CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

5.12 Rvs Beleidsplan bestaanszekerheid onderdeel lokaal armoedebeleid bijlage Integraal rapport - evaluatie minimabeleid gemeente Vlissingen - versie 1.0

Raadsvergadering 19 december 2024, gemeente VlissingenBij agendapunt: Beleidsplan bestaanszekerheid onderdeel lokaal armoedebeleid.16.514 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Evaluatie minimabeleid Gemeente Vlissingen

Opdrachtgever Gemeente Vlissingen Datum Oktober 2024 Auteurs Michelle Ellens Maaike Bonnema KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en/ of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ.

Inhoudsopgave Inleiding ......................................................................................................................................... 1 Samenvatting................................................................................................................................. 3 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 8 1. Minimapopulatie ...................................................................................................................... 13 2. Minimakinderen tot 18 jaar ...................................................................................................... 19 3. Gebruik en bereik van de minimaregelingen ........................................................................... 22 4. Energietoeslag ........................................................................................................................ 27 5. Schuldhulpverlening ................................................................................................................ 29 6. Groepsgesprekken ketenpartners ........................................................................................... 30 7. Behoeftepeiling minima ...........................................................................................................

37 Bijlage 1. Methodiek Armoedemonitor ........................................................................................ 39 Bijlage 2. Systematiek Armoede Index ....................................................................................... 41 Bijlage 3. Bevolkingskarakteristieken .......................................................................................... 42 Bijlage 4. Kenmerken kinderen ................................................................................................... 43 Bijlage 5. Kenmerken minima tot 100% Wsm, 2016 en 2023 ..................................................... 44 Bijlage 6. Vergelijking gebruik regelingen 2016 – 2023 .............................................................. 45 Bijlage 7. Gekoppelde en niet-gekoppelde gebruikers ............................................................... 46

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Inleiding Het minimabeleid is – net als in de rest van Nederland - in de Walcherse gemeenten een actueel thema. De gemeenten Vlissingen, Middelburg en Veere willen (meer) inzicht hebben in de omvang en samenstelling van de minimadoelgroep. Ook willen zij weten wat de effecten zijn van deze regelingen bij de doelgroep en of de regelingen aansluiten op de behoeften. De Walcherse gemeenten hebben daarom KWIZ gevraagd een onderzoek uit te voeren. Het onderzoek bestaat uit drie onderdelen. Allereerst is er per gemeente een Armoedemonitor opgesteld waarin de omvang en de kenmerken van de doelgroep cijfermatig in kaart zijn gebracht. Daarnaast is een enquête uitgezet onder de doelgroep om de ervaringen van de inwoners rondom het gemeentelijke beleid te inventariseren. Als derde onderdeel zijn er groepsinterviews geweest met organisaties die de doelgroep ondersteunen om zo hun ervaringen met het gemeentelijke beleid inzichtelijk te maken. In dit integrale rapport zijn de resultaten van alle deelonderzoeken weergegeven en voorzien van een overkoepelende conclusie en daaruit voortvloeiende aanbevelingen. Onderzoeksmethode Armoedemonitor De omvang en samenstelling van de minimapopulatie worden inzichtelijk gemaakt in de Minimamonitor op een peildatum van 1 september 2023. Hiervoor zijn verschillende registratiebestanden gepseudonimiseerd aangeleverd, gekoppeld en geanalyseerd.

Het gaat hierbij zowel om gemeentelijke registratiebestanden als om registratiebestanden van externe samenwerkingspartners. Daarnaast geeft de Minimamonitor inzicht in het gebruik en bereik van de minimaregelingen; hiervoor geldt een terugkijkperiode van 12 maanden, oftewel geheel kalenderjaar 2023. Tot slot is ook het gebruik van schuldhulpverlening en de energietoeslag onder huishoudens met een laag inkomen in beeld gebracht. De informatie in de weergegeven tabellen in de Minimamonitor gaat over het jaar 2023. Onderzoeksmethode groepsgesprekken ketenpartners In totaal hebben in februari 2024 drie groepsgesprekken plaatsgevonden: twee gesprekken met diverse ketenpartners uit de drie Walcherse gemeenten en een gesprek met de Sociale Cliëntenraad Walcheren (in het rapport “de organisaties” of “de ketenpartners” genoemd). De interviews duurden ongeveer 1,5 uur per gesprek. Bij de gesprekken waren twee onderzoekers van KWIZ aanwezig. De interviews zijn niet opgenomen. De resultaten van de gesprekken zijn vervolgens anoniem verwerkt. Tijdens de gesprekken kwamen verschillende thema’s aan bod, die in overleg met de drie gemeenten zijn opgesteld: • • • • •

De doelgroep; Het minimabeleid van de gemeenten; De samenwerking met de gemeenten en Orionis; Het sociale veld/de ketenpartners; Overige opmerkingen.

De gesprekken geven inzicht in de ervaringen van de ketenpartners en de signalen die zij van de doelgroep ontvangen. Ketenpartners die niet bij de gesprekken aanwezig konden zijn kregen de gelegenheid om schriftelijk de vragen te beantwoorden. Twee organisaties hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt. De resultaten gaan in het algemeen over de drie gemeenten, wanneer de resultaten gaan over een specifieke gemeente dan wordt dit benoemd.

1

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Onderzoeksmethode behoeftepeiling minima Om de ervaringen van de minimapopulatie in kaart te brengen is er een enquête verspreid onder de doelgroep. In de vragenlijst kwamen de volgende thema’s aan bod: • Regelingen voor volwassenen; • Regelingen voor kinderen; • Geld; • Meedoen; • Energie; • Zorgkosten. De doelgroep van dit onderzoek bestaat uit inwoners van de gemeente Vlissingen die gebruik hebben gemaakt van één van de minimaregelingen. Per huishouden is één vragenlijst gestuurd. In totaal hebben 2.363 huishoudens in de gemeente een uitnodiging gekregen om deel te nemen aan het onderzoek. Respondenten konden de vragenlijst zowel schriftelijk als digitaal invullen. In totaal hebben 280 respondenten de vragenlijst ingevuld (63 digitaal, 217 op papier). Dat is 12 procent van de aangeschreven doelgroep. Deze respons is voldoende om betrouwbare uitspraken te doen over de doelgroep1. Leeswijzer Het rapport begint met een samenvatting van de resultaten uit de drie deelrapporten. Vervolgens worden in het volgende hoofdstuk een aantal conclusies en aanbevelingen geformuleerd voor de gemeente. In de hoofdstukken 1 tot en met 5 wordt de Armoedemonitor weergegeven. In dit hoofdstuk wordt de omvang en kenmerken van de groep minimahuishoudens besproken en wordt ingegaan op het gebruik van de minimaregelingen en voorzieningen.

In het zesde hoofdstuk is een analyse gemaakt op de groepsgesprekken die met verschillende ketenpartners is gevoerd en tot slot worden de belangrijkste resultaten vanuit de behoeftepeiling 2 weergegeven. Het rapport wordt afgesloten met een zevental bijlagen met aanvullende informatie en achtergrondinformatie. In de hoofdstukken zijn verwijzingen naar de bijlagen opgenomen.

1 Voor een doelgroep van deze omvang is bij een betrouwbaarheidsniveau van 90 procent een respons

nodig van 243 ingevulde enquêtes (10 procent) om betrouwbare uitspraken te kunnen doen. Bij een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent ligt dit aantal op 331 ingevulde enquêtes (14 procent). 2 Voor de volledige resultaten van de behoeftepeiling verwijzen wij u naar het deelrapport “Behoefte Minima”.

2

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Samenvatting In dit hoofdstuk staan de belangrijkste bevindingen weergegeven van de verschillende deelonderzoeken.

