3.3 rvs Verordenig Wmo en Jeugd bijlage 5 reactie op gevraagd advies
Tekst van het document
Adviesraad Wmo en Jeugd Postbus 3000 4380 GV Vlissingen
UW BRIEF VAN
UW KENMERK
ONS KENMERK
DATUM
26 augustus 2025
25-A3
262085 / 2755598
5 november 2025
BEHANDELD DOOR
BEZOEKADRES
TELEFOON
BIJLAGEN
I de Vries
Paul Krugerstraat 1
+31118729649
-
ONDERWERP
Uw advies over de Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026
Geachte leden van de Adviesraad Wmo en Jeugd, Op 26 augustus 2025 ontvingen wij uw advies over de Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026. Wij danken u hartelijk voor het compliment over de voorgelegde verordening en voor de gegeven adviezen. In deze brief ontvangt u onze reactie op uw adviezen.
Over uw advies over de integrale beoordeling en het niet slechts verwijzen naar andere instanties, maar juist het bieden van hulp om de ondersteuning bij andere instanties te verkrijgen, delen wij u het volgende mee: In de verschillende wetten binnen het sociaal domein is er geen wettelijke basis voor een integrale beoordeling. Om toch zo veel mogelijk integraal te werken is, net als in de huidige verordening, de integrale toegang en de afstemming op andere wet- en regelgeving opgenomen. Hiermee heeft een cliënt, een jeugdige en/of ouder(s) het recht op een integrale intake. Deze integrale intake moet, zoals ook is verwoord in de toelichting van de verordening, onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een onderzoek bij een melding/aanvraag voor jeugdhulp of maatschappelijk ondersteuning. Een integrale intake hoeft niet plaats te vinden als er een (meer) concrete ondersteuningsbehoefte is en duidelijk is binnen welk wettelijk kader een oplossing gevonden kan worden. Ten aanzien van het bieden van hulp aan een cliënt, jeugdige of ouder(s) voor het aanvragen van hulp bij andere instanties, is in artikel 2 zelfs een aanvulling opgenomen in de nieuwe verordening. In de huidige verordening staat in dit artikel alleen het bieden van hulp bij een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz).
In de nieuwe verordening is toegevoegd dat de cliënt, jeugdige en/of ouder(s) actief wordt ondersteund bij het verkrijgen van toegang
POSTBUS 3000, 4380 GV VLISSINGEN TELEFOON 0118-487000 EMAIL GEMEENTE@VLISSINGEN.NL FAX 0118-410218 IBAN: NL36BNGH0285008889 BIC: BNGHNL2G
tot de andere voorziening(en) en bij behoud van de continuïteit van hulp en ondersteuning.
Nu in het algemene deel (hoofdstuk 1) van de verordening is opgenomen dat een cliënt, jeugdige of ouder(s) bij het aanvragen van hulp, zorg of ondersteuning bij andere instanties, altijd geholpen kan worden vanuit de gemeente, is het niet noodzakelijk om dit nogmaals op te nemen in andere artikelen van de verordening, zoals in het door u genoemde artikel 14 lid 3 van de huidige verordening. Ditzelfde geldt voor het door u aangehaalde artikel 51. Zowel in het algemene deel (hoofdstuk 1) van de verordening als in hoofdstuk 2 over jeugdhulp en hoofdstuk 3 over maatschappelijke ondersteuning is de afstemming met andere instanties juist uitgebreid. Deze uitbreiding zorgt voor meer en vaker contact bij het maken en het met regelmaat actualiseren van onderlinge afspraken en bij het moeten afstemmen van de toe te kennen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning op hulp vanuit andere wet- en regelgeving. Dit staat echter los van plicht van het college om bij een ingediende aanvraag een eigen oordeel te vormen en te besluiten of en zo ja, voor welke jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning iemand in aanmerking komt.
Naar aanleiding van uw advies over artikel 3 over het betrekken van ingezetenen bij beleid, willen wij het volgende aan u opmerken: Het tweede lid van dit artikel betreft in tegenstelling tot wat u aangeeft geen kanbepaling. Dit lid heeft betrekking op de inspraakprocedure. Zo is de nieuwe verordening ook ter inzage gelegd zodat inwoners de mogelijkheid hebben om een inspraakreactie in te dienen. In het derde en vierde lid wordt uitvoering gegeven aan de Wet versterking participatie op decentraal niveau en dit is in lijn met de participatie- en inspraakverordening van Vlissingen. Gemeenten moeten inwonersparticipatie gaan regelen in alle fasen van beleid (voorbereiding, uitvoering en evaluatie). Dit kan op verschillende manieren plaatsvinden. Zo hebben ten behoeve van de nieuwe verordening consultatiesessies plaatsgevonden met Zeeuwse gemeenteraden en is er een Zeeuws participatietraject geweest met jeugdhulpaanbieders, beleidsmedewerkers en ervaringsdeskundigen. Voorts heeft het college een participatieplan vastgesteld voor het participatietraject ten behoeve van de verordening, die is doorlopen. Het derde en het vierde lid zijn inderdaad kan-bepalingen. De reden hiervan is dat het nog niet (volledig) is uitgewerkt en gerealiseerd en dat we de daadwerkelijke inrichting hiervan willen opnemen in de nadere regels (lid 5), zodra dit is vormgegeven.
Wij zullen u hierover informeren.
