CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.16 rvs Verordenig Wmo en Jeugd bijlage 1 Integrale verordening

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente VlissingenBij agendapunt: Verordening Wmo en Jeugd17.134 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals, een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; f. kosten voor bijscholing van het personeel; g. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten; 20

h. kosten van indexering. 3. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren algemene voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening; en, b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden. 4. Het eerste, tweede en derde lid gelden ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan de jeugdige en/of ouder(s) en de subsidie bedoeld is om de te verrichten diensten volledig te betalen. 5. Het college bedingt bij de door hen gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 39. Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging en terugvordering 1. De jeugdige en/of ouder(s) aan wie het college krachtens deze verordening een individuele voorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in hun situatie die tot een heroverweging van een besluit kunnen leiden. 2. Het college kan een besluit, aangaande een individuele voorziening (natura of pgb) beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college één van deze gronden vaststelt: a. de jeugdige en/of ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en het college met de juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen; b. de jeugdige en/of ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer passend is; d. de jeugdige en/of ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb; e. de jeugdige en/of ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.

Het college kan de kosten voor de verstrekte individuele voorziening waar de jeugdige en/of ouder(s) geen recht op hadden voor een deel of helemaal terugvorderen als de voorziening is ingetrokken op grond van het tweede lid onder a.

Artikel 40. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de jeugdige of ouder die jeugdhulp ontvangt langer dan acht weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 41. Niet meewerken jeugdige en/of ouder(s) 1. De jeugdige en/of ouder(s) zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan het onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 21

2. Als de jeugdige en/of ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 42. Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. 3. Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.

3. Maatschappelijke ondersteuning Artikel 43. Definities 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijk: diensten of middelen die niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar zijn en niet of niet veel duurder zijn dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; b. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; c. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo 2015; d. bijdrage: een bijdrage van een cliënt in de kosten van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget; e. budgetbeheerder (pgb-vertegenwoordiger): een persoon uit het sociale netwerk of een mentor, bewindvoerder, curator of gemachtigde die voor de budgethouder de taken verbonden aan een pgb uitvoert; f. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Wmo 2015; g. budgetplan: pgb-plan als bedoeld in artikel 55 lid 2 van deze verordening; h.

cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; i. financiële tegemoetkoming: een geldbedrag, dat een inwoner van Vlissingen krijgt als niet kostendekkende (forfaitaire) tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren; j. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; k. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Vlissingen; l. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; 22

m. ondersteuningsplan: een plan waarin de ondersteuningsbehoefte van de cliënt is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de cliënt en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren; n. persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015; o. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; p. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; q. sociale basis: vrij toegankelijke formele en informele activiteiten, voorzieningen en diensten, gericht op ontmoeting, ondersteuning en ontplooiing, die het welzijn, de zelfredzaamheid en de participatie van inwoners bevordert; r. Uitvoeringsbesluit: het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; s. wet: Wmo 2015; t. woonvoorziening: bouwkundige of niet-bouwkundige maatwerkvoorziening in de woning van een cliënt, waardoor de cliënt in zijn woning kan blijven wonen. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit, de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 44. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college stelt nadere regels op over de wijze waarop zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 45. Melding en onderzoek 1. Een hulpvraag kan door of namens de cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding per mail of brief. 3. Het college onderzoekt met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. welke belemmeringen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; c. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, andere voorzieningen en/of mogelijkheden vanuit de sociale basis, zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen en opvang. 4. De factoren genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo, maken in elk geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 5.

Als de cliënt een persoonlijk plan heeft opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 6. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in lid 3. 7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 8. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een ondersteuningsplan. De cliënt kan hierop reageren met een zienswijze. 9. Het college kan nadere regels vaststellen over de inhoud van en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

23

Artikel 46. Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Een door de cliënt ondertekend ondersteuningsplan kan ook als aanvraag dienen. 3. Als een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger de voorziening zelf wenst in te kopen met een pgb, moet hij daarvoor een budgetplan indienen zoals bedoeld in artikel 55 lid 2.

Artikel 47. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate beschikbare voorziening. 2. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als de cliënt de problemen kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen en/of mogelijkheden vanuit de sociale basis; b. als voor de belemmeringen die aanleiding geven voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; c. als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er naar het oordeel van het college sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; d.

als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; e. als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; f. als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; g. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; h. als voor de cliënt nog behandelmogelijkheden open staan en hij zich niet inspant om de behandeling goed te laten verlopen. 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: a. deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden, begeleiding of kortdurend verblijf; b. de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Vlissingen, met uitzondering van beschermd wonen en opvang; c.

de cliënt geen ingezetene is van Nederland en in aanmerking wil komen voor opvang. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. 6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; 24

c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten gerealiseerd kan worden. 7. Het college kan nadere regels vaststellen over de criteria voor de toekenning van maatschappelijke ondersteuning, welke maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn, toelichten wat deze inhouden en de uitwerking daarvan.