S1. Aantal minimahuishoudens Op basis van verschillende registratiebestanden is het aantal minimahuishoudens dat de gemeente in beeld heeft, in kaart gebracht. Door koppeling met het BRP kunnen de kenmerken van deze huishoudens worden weergegeven. Ook is door middel van de Armoede Index een schatting gemaakt van de totale minimapopulatie in de gemeente Vlissingen. Minimahuishoudens Op 1 september 2023 zijn 2.062 huishoudens met een inkomensniveau van 100 procent Wsm bij de gemeente Vlissingen in beeld op basis van registratie van de verschillende minimavoorzieningen in de gemeente; 8,9 procent van alle huishoudens in de gemeente. In totaal heeft de gemeente 2.407 huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm in beeld, zij vormen 10,4 procent van alle huishoudens in de gemeente. De gemeente Vlissingen heeft niet alle minimahuishoudens in beeld. Het totale aantal minimahuishoudens wordt geschat op 2.627 huishoudens (11,3 procent van alle huishoudens). Bij andere (meer stedelijke) vergelijkbare gemeenten met maximaal 50.000 inwoners ligt dat percentage rond de 7 à 9 procent, het aandeel in de gemeente Vlissingen ligt daar dus boven. De gemeente heeft op de peildatum 948 kinderen tot 18 jaar in beeld die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm.

Het totale aantal kinderen dat opgroeit in een minimagezin met een inkomen tot 110 procent Wsm wordt geschat op 1.045 (14,1 procent van alle kinderen in de gemeente Vlissingen). Het gemiddelde percentage voor gemeenten van gelijke grootte ligt op circa 8 procent, de gemeente Vlissingen zit hier dus boven. Tabel S1. Aantal en aandeel minimahuishoudens en minimakinderen (in beeld en schatting) Minima tot 110% Wsm Huishoudens Kinderen

In beeld o.b.v. registraties 2.407 10,4% 948 12,8%

Schatting totale doelgroep 2.627 11,3% 1.045 14,1%

Kenmerken minima in beeld Inkomensbron. Van de 2.407 huishoudens met een inkomens tot 110 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft, ontvangt de meerderheid (58 procent) een bijstandsuitkering vanuit de Participatiewet. 16 procent heeft een AOW-uitkering en de overige 26 procent heeft een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld loon vanuit werk of een WW-uitkering. Huishoudsamenstelling en plaats. Het grootste aandeel minimahuishoudens is alleenstaand (1.560 huishoudens, 65 procent). Bij de meeste gemeenten ligt het aandeel alleenstaanden gemiddeld rond de 50 procent, gemeente Vlissingen ziet hier dus wat boven.

3

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Langdurige minima. Ruim driekwart van de minimahuishoudens (77 procent) met een inkomen tot 110 procent Wsm leeft al langdurig (drie jaar of langer) van een minimuminkomen. Dit ligt in lijn met het gemiddelde bij veel andere gemeenten (tussen de 70 en 75 procent). Kans op armoede. Sommige doelgroepen moeten vaker rondkomen van een minimuminkomen dan anderen. Eenoudergezinnen3 hebben vaker een minimuminkomen tot 110 procent Wsm dan andere huishoudtypen (26 procent van alle eenoudergezinnen (inclusief eenoudergezinnen met meerderjarige kinderen), tegenover 10 procent gemiddeld in de gemeente).

S2. Minimaregelingen De gemeente Vlissingen biedt verschillende minimaregelingen aan om inwoners met een laag inkomen te ondersteunen en te (laten) participeren. De regelingen hebben veelal een inkomensgrens tot 110 procent Wsm en de regelingen dienen verschillende doelgroepen. Gebruik en bereik minimaregelingen In de onderstaande tabel staat het gebruik en het bereik (afgezet tegen de totale doelgroep) van de verschillende gemeentelijke regelingen weergegeven. Ook staat het gemiddelde bereik weergegeven dat wij bij vergelijkbare gemeenten zien. Het bereik van de meeste regelingen is in lijn met of zit boven het gemiddelde bereik in veel andere (vergelijkbare) gemeenten. Dit geldt met name voor het bereik van de individuele inkomenstoeslag: de gemeente Vlissingen bereikt met deze regeling 73 procent van de doelgroep, terwijl het gangbare bereik tussen de 45 en 50 procent ligt. Alleen het bereik van de collectieve zorgverzekering 4 en de kwijtschelding liggen onder het gemiddelde. Tabel S2. Gebruik en bereik van de minimaregelingen

1.465 huishoudens

64%

Gemiddeld bereik andere gemeenten 70 – 75 %

938 huishoudens 1.078 huishoudens 683 huishoudens 1.580 huishoudens 86 huishoudens 40 huishoudens 685 personen 438 kinderen

36% 73% 26% 53% N.t.b. N.t.b. N.t.b. 37%

25 – 30 % 45 – 50 % 35 – 40 % 35 – 40 % N.t.b. N.t.b. N.t.b. 30 – 35 %

Regeling Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs Participatiebetaling Vrijwilligerspremie Bijdrage chronisch zieken Jeugdfonds Sport & Cultuur

Gebruik

Bereik

S3. Ervaringen ketenpartners Er zijn in totaal drie groepsgesprekken geweest: twee met diverse ketenpartners uit de Walcherse gemeenten en een met de Sociale Cliëntenraad Walcheren. Per gesprek waren er drie tot acht personen aanwezig. Doelgroep De meeste ketenpartners zien een stijging in het aantal aanvragen of aanmeldingen. Dit verschilt echter per organisatie: drie van de organisaties geven bijvoorbeeld aan dit niet terug te zien. Daarnaast wordt de laatste jaren een verschuiving gezien in het soort aanvragen: deze zijn complexer geworden. De kenmerken van de cliënten zijn bovendien divers. Een aantal ketenpartners ziet vaker alleenstaande (gescheiden) vrouwen met kinderen, ouderen of mensen 3 Wanneer gesproken wordt van ‘eenoudergezinnen’ gaat het om eenoudergezinnen waar (in ieder geval)

minderjarige kinderen wonen, tenzij anders aangegeven. 4 Niet alle gebruikers van de collectieve zorgverzekering zijn aangeleverd voor dit onderzoek. De aangeleverde gebruikers zijn gebruikers die bekend zijn via het uitkeringssysteem. De ‘overige minima’ die gebruikmaken van de CZV zijn niet aangeleverd. Het kan dus zijn dat het daadwerkelijke aantal gebruikers hoger ligt.

4

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

met een migratieachtergrond (zowel westers als niet-westers). Sommige ketenpartners zien dat er bij cliënten vaker dan in het verleden sprake is van multiproblematiek. Dit wordt met name gezien bij jongeren, mensen met een GGZ-achtergrond of laaggeletterden. Ervaringen met het minimabeleid van de gemeente Ketenpartners ervaren het aanbod aan minimaregelingen over het algemeen als goed: er zijn voldoende regelingen voor inwoners met een laag inkomen. Het verschil in aanbod tussen de drie gemeenten op het gebied van inkomensgrenzen en aanbod wordt echter door meerdere ketenpartners als verbeterpunt genoemd. Inwoners uit de drie gemeenten hebben nu niet recht op dezelfde regelingen. Qua aanbod geven ketenpartners aan bijvoorbeeld een fietsenregeling, een regeling voor vakanties en aanvullende middelen voor zwemles te missen voor hun doelgroepen. Daarnaast wordt benoemd dat de aanvraagprocedure voor inwoners ingewikkeld kan zijn, met name voor inwoners die digitaal niet vaardig zijn of de taal niet spreken. Ook de vindbaarheid van de gemeente en de gemeentelijke regelingen kan volgens een aantal ketenpartners verbeterd worden. Hierbij wordt aangegeven dat het beter is om als gemeente inwoners zelf op te zoeken door actief te zijn in de wijken.

Samenwerking met de gemeenten en Orionis De samenwerking met de gemeenten wordt door de ketenpartners over het algemeen als positief ervaren, al zit hier verschil in per gemeente. Een paar verbeterpunten die tijdens de gesprekken zijn genoemd zijn het verloop in personeel, het verschil tussen gemeenten (met name in relatie tot Vlissingen) en het doorgeven van veranderingen in beleid. Ook de samenwerking met Orionis wordt over het algemeen als positief ervaren. Hierbij wordt wel opgemerkt dat er binnen Orionis relatief weinig fte beschikbaar is voor de hoeveelheid werk die er ligt. Ook de doorverwijzing van en naar Orionis wordt als aandachtspunt benoemd. Ook wordt opgemerkt dat er positieve veranderingen hebben plaatsgevonden in de afgelopen jaren op het gebied van de dienstverlening en contact met de klant. Het sociale veld De ketenpartners werken onderling ook goed samen: ze weten elkaar over het algemeen goed te vinden. Tijdens het gesprek werden een aantal verbeterpunten benoemd. Een van de ketenpartners geeft bijvoorbeeld aan dat de bekendheid van de sociale organisaties altijd een punt van aandacht blijft, zowel tegenover de inwoners als onder elkaar. Daarnaast benoemt men de behoefte aan meer onderlinge verbinding in de vorm van regelmatige bijeenkomsten of ontmoetingen. Hierin wordt een coördinator of overkoepelende organisatie gemist.