Inzake uw advies over de wijzigingen die plaatsvinden als een jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt, willen wij u het volgende meedelen: Om de overgang vanuit de Jeugdwet naar andere wet- en regelgeving voor een jeugdige die 18 jaar wordt te versoepelen, is er bewust gekozen om de jeugdhulpaanbieder een nadrukkelijke rol te geven voor het opstellen van een perspectiefplan. Een
Blad 2 behorend bij 2620859 / 2755598
jeugdhulpaanbieder heeft een intensiever contact met de jeugdige dan de gemeente. De jeugdhulpaanbieder moet hiermee aan de slag zodra de jeugdige 16 jaar wordt. Bovendien moet de jeugdhulpaanbieder niet alleen de jeugdige, maar ook de ouder(s) en het college betrekken bij het opstellen van het perspectiefplan. Het is dus pertinent niet de bedoeling dat er pas vanaf 17 jaar en 6 maanden wordt gewerkt aan een plan en een overgang. Er wordt in de nieuwe verordening net als in de huidige verordening gestart vanaf het moment dat de jeugdige 16 jaar wordt. Aangezien niet alleen de gemeente Vlissingen, maar alle Zeeuwse gemeenten gaan werken met een perspectiefplan, worden er met de gecontracteerde aanbieders afspraken gemaakt over doelen en resultaten, waaronder continuïteit van zorg en het bevorderen van de zelfredzaamheid van de jeugdige, zodat hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk is. Bij inzet van jeugdhulp door nietgecontracteerde aanbieders wordt de aanbieder schriftelijk wordt verzocht om een perspectiefplan op te stellen, waarin de vereisten, doelen en resultaten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van uw advies en het overleg dat u heeft gehad met de beleidsmedewerker over de verordening, passen we wel de leeftijd aan waarop het perspectiefplan gereed moet zijn. In plaats van 17 jaar en 6 maanden wordt de leeftijd van 17 jaar opgenomen.
Dit sluit ook beter aan bij artikel 52 lid 4 van de verordening, waarin een jeugdige met een perspectiefplan vanaf 17-jarige leeftijd een Wmo-melding kan doen.
Met betrekking tot uw advies over de vervoersvoorziening (artikel 16 lid 3 van de verordening) van en naar een locatie van een jeugdhulpaanbieder willen we het volgende meedelen: Het vervoer van en naar een locatie voor jeugdhulp valt primair onder de (financiële) verantwoordelijkheid van ouder(s) in het kader van gebruikelijke hulp, net als vervoer van en naar school, de huisarts of het ziekenhuis. Er is bewust gekozen om in de verordening uit te gaan van een enkele reis. De reden hiervan is dat per vervoersmoment bekeken wordt of ouder(s) zelf kunnen zorgen voor het vervoer. Zo kan het zijn dat ouder(s) de heenrit niet geregeld kunnen krijgen maar de terugrit wel zelf kunnen verzorgen in het kader van gebruikelijke hulp. Het college onderzoekt bij elke toekenning van jeugdhulp aan een jeugdige op basis van de individuele situatie van de jeugdige en van de ouder(s) of er vervoer nodig is en zo ja, op welke momenten wel en op welke momenten de ouders het zelf kunnen regelen. Met andere woorden: de noodzaak voor jeugdhulpvervoer wordt altijd tegelijkertijd beoordeeld met de aanvraag voor jeugdhulp. Het wel of niet assertief zijn heeft geen invloed op de toekenning van vervoer.
Over uw advies ten aanzien van het toetsen of een persoonsgebonden budget (pgb) toereikend is, merken wij het volgende op: Zowel in de Jeugdwet als in de Wmo is bepaald dat een pgb toereikend moet zijn om de jeugdhulp of ondersteuning te kunnen inkopen die nodig is. Op basis van jurisprudentie moet de gemeente zich ervan vergewissen of de jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning bij minimaal één aanbieder kan worden ingekocht. Dit mag een gecontracteerde aanbieder zijn.
Blad 3 behorend bij 2620859 / 2755598
Bij elke aanvraag voor een pgb maakt deze vergewisplicht standaard onderdeel uit van het onderzoek. Gemeenten mogen een pgb niet weigeren omdat het duurder is dan zorg in natura (ZIN), maar ze hoeven ook niet méér te betalen dan het ZIN-tarief. Het verschil mag de aanvrager zelf bijbetalen. Aangezien het al duidelijk is verankerd in de Jeugdwet en de Wmo, het bovendien in de toelichting is genoemd en het reeds deel uitmaakt van het onderzoek, zien wij geen reden om het ook nog op te nemen in de verordening zelf.
Naar aanleiding van uw advies over het weigeren of stoppen van een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening bij onvoldoende medewerking, willen wij het volgende aangeven: In artikel 41 en in artikel 73 van de de nieuwe verordening is in het eerste lid opgenomen dat de cliënt, huisgenoten, jeugdige en/of ouder(s) verplicht zijn om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan het onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning. Dit houdt in dat er, wanneer iemand niet of niet volledig meewerkt, een onderzoek moet plaatsvinden naar de mogelijkheden van iemand om mee te werken aan het onderzoek en aan de informatieplicht. Voorts is zowel artikel 41 lid 2 als artikel 73 lid 3 een zogenoemde kan-bepaling. Als de cliënt, huisgenoten, jeugdige en/of ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp of ondersteuning niet effectief. Het college kan besluiten geen voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende voorziening in te trekken. Een kan-bepaling geeft ruimte voor een afweging. Een afweging moet onderbouwd worden en dit kan uitsluitend op basis van een zorgvuldig onