4.1 rvs Wauwelhofje bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
GEMEENTE VLISSINGEN
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
gemeente titel
projectnummer status datum
Vlissingen Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen VL4026 Definitief Juli 2025
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING In het kader van ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
INHOUD 1
2
3
4
5 6
7
INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Vigerend bestemmingsplan 1.3 Opbouw ruimtelijke onderbouwing PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Beoogde situatie 2.3 Parkeren en verkeer 2.4 Participatieproces BELEIDSKADERS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionale afstemming woningbouwprogramma 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Conclusie beleidskaders KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING 4.1 Geluidhinder 4.2 Milieuhinder 4.3 Bodemverontreiniging 4.4 Archeologie 4.5 Cultuurhistorie 4.6 Water 4.7 Flora en fauna 4.8 Externe veiligheid 4.9 Ontplofbare oorlogsresten 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Overige kabels en leidingen 4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.1 Participatieproces 6.2 Vooroverleg 6.3 Zienswijzen CONCLUSIE
3 3 3 4 5 5 6 8 9 10 10 11 13 14 15 17 17 18 19 20 22 22 24 26 30 31 32 32 34 34 35 35 35 35 36
BIJLAGEN Bijlage 1: Eindrapport verkennend bodemonderzoek Dorpsweg ongenummerd te Ritthem, SMA, 5 juli 2022; Bijlage 2: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen, Artefact, 21 december 2023; Bijlage 3: Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven, Artefact, 27 mei 2024; Bijlage 4: Rapport quickscan Wet natuurbescherming Dorpsweg te Ritthem, Econsultancy, 16 oktober 2023; Bijlage 5: Rapportage stikstofdepositie Dorpsweg te Ritthem, Econsultancy, 23 november 2023; Bijlage 6: Onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten, Expload, 6 december 2023; Bijlage 7: Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie, Rothuizen Adviseurs, december 2023; Bijlage 8: Verslag totstandkoming laatste ontwerp “Wauwelhofje”, proces oktober 2021 – april 2022, VOG; Bijlage 9: Verslag informatieavond Wauwelhofje Ritthem, 14 november 2023; Bijlage 10: Antwoordnotitie ingekomen zienswijzen Wauwelhofje Ritthem, nieuwbouw 7 woningen, gemeente Vlissingen.
1
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Figuur 1: Luchtfoto, de rode stip geeft de ligging van het projectgebied aan. Bron: Google Earth.
Figuur 2: Luchtfoto, de rode omlijning geeft het projectgebied ‘Wauwelhofje’ aan. Bron: Google Earth.
2
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding In de kern van Ritthem, een dorp van de gemeente Vlissingen, ligt een braakliggend terrein, wat volledig wordt omsloten door bestaande woonbebouwing. Dit binnenterrein, bestemd tot tuin, kan tevens – gelet op de functieaanduiding – worden aangewend door en voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Echter, een agrarische bedrijfsvoering op deze locatie ligt, gelet op de beperkte omvang van het perceel en aanwezige woonbebouwing, niet meer voor de hand. Een inbreiding met woningbouw is om die reden een logische(re) invulling en zorgt tevens voor een completering van het woongebied. Dit heeft voor initiatiefnemer de aanleiding gevormd om voor dit perceel diverse stedenbouwkundige studies te verrichten, om zo voor deze locatie de bebouwingsmogelijkheden te verkennen. Deze studies zijn door opdrachtgever naast de gemeente vroegtijdig met de directe omgeving gedeeld. Dit heeft geresulteerd in een invulling van het binnenterrein met drie levensloopbestendige en vier grondgebonden woningen met bijbehorende (parkeer) voorzieningen. Daarnaast is het initiatief tot het bebouwen van het binnenterrein met zeven woningen in een principeverzoek aan de gemeente Vlissingen voorgelegd. Aansluitend heeft het college van Burgemeester en Wethouders besloten – onder voorwaarden – medewerking aan de voorgestane woningbouwontwikkeling te verlenen.
Eén van de redenen voor het bevoegde gezag om medewerking aan het voornemen te verlenen, is gelegen in het feit, dat door het toestaan van de beoogde ontwikkeling wordt bijgedragen aan het creëren van doorstroming op de woningmarkt, waar uitdrukkelijk behoefte aan bestaat en waardoor wooncarrière kan worden gemaakt. Om de beoogde woningen te kunnen realiseren, is het noodzakelijk om een omgevingsvergunningprocedure te doorlopen. Voor het opstarten van een afwijkingsprocedure volgens artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk. Het voorliggende document betreft de goede ruimtelijke onderbouwing, zoals is opgenomen in artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 Wabo. Hiermee kan het plan planologisch-juridisch mogelijk gemaakt worden. De ligging van het projectgebied is weergegeven in de figuren 1 en 2.
1.2
Vigerend bestemmingsplan Het perceel waar de beoogde ontwikkeling is gelegen, is juridisch-planologisch geregeld in het vigerende bestemmingsplan ‘Ritthem’, dat op 9 juni 2011 is vastgesteld. Een fragment van de verbeelding van dat bestemmingsplan is opgenomen in figuur 3. Het perceel is primair bestemd tot ‘Tuin’ en draagt de functieaanduiding ‘agrarisch’ en de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – gebouwen’. Verder kent het oostelijke deel van het terrein de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – munitie c’, welke bouwkundige eisen aan een op te richten bouwwerk stelt. Op het perceel is momenteel alleen de oprichting van een nutsgebouwtje van beperkte omvang toegestaan. Tot slot is het gehele terrein van de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’ voorzien. De oprichting van zeven grondgebonden woningen met bijbehorende (parkeer-)voorzieningen waarop deze onderbouwing betrekking heeft, past hiermee niet binnen het vigerende bestemmingsplan.
3
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Figuur 3: Fragment verbeelding bestemmingsplan ‘Ritthem’. Rode contour betreft projectgebied. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl
Daarnaast geldt het “Paraplubestemmingsplan parkeernormering”, zoals vastgesteld op 5 juli 2018. In dat bestemmingsplan is geregeld, dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw en voor wijzigingen van het gebruik eisen worden gesteld aan het aantal parkeerplaatsen. 1.3
Opbouw ruimtelijke onderbouwing De ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 is de aanleiding voor het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing beschreven. In het 2e hoofdstuk wordt de situatie in haar context beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk een toelichting op de ontwikkeling en gegeven. Vervolgens worden in het 3e hoofdstuk de verschillende relevante beleidskaders toegelicht en zal de ontwikkeling hieraan worden getoetst. In hoofdstuk 4, kwaliteit van de leefomgeving, komen de milieu- c.q. gebiedsaspecten aan de orde. De economische uitvoerbaarheid komt in het 5e hoofdstuk aan bod. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de procedurele aspecten en wordt het participatieproces welke voor het bouwplan is doorlopen nader toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een motivering voor afwijking van het vigerende bestemmingsplan gegeven.
4
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
2
PLANBESCHRIJVING
2.1
Bestaande situatie Ritthem is een kerkdorp. In het noorden van het dorp is de Nederlands Hervormde kerk gesitueerd, hetgeen een Rijksmonument betreft. Karakteristiek is het rechthoekige verkavelingspatroon alsmede de daardoor ontstane binnenterreinen ter weerszijden van de Dorpsstraat. De oorspronkelijke bebouwing, zoals nog aanwezig aan de Dorpsstraat en de Weverstraat, kenmerkt zich door lage bebouwing met een kleinschalig karakter. De Zandweg, de Rammekensweg en de Zuidwateringstraat vormen de ontsluitingsroutes naar het dorp. Aan deze wegen is in de loop der tijd lintbebouwing ontstaan. De belangrijkste functie in de directe omgeving van het projectgebied is de woonfunctie, waarbij het meest voorkomende woningtype grondgebonden woningen betreft. In de kern zijn verder een beperkt aantal voorzieningen aanwezig zoals een sportterrein van een korfbalvereniging en een dorpshuis. Tussen 1980 en 1986 is de woningvoorraad in betekenende mate toegenomen. Voor het overige had de ontwikkeling van de woningvoorraad een incidenteel karakter. De meest recente uitbreiding van de kern Ritthem is gelegen aan Zuidwateringstraat, waar tot voor kort de basisschool de ‘Rietheim’ stond. Hier worden in totaal zes woningen, waarvan twee koop en vier sociale huurwoningen, ontwikkeld en gerealiseerd. Het projectgebied wordt aan alle zijden omsloten door woonbebouwing.
Gelet op de ligging en directe woonomgeving vragen het binnenterrein en perceel om een herontwikkeling die recht doet aan de locatie; aansluitend op en passend in de omgeving. Het perceel heeft veel potentie, maar kent tegelijkertijd een aantal beperkingen ingegeven door de bestaande woningbouw. Het perceel zelf ligt braak en bestaat uit gras. Op onderstaande foto’s is een impressie van de huidige situatie gegeven.
5
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Foto's bestaande situatie. Bron: Quickscan Wet natuurbescherming, Econsultancy.
2.2
Beoogde situatie Het bouwplan Uitgangspunt is dat het te ontwerpen bouwplan moet passen binnen de hoofdopzet en vormgeving van de omliggende bebouwing. Voorafgaand aan de planuitwerking zijn dan ook verschillende stedenbouwkundige studies verricht die zijn besproken met de gemeente en omwonenden. Op basis daarvan is het ontwerp op onderdelen aangepast en uitgewerkt in een bouwplan waarbij in het projectgebied zeven grondgebonden woningen worden ontwikkeld en gerealiseerd, waarvan drie levensloopbestendig en vier gericht op de doorstroming van de woningmarkt.
6
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Figuur 4: Situatietekening van de beoogde nieuwbouw. Bron: VOG d.d. 3-10-2023.
In de principemedewerking van en in overleg met de gemeente Vlissingen zijn enkele belangrijke uitgangspunten voor de nieuwbouw en de inrichting van het perceel geformuleerd. Deze uitgangspunten betroffen onder meer de eis dat iedere woning over één parkeerplaats dient te beschikken, het programma moet aansluiten bij de bestaande bebouwing/omgeving zowel in massa (één laag met kap) als architectuur (traditioneel landelijk). Het programma omvat drie vrijstaande, levensloopbestendige en twee twee-onder-één kap woningen. Alle woningen worden opgetrokken uit één laag met kap. De goot en bouw-/nokhoogte van de twee-onder-één kapwoningen bedraagt respectievelijk circa 4 en 8 meter. De levensloopbestendige woningen kent twee typen. Type B I kent een goothoogte van circa 3 en een bouw/nokhoogte van circa 7 meter en de goothoogte en bouw/nokhoogte van type B II bedraagt respectievelijk circa 3,5 en 8 meter. Aanzichten en de doorsneden zijn weergegeven in figuren 5, 6 en 7.
Figuur 5: Impressie twee-onder-één kapwoningen. Bron: VOG 13-12-2023.
7
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Figuur 6: levensloopbestendige woning type B I. Bron: VOG 13-12-2023.
Figuur 7: Levensloopbestendige woningen type B II. Bron: VOG 13-12-2023.
De ontsluiting van het projectgebied is net als nu, aan de zuidoostzijde, tussen de woonbebouwing aan de Dorpsweg 12 en 14, geprojecteerd. 2.3
Parkeren en verkeer
2.3.1
PARKEREN Met betrekking tot het parkeren, heeft de gemeente Vlissingen om bij nieuwbouwplannen of wijzigingen van gebruik eisen te kunnen stellen aan het aantal parkeerplaatsen een toetsingskader opgesteld. Dit toetsingskader is vastgelegd in de 'Beleidsnota parkeernormering Vlissingen' en verankerd in het ‘Paraplubestemmingsplan parkeernormering’ (vastgesteld door de raad op 5 juli 2018). Parkeernorm De geldende parkeernorm voor woningen tot 100 m2 go is 1,8 per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers. Voor woningen tussen 100 en 150 m2 go bedraagt de parkeernorm 2,0. Van de zeven woningen is er één groter dan 100 m2 go. De totale behoefte komt daarmee op 13 parkeerplaatsen. Voorwaarde is dat iedere woning over een parkeerplaats dient te beschikken. De resterende zes parkeerplaatsen worden in de uiterst noordwestelijke hoek van het projectgebied aangelegd. Dit betekent, dat het projectgebied volledig op eigen terrein in de parkeervraag van 13 parkeerplaatsen als gevolg van het planvoornemen kan voorzien. Hiermee voldoet het initiatief aan de parkeernormering zoals opgenomen in het beleid van de gemeente Vlissingen.
2.3.2
VERKEER Het verkeer naar en van het projectgebied wordt via de bestaande erfontsluiting tussen de woningen gelegen aan de Dorpsweg 12 en 14 op de bestaande infrastructuur ontsloten. Dit wijzigt in de nieuwe situatie niet. Wel wordt de entree tot het projectgebied verbreed door de bestaande garage van nummer 12 te verplaatsen. Hierdoor ontstaat een ruime en overzichtelijke aansluiting. Deze ontsluiting is verder voldoende ruim om het bestemmingsverkeer van de nieuw te realiseren woningen af te kunnen wikkelen. Binnen het projectgebied zelf zal de ontsluiting in een bocht worden aangelegd, zodat daarmee een lage snelheid en verkeersveilige situatie, zowel binnen het plangebied als op de bestaande infrastructuur, wordt geborgd. Het aantal woningen neemt met zeven toe. Uitgaande van de CROW wordt de gemiddelde verkeersgeneratie voor een twee-onder-één kapwoning op 7,8 en voor een levensloopbestendige
8
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
woning 7,4 motorvoertuigenbewegingen per etmaal gesteld. Dat betekent een theoretische verkeersgeneratie van gemiddeld 53 verkeersbewegingen per etmaal. Deze toename heeft geen grote gevolgen voor het bestemmingsverkeer ter plaatse. De bestaande wegen, welke voornamelijk voor en door bestemmingsverkeer worden gebruikt, kunnen de verkeerscapaciteit -gelet op de wegprofielen en de lage snelheid- zonder problemen verwerken; aanpassingen van en aan de profielen is dan ook niet aan de orde. Daarnaast kan het verkeer vanaf de ontsluiting in twee richtingen, zowel noord- en zuidwaarts afwikkelen, waarna het verkeer zich snel en gelijkmatig over de bestaande infrastructuur verdelen en daarin worden opgenomen. De nieuwe ontwikkeling zal geen onevenredige belasting op het omliggende wegennet, dan wel geen onevenredige hinder en parkeerdruk voor bewoners van de bestaande woningen om het projectgebied met zich meebrengen. 2.4
Participatieproces De initiatiefnemers van het bouwplan hebben naast de gemeente, de omwonenden en andere belanghebbenden mede met het oog op de komst van de Omgevingswet zorgvuldig geïnformeerd over de beoogde woningbouwontwikkeling. Ook is, waar mogelijk, rekening gehouden met de wensen van omwonenden en andere belanghebbenden. Een samenvatting van het participatieproces is weergegeven in par. 6.1. Hierin is onder andere opgenomen hoe het proces was vormgegeven, welke reacties er zijn gegeven en op welke wijze deze van antwoorden zijn voorzien. Ook is aangegeven op welke punten het bouwplan is aangepast.
9
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
3
BELEIDSKADERS De beoogde ontwikkeling dient te passen binnen het vigerende en toekomstige ruimtelijk beleid. Om die reden wordt in dit hoofdstuk ingegaan op relevante Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
NATIONALE OMGEVINGSVISIE (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1-1-2024 en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
• Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Betekenis voor onderhavig project Voor wat betreft de voornoemde nationale belangen wordt verwezen naar de milieuonderzoeken, zoals die in Hoofdstuk 4 Milieuaspecten aan de orde komen. Verder betreft het initiatief een toekomstbestendige ontwikkeling en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. Naast voornoemde belangen is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming van belang. Hier wordt aan voldaan. Voor het overige heeft het plangebied geen directe relatie met één van de thema's of bepalingen uit het SVIR, Barro en/of Bro, met uitzondering van de ladder voor duurzame verstedelijking. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is met ingang van 1 oktober 2012 opgenomen, dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.
De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
10
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Om te bepalen of sprake is van een Ladderplichtige ontwikkeling is allereerst van belang of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De kern van Ritthem en het projectgebied omvatten bestaand stedelijk gebied. De nieuwe ontwikkeling valt binnen dit bebouwde gebied. Er is sprake van een herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. Een woning is een stedelijke functie, waarop de ladder in beginsel van toepassing is. In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is echter niet concreet vastgelegd. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient echter voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt ( uitspraak: ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met niet meer dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Betekenis voor onderhavig project Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling is ingevolge jurisprudentie bepaald, dat vanaf 12 woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst dient te worden aan de Ladder. Nu in onderhavig project de oprichting van zeven woningen is toegestaan, is toetsing aan de ladder formeel niet aan de orde.
Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig beperkt van omvang, dat ook in die zin geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Tot slot ligt de locatie in bestaand bebouwd gebied. Dit laat echter onverlet, dat het bevoegde orgaan in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van het project dient te beoordelen of de beoogde ontwikkeling een passende bestemming is, mede omdat de provincie Zeeland hecht aan duurzaam ruimte gebruik. Voor een nadere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de paragraaf 3.3 en 3.4. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
ZEEUWSE OMGEVINGSVISIE Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de ambities voor 2050 en de doelen voor 2030 vastgelegd. De visie kent verschillende doelen; soms is deze bedoeld als richtdocument voor overleggen. Soms is het de basis voor de Zeeuwse Omgevingsverordening en de uitvoeringsprogramma's, of is het de leidraad bij het uitvoeren van het beleid. De provincie heeft vier ambities gesteld: 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland. 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied. 3. Een duurzame en innovatie economie. 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Daarnaast zijn er 27 bouwstenen, verdeeld over bovengenoemde vier ambities, uitgewerkt. In de bouwstenen worden de beleidsdoelstellingen voor 2030 beschreven, evenals de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen. Hieronder worden de bouwstenen die relevant zijn voor onderhavige onderbouwing beschreven. Over de woningvoorraad beschrijft de provincie, dat de nieuwbouw moet passen bij de huidige en toekomstige woningbehoefte. De focus ligt op kwaliteit in woningtypen en locaties en minstens 50% van de nieuwbouw is circulair. Nieuwbouwplannen moeten inspelen op de behoefte aan specifieke woningmarktsegmenten. De huishoudensgroei in Zeeland zit primair in de 65- en 80-plushuishoudens.
De behoefte aan nultredenwoningen en beschutte woonzorgvoorzieningen waar zorg ontvangen mogelijk is, neemt fors toe. Hiertoe werken de Zeeuwse gemeenten en de Provincie aan een Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden.
11
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Er wordt ingezet op het saneren of vervangen van woningen waar geen behoefte aan is, het stimuleren van verduurzaming van de woningvoorraad, het realiseren van een flexibele schil en de ondersteuning van gemeenten bij de realisatie van woningbouw die voorziet in een behoefte op de juiste plaats. Provincie en gemeenten stellen de kaders vast waarbinnen de afspraken worden uitgevoerd. Verder staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaat en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel. Woningbouwprojecten, zeker de omvangrijke, hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Er moet daarom op regionaal niveau gekozen worden voor de woningbouwplannen die qua omvang, locatie en type aansluiten bij de woonwensen van de Zeeuwse burger. Deze keuzes worden gemaakt in regionale woningmarktafspraken door de vijf Zeeuwse woningmarktregio’s (De Bevelanden, Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren en ZeeuwsVlaanderen). Tot slot worden de provinciale belangen uit het de Zeeuwse Omgevingsvisie geborgd in de Omgevingsverordening Zeeland 2018. 3.2.2
PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING ZEELAND 2018 EN OMGEVINGSVERORDENING ZEELAND Met de vaststelling van het Omgevingsplan Zeeland 2018, welke thans is vervangen door de Zeeuwse Omgevingsvisie, is ook de Omgevingsverordening Zeeland 2018 vastgesteld (21 september 2018). Tot op heden zijn er 12 wijzigingen op de verordening vastgesteld. Slechts een select aantal onderdelen uit het voormalige Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van de Zeeuwse Omgevingsvisie. In de Provinciale Omgevingsverordening 2018 is het provinciale beleid daarmee vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Belangrijk onderscheid is er gemaakt tussen het bestaand stedelijk gebied en het landelijk gebied. Het plangebied is conform het provinciaal beleid gelegen in het bestaand stedelijk gebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied hebben gemeenten grote vrijheid van handelen. Naast de Zeeuwse Omgevingsvisie is ook de Omgevingsverordening Zeeland, op 1 januari 2024 in werking getreden.
Onder zowel de huidige als Omgevingswet, vormt de Omgevingsverordening een aanvulling op de Zeeuwse Omgevingsvisie, aangezien het in deze visie geformuleerde beleid in de verordening wordt gecomplementeerd met toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Op basis van de Omgevingsverordening Zeeland past de ontwikkeling uitgaande van een globale toetsing op hoofdlijnen ook binnen deze verordening. Voor onderhavige ontwikkeling is echter, gelet op de datum van indiening van de aanvraag, de Omgevingsverordening uit 2018 nog van kracht en van toepassing. Betekenis voor onderhavig project Ten aanzien van het onderwerp 'wonen' is uitsluitend een regeling opgenomen voor kleinschalige locaties in het buitengebied. Daarvan is hier geen sprake. Er zijn daarmee ten aanzien van onderhavige ontwikkeling geen regels vanuit de Omgevingsverordening, noch Ontwerp Omgevingsverordening Zeeland van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief past in het provinciaal beleid.
12
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
3.3
Regionale afstemming woningbouwprogramma
3.3.1
WALCHERSE WONINGMARKTAFSPRAKEN 2016-2025 (DECEMBER 2018) EN WONINGBOUWPROGRAMMA Op 18 december 2018 is de ‘Actualisatie Walcherse woningmarktafspraken 2016-2025’ vastgesteld door de afzonderlijke colleges van de gemeenten Vlissingen, Veere en Middelburg. De gemeenten worden hierbij concreet geconfronteerd met: 1. Een urgente behoefte aan nieuwbouwwoningen (deels inhaalvraag, deels als gevolg van huishoudensgroei). 2. Gebrek aan flexibiliteit in planning en realisatie. 3. Groeiend huishoudensaantal en veranderende samenstelling. 4. Nieuwe flexibele/alternatieve woonvormen. 5. Nieuwe doelgroepen op de markt (zoals tijdelijk en definitief hier verblijvende arbeidsmigranten). 6. Specifieke woonvoorkeuren voor locatie of woonmilieu. 7. Sloop en energietransitie: meer dan 90% van de toekomstige woningvoorraad staat er al, maar is die klaar voor de toekomst? In de komende 10 jaar is de verwachting, dat de woningvoorraad met circa 7% moet groeien om aan de behoefte te kunnen voldoen. Dit is meer dan waar eerder rekening mee is gehouden. De huidige plancapaciteit van de drie Walcherse gemeenten is 5%. Zo kan de woningmarktvraag worden ingevuld, maar blijft er ook ruimte voor flexibiliteit om in te spelen om veranderingen in de woningmarkt.
Om invulling te geven aan de geprognotiseerde behoefte voor reguliere woningen is een onderscheid gemaakt in de netto nieuwbouwbehoefte, herstructurering en deeltijdwoningen. Ten behoeve van de woningbouwopgave zijn ruim 3.500 van de te bouwen woningen opgenomen in nader gedefinieerde nieuwbouwprojecten. In deze projectenlijst wordt onderscheid gemaakte tussen plannen die planologisch geregeld zijn door middel van bijvoorbeeld een onherroepelijk bestemmingsplan (de zogenaamde ‘harde plancapaciteit’), en plannen die dat niet zijn (de ‘zachte plancapaciteit’). Om projecten gefaseerd op de markt te kunnen brengen, is in de woningmarktafspraken een voorlopige planning opgenomen voor het planologisch ‘hard’ maken van de plannen. Voor Vlissingen zijn in de afspraken voor de periode 2016-2025 als restcapaciteit 45 woningen meegenomen. De huidige ladderruimte geeft hiermee, gelet op het vorenstaande, voldoende ruimte voor de ontwikkeling van de beoogde zeven grondgebonden woningen.