Er wordt aangegeven dat deze rol wellicht vervuld kan worden door de gemeente(n). Ook de onderlinge doorverwijzing en het gebrek aan capaciteit/mankracht binnen de organisaties worden als aandachtspunten genoemd. Tijdens de gesprekken is daarnaast door een enkele organisatie opgemerkt dat het sociale veld in Walcheren groot (en wellicht overcompleet) is. Overige opmerkingen De organisaties kregen aan het einde van de gesprekken de gelegenheid om nog opmerkingen of tips te delen die nog niet ter sprake waren gekomen. Hier een paar voorbeelden van wat is genoemd: • Het belang van preventie wordt benoemd; • Er zou meer aandacht moeten worden geschonken aan het wegnemen van schaamte bij de inwoner; • Eenzaamheid is een belangrijk thema, armoede en eenzaamheid werken elkaar namelijk in de hand;

5

Gemeente Vlissingen

• •

Versie 1.0

De verschillen in regelingen en inkomensgrenzen per gemeente zijn een aandachtspunt; De gemeente zou kleine stichtingen of organisaties kunnen steunen bij grote veranderingen rondom de wetgeving.

S4. Ervaringen doelgroep De ervaringen van de doelgroep zijn middels een enquête uitgevraagd. Minimaregelingen De meeste regelingen zijn bekend onder de doelgroep. Bovendien geven veel inwoners aan hier ook gebruik van te maken. Dit komt overeen met het beeld uit de Armoedemonitor. Qua volwassenenregelingen is de meerderheid bekend met het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs, de energietoeslag en de kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Dit zijn tevens de meest gebruikte regelingen onder de doelgroep. De meest gebruikte én meest bekende regeling voor kinderen is het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs; 87 procent is bekend met deze regeling en driekwart maakt er ook daadwerkelijk gebruik van. Wat betreft de externe organisaties zijn de Voedselbank en de Kledingbank het meest bekend binnen de gemeente. Orionis is het meest gebruikte informatiekanaal van de bevraagde inwoners; via deze partij krijgen zij informatie over het minimabeleid van de gemeente. Toen aan de inwoners werd gevraagd waarom zij van bepaalde regelingen geen gebruikmaken gaf een derde aan de regelingen niet te kennen. Hoewel de regelingen dus bekend zijn onder een groot aandeel van de doelgroep, is nog steeds een deel van de respondenten dat onbekend is met de regelingen.

Geld Ruim vier op de tien respondenten kan iedere maand rondkomen, de overige respondenten kunnen dit (soms) niet. De ruime meerderheid (84 procent) heeft (soms) zorgen over geld. Gemiddeld zien we in vergelijkbare gemeenten dat dit aandeel tussen 70 en 75 procent ligt. Respondenten kunnen daarnaast bepaalde uitgaven niet altijd betalen: de meesten hebben (soms) te weinig geld om leuke dingen te doen (81 procent) of om hun vervoer te betalen (75 procent). Ook ervaren meerdere gezinnen financiële drempels: 74 procent geeft aan niet (altijd) schoolspullen te kunnen kopen voor hun kinderen. Van de ouders die aangeven dat dit vaak voorkomt is de helft bekend met Stichting Leergeld, maar maakt hier geen gebruik van.

Meedoen Respondenten die aangeven meer mee te willen doen aan activiteiten in de samenleving zouden met name willen sporten of vrijwilligerswerk willen doen. Respondenten die aangeven dit niet te willen benoemen dat zij dit niet kunnen wegens gezondheidsredenen of geven aan dat zij dit soort activiteiten al ondernemen. Daarnaast geeft 89 procent aan dat zijn financiële situatie (een beetje) invloed heeft op zijn vermogen om mee te kunnen doen aan de samenleving. Energie Twee derde van de respondenten betaalt tussen de 0 en 200 euro aan energiekosten per maand. Driekwart woont in een huurhuis van de woningcorporatie. Een enkeling (4 procent) woont in een koophuis. 6

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Zorgkosten Aan de respondenten is gevraagd of zij wel eens zorg mislopen omdat dit te duur is. Bij 62 procent komt dit (soms) voor. Vervolgens is gepeild hoeveel respondenten gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering. Ruim de helft (55 procent) van de respondenten geeft aan hier gebruik van te maken. Respondenten die geen gebruik maken van de collectieve zorgverzekering geven als reden dat zij blij zijn met hun huidige verzekering (26 procent) of dat de verzekering te duur is (13 procent). Ruim een kwart wil gebruik (blijven) maken van de collectieve zorgverzekering, bijvoorbeeld omdat dit een goede verzekering is of omdat deze volgens hen voordelig is. Een tiende zou in plaats hiervan liever hulp willen krijgen bij het vinden van de juiste verzekering.

7

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Conclusies en aanbevelingen Op basis van de onderzoeksresultaten is een aantal conclusies te formuleren. In dit hoofdstuk zijn deze per thema uiteengezet met bijbehorende aanbevelingen.

C1. Doelgroep In de gemeente Vlissingen leven relatief veel inwoners in armoede: ruim één op de tien huishoudens in de gemeente is een minimahuishouden. Dit is hoger dan wat we gemiddeld bij andere vergelijkbare (meer stedelijke) gemeenten met maximaal 50.000 inwoners zien (tussen de 6 á 7 procent). Dit wordt ook door de ketenpartners erkent: in hun ervaring speelt er meer problematiek onder de inwoners van de gemeente Vlissingen dan bij de andere Walcherse gemeenten. Uit de behoeftepeiling blijkt daarnaast dat een groot deel van de doelgroep maandelijks niet kan rondkomen of geldzorgen heeft. Kortom, armoede is een relevant thema binnen de gemeente Vlissingen. Als we kijken naar de kenmerken van de doelgroep dan zien we dat verhoudingsgewijs veel huishoudens een uitkering hebben vanuit de Participatiewet. Ook is ruim driekwart van de doelgroep al langdurig minima. De ervaring leert dat het voor deze groep lastiger is om uit te stromen dan voor nieuwe minima. Voor de gemeente ligt daarom de opgave om deze huishoudens zoveel mogelijk te (blijven) betrekken bij de maatschappij, zodat deze niet in sociaal isolement terechtkomen. Als we verder kijken naar de kenmerken van de doelgroep dan is te zien dat deze met name bestaat uit alleenstaanden en eenoudergezinnen.

Het aandeel alleenstaanden ligt in de gemeente Vlissingen (65 procent) hoger dan we gemiddeld bij vergelijkbare gemeenten zien (circa 50 procent). Ook is de minimapopulatie geconcentreerd in de woonplaats Vlissingen. Vanwege de energietoeslag zijn er inwoners met een laag inkomen in beeld gekomen die voorheen niet bekend waren bij de gemeente. Voor de energietoeslag gelden andere inkomensnormen, waardoor gebruikers hiervan wellicht niet altijd recht hebben op andere regelingen. Het kan echter wel zo zijn dat deze groep behoefte heeft aan ondersteuning. Het kan daarom goed zijn om een nadere blik te werpen op deze groep en te kijken waar hun behoefte ligt. Ook het aantal kinderen dat opgroeit in een minimagezin ligt hoger in de gemeente Vlissingen dan gemiddeld. Op basis van de Armoede Index schatten wij dat 14,1 procent van alle kinderen in de gemeente Vlissingen opgroeit in een minimagezin. Gemiddeld zien wij bij vergelijkbare gemeenten dat dit aandeel rond de 8 à 9 procent ligt. Ook hier valt op dat het om relatief veel kinderen uit eenoudergezinnen gaat. Daarnaast groeit het merendeel op in Vlissingen.

Aanbeveling 1 Neem de minimadoelgroep onder de loep en kijk waar inwoners op de participatieladder staan. Maak hierbij – waar mogelijk - onderscheid tussen de langdurige minima die minder kans hebben om nog uit te stromen en de meer kortdurende minima die meer mogelijkheden hebben om uit te stromen. Probeer de langdurige minima zoveel mogelijk te betrekken bij de maatschappij, bijvoorbeeld in de vorm van vrijwilligerswerk.

Aanbeveling 2 Betrek diverse beleidsterreinen en ketenpartners bij de uitvoering van het beleid en probeer dit gemeentebreed in te bedden. Schenk hierbij – waar mogelijk – aandacht aan specifieke (kwetsbare) doelgroepen, zoals eenoudergezinnen of alleenstaanden.

8

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Aanbeveling 3 Probeer de doelgroep die in beeld is gekomen door de energietoeslag te betrekken en te kijken of zij aanvullende ondersteuning nodig hebben.

C2. Beleid Het ondersteuningspakket voor inwoners met een laag inkomen is in de gemeente Vlissingen soberder dan in de andere Walcherse gemeenten. De inkomensgrenzen zijn bijvoorbeeld minder ruim (doorgaans rond de 110 procent Wsm) en het aanbod is minder breed. Dit punt is ook benoemd in de gesprekken met de ketenpartners. Uit zowel de groepsgesprekken als de behoeftepeiling blijkt daarnaast dat de verschillen tussen de drie gemeenten als lastig worden ervaren. Inwoners in de gemeente Vlissingen hebben niet recht op dezelfde regelingen als ze in Middelburg of Veere zouden hebben, vanwege bijvoorbeeld de lagere inkomensgrenzen. Een punt dat daarnaast in de behoeftepeiling meermaals naar voren is gekomen is de behoefte aan een OV-pas, zoals ook in Middelburg is ingevoerd. Uit zowel de behoeftepeiling als de Armoedemonitor blijkt dat de regelingen bekend zijn onder de doelgroep en dat deze ook veel worden gebruikt. Opvallend is het bereik van de bijzondere bijstand. Een hoog bereik bij deze regeling is niet per definitie een goed teken: de regeling is namelijk bedoeld voor noodzakelijke, incidentele uitgaven. Dit kan erop wijzen dat de bijdragen van andere regelingen niet volstaan. Een ander punt van aandacht is de collectieve zorgverzekering.

Niet alleen is het bereik van deze regeling lager, uit de behoeftepeiling blijkt ook dat 62 procent van de doelgroep zorg mijdt wegens financiële redenen. Onder deze inwoners vallen ook gebruikers van de collectieve zorgverzekering. Het grootste aandeel (40 procent) geeft aan goed verzekerd te zijn, maar voor een deel geldt dat hij onder- of oververzekerd is. Ook hier geldt dat de gemeente Vlissingen afwijkt van de andere gemeenten: in Vlissingen worden twee pakketten aangeboden terwijl Middelburg en Veere drie aanbieden.

Aanbeveling 4 Onderzoek wat de gevolgen zijn van het verhogen van de inkomensgrenzen voor de minimaregelingen naar bijvoorbeeld 120 of 130 procent Wsm en overweeg deze wijziging door te voeren.

Aanbeveling 5 Werp een kritische blik op de collectieve zorgverzekering en kijk hierbij of de pakketten aansluiten bij de zorgbehoefte van de doelgroep. Probeer daarnaast de inwoners te ondersteunen bij het vinden van het juiste pakket zodat zij niet onder- of oververzekerd zijn. Dit kan voor de ene inwoner een uitgebreid pakket betekenen (bijvoorbeeld via de collectieve zorgverzekering) terwijl de andere inwoner juist meer gebaat is bij een goedkoper pakket (wellicht via een reguliere verzekering).

Aanbeveling 6 Probeer als Walcherse gemeenten waar mogelijk het aanbod aan inkomensondersteunende regelingen op elkaar af te stemmen.

9

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Aanbeveling 7 Onderzoek de mogelijkheid om, zoals de gemeente Middelburg, een vervoerspas voor minima in te voeren, zodat vervoerskosten geen belemmering hoeven te zijn om mee te doen.

Kinderen Inwoners met kinderen kunnen gebruikmaken van diverse regelingen op het gebied van participatie. Op het gebied van sport kunnen zij bijvoorbeeld gebruikmaken van zowel het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs als het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Daarnaast biedt stichting Leergeld ook ondersteuning op dit gebied. Er bestaat dus een kans dat er overlap zit in het aanbod voor kinderen. Dit kan bovendien zorgen voor versnippering: wellicht maken ouders gebruik van het Jeugdfonds voor contributiekosten maar gebruiken zij het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs voor bijvoorbeeld attributen. Daarentegen blijkt uit de behoeftepeiling dat ruim een derde van de ouders niet voldoende geld heeft om sportattributen, zoals kleding, te kopen voor hun kinderen. Ook geeft een vijfde aan dat zijn kind geen lid kan worden van een (sport)vereniging wegens financiële belemmeringen. Hieronder vallen ook inwoners die gebruikmaken van de sportregelingen. Dit lijkt erop te duiden dat, ondanks het brede aanbod op het gebied van sport, de bijdragen niet volstaan.

Aanbeveling 8 Onderzoek of er mogelijke dubbelingen zitten in het aanbod voor kinderen en probeer hierbij het aanbod op elkaar af te stemmen. Let er hierbij op dat het aanbod niet teveel wordt versnipperd en dat inwoners weten waar ze terecht kunnen met hun specifieke ondersteuningsbehoefte.

Aanbeveling 9 Onderzoek of de huidige bijdrage van het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs het gewenste effect heeft en blijft de regeling onder de aandacht brengen.

Informatievoorziening en communicatie Hoewel het bereik van de meeste regelingen hoog is, blijkt uit de behoeftepeiling dat onbekendheid van de regelingen de voornaamste reden is voor het niet-gebruiken hiervan. Ondanks het hoge bereik en de bekendheid van de regelingen is er dus nog steeds een aandeel dat niet op de hoogte is van alle regelingen. Inwoners uiten in de tips en opmerkingen de behoefte aan meer informatie over de regelingen. Daarnaast wordt het belang van goede communicatie benadrukt tijdens de gesprekken met de ketenpartners. Kortom, hoewel de gemeente Vlissingen qua bereik het goed doet is het essentieel dat er ingezet blijft worden op (duidelijke) communicatie. Uit de behoeftepeiling blijkt dat de meeste inwoners via Orionis informatie krijgen over het minimabeleid. Een ander veelgebruikt informatiekanaal is het eigen sociale netwerk; bijna een kwart geeft aan informatie te hebben gekregen over het minimabeleid via familie of vrienden. Het is daarom van belang dat er diverse informatiekanalen worden ingezet zodat inwoners elkaar op de regelingen kunnen (blijven) wijzen.

10

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Aanbeveling 10 Zorg voor een duidelijk en begrijpelijk overzicht van de beschikbare regelingen en ondersteuning binnen de gemeente en breng dit onder de aandacht van de doelgroep. Maak hierbij gebruik van diverse kanalen, zowel digitaal (zoals de website of sociale media) als fysiek (zoals de krant of een buurtfolder).

Aanbeveling 11 Maak binnen de communicatie gebruik van de diverse ketenpartners binnen de gemeente. Zorg ervoor dat deze partners goed op de hoogte zijn van de ondersteuning binnen de gemeente.

C3. Meedoen en rondkomen Uit de resultaten van de behoeftepeiling blijkt dat niet alle inwoners kunnen rondkomen of mee kunnen doen in de samenleving. Ruim de helft van de respondenten geeft aan (soms) niet te kunnen rondkomen en de meerderheid maakt zich (soms) zorgen over zijn of haar financiële situatie. Daarnaast kunnen inwoners niet altijd leuke dingen doen wegens financiële redenen. Dit geldt voor zowel volwassenen als kinderen. Inwoners hebben dus niet altijd ruimte om de zinnen te verzetten of ontspanning op te zoeken. Diverse onderzoeken hebben in het verleden aangetoond dat geldzorgen een nadelige invloed kunnen hebben op diverse aspecten, zoals het dagelijks functioneren of de gezondheid (zowel fysiek als mentaal). Toen aan de respondenten werd gevraagd of zij meer mee zouden willen doen gaf een aanzienlijk aantal aan dit niet te willen wegens gezondheidsredenen. Hierin ligt voor de gemeente de opgave: hoe kan ervoor gezorgd worden dat inwoners kunnen (blijven) participeren? Uit de resultaten van de behoeftepeiling blijkt dat voor inwoners de grootste belemmering om mee te doen geld is. Wellicht kan dit te maken hebben met extra kosten die komen kijken bij uitstapjes of bij sport, zoals reiskosten. In de tips en opmerkingen van de behoeftepeiling gaf het grootste aandeel respondenten aan behoefte te hebben aan aanvullende ondersteuning.

Sommigen gaven aan behoefte te hebben aan meer financiële ondersteuning, terwijl anderen aangaven juist hulp te willen bij het zoeken naar werk of een opleiding.

Aanbeveling 11 Onderzoek hoe de doelgroep gestimuleerd kan worden om te participeren binnen de samenleving. Werp hierbij een kritische blik op de huidige minimaregelingen en kijk waar eventueel de bijdrage verruimd kan worden. Kijk daarnaast of er vanuit de gemeente of een van de ketenpartners laagdrempelige ondersteuning kan worden geboden bij het zoeken naar werk of een opleiding en maak dit ook kenbaar bij de doelgroep.

Aanbeveling 12 Onderzoek hoe de belemmeringen om mee te doen, zoals vervoerskosten, voor inwoners kunnen worden weggenomen.

11

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

C4. Sociaal veld De resultaten uit de groepsgesprekken met de ketenpartners scheppen en positief beeld wat betreft de samenwerking met de gemeente/Orionis en de onderlinge samenwerking van de ketenpartners. Tegelijkertijd is er een breed aanbod in het sociale veld binnen de gemeente. Daarom is het zaak om, voor zowel de inwoners als de ketenpartners onderling, hier overzicht in te bewaren. Vanuit de ketenpartners is de wens geuit voor meer onderlinge verbinding, zodat men elkaar goed weet te vinden. Hierin mist een coördinerende partij, die de ketenpartners periodiek kan samenbrengen.

Aanbeveling 13 Maak een overzicht met de actieve ketenpartners binnen de gemeente en de ondersteuning die zij bieden zodat inwoners deze goed kunnen vinden. Werk dit overzicht ook periodiek bij zodat deze up-to-date blijft.

Aanbeveling 14 Neem als gemeente een coördinerende rol aan binnen het sociale veld en onderzoek manieren om ketenpartners met elkaar in verbinding te brengen. Vraag hierbij aan de ketenpartners waar precies de behoefte ligt.

12

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

1. Minimapopulatie De gemeente Vlissingen hanteert voor het minimabeleid een bovengrens van 110 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Daarom wordt er in dit onderzoek op deze inkomensgrens gerapporteerd. In dit hoofdstuk beschrijven we de omvang en kenmerken van de minimapopulatie.

1.1. Aantal minimahuishoudens In beeld. Op basis van de voor dit onderzoek aangeleverde gegevens heeft de gemeente Vlissingen op 1 september 2023 2.407 huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm in beeld. Dit is 10,4 procent van alle 23.181 huishoudens in de gemeente Vlissingen. Deze huishoudens zijn in beeld omdat ze gebruikmaken van een minimaregeling en/of omdat ze een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangen. Als we kijken naar de doelgroep met een inkomen tot 110 procent Wsm in de analyseperiode, dan zien we dat zowel het aantal als het aandeel huishoudens is gedaald ten opzichte van het eerdere onderzoek. In 2016 waren er 2.775 huishoudens (12,5 procent) met een inkomen tot 110 procent Wsm in beeld, in de analyseperiode is dit aantal gedaald naar 2.407 (10,4 procent). Schatting. Niet alle huishoudens die in aanmerking komen voor gemeentelijke ondersteuning maken hier ook daadwerkelijk gebruik van. Daarom zijn niet alle huishoudens met een minimuminkomen in beeld bij de gemeente; ze maken immers geen gebruik van een bijstandsuitkering en/of minimaregeling. Op basis van de Armoede Index wordt het totale aantal huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm en een vermogen binnen de grenzen van de Participatiewet geschat op 2.627 huishoudens (11,3 procent van alle huishoudens) op 1 september 2023.

Bij vergelijkbare gemeenten ligt dit aandeel gemiddeld rond de 6 à 7 procent; het percentage minimahuishoudens in de gemeente Vlissingen ligt dus boven het gemiddelde. Tabel 1.1.1 Huishoudens naar inkomen in Vlissingen (cumulatief) Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm

In beeld 2016 2.474 11,2% 2.775 12,5%

In beeld 2023 2.062 8,9% 2.407 10,4%

Schatting 2023 2.307 10,0% 2.627 11,3%

Overig Totaal

19.379 22.154

20.774 23.181

20.554 23.181

87,5% 100%

89,6% 100%

88,7% 100%

Vergelijking inkomensbron doelgroep tot 100 procent Wsm, 2016-2023 in beeld In 2016 waren er 1.777 huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm die als voornaamste inkomensbron een uitkering vanuit de Participatiewet hadden. Als we dit vergelijken met de cijfers van 2023 dan zien we dat zowel het aantal als het aandeel minimahuishoudens met een inkomen vanuit de Participatiewet is gedaald, net zoals in de rest van het land. Het aantal minimahuishoudens met een AOW-uitkering of een andersoortig inkomen is ten opzichte van 2016 toegenomen. Tabel 1.1.2 Inkomensbron minima 2016 en 2023, tot 100% Wsm Inkomensbron Participatiewet5 AOW Ander inkomen Totaal

1.777 316 381 2.474

2016 72% 13% 15% 100%

5

1.407 322 333 2.062

2023 68% 16% 16% 100%

Onder deze categorie vallen bijstandsuitkeringen, IOAW-uitkeringen en IOAZ-uitkeringen. AIOaanvullingen vallen onder de categorie ‘AOW’.

13

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

1.2. Kenmerken minimahuishoudens tot 110 procent Wsm in beeld Verdeling naar inkomensbronnen Inkomensbron. Ruim de helft van de huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm krijgt een uitkering vanuit de Participatiewet. Verder ontvangt 16 procent aan AOW-uitkering6. De overige 26 procent krijgt een inkomen vanuit een overige inkomensbron, zoals een WW-uitkering of werk. Bij andere gemeenten zien we dat het aandeel minima met een uitkering vanuit de Participatiewet gemiddeld tussen de 45 en 55 procent ligt. De gemeente Vlissingen zit hier dus iets boven. Daarnaast heeft gemiddeld 20 tot 30 procent een AOW-uitkering, afhankelijk van het aantal ouderen in de gemeente. Dit aandeel ligt in Vlissingen lager. Tabel 1.2.1 Inkomensbron minima, inkomen tot 110% Wsm Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal

1.407 384 616 2.407

58% 16% 26% 100%

Verdeling naar overige kenmerken In tabel 1.2.2 staan de kenmerken van de huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm weergegeven. We vergelijken de minimapopulatie met alle huishoudens in de gemeente om zo per kenmerk het aandeel minima te kunnen weergeven (in de kolom ‘Aandeel minima t.o.v. alle huish.). Huishoudtype. Het grootste aandeel minimahuishoudens is alleenstaand (1.560 huishoudens, 65 procent). Bij de meeste gemeenten ligt het aandeel alleenstaanden gemiddeld rond de 50 procent, gemeente Vlissingen ziet hier dus wat boven. Als we kijken naar de huishoudverdeling van de gemeente Vlissingen in bijlage 3, dan is te zien dat in verhouding het aandeel alleenstaanden in de gemeente Vlissingen wat hoger ligt (namelijk op 45 procent). Dit kan het grotere aandeel alleenstaande minima wellicht verklaren. Een kwart (26 procent) van de minimahuishoudens bestaat uit huishoudens met kinderen. Woonplaats. De overgrote meerderheid van de minimahuishoudens woont in Vlissingen (2.108 huishoudens, 88 procent). Dit is tevens de grootste woonplaats in de gemeente, het is daarom logisch dat het aantal en het aandeel minimahuishoudens hier hoger ligt. Daarnaast woont 12 procent in Oost-Souburg. Ritthem heeft een kleinere minimapopulatie, de minimahuishoudens uit deze woonplaats zijn daarom wegens privacy redenen toegevoegd aan de categorie ‘Vlissingen’.

De kenmerken van de minimahuishoudens worden op de volgende pagina weergegeven.

6 Inwoners met een AIO-aanvulling vallen onder de categorie “AOW-uitkering”. Van de 384

minimahuishoudens met een AOW-uitkeringen, ontvangen 161 huishoudens een AIO-aanvulling.

14

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Tabel 1.1.3 Kenmerken minima, inkomen tot 110% Wsm Aandeel Categorie

minima t.o.v. alle huish.

Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin7 Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoonshuishouden zonder kinderen Meerpersoonshuishouden met kinderen Meerpersoonshuishouden met meerderjarige kinderen Totaal

1.560 333 106 212 167

65% 14% 4% 9% 7%

15% 31% 16% 3% 5%

29

1%

2%

2.407

100%

10%

Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal

192 691 1.126 398 2.407

8% 29% 47% 16% 100%

15% 13% 13% 5% 10%

Woonplaats Oost-Souburg Vlissingen8 Totaal

299 2.108 2.407

12% 88% 100%

6% 12% 10%

* Leeswijzer: van de 2.407 minimahuishoudens is 65 procent (1.560 huishoudens) alleenstaand. Afgezet tegen alle alleenstaande huishoudens in de gemeente laat de laatste kolom zien dat 15 procent daarvan een minimuminkomen heeft.

Kenmerken geschatte doelgroep De verdeling in huishoudtypen van de geschatte doelgroep uit de Armoede Index komt overeen met die van de doelgroep die de gemeente in beeld heeft. De meerderheid (66 procent) is alleenstaand, 16 procent van deze groep bestaat uit eenoudergezinnen. Qua inkomensbron schatten wij dat ruim de helft (54 procent) van de doelgroep een uitkering vanuit de Participatiewet heeft. Dit komt overeen met het aandeel binnen de doelgroep die de gemeente in beeld heeft (58 procent). Het aandeel AOW-gerechtigden schatten wij daarentegen hoger: namelijk op 25 procent (tegenover 16 procent die de gemeente in beeld heeft). Dit komt omdat de gemeente de huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet allemaal in beeld heeft. De gemeente heeft de huishoudens met een overig inkomen dan wel met een AOW-uitkering niet allemaal in beeld. Zij maken over het algemeen minder vaak gebruik van de minimaregelingen. Minimahuishoudens ten opzichte van alle huishoudens: wat valt op? Kans op armoede. Eenoudergezinnen hebben vaker een minimuminkomen dan andere huishoudtypen, te weten 29 procent van alle eenoudergezinnen, tegenover het gemeentelijk gemiddelde van 10 procent. Het aandeel minimahuishoudens ligt bij meerpersoonsgezinnen lager, namelijk op 4 procent.

7 Wanneer gesproken wordt van ‘eenoudergezinnen’ gaat het om eenoudergezinnen waar (in ieder geval)

minderjarige kinderen wonen, tenzij anders aangegeven. 8 De minimahuishoudens uit Ritthem zijn wegens privacy redenen toegevoegd aan deze categorie.

15

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Figuur 1.2.1. Aandeel minimahuishoudens t.o.v. alle huishoudens

Meerpersoonsgezinnen 4%

Eenoudergezinnen

196 van alle 4.444 meerpersoonsgezinnen

26%

439 van alle 1.716 eenoudergezinnen

1.3. Langdurige minima Langdurige minima op 100 en 110 procent Wsm De meerderheid van de huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft (1.646 huishoudens, 80 procent), leeft al langer van een minimuminkomen. Bij de huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm ligt dit aandeel wat lager, namelijk op 77 procent (1.855 huishoudens). Gemiddeld zien we bij andere gemeenten dat het aandeel rond de 75 procent ligt. Het aandeel in de gemeente Vlissingen komt dus ongeveer overeen met wat we gemiddeld bij andere gemeenten zien. Tabel 1.3.1 Langdurige minima op 100% en 110% Wsm Duur op minimuminkomen 0 tot 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal

Tot 100% Wsm 146 7% 270 13% 1.646 80% 2.062 100%

100 tot 110% Wsm 58 17% 78 23% 209 60% 345 100%

Tot 110% Wsm, totaal 204 8% 348 15% 1.855 77% 2.407 100%

Kenmerken langdurige minima tot 110 procent Wsm Als we kijken naar de kenmerken van de 1.855 huishoudens met een langdurig inkomen tot 110 procent Wsm, dan zien we dat de meerderheid (62 procent) een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangt. Daarnaast bestaat de langdurige minimapopulatie voor 65 procent uit alleenstaanden en voor 18 procent uit eenoudergezinnen. Bijna driekwart (72 procent) is 45 jaar of ouder. Ten opzichte van alle minimahuishoudens hebben de huishoudens met een AOW-uitkering in verhouding het vaakst langdurig een inkomen tot 110 procent Wsm (96 procent). Dit is ook terug te zien in de leeftijdsverdeling: de groep minimahuishoudens van 67 jaar of ouder leeft vaker langdurig van een minimuminkomen dan andere leeftijdsgroepen (96 procent). Over het algemeen hebben zij ook geen zicht meer op een inkomensverbetering. Dit houdt in dat wanneer inwoners met een minimuminkomen de AOW-leeftijd bereiken, dit naar alle waarschijnlijkheid niet meer zal veranderen. Verder moeten alleenstaanden (77 procent) en eenoudergezinnen met meerderjarige kinderen (81 procent) in verhouding vaker langdurig rondkomen van een minimuminkomen dan andere huishoudtypen. De kenmerken van de langdurige minima zijn op de volgende pagina te vinden.

16

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Tabel 1.3.2 Kenmerken langdurige minima, inkomen tot 110% Wsm Aandeel langdurige minima t.o.v. alle Categorie Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal

minima 1.144 370 341 1.855

62% 20% 18% 100%

81% 96% 55% 77%

1.205 253 86 169 121

65% 14% 5% 9% 6%

77% 76% 81% 80% 72%

21 1.855

1% 100%

72% 77%

Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal

42 477 953 383 1.855

2% 26% 51% 21% 100%

22% 69% 85% 96% 77%

Woonplaats Oost-Souburg Vlissingen Totaal

246 1.609 1.855

13% 87% 100%

82% 76% 77%

Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoonshuishouden zonder kinderen Meerpersoonshuishouden met kinderen Meerpersoonshuishouden met meerderjarige kinderen Totaal

* Leeswijzer: van de 1.855 huishoudens met een langdurig laag inkomen heeft 62 procent (1.144 huishoudens) een bijstandsuitkering. Afgezet tegen alle huishoudens met een bijstandsuitkering laat de laatste kolom zien dat 81 procent daarvan al drie jaar of langer een minimuminkomen heeft. Onder huishoudens met een AOW-uitkering is dat zelfs 96 procent. En onder alle alleenstaanden met een minimuminkomen (1.560 huishoudens) is 77 procent al drie jaar of langer afhankelijk van een minimuminkomen.

1.4. Kenmerken huishoudens tot 120 procent Wsm De inkomensgrenzen van de minimaregelingen in de gemeente Vlissingen gaan niet hoger dan 110 procent Wsm, met als uitzondering het Jeugdfonds Sport & Cultuur. De inkomensgrens van deze regeling ligt op 120 procent Wsm. Om een zo goed mogelijk beeld te geven van de doelgroep die bij de gemeente in beeld is staan in dit rapport de cijfers weergegeven van de doelgroep tot 110 procent. Met de aangeleverde gegevens kunnen we ook de kenmerken van de doelgroep tot 120 procent weergeven die in beeld is via het Jeugdfonds. In tabel 1.4.1 staan de kenmerken van deze totale doelgroep weergegeven. De meeste minimahuishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm zijn alleenstaand (62 procent, 1.602 huishoudens). De overgrote meerderheid woont daarnaast in Vlissingen (87 procent).

17

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Tabel 1.4.1 Kenmerken minima, inkomen tot 120% Wsm Aandeel minima t.o.v. Categorie Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoonshuishouden zonder kinderen Meerpersoonshuishouden met kinderen Meerpersoonshuishouden met meerderjarige kinderen Totaal

alle huish. 1.602 385 115 224 243

62% 15% 4% 9% 9%

15% 36% 18% 3% 7%

32 2.601

1% 100%

3% 11%

Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal

198 799 1.195 409 2.601

7% 31% 46% 16% 100%

15% 15% 14% 5% 11%

Woonplaats Oost-Souburg Vlissingen Totaal

346 2.255 2.601

13% 87% 100%

7% 12% 11%

* Leeswijzer: van de 2.601 minimahuishoudens is 62 procent (1.602 huishoudens) alleenstaand. Afgezet tegen alle alleenstaande huishoudens in de gemeente laat de laatste kolom zien dat 15 procent daarvan een minimuminkomen heeft.

18

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

2. Minimakinderen tot 18 jaar In dit hoofdstuk komt het aantal kinderen tussen 0 en 18 jaar aan bod dat opgroeit in een minimahuishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm.

2.1. De gemeente heeft 948 minimakinderen tot 18 jaar in beeld In beeld. Op 1 september 2023 heeft de gemeente Vlissingen 948 kinderen tot 18 jaar in beeld die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm. Dat is 12,8 procent van alle kinderen in de gemeente Vlissingen. Van de 948 kinderen die opgroeien in een minimahuishouden, groeien 815 kinderen op in een huishouden met een inkomen tot 100 procent Wsm. Dit is 11 procent van alle kinderen. In 2016 waren er 1.134 kinderen in beeld die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm (14,3 procent)9. Tussen 2016 en 2023 is zowel het aantal als het aandeel minimakinderen gedaald. Schatting. Net als bij het aantal minimahuishoudens geldt dat de gemeente Vlissingen niet alle minimakinderen in beeld heeft. Op basis van de Armoede Index schatten we het totale aantal minimakinderen dat woont in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm op 1.045 kinderen (14,1 procent van alle kinderen). In gemeenten van vergelijkbare grootte ligt het aandeel kinderen op circa 8 à 9 procent. Het aandeel minimakinderen in de gemeente Vlissingen ligt dus hoger dan gemiddeld. Tabel 2.1.1 Aantal kinderen in (minima)huishoudens (cumulatief) Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm

In beeld 2016 1.134 14,3%

Overig Totaal

6.823 7.957

85,7% 100%

In beeld 2023 815 11,0% 948 12,8% 6.487 7.435

87,2% 100%

Schatting 2023 855 11,5% 1.045 14,1% 6.390 7.435

85,9% 100%

2.2. Kenmerken minimakinderen in beeld In dit hoofdstuk geven we de kenmerken weer van de 948 minimakinderen die opgroeien in een huishouden met een inkomen op 110 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft. Verdeling naar inkomensbronnen Inkomensbron. Ruim twee derde van de minimakinderen groeit op in een huishouden met een uitkering vanuit de Participatiewet. De overige 32 procent groeit op in een huishouden met een andersoortig inkomen (zoals een WW-uitkering of werk). Vaak ligt het aandeel minima met een andersoortig inkomen nog iets hoger dan in Vlissingen het geval is. Tabel 2.2.1 Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens, inkomen tot 110% Wsm Inkomensbron Participatiewet Ander inkomen10 Totaal

647 301 948

2023 68% 32% 100%

Verdeling naar overige kenmerken In de volgende tabel staat een aantal kenmerken van kinderen tot 18 jaar die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm. We vergelijken de minimakinderen met alle 9 In 2016 is niet gerapporteerd op het aantal minimakinderen op 100 procent Wsm. 10 De kinderen die opgroeien in een huishouden met een AOW-uitkering als voornaamste inkomensbron

zijn wegens privacy redenen opgeteld bij de kinderen die opgroeien in een huishouden met een overig inkomen.

19

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

kinderen in de gemeente om zo per kenmerk het aandeel minimakinderen te kunnen weergeven (in de kolom ‘Aandeel minima t.o.v. alle kinderen’). Overige kenmerken. Het merendeel van de minimakinderen groeit op in een eenoudergezin (584 kinderen, 62 procent). 38 procent woont in een meerpersoonshuishouden. Bij veel gemeenten is dat ongeveer 50 procent. Verder zien we dat de meerderheid in de plaats Vlissingen woont (804 kinderen, 85 procent). Zoals genoemd in het hoofdstuk over de minimahuishoudens is dit ook de grootste woonplaats binnen de gemeente. Tabel 2.2.2 Kenmerken minimakinderen, inkomen tot 110% Wsm Aandeel minima Categorie Huishoudtype Eenoudergezin Meerpersoonshuishouden Totaal

t.o.v. alle kinderen 584 364 948

62% 38% 100%

36% 6% 13%

Leeftijdscategorie Tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar Totaal

150 444 354 948

16% 47% 37% 100%

11% 14% 13% 13%

Woonplaats Oost-Souburg Vlissingen Totaal

144 804 948

15% 85% 100%

8% 15% 13%

Minimakinderen ten opzichte van alle kinderen: wat valt op? Kans op armoede. Sommige kinderen hebben meer kans om op te groeien in armoede dan andere kinderen. In de gemeente Vlissingen groeien kinderen in een eenoudergezin vaker op in armoede dan kinderen uit een tweeoudergezin (36 procent tegenover 6 procent). Landelijk zien we ook dat kinderen in een eenoudergezin vaker in een minimahuishouden opgroeien dan kinderen in een tweeoudergezin, al verschillen de precieze verhoudingen per gemeente. Figuur 2.2.1. Aandeel huishoudens minimakinderen t.o.v alle kinderen

Eenouder gezin

Meerpersoonshuishouden

584 van alle 1.638 kinderen in een eenoudergezin

36%

6%

364 van alle 5.790 kinderen in een tweeoudergezin

2.3. Kenmerken minimakinderen tot 120 procent Wsm In tabel 2.3.1 staan de kenmerken weergegeven van de minimakinderen uit een gezin met een inkomen tot 120 procent Wsm. Deze minimakinderen zijn in beeld via de gegevens van het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Ruim de helft van de minimakinderen uit een gezin met een inkomen tot 120 procent Wsm groeit op in een eenoudergezin. Daarnaast is bijna de helft (48 procent) tussen de 4 en 12 jaar oud.

20

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Tabel 2.3.1 Kenmerken minimakinderen, inkomen tot 120% Wsm Aandeel minima Categorie Huishoudtype Eenoudergezin Meerpersoonshuishouden Totaal

t.o.v. alle kinderen 676 548 1.224

55% 45% 100%

41% 9% 16%

Leeftijdscategorie Tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar Totaal

178 587 459 1.224

14% 48% 38% 100%

13% 18% 17% 16%

Woonplaats Oost-Souburg Vlissingen Totaal

213 1.011 1.224

17% 83% 100%

11% 18% 16%

21

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

3. Gebruik en bereik van de minimaregelingen11 In dit hoofdstuk geven we het gebruik en bereik weer van de verschillende minimaregelingen. Het gebruik is gemeten over de analyseperiode van het onderzoek (1 september 2022 tot 1 september 2023), met uitzondering van de kwijtschelding van gemeentelijke belasting, de collectieve zorgverzekering en het Jeugdfonds Sport & Cultuur waar we kijken naar het kalenderjaar 2023 12. Tot slot brengt dit hoofdstuk ook de kenmerken van de gebruikers van de regelingen in beeld. Het gebruik en bereik van de regelingen wordt weergegeven in tabellen 3.1.1 en 3.1.2. Het bereik van de regelingen is afgezet tegen de totale geschatte doelgroep (dus inclusief de minima die de gemeente niet in beeld heeft). Daarnaast wordt het bereik van de regeling vergeleken met het gemiddelde bereik in kleinere gemeenten (met een inwonertal tot 50.000). In bijlage 6 staat per regeling een vergelijking van het aantal gebruikers in 2016 en 2023. De methodiek van de Armoedemonitor in de tussentijd veranderd: voorheen werd het bereik van de regeling berekend aan de hand van de doelgroep in beeld en nu wordt het bereik berekend aan de hand van de geschatte totale doelgroep. Het bereik van de regelingen kan daarom niet met elkaar vergeleken worden.

In bijlage 7 staat ook een vergelijking tussen de gebruikers die aan het BRP gekoppeld kunnen worden en het totale aantal gebruikers. Regelingen voor volwassenen • Het bereik van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen van 64 procent ligt wat onder het gangbare bereik van 70 tot 75 procent. • Het bereik van de bijzondere bijstand is 36 procent, dat is wat hoger dan in de meeste andere gemeenten. Een hoger bereik van de bijzondere bijstand is niet per se iets om naar te streven, de bijzondere bijstand is bijvoorbeeld een hoge kostenpost binnen het minimabeleid. • Het bereik van de individuele inkomenstoeslag ligt met 73 procent in de gemeente Vlissingen hoger dan het gemiddelde. Het gangbare bereik van deze regeling ligt tussen de 45 en 50 procent. • Het bereik van de collectieve zorgverzekering ligt onder het gemiddelde bereik van 35 tot 40 procent. De cijfers die in dit rapport staan betreffen echter alleen diegenen die via Orionis bekend zijn via het uitkeringssysteem 13. • Via het fonds cultuur, sport & onderwijs kunnen zowel volwassenen als kinderen ondersteuning krijgen. In totaal maken 1.580 huishoudens hiervan gebruik; een bereik van 53 procent. Gemiddeld heeft een dergelijke participatieregeling een bereik van 35 tot 40 procent onder volwassenen en 50 tot 55 procent onder kinderen. Het bereik in de gemeente Vlissingen ligt hiermee dus in lijn.

• 86 huishoudens hebben in 2023 de participatiebijdrage ontvangen en 40 huishoudens hebben de vrijwilligerspremie ontvangen. Voor deze regelingen is geen doelgroep vast te stellen en daarmee ook geen bereik.

11 De cijfers over het gebruik van regelingen en voorzieningen betreffen het aantal gebruikers dat gekoppeld

kon worden aan de BRP die voor dit onderzoek is aangeleverd. In bijlage 7 staat weergegeven hoeveel gebruikers niet gekoppeld konden worden aan de BRP. Het Jeugdfonds is hier een uitzondering op, daar rapporteren we wél op het totaal aantal gebruikers uit het bronbestand. Dit is mogelijk omdat dit op persoonsniveau wordt geteld, waar de meeste andere regelingen op huishoudniveau worden verstrekt. 12 Zowel de kwijtschelding gemeentelijke belastingen als de collectieve zorgverzekering kan één keer per kalenderjaar worden aangevraagd, daarom worden alleen de gebruikscijfers van 2023 gerapporteerd. Het Jeugdfonds Sport & Cultuur registreert alleen op jaartal en niet op maand van aanvraag. 13 Niet alle gebruikers van de collectieve zorgverzekering zijn aangeleverd voor dit onderzoek. De aangeleverde gebruikers zijn gebruikers die bekend zijn via het uitkeringssysteem. De ‘overige minima’ die gebruikmaken van de CZV zijn niet aangeleverd. Het kan dus zijn dat het daadwerkelijke aantal gebruikers hoger ligt.

22

Gemeente Vlissingen

•

Versie 1.0

685 personen hebben de bijdrage voor chronisch zieken ontvangen. Het aantal chronisch zieken in de gemeente is niet vast te stellen, waardoor er ook geen bereik kan worden vastgesteld.

Tabel 3.1.1 Gebruik en bereik regelingen 2023 Regeling Kwijtschelding Doelgroep Gebruik Bereik

2023 2.307 huishoudens 1.465 huishoudens 64%

Bijzondere bijstand Doelgroep Gebruik Bereik

2.627 huishoudens 938 huishoudens 36%

Individuele inkomenstoeslag Doelgroep Gebruik Bereik

1.480 huishoudens 1.078 huishoudens 73%

Collectieve zorgverzekering Doelgroep Gebruik pakket start Gebruik pakket extra uitgebreid Gebruik totaal Bereik

2.627 huishoudens 371 huishoudens 385 huishoudens 683 huishoudens 26%

Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs Doelgroep Gebruik vergoeding basisonderwijs Gebruik vergoeding voortgezet onderwijs Gebruik vergoeding 18 jaar en ouder Gebruik totaal Bereik

2.627 huishoudens 234 huishoudens 208 huishoudens 1.577 huishoudens 1.580 huishoudens 53%

Participatiebetaling Doelgroep Gebruik Bereik

Niet te bepalen 86 huishoudens Niet te bepalen

Vrijwilligerspremie Doelgroep Gebruik Bereik

Niet te bepalen 40 huishoudens Niet te bepalen

Bijdrage chronisch zieken Doelgroep Gebruik Bereik

Niet te bepalen 685 personen Niet te bepalen

Regelingen voor kinderen • In 2022 hebben 473 kinderen gebruik gemaakt van het Jeugdfonds Sport en Cultuur, in 2023 waren dat er 438 (tot 1 september). Veruit de meeste kinderen hebben gebruikgemaakt van een vergoeding voor sport. • Het bereik van het Jeugdfonds Sport & Cultuur (tot 1 september) van 37 procent is in lijn met het gemiddelde bereik van 30 tot 40 procent. 23

Gemeente Vlissingen

Versie 1.0

Tabel 3.1.2 Gebruik en bereik kindregelingen 2022-2023 Regeling Jeugdfonds Sport & Cultuur 2022 14 Doelgroep Gebruik sport Gebruik cultuur Gebruik totaal15 Bereik

412 kinderen 61 kinderen 473 kinderen -

Jeugdfonds Sport & Cultuur 2023 Doelgroep Gebruik sport Gebruik cultuur Gebruik totaal Bereik

1.169 kinderen 398 kinderen 40 kinderen 438 kinderen 37%

Aantal regelingen per huishouden De gemeente kent acht regelingen voor inwoners met een laag inkomen. Naast de regelingen waar iedereen (mits ze voldoen aan de inkomenseisen) gebruik van kan maken is er één regeling die specifiek is gericht op kinderen: namelijk het Jeugdfonds Sport & Cultuur. In tabel 3.1.3 staat de verdeling van het aantal regelingen per huishouden weergegeven. 14 procent van de huishoudens maakt van geen van de regelingen gebruik. Dit aandeel bestaat uit minimahuishoudens die de gemeente wél in beeld heeft (134 huishoudens) en huishoudens die de gemeente niet in beeld heeft (220 huishoudens). De huishoudens die de gemeente niet in beeld heeft zijn afkomstig vanuit de Armoede Index. De huishoudens die de gemeente wél in beeld heeft krijgen een uitkering vanuit de Participatiewet, maar maken geen gebruik van de minimaregelingen. Een kwart van de minimahuishoudens maakt gebruik van één regeling. 90 huishoudens (3 procent) maken gebruik van zes regelingen. Tabel 3.1.3 Verdeling aantal regelingen per huishouden, alle regelingen Aantal regelingen 0 134 (in beeld) + 220 niet in beeld 14% 1 628 24% 2 360 14% 3 413 16% 4 457 17% 5 318 12% 6 90 3% 7 7 0% Totaal 2.627 100% Als we kijken naar het aantal kindregelingen per huishouden dan zien we dat het grootste aandeel (40 procent) van één regeling gebruik maakt. Een derde maakt van geen van de regelingen gebruik.

Hierbij geldt dezelfde uitleg als bij de regelingen per huishouden: dit aandeel bestaat uit minimakinderen die de gemeente in beeld heeft (omdat hun ouders een uitkering vanuit de Participatiewet krijgen en/of gebruikmaken van een minimaregeling) en kinderen die de gemeente niet in beeld heeft. Daarnaast maakt een kwart gebruik van twee regelingen. 14 De cijfers van het Jeugdfonds in 2023 geven het gebruik weer van januari t/m augustus. Omdat dit jaar

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14948631/1