Artikel 48. Uitgangspunten van een algemene voorziening 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk zonder tussenkomst van de gemeente. 2. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Vlissingen of voor een specifieke doelgroep, en is rechtstreeks toegankelijk voor mensen die maatschappelijke ondersteuning behoeven en/of tot de doelgroep van de voorziening behoren. 3. Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelf- en samenredzaamheid en de participatie van ingezetenen en aan de ondersteuning van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor, waaronder in elk geval de in dit hoofdstuk vermelde voorzieningen. 4. Een algemene voorziening bevordert het doel zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. 5. De algemene voorziening geldt als preventief en als voorliggend op de maatwerkvoorziening.

Artikel 49. Aanbod van algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn onder meer gericht op: a. Ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis vanwege beperkingen in de zelfredzaamheid bij het verrichten van de huishoudelijke taken door de cliënt en diens meerderjarige huisgenoten; b. Sociale, structurele of activerende dagbesteding voor de cliënt met beperkingen in het participeren en in het invulling geven aan een zinvolle dag, die geen meerderjarige huisgenoten en/of netwerk heeft die hierin kan helpen of ondersteunen, of voor de cliënt waarbij er een noodzaak is om de primaire mantelzorger te ontlasten; c. De was- en strijkservice van Orionis vanwege beperkingen in de zelfredzaamheid bij het verrichten van de was-/strijktaken door de cliënt en diens meerderjarige huisgenoten; d. Informatie en advies; e. Ambulante ondersteuning; f. (Groeps)trainingen; g. Sociaal werk.

Artikel 50. Beschermd wonen en opvang 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, wanneer de cliënt psychische of psychosociale problemen heeft of wanneer de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en voor zover de cliënt 25

deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen en/of mogelijkheden vanuit de sociale basis kan verminderen of wegnemen. 2. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 van de Wmo bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Artikel 51. Afstemming met voorliggende voorzieningen 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: a. de cliënt voor zijn problematiek recht heeft op zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet; b. het college oordeelt dat voor de problematiek van de cliënt recht bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling; of, c. het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking kan komen voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg, maar de cliënt of wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan de aanvraag voor een Wlz-indicatie. 2. Als de cliënt een aanvraag indient voor een voorziening, die de cliënt vanuit een andere wet kan krijgen, verwijst het college naar de instantie waar de aanvraag voor de voorziening kan worden behandeld.

Artikel 52. Afstemming Jeugdwet 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de maatwerkvoorzieningen en de voorzieningen voor jeugdigen en/of ouder(s) op grond van de Jeugdwet. 2. Het college draagt zorg voor continuïteit van hulp als de jeugdige 18 jaar wordt en de hulp vanaf het 18e jaar onder de Wmo valt. 3. Het college neemt een melding en aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor begeleiding in behandeling en neemt een besluit als een jeugdige 17 jaar en 6 maanden oud is en er volgens het perspectiefplan van de jeugdhulpaanbieder, als bedoeld in artikel 26 lid 4, een maatwerkvoorziening voor begeleiding nodig is. 4. Het college neemt een melding en aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen in behandeling en neemt een besluit als een jeugdige, die jeugdhulp met verblijf ontvangt en 17 jaar oud is, en er volgens het perspectiefplan van de jeugdhulpaanbieder, als bedoeld in artikel 26 lid 4, een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen nodig is.

Artikel 53. Het besluit 1. Het college legt de beslissing over het toekennen of afwijzen van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 2. In spoedeisende gevallen treft het college zo snel mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van ondersteuning in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de ondersteuning, vast in een beschikking. 3. Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag. 4. De cliënt moet een pgb voor een maatwerkvoorziening binnen drie maanden hebben aangewend aan het resultaat waarvoor het is verstrekt. Als dat niet gebeurt kan de beschikking worden ingetrokken.

Artikel 54. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval: a. of de voorziening in natura wordt verleend of als pgb wordt verstrekt; 26

2.

3.

4.

5. 6.

b. de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt een pgb voor een voorziening moet aanwenden voor het doel waarvoor het is verstrekt; c. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Bij het verlenen van een voorziening in natura wordt in de beschikking voor zover van toepassing vastgelegd: a. welke maatwerkvoorziening toegekend is; b. wat het beoogde resultaat van de voorziening is; c. wat de ingangsdatum, de duur en de omvang van de verstrekking is; d. hoe de voorziening wordt verstrekt; e. welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn; f. hoe en wanneer de toekenning geëvalueerd wordt. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval, naast de in het eerste en tweede lid genoemde zaken, vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. de hoogte van het pgb en hoe dit is bepaald; d. welke voorwaarden aan het pgb zijn verbonden; e. voor welke periode het pgb wordt verstrekt; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het budget. Het ondersteuningsplan maakt onderdeel uit van de beschikking. In het geval dat een pgb wordt toegekend, maakt ook het budgetplan als bedoeld in artikel 55 lid 2 onderdeel uit van de beschikking.

In het besluit verstrekt het college informatie over de rechten en plichten van de cliënt op grond van de wet, verordening en nadere regels. Het college kan periodiek onderzoeken of er een reden is een besluit te heroverwegen.

Artikel 55. Regels voor persoonsgebonden budget 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en legt dit vast in een beschikking als bedoeld in artikel 54 van deze verordening. 2. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en deze met een pgb wenst in te kopen, moet hij een budgetplan opstellen volgens een door het college vastgesteld format. In het budgetplan staat in ieder geval: a. de motivering waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en waarom hij een pgb wenst; b. welke ondersteuning de cliënt wil inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en hoe wordt geëvalueerd; c. bij welke aanbieder hij de maatwerkvoorziening wil inkopen en hoe de ondersteuning georganiseerd wordt; d. hoe de kwaliteit van de ondersteuning gewaarborgd is; e. wat de kosten van de ondersteuning zijn, uitgedrukt in eenheden en tarief; f. wie het pgb beheert, hoe deze taken worden uitgevoerd en de motivatie aan de hand van de punten benoemd in artikel 56 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; en, g. indien van toepassing, welke ondersteuning de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 3. Het pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag. 4. Het pgb mag niet gebruikt worden voor: a.

kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; 27

e. f. g. h. i.

kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; reiskosten van de hulpverlener; bijkomende zorgkosten, zoals cursuskosten of entreegeld; een overlijdensuitkering; kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; en, j. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 5. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de ondersteuning betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: a. meerderjarig is; en, b. veilige, doelmatige en cliëntgericht ondersteuning verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt; en, c. heeft aangegeven dat de zorg aan de cliënt voor hem niet tot overbelasting leidt. 6. Onder personen van het sociaal netwerk wordt verstaan: a. familie van de cliënt tot en met bloed- of aanverwantschap in de derde graad; b. andere betrokkenen waarmee hij een sociale relatie onderhoudt, zoals vrienden, buren, studenten, collega’s. 7. Het college verstrekt een pgb als: a. de cliënt motiveert dat hij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend vindt; b.

uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 56 blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en c. het oordeel van het college en met inachtneming van artikel 58 is gewaarborgd dat de ondersteuning die tot de maatwerkvoorziening behoort en die de cliënt van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het budgetplan opgenomen beoogde resultaat. 8. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorziening, wat zich in ieder geval voordoet als de voorgenomen uitvoerder in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is tot een gevangenisstraf wegens het plegen van strafbare feiten; of, d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 9. Het college weigert een pgb: a. als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.3.6, vijfde lid, van de wet van toepassing is; en, b. voor hulp die direct ingezet moet worden (spoedeisend belang). 10.

Het college kan nadere regels stellen over de aan een pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 56. Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen moet de beoogd budgethouder of budgetbeheerder in ieder geval: a. een duidelijk beeld hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

28

d. voldoende vaardig zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de hulpverleners; e. in staat zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener te kiezen; f. in staat zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat zijn om te beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp passend en kwalitatief goed is; h. in staat zijn de inzet van hulpverleners te coördineren, waardoor de hulp ook bij verlof en ziekte door kan gaan; i. in staat zijn om als werk- of opdrachtgever de hulpverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; j. voldoende kennis hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden; en, k. als ondersteuning geboden wordt door een persoon uit het sociale netwerk: aantonen dat het inzetten van een pgb tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan een voorziening in natura en formele hulp met een pgb. 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de ondersteuning levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend; b. 1°.

problematische schuldenproblematiek; 2°. ernstige verslavingsproblematiek; 3°. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7°. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of 8°. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Artikel 57. Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen: a. Personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de cliënt het pgb krijgt. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren, of; b. Personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp-er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de cliënt het pgb krijgt. De zzp-er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp-er over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden. 2. Indien de hulp wordt verleend door andere personen dan beschreven in het eerste lid, gaat het altijd om informele hulp. 3. Indien de hulp wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt, is er altijd sprake van informele hulp.