3.3.2
WONINGKWALITEIT EN WONINGMARKTONDERZOEK ZEELAND 2019 (10 JANUARI 2020), LOCATIEONDERZOEK WALCHEREN STEC GROEP (8 JANUARI 2020) In opdracht van de provincie Zeeland is voor een aantal Zeeuwse gemeenten, waaronder begrepen de gemeente Vlissingen, recent een Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland (KWOZ) uitgevoerd. Doel is om in 2040 een toekomstbestendige woningvoorraad te hebben, die in kwantiteit en kwaliteit volledig aansluit bij de vraag. Hierbinnen is voor de gemeenten Middelburg, Vlissingen, Veere een nadere verdiepingsslag aangebracht. Op Walcheren valt op, dat een belangrijk deel van de ‘nieuwe’ huishoudens bij voorkeur in een stedelijk woonmilieu landt. Meer concreet: in de komende tien jaar (circa +2.710 huishoudens) landt zo’n 61% in stedelijke woonmilieus. Kijken we naar de hele periode 2019-2040 (circa +3.660 huishoudens) dan bedraagt dit percentage zelfs ongeveer 67%. Het gaat hierbij overwegend om 65-plushuishoudens en in beperkte mate om gezinnen. Dit brengt met zich mee, dat er behoefte is aan nultredenwoningen op locaties nabij voorzieningen. Gedacht wordt aan het realiseren van appartementen voor een brede doelgroep -in het bijzonder voor ouderen- in centrumgebieden en aan kleinschalige appartementenblokken of grondgebonden nultredenwoningen in en om de kern van dorpen. De voorgenomen ontwikkeling sluit naadloos op de doelstelling aan.
Immers, er worden binnen de grens van het bestaand stedelijk gebied, zeven grondgebonden woningen gerealiseerd, waarvan een deel levensloopbestendig zijn.
13
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Voor het project bestaat interesse vanuit de markt, hetgeen door initiatiefnemer ook is onderzocht. Hiermee is de kwalitatieve behoefte van de beoogde nieuwbouw onderbouwd. 3.3.3
ZEEUWSE WOONDEAL Om het woningtekort terug te dringen tot een gezond evenwicht, wordt met het programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren, wordt gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (midden huur- en koopwoningen onder de 355.000 euro) nodig. Met gemeenten, provincies en Rijk zijn afspraken gemaakt over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen. De woondeal is een regionale doorvertaling naar de Zeeuwse gemeenten van de afspraken tussen het Rijk en de provincie. De woondeal regio Zeeland, welke begin 2023 is gesloten, bevat afspraken over onderwerpen en thema’s die van belang zijn voor de gehele regio, zoals de woningbouwopgave, het betaalbaar houden van de woningvoorraad, een bijdrage leveren aan klimaat- en de leefbaarheidsvraagstukken. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt die specifiek op de huisvestingsvraagstukken van een bepaalde doelgroep of op een ander specifiek onderwerp zijn gericht. Voor de regio Walcheren wordt geconcludeerd, dat er een kwalitatieve en kwantitatieve woonopgave ligt.
De kwantitatieve opgave dient dus om het huidige tekort in te lopen en daarnaast is er behoefte aan nieuwbouw voor de toekomstige groei. Voor de korte termijn wordt bovendien ingezet op de realisatie van flexwoningen. Kwalitatief wordt ingezet op: • Herstructurering van voornamelijk naoorlogse woningen in verband met kwaliteit, niet toekomstbestendig aanbod en duurzaamheid. • Extra aanbod van goedkope en betaalbare woningen, waaronder sociale huurwoningen (ook voor de aandachtsgroepen als statushouders en uitstroom vanuit maatschappelijke opvang). • Door de steeds grotere groep ouderen ligt de focus op het toevoegen van nultredenwoningen. Hierdoor wordt ook de doorstroming bevorderd en kunnen goedkopere woningen in de bestaande markt beschikbaar komen. Dit betekent concreet voor de gemeente Vlissingen, dat zij zich zal inzetten om tot 2030 2.611 woningen binnen haar gemeente te realiseren, waarvan 845 in het sociale huursegment. Betekenis voor onderhavig plan De beoogde ontwikkeling is in lijn met de regionale woningmarktafspraken.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
STRUCTUURVISIE ‘VLISSINGEN STAD AAN ZEE – EEN ZEE AAN RUIMTE’ Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad van Vlissingen de structuurvisie ‘Vlissingen stad aan zee- een zee aan ruimte’ vastgesteld. In mei 2013 heeft de gemeenteraad de geactualiseerde Structuurvisie vastgesteld. Het thema wonen is nader uitgewerkt in een afzonderlijk document. De gemeente heeft de ambitie Vlissingen gereed te maken voor de toekomst. De gemeente wil in deze structuurvisie verschillende ontwikkelingen koppelen aan de ruimtelijke opgave, een visie tot 2020. De gemeente zet in op behoud en versterking van haar uniciteit en positie binnen de regio. De gemeente wil dit doen door bedreigingen om te zetten naar kansen en kwaliteiten, zoals vergrijzing en krimp.
14
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Met betrekking tot het beleidsveld ‘wonen’ wordt ingezet op het aanbieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor diverse doelgroepen. Om dit te bereiken, wordt ingezet op het aanbieden van hoogstedelijke woonmilieus, specifieke woonmilieus en aanvullende groenstedelijke woonmilieus. 3.4.2
WOONVISIE 2013 Gelijktijdig met de structuurvisie heeft het gemeentebestuur ook de Woonvisie vastgesteld, die eveneens in 2013 is geactualiseerd. In de visie is het Vlissingse woonbeleid vastgelegd, waarbij wordt ingezet op kwaliteit boven kwantiteit. De focus ligt op de bestaande woningvoorraad en woonomgeving, waarbij kwalitatief goede huisvesting voor de verschillende doelgroepen onmisbaar is. Nieuwbouw moet aanvullend zijn aan de bestaande woningtypen en woonmilieus. In het verlengde daarvan is de woningbouwontwikkeling onderdeel van het geactualiseerde uitvoeringsprogramma en opgenomen in het regionaal afgestemde woningbouwprogramma.
3.4.3
TOEKOMSTVISIE ‘BLIK OP DE TOEKOMST’ STRATEGISCHE VISIE 2040 Deze visie is in september 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In de toekomstvisie wordt onder meer aangegeven wat de gemeente in 2040 wil hebben bereikt en welke thema’s daarbij relevant zijn. Deze visie dient voorts als basis voor alle ontwikkelingen in de gemeente Vlissingen, zo ook de voor de omgevingsvisie. Een van de doelen relevant voor onderhavige ontwikkeling is dat de gemeente streeft naar een gevarieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag; niet alleen in kwantiteit, maar ook kwaliteit, waaronder begrepen energiezuinige woningen in groene wijken. Hierdoor kan men in de gemeente wooncarrière maken en zich blijvend in de gemeente vestigen. Betekenis voor onderhavig projectgebied De realisatie van de zeven grondgebonden woningen, waarvan drie levensloopbestendig, draagt bij aan het creëren van doorstroming op de woningmarkt, waardoor er wooncarrière kan worden gemaakt. Daarnaast sluit het plan aan op de marktvraag en leidt tot een completering van het woongebied in de kern van Ritthem.
3.4.4
OMGEVINGSVISIE VLISSINGEN 2040 VLISSINGEN IN BALANS Het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen heeft ingestemd met de ontwerp ‘Omgevingsvisie Vlissingen - Vlissingen in balans’. Aansluitend is deze visie in maart 2024 vastgesteld. In de visie maakt het projectgebied deel uit van het bestaande woongebied en wordt aangemerkt als landelijk woongebied. In dit gebied staat aantrekkelijk wonen en verblijven centraal. Er wordt de voorkeur aan inbreiding boven uitbreiding gegeven. Betekenis voor onderhavig projectgebied In deze is sprake van inbreiding in een bestaand woongebied. Daarmee is de ontwikkeling geheel in lijn met de Ontwerp Omgevingsvisie.
3.5
Conclusie beleidskaders De oprichting van zeven grondgebonden woningen past binnen het provinciale beleid wat is gericht op bundeling, zorgvuldig ruimtegebruik en het realiseren van kwaliteit en diversiteit. Verder heeft de gemeente de taak woningbouwmogelijkheden te bieden om zo te voldoen aan de woningbouwbehoefte van de bevolking, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. Met de ontwikkeling van het voorliggende woningbouwplan wordt aan deze taak invulling gegeven.
15
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
Immers het huidige programma, zoals opgenomen in onderhavige ruimtelijke bebouwing, voldoet aan de actuele marktvraag en de woningbouwafspraken met de onderliggende huishoudensprognose; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de voor de regio vastgestelde, recente woningbehoefteonderzoeken en sluit daarmee aan bij het gedachtegoed van de ladder. Hiermee is -naast de kwalitatieve behoefte- tevens de kwantitatieve behoefte voor het project afdoende aangetoond. Geconcludeerd wordt, dat het plan past binnen de genoemde beleidskaders.
16
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4
KWALITEIT VAN DE LEEFOMGEVING Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een bouwplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieu-hygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit plan relevante milieuaspecten behandeld.
4.1
Geluidhinder
4.1.1
WETTELIJK KADER Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals scholen, woningen etc.). De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woon- en leefomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder in werking getreden. Hierin is de bevoegdheid voor het verlenen van een hogere waarde neergelegd bij Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat het 'hogere-waardebesluit' niet langer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten hoeft te worden voorgelegd. Voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai stapt de wetgever nu over op de Europese dosismaat Lden (staat voor day- evening- night). In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB).
4.1.2
ONDERZOEK De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein, noch een spoorweg. Evenmin is sprake van een inrichting volgens de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). De aspecten industrielawaai, spoorweglawaai of inrichtingslawaai zijn daarom niet relevant. Het projectgebied bevindt zich tevens niet binnen de invloedsfeer van de zone-plichtige wegen, zodat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet is vereist. Dit laat onverlet, dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake moet zijn van een aanvaardbaar leef- en woonklimaat. Naast het feit dat alle wegen in de kern Ritthem 30 km/-uur wegen betreffen, is in onderhavig project sprake van tweedelijns bebouwing, welke daarmee grotendeels van het wegverkeer wordt afgeschermd. Omgekeerd zal alleen bestemmingsverkeer van de interne ontsluitingsstructuur en erfontsluiting inherent aan de zeven aanwezige woningen gebruik maken. Gelet op de lage verkeersintensiteit en lage verkeerssnelheid mag dan ook worden geconcludeerd, dat aan de eisen van een goed woon- en leefklimaat, zowel voor de nieuwbouw- als bestaande woningen, kan worden voldaan.
4.1.3
CONCLUSIE Het aspecten geluidhinder staat de ontwikkeling van het project niet in de weg.
17
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.2
Milieuhinder
4.2.1
WETTELIJK KADER Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreeren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Bedrijven en milieuzonering In de publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.
In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. Alleen voor het aspect gevaar is het reduceren van de richtafstand met één afstandsstap niet zondermeer mogelijk. Het hanteren van kleinere richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder wordt voorkomen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om indicatieve afstanden. In een concrete situatie dient de werkelijk aan te houden afstand nader te worden bepaald. De richtafstanden worden gemeten van de bestemmingsgrens van de milieuhinderlijke inrichting ten opzichte van de gevels van de woningen van derden.
4.2.2
ONDERZOEK In onderhavig geval is sprake van een kern en gebied met voornamelijk alleen woningen. Alleen ten zuidwesten is in planologisch opzicht een maatschappelijke bestemming aanwezig. Deze bestemming is echter van een dusdanig beperkte omvang en daarmee zo weinig milieubelastend, dat deze reeds direct naast woningen of nabij woningen toelaatbaar zijn.
4.2.3
CONCLUSIE Milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
18
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.3
Bodemverontreiniging
4.3.1
WETTELIJK KADER Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
4.3.2
ONDERZOEK Aangezien er sprake is van nieuwbouw ten behoeve van wonen, is een verkennend bodem- en asbestonderzoek voor het bouwplan noodzakelijk. Er is door Sagro een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Sagro, 5 juli 2022, zie Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek). De doelstelling van het onderzoek is inzicht te krijgen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Op basis van de resultaten van het bodem- en asbestonderzoek dient te worden vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de locatie. Op basis van de resultaten van het verkennende bodem- en asbest onderzoek wordt geconcludeerd dat: • In de bovengrond achtergrondwaarde-overschrijdingen voor kwik, lood en enkele OCB zijn aangetoond. Het PFAS-gehalte ligt onder de achtergrondwaarde; • In de ondergrond geen verontreinigingen zijn geconstateerd; • In het grondwater van nature verhoogde concentraties arseen, barium en molybdeen tot boven de streefwaarde zijn aangetoond; • De op de onderzoekslocatie geconstateerde verhoogde gehalten in de bovengrond en het grondwater geen aanleiding geven tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek; • Het aangetroffen steenachtige bodemvreemd-materiaal sporen baksteen en stenen betreft. Dit is gekwalificeerd als gedefinieerd puin conform de NEN 5707.
In combinatie met het feit dat de locatie op basis van historische gegevens niet verdacht is op de aanwezigheid van asbest en tijdens de veldwerkzaamheden geen asbest verdacht materiaal is aangetroffen, is derhalve het uitvoeren van een asbest in grond onderzoek niet noodzakelijk conform de NEN 5707. Aangegeven wordt, dat in geval van het nuttig herbestemmen van uitkomende grond alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring op grond) nodig kan zijn. Dit is afhankelijk van onder andere -maar niet uitsluitend- de afzetlocatie, de partijomvang, de aangetroffen gehalten en de bodemvreemde bijmengingen. Er dient ook rekening mee te worden gehouden dat in de bovengrond tot 0,5 m-mv OCB aanwezig zijn. De afzetmogelijkheden in buurgemeenten op basis van hun Nota’s bodembeheer kunnen hierdoor beperkt worden. De eventuele noodzaak tot verdere keuring en mogelijkheden hiervoor kunnen in overleg met het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (veelal de ontvangende gemeente) en/of een milieuadviesbureau worden bepaald.
19
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.3.3
CONCLUSIE Met inachtneming van de conclusies uit het bodemonderzoek vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor het project
4.4
Archeologie
4.4.1
WETTELIJK KADER Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Besluit omgevingsrecht (Bor) Op grond van de Wro en de Wabo zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. In het Bor is bepaald, dat voor vergunningsvrije bouwwerken tot 50 m² geen beperkingen ten aanzien van archeologie gelden. Beleid gemeente Vlissingen Op 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad de 'Nota Archeologische Monumentenzorg Walcheren 2006' vastgesteld. De Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2006 is in 2008 geëvalueerd. De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 24 april 2008 de nieuwe 'Nota archeologische monumentenzorg Walcheren evaluatie 2008' vastgesteld.
Op 28 januari 2016 heeft de gemeenteraad een actualisatie van deze nota vastgesteld in de 'Nota archeologische monumentenzorg Walcheren 2016-2022'. Onderdeel van de nota vormt een vrijstellingsregeling, waarbij is bepaald, dat in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde grondwerkzaamheden zonder archeologisch onderzoek mogen plaatsvinden tot een diepte van 0,40 m en een oppervlakte van 500 m2. Voor gebieden ter hoogte van (AMK-)terreinen met een vastgestelde archeologische waarde en voor gebieden ter hoogte van een zogenaamde verwachtingszone op basis van historische kaarten en voor gebieden binnen een straal van 50 meter rondom een vindplaats geldt, dat uitsluitend bodemingrepen, die niet dieper gaan dan 0,40 meter onder huidig maaiveld en geen grotere oppervlakte hebben dan 30 m2, vrijgesteld zijn van archeologisch onderzoek. De archeologische waarden- en verwachtingskaart Walcheren en de archeologische beleidsadvieskaart Walcheren maken onderdeel uit van dit beleid. De verwachtingskaart is een nadere detaillering van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) die tot stand is gekomen door nader bureauonderzoek. De kaart is op maat gesneden op de Walcherse schaal en geeft de verwachting weer ten aanzien van archeologische vondsten.
Op de beleidsadvieskaart is de vrijstellingsregeling gekoppeld aan de archeologisch waardevolle gebieden en verwachtingszones. Dit resulteert in een overzicht van de beleidsadviezen per gebied.
4.4.2
ONDERZOEK Binnen het huidig projectgebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 60 m² én dieper reiken dan 0,40 m -mv. Door Artefact is in dat kader een bureau- en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd (Bijlage 2). Uit het bureauonderzoek is gebleken, dat: • De middelhoge verwachting voor het finaal‐paleolithicum en mesolithicum in de bovenzijde van het dekzand, dat verwacht werd vanaf 5,50 m ‐mv (4,75 m ‐NAP) wegens de diepteligging van dit niveau niet kon worden getoetst en zodoende behouden blijft;
20
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
•
•
De middelhoge verwachting voor het Laat‐Neolithicum op het niveau van het Laagpakket van Wormer en de late IJzertijd‐Romeinse tijd op het niveau van het Hollandveen Laagpakket worden bijgesteld naar geen verwachting. In het volledige plangebied zijn de archeologische resten uit beide periodes onder invloed van de voormalige geul geërodeerd. Om diezelfde reden komt ook de lage verwachting voor de Bronstijd en vroege IJzertijd te vervallen; Op het niveau van het Laagpakket van Walcheren er een hoge verwachting blijft gelden voor de Middeleeuwen en lage verwachting voor de Nieuwe tijd, wegens het aantreffen van respectievelijk een doorwerkte cultuurlaag op een diepte variërend tussen 0,30 en 0,50 m ‐ mv (tussen 0,75 en 0,47 m +NAP) en een intacte top van een kreekrug van het Laagpakket van Walcheren op een diepte variërend tussen 0,50 en 0,85 m ‐mv (tussen 0,53 m +NAP en 0,05 m ‐NAP). Dergelijke kreekruggen boden immers uiterst aantrekkelijke bewoningsmogelijkheden. Gecombineerd met de directe nabijheid van de historische kern (kerk, motte/vliedberg) is de kans hoog dat binnen het plangebied vindplaatsen uit de middeleeuwen voorkomen.
