5.2 Rvs Beslissing op bezwaar van eigenaren Edisonweg 7 tegen aanwijzingsbesluit Wet voorkeursrecht gemeenten bijlage 3 advies cie bewaarschriften
Tekst van het document
Advies van de commissie bezwaarschriften Vlissingen over het bezwaarschrift van 15 mei 2022, ontvangen op 17 mei 2022, ingediend door de heer B.A.P.M. van Hartevelt en mevrouw A.M.H. Heesmans (hierna: bezwaarmakers). Het bezwaarschrift was aanvankelijk gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen van 21 april 2022 waarbij gronden van bezwaarmakers voorlopig zijn aangewezen op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Het bezwaar wordt mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad van 7 juli 2022.
De commissie adviseert in de volgende samenstelling: de heer mr. R.M.J. Bustraan (voorzitter), mevrouw mr. A.J.A. de Bie lid) en de heer mr. W. Boogaard (lid).
1. OVERZICHT VAN DE PROCEDURE Bezwaarmakers zijn eigenaar van de gronden gelegen aan de Edisonweg 7 te Vlissingen, kadastraal bekend als gemeente Vlissingen, sectie K, nummer 404, met een grootte van 198 m². Bij besluit van 21 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen voornoemde gronden van bezwaarmakers voorlopig aangewezen als gronden waarop het voorkeursrecht zoals bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing is. Bezwaarmakers hebben tegen de voorlopige aanwijzing van hun gronden bezwaar gemaakt. Omdat het college van burgemeester en wethouders de gronden alleen voor de duur van drie maanden kan aanwijzen, moet verweerder de gronden aanwijzen, opdat de aanwijzing geen voorlopig karakter meer heeft. Verweerder heeft dit gedaan bij besluit van 7 juli 2022. Op grond van artikel 6, derde lid van de Wvg wordt het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2022 van het college van burgemeester en wethouders mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 7 juli 2022 van de gemeenteraad van Vlissingen. Namens het college van burgemeester en wethouders is een verweerschrift ingediend. De bovengenoemde stukken zijn ter advisering doorgezonden naar de commissie bezwaarschriften. Op 14 juli 2022 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting was de heer B.A.P.M. van Hartevelt aanwezig. Mevrouw A.M.H.
Heesmans is niet verschenen. Namens
het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad (verder gezamenlijk in enkelvoud te noemen: verweerder) was aanwezig de heer R. Bakker, beleidsmedewerker, bijgestaan door de heer K. van de Laar van Metafoor. Van de hoorzitting is, met toestemming van de aanwezigen, een audio-opname gemaakt. 2. DE ONTVANKELIJKHEID Alvorens het bezwaarschrift inhoudelijk in behandeling kan worden genomen, is het volgens het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van belang dat bezwaarmaker ontvangen kan worden in hun bezwaren. Daaraan zijn vier wettelijke voorwaarden gesteld: 1. Het bezwaarschrift moet zijn gericht tegen een appellabel besluit; 2. De bezwaarmaker moet belanghebbende zijn; 3. Het bezwaarschrift moet tijdig zijn ingediend, en 4. Het bezwaarschrift moet voldoen aan de daaraan gestelde wettelijke vormvereisten. Ad 1. De bestreden besluiten betreffen besluiten in de zin van artikel 1:3, tweede lid van de Awb en zijn derhalve vatbaar voor bezwaar. Ad 2. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit betrokken is. Bezwaarmakers zijn als geadresseerde van het besluit aan te merken als belanghebbende. Ad 3. Op grond van artikel 6:8 van de Awb is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aangevangen op 22 april 2022.