Artikel 58. Kwaliteitseisen maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb 1. Om de kwaliteit te waarborgen van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van de ondersteuning aan de volgende eisen:

29

a. beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de overeenkomst en gedurende het verlenen van de ondersteuning niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde ondersteuning te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde ondersteuning; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de ondersteuning uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de ondersteuning af op de persoonlijke situatie van de cliënt; h. stemt de ondersteuning af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen waar de cliënt gebruik van maakt; i. respecteert de privacy van de cliënt en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld, mishandeling of financieel misbruik contact op met Veilig Thuis voor advies of het doen van een melding; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van maatschappelijke ondersteuning aan het college; l.

werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en, m. als ondersteuning geboden wordt door een persoon uit het sociale netwerk: is of raakt door verlening van de ondersteuning naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Om de kwaliteit te waarborgen van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening in de vorm van diensten voldoet de uitvoerder van formele ondersteuning aan de volgende aanvullende eisen: a. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; b. werkt op basis van een ondersteuningsplan; c. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; d. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van de ondersteuning; en, e. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Om de kwaliteit te waarborgen van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening in de vorm van hulpmiddelen en woningaanpassingen dienen deze geschikt te zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt en moeten deze, voor zover van toepassing, tenminste voldoen aan de toepasselijke erkende keurmerken.

Artikel 59. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een zaak wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; of, b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. 2. De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer. 3. De hoogte van het pgb voor formele hulp in de vorm van diensten bedraagt ten hoogste het tarief voor de goedkoopst adequate voorziening in natura, tenzij op basis van het pgb-plan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4. In afwijking op lid 3 geldt voor ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis het laagste tarief waarvoor de hulp bij een particuliere aanbieder kan worden ingekocht. 5. De hoogte van het pgb voor informele hulp bedraagt: 30

a. voor huishoudelijke hulp en persoonlijke verzorging het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. b. voor begeleiding het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 6. De totale kosten voor informele hulp in de vorm van kortdurend verblijf bedragen maximaal 50% van het tarief voor deze zorg in natura. 7. Indien het op basis van lid 1, lid 2 en lid 3 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 8. Het college maakt minimaal één keer per jaar de tarieven bekend.

Artikel 60. Kwaliteitseisen maatwerkvoorzieningen in natura (gecontracteerde aanbieders) 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 61. Financiële tegemoetkoming voor verhuizing, inrichting en vervoer Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing, inrichting en vervoer. Over de voorwaarden voor en de hoogte van de tegemoetkoming kan het college nadere regels vaststellen.

Artikel 62. Bijdrage in de kosten voor voorzieningen en pgb’s 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een algemene voorziening waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie zoals genoemd in artikel 49 sub a en b. 3. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders en; b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 63. Hoogte bijdrage in de kosten 1. Voor de algemene voorzieningen als bedoeld in artikel 49 sub a en b en maatwerkvoorzieningen die niet genoemd worden in lid 2 t/m 3 bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen tezamen het abonnementstarief van het in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 opgenomen tarief. 31

2. De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer is per rit als volgt opgebouwd: a. een instaptarief van € 1,44; en, b. een tarief van € 0,35 per kilometer tot 30 kilometer en een tarief van € 1,71 per kilometer vanaf 30 kilometer. 3. Het college kan via nadere regels een maximum vaststellen voor het aantal te reizen kilometers per jaar en bestemmingen uitzonderen van het hogere tarief van € 1,71 per kilometer. Voor deze bestemmingen geldt het tarief van € 0,35 per kilometer. 4. De hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening vervoer wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de NEA-index. 5. In afwijking van lid 4 kan de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening vervoer voor het jaar 2026, aan de hand van de NEA-index die naar verwachting in het laatste kwartaal van 2025 bekend wordt gemaakt, geïndexeerd worden. 6. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang worden vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit. 7. De hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing en de in lid 2 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer, overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 8. De kostprijs van een algemene voorziening en maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende algemene voorziening of maatwerkvoorziening zelf maakt. 9.

De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 10. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, lid 7 van de Wmo (opvang en beschermd wonen), worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 11. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een cliënt op grond van hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen bijdrage verschuldigd zijn.

Artikel 64. Bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van het gebruik van de was- en strijkservice ter hoogte van € 4,- per week. De cliënt mag maximaal twee keer per week was aanbieden, ongeacht het volume.