Op basis van het voorliggend onderzoek bestaat er een archeologische verwachting vanaf 0,30 m‐mv (vanaf 0,75 m +NAP). Concreet wil dit zeggen dat indien graafwerkzaamheden worden voorzien die dieper reiken dan 0,40 m ‐mv vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek wordt dan ook noodzakelijk geacht. Dit onderzoek heeft reeds plaatsvinden, voorafgaand aan de detectie naar blindgangers. Voor een nadere onderbouwing van ontplofbare oorlogsresten wordt verwezen naar paragraaf 4.10. Het proefsleuvenonderzoek is aan de hand van een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt het navolgende geconcludeerd: Het terrein werd afgedekt door een 0,3 – 0,5 m dikke bouwvoor, met een maaiveldhoogte rond 1,0 m + NAP. Rond 0,6 – 0,7 m + NAP ging de bouwvoor over in een 0,1 – 0,3 m dikke cultuurlaag. Rond 0,4 – 0,6 m + NAP ging de cultuurlaag over in natuurlijke geulafzettingen behorende tot het Laagpakket van Walcheren. Vanaf de onderzijde van de bouwvoor alsook vanaf de onderzijde van de cultuurlaag zijn sporen te herkennen. Deze sporen bestaan uit greppels, kuilen, paalkuilen een paaltje en dierengraf. De sporen dateren vanaf de overgang van de late middeleeuwen naar de Nieuwe tijd tot in de 19e eeuw.
De diepste sporen reiken tot 1,5 m – mv/ 0,5 m – NAP, maar de meest sporen reiken niet dieper dan 1 m – mv /0,0 m NAP. Er is één behoudenswaardige vindplaats vastgesteld. Het betreft een vindplaats waarbij resten van bewoning zijn aangetroffen en sporen van landinrichting. Deze vindplaats is te dateren in de late middeleeuwen tot de midden Nieuwe tijd. Op basis van het proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd vervolgonderzoek te laten uitvoeren binnen de zone waar de vindplaats is vastgesteld, indien de bodemverstoringen dieper reiken dan 0,4 m – mv (0,6 m + NAP). Dit onderzoek zal worden afgestemd op de exacte positionering en diepte van de bouw- en graafwerkzaamheden. Met het hiervoor genoemde onderzoek, advies en maatregelen worden eventuele archeologische waarden voldoende veiliggesteld. In de omgevingsvergunning wordt als voorwaarde gesteld, dat conform de conclusies en bevindingen, archeologische begeleiding noodzakelijk is bij grondroerende werkzaamheden. Verder geldt dat ingeval archeologische resten worden aangetroffen dit op grond van artikel 53 van de Monumentenwet onmiddellijk dient te worden gemeld aan de Minister van OC&W (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). 4.4.3
CONCLUSIE Met inachtneming van het onderzoek, advies en maatregelen in relatie tot de feitelijke uitvoering, vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de realisatie van onderhavige bouwplan.
21
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
4.5
Cultuurhistorie
4.5.1
WETTELIJK KADER Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, lid 5) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
4.5.2
ONDERZOEK De voorgenomen ontwikkeling heeft geen sloop of andere wijziging aan cultuurhistorisch waardevolle objecten en dergelijke tot gevolg. De beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden binnen bestaand bebouwd gebied waarvoor geen specifieke cultuurhistorische kenmerken gelden. Verder blijft de direct aangrenzende woonbebouwing, waarvan een deel als eerste bekende dorpsbebouwing op grond van het minuutplan 1832 en het object gesitueerd aan de Dorpstraat 27 als cultuurhistorisch monument worden aangemerkt, onaangetast. Deze blijven volledig behouden.
4.5.3
CONCLUSIE Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan en heeft geen invloed op kenmerkende cultuurhistorische elementen.
4.6
Water
4.6.1
WETTELIJK KADER Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het projectgebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.
4.6.2
ONDERZOEK Waterbeheer en watertoets Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Eventuele opmerkingen van de waterbeheerder worden meegenomen in de totstandkoming van de definitieve versie. Watertoets De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het beheer van het water-
22
Ruimtelijke onderbouwing ‘Wauwelhofje te Ritthem’ gemeente Vlissingen
systeem is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In onderstaande tabel wordt aangegeven, welke invloed de voorgenomen ontwikkeling heeft op de diverse wateraspecten. Deze aspecten zijn reeds met het waterschap besproken en akkoord bevonden. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
De ontwikkeling ligt niet binnen de keurzone van primaire of regionale waterkeringen. Omdat het bouwen van gebouwen buiten deze zones op grond van de Keur van het waterschap zonder meer is toegestaan, treedt geen strijdigheid met de beleidsregels van het waterschap op. De verharding neemt in de nieuwe situatie toe. Daarnaast wordt de bestaande greppel gedempt. In dat kader dient in relatie tot de ontwikkeling 150 m³ water te worden gecompenseerd. Deze compensatie wordt getroffen in het aanleggen van water ter plaatse van de parkeervakken binnen het projectgebied alsmede daarbuiten. Buiten het projectgebied zal de afname van waterberging worden gecompenseerd binnen hetzelfde peilgebied.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Het huishoudelijk afvalwater van het projectgebied wordt aangesloten op de omliggende buitenriolering via een gescheiden systeem voor vuil- en schoonwater. Ook de HWA-aansluitingen worden aangesloten op de gemeentelijke waterriolering.
Er wordt geen grondwater onttrokken. Regenwater kan worden afgevoerd naar omliggende oppervlaktewateren De beoogde ontwikkeling is niet nadelig voor de watervoorziening. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. De beoogde bebouwing leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde. Door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de omgeving. Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of natuurgebied. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de bodem en het grondwater verontreinigt. Ingrepen voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert. Er is in de bestaande als in de toekomstige situatie geen sprake van open water. Het aspect is derhalve niet relevant. Er worden geen watergerelateerde consequenties voor de volksgezondheid verwacht Het peilregiem van het projectgebied is afgestemd op bebouwd gebied.