Ingevolge artikel 6:7 van de Awb betekent dit dat de bezwaartermijn is geëindigd op 2 juni 2022. Het bezwaarschrift is op 17 mei 2022 ontvangen en dus tijdig ingediend. Ad 4. Het bezwaarschrift is ondertekend en is voorzien van de namen en een adres van bezwaarmakers, een datum, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaar. Het bezwaarschrift voldoet daarmee aan de in artikel 6:5 van de Awb gestelde eisen. De commissie concludeert derhalve dat bezwaarmakers ontvankelijk zijn in hun bezwaar. 3. DE GRONDEN VAN HET BEZWAAR Bezwaarmakers maken bezwaar tegen de aanwijzing op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten van hun gronden gelegen aan de Edisonweg 7 te Vlissingen. Zij voeren daartoe onder meer aan dat de in de lijst met percelen gebruikte gegevens onjuist zijn. Verweerder gaat uit van de bestemmingen “Bedrijf”, “Maatschappelijk” en “Verkeer”. Deze bestemmingen gelden niet voor alle aangewezen percelen. Het perceel van bezwaarmakers
heeft uitsluitend de bestemming “Wonen”. Ook bij het Kadaster staat op 1 april 2022 uitsluitend de bestemming “Wonen”. Op de website ruimtelijkeplannen.nl komt de term “enkelbestemming bedrijf” naar boven met de functieaanduiding wonen. Deze gegevens zijn echter niet juist. Een belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en slechts voor één uitleg vatbaar dient te zijn. Bovendien staat in hoofdstuk 6 vermeld dat er een correctie is toegepast en dat de woning nu bestemd is als zelfstandige woning. Jaren geleden heeft een toenmalig wethouder aan bezwaarmaker aangegeven dat zijn woning als woning zou worden bestemd en daar een tekening van laten zien, zo stelt bezwaarmaker. Bezwaarmakers stellen dat verweerder geen goed besluit kan nemen met onjuiste gegevens als basis en stelt dat het voorkeursrecht daarom niet geldig is. 4. STANDPUNT VERWEERDER Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de gronden van bezwaarmakers zijn aangewezen op grond van artikel 6 Wvg. De formele eisen van dit artikel zijn dat aan de gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Volgens verweerder is aan deze formele eisen voldaan. De gronden hebben de bestemmingen “Bedrijf”, “Maatschappelijk” en “Verkeer”.
Binnen de bestemming “Bedrijf” zijn er een aantal functieaanduidingen, zoals wonen, sport en specifieke vorm van detailhandel. Na de herontwikkeling zal een gebied moeten ontstaan waar ruimte is voor het vestigen van nieuwe ontwikkel-, test- en demofaciliteiten, starters, scale-ups en R&D afdelingen. Qua bestemmingen kan worden gedacht aan maatschappelijke voorzieningen, onderwijs, maar ook bedrijventerrein. Het kan voorkomen dat op een deel van de gronden weliswaar een bedrijfsbestemming komt, maar door de aard van de herontwikkeling van de Kenniswerf zal het daarbij gaan om een ander gebruik binnen de bestemming en andere type bedrijven dan de huidige bedrijven die in het aangewezen gebied liggen. 5. HET WETTELIJK KADER Het wettelijk kader bestaat onder meer uit de Wvg. 6. DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL De commissie overweegt als volgt.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1089) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wvg dat de wetgever met de invoering van deze wet heeft beoogd om de positie van gemeenten bij de grondverwerving ten behoeve van de verwezenlijking van het ruimtelijke beleid te versterken door de Gemeenteraad een middel te geven waarmee speculatie kan worden tegengegaan en de regie bij de verwezenlijking van de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen kan worden behouden.
Op grond van artikel 6 Wvg kan het college van burgemeester en wethouders gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een nietagrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking treedt. In het onderhavige geval is het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 21 april 2022, waarbij de gronden van bezwaarmakers voorlopig zijn aangewezen, komen te vervallen door de inwerkingtreding van het besluit van de gemeenteraad van 7 juli 2022 tot aanwijzing van de betreffende gronden op grond van de Wvg. Als gevolg hiervan zal het bezwaar, voor zover dit is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders, niet ontvankelijk worden verklaard. De commissie ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de gemeenteraad terecht en op goede gronden heeft kunnen besluiten tot het aanwijzen van de gronden van bezwaarmakers als gronden waarop het voorkeursrecht zoals bedoeld in artikel 3 Wvg van toepassing is. De commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Op grond van artikel 3 Wvg komen voor aanwijzing in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan. Uit de ruimtelijke plannen blijkt dat het perceel van bezwaarmakers is gelegen in het bestemmingsplan “Partiële herziening bestemminsplan Kenniswerf West”. Op grond van dit bestemmingsplan rust op het perceel de enkelbestemming “Bedrijf” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” met daarbij de functieaanduiding “wonen”, hetgeen een niet-agrarische bestemming betreft. Daarmee is naar het oordeel van de commissie voldaan aan het vereiste dat op grond van artikel 3 Wvg voor aanwijzing in aanmerking komen gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend. Bezwaarmaker heeft onder verwijzing naar de tekening op pagina 7 van het Beeldregieplan, dat als bijlage is toegevoegd bij de toelichting op het bestemmingsplan, weliswaar aangevoerd dat zijn perceel net buiten het bestemmingsplan “Partiele herziening bestemmingsplan Kenniswerf West” valt en de bestemming “Wonen” heeft, maar daarin volgt de commissie bezwaarmaker niet. Het bestemmingsplan, vastgesteld door de gemeenteraad van Vlissingen zoals gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl is immers onherroepelijk en bepalend voor de wijze waarop een perceel is bestemd.
De stelling van bezwaarmaker dat hij jaren terug van de toenmalige wethouder heeft begrepen dat zijn woning als zelfstandige woning zou worden bestemd (wat hier ook van zij), alsmede de registratie zoals die bij het kadaster bekend is, maakt dit niet anders. De commissie is met verweerder van oordeel dat de tekening uit het Beeldregieplan, waar bezwaarmaker naar verwijst, slechts een indicatieve tekening betreft. Bovendien zou ook dan nog altijd sprake zijn van een niet-agrarische bestemming van de betreffende gronden. Of de woning al dan niet bestemd is als zelfstandige woning doet naar het oordeel van de commissie in het onderhavige geval niet ter zake. Het bestreden besluit is dan ook op basis van de juiste feiten tot stand gekomen. Verder is in het verweerschrift voldoende gemotiveerd aangevoerd dat het voorkeursrecht is gevestigd, omdat het van plan is om het gebruik zoals dat nu is geregeld in het ter plaatse geldende bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de herontwikkeling van de
Kenniswerf. In dat kader is aangevoerd dat na de herontwikkeling een gebied zal moeten ontstaan waar ruimte is voor het vestigen van nieuwe ontwikkel-, test- en demofaciliteiten, starters, scale-ups en R&D afdelingen. Qua bestemmingen kan worden gedacht aan maatschappelijke voorzieningen, onderwijs, maar ook bedrijventerrein. Hiertegen is door bezwaarmaker geen bezwaargrond aangevoerd. Gelet op het vorenstaande acht de commissie het bezwaar ongegrond.
7. ADVIES De commissie adviseert het college van burgemeester en wethouders het bezwaarschrift dat is ingediend door de heer de heer B.A.P.M. van Hartevelt en mevrouw A.M.H. Heesmans gericht tegen het besluit van 21 april 2022 niet-ontvankelijk te verklaren. Verder adviseert de commissie de gemeenteraad het bezwaarschrift dat is ingediend door de heer de heer B.A.P.M. van Hartevelt en mevrouw A.M.H. Heesmans gericht tegen het besluit van 7 juli 2022 ontvankelijk en ongegrond te verklaren. Vlissingen, 25 juli 2022, Commissie bezwaarschriften Vlissingen dhr. mr. R.M.J. Bustraan
mw. mr. I. de Moor
voorzitter
secretaris