarin deze zich voordoen, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van de nieuwbouw niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er is geen sprake van significant negatieve effecten. Het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is daardoor niet noodzakelijk.
4.12.3
CONCLUSIE Milieu- en andere sectorale aspecten ten aanzien van de beoogde nieuwbouw op onderhavige percelen zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
5.1
Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een omgevingsvergunning te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een omgevingsvergunning moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
De beoogde ontwikkeling op de locatie is een particulier initiatief. De gronden ter plaatse van de ontwikkelingslocatie zijn in bezit van de initiatiefnemer. Bij onderhavige ontwikkeling is een anterieure overeenkomst tussen gemeente en de initiatiefnemer ofwel de ontwikkelende partij gesloten, waarin onder meer het kostenverhaal is geregeld, waardoor het niet noodzakelijk is een exploitatieplan op te stellen. Overeenkomstig artikel 3.1.6 f van het Besluit ruimtelijke ordening is het plan economisch uitvoerbaarheid gebleken.
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
6
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6.1
Participatieproces In 2021 is door initiatiefnemer drie keer een inloopavond belegd, waarvan één digitaal in verband met Corona maatregelen. Op basis van de input van de eerste inloopavond, gehouden op 14 oktober 2021, waaraan de dorpsraad heeft deelgenomen, heeft initiatiefnemer de ontwikkeling uitgewerkt in drie stedenbouwkundige varianten. Tijdens deze periode heeft initiatiefnemer ook individuele gesprekken met direct belanghebbenden gevoerd. Aansluitend zijn de drie varianten op 8 februari 2022 tijdens een tweede inloopavond aan alle direct belanghebbenden en geïnteresseerden voorgelegd en besproken. De feedback op de drie studies die op die avond is gegeven, zoals het positioneren van de nieuwbouw op iets grotere afstand van de perceelgrenzen van de bestaande woningen en niet mogelijk maken van dakkapellen aan de achterzijde van de woningen, is grotendeels in de verdere uitwerking van het plan meegenomen. Op 12 april 2022 is het uitgewerkte plan getoond en nader toegelicht. Tijdens deze avond bleek dat het grootste gedeelte van de direct belanghebbenden zich kon vinden in de aangepaste stedenbouwkundige opzet en het bouwplan. Een beknopt verslag van deze drie bijeenkomsten is als Bijlage 8 aan deze onderbouwing gehecht. Tot slot is op 14 november 2023 het definitieve plan tijdens een informatieavond, waar ook de gemeente heeft deelgenomen, gepresenteerd.
Op deze avond is in het kort aandacht besteed aan het participatieve proces zoals dat doorlopen is en zijn de aspecten die in de planvorming zijn meegenomen, zoals de gewenste mix aan woningtypen, voldoende parkeergelegenheid en situering van de ontsluiting, concreet benoemd. Ook zijn impressies van de nieuwbouw getoond en is de procedure die voor het project zal worden doorlopen (kort) toegelicht. Daarna werd de mogelijkheid geboden vragen te stellen. Het verslag van deze bijeenkomst is als Bijlage 9 aan deze onderbouwing gehecht. Conclusie Gedurende de planvorming heeft een zorgvuldig participatieproces plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen, waarmee het draagvlak voor het initiatief is vergroot.
6.2
Vooroverleg In artikel 3.10 Wabo is bepaald, dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Er wordt vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro, gevoerd. Van de vooroverlegpartners is geen reactie of zienswijze ontvangen.
6.3
Zienswijzen Het ontwerp heeft zal conform afdeling 3.4 Awb 6 weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode zijn 10 zienswijzen ingediend. De reacties op de zienswijzen zijn in een antwoordnotitie als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. De zienwijzen hebben niet tot aanpassing van het project geleid (Bijlage 10).
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
7
CONCLUSIE Alle belangen integraal afwegend, kan worden geconcludeerd, dat er geen sprake is van ruimtelijke belemmeringen die de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Realisatie van het plan tot oprichting van zeven grondgebonden woningen aan de Dorpsweg te Ritthem, voldoet op basis van deze ruimtelijke onderbouwing aan een ‘goede ruimtelijke ordening’. Uit de voorgaande paragrafen blijkt voorts, dat het voorgenomen plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
36