Artikel 65. Anti-speculatiebeding 1. De eigenaar in wiens woning een Wmo-woonvoorziening is aangebracht die leidt tot waardestijging van de woning, moet indien hij de woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de woonvoorziening verkoopt, deze verkoop onverwijld aan het college melden en de meerwaarde die door het treffen van de voorziening is ontstaan aan de gemeente terugbetalen tot maximaal het door de gemeente toegekende bedrag voor de in de woning getroffen voorziening(en) c.q. aanpassing(en). 2. De restitutie als bedoeld in het eerste lid bedraagt: a. bij verkoop binnen 1 jaar na gereedmelding: 100 procent van de meerwaarde; b. bij verkoop binnen 2 jaar na gereedmelding: 90 procent van de meerwaarde; c. bij verkoop binnen 3 jaar na gereedmelding: 80 procent van de meerwaarde; d. bij verkoop binnen 4 jaar na gereedmelding: 70 procent van de meerwaarde; e. bij verkoop binnen 5 jaar na gereedmelding: 60 procent van de meerwaarde; f. bij verkoop binnen 6 jaar na gereedmelding: 50 procent van de meerwaarde; g. bij verkoop binnen 7 jaar na gereedmelding: 40 procent van de meerwaarde; h. bij verkoop binnen 8 jaar na gereedmelding: 30 procent van de meerwaarde; i. bij verkoop binnen 9 jaar na gereedmelding: 20 procent van de meerwaarde; j. bij verkoop binnen 10 jaar na gereedmelding: 10 procent van de meerwaarde. 32

3. De vaststelling van de eventuele meerwaarde geschiedt door een beëdigd taxateur, aan te wijzen en te betalen door het college.

Artikel 66. Privacy en gegevensverwerking 1. Het college verwerkt uitsluitend persoonsgegevens van een cliënt diens echtgenoot, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet 2. Het college legt de afspraken over het verwerken van persoonsgegevens vast in een protocol.

Artikel 67. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder.

Artikel 68. Klachtregeling aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten.

Artikel 69. Medezeggenschap Door de gemeente gecontracteerde aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, ten aanzien van alle voorzieningen voor zover het gaat om leveringen van zorg of ondersteuning.

Artikel 70. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren diensten, als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, door: a. een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of, b. een reële prijs vast te stellen. Die prijs geldt dan als ondergrens voor een inschrijving op een aanbesteding en het aangaan van een overeenkomst met de aanbieder. 2. De gemeente stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en, b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. De gemeente baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten; d.

kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Artikel 71. Herziening, intrekking, beëindiging, wijziging en terugvordering 1. De cliënt aan wie het college krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in zijn situatie die tot een heroverweging van een besluit kunnen leiden.

33

2. Het college kan een besluit, aangaande een maatwerkvoorziening of pgb beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college één of meer van deze gronden vaststelt: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en het college met de verstrekking van juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer passend is; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb; e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3. Het college kan de kosten voor de verstrekte maatwerkvoorziening (natura of pgb), waar de cliënt geen recht op had voor een deel of helemaal terugvorderen als de voorziening is ingetrokken op grond van het tweede lid onder a.

Artikel 72. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de cliënt langer dan acht weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 73. Niet meewerken van de cliënt en meerderjarige huisgenoten 1. De cliënt en/of diens meerderjarige huisgenoten dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger is verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan het onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van maatschappelijke ondersteuning, waaronder tevens wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als het college dit noodzakelijk acht voor de uitvoering van de wet. 2. De cliënt en/of diens meerderjarige huisgenoten verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3. Als de cliënt en/of diens meerderjarige huisgenoten naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld of is de ondersteuning niet effectief en kan door het college worden besloten geen maatwerkvoorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende maatwerkvoorziening in te trekken.

Artikel 74. Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders voor maatschappelijke ondersteuning afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. 34

Slotbepalingen Artikel 75. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd.

Artikel 76. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige, ouder(s) en cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 77. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening Jeugd & Wmo Vlissingen 2024 wordt ingetrokken vanaf het moment dat de Verordening Jeugd & Wmo Vlissingen 2026 in werking treedt. 2. De jeugdige en/of ouder(s) of cliënt houden recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugd & Wmo Vlissingen 2024, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugd & Wmo Vlissingen 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de Verordening Jeugd & Wmo Vlissingen 2024. 4. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Jeugd &Wmo Vlissingen 2024 geschiedt op grond van de Verordening Jeugd & Wmo Vlissingen 2024 gemeente Vlissingen, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.

Artikel 78. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie van deze verordening. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugd & Wmo Vlissingen 2026.

Ondertekening Vlissingen, 16 december 2025, De raad van de gemeente Vlissingen, De griffier

De voorzitter

Mr. F. Vermeulen

drs. A.R.B. van den Tillaar

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16370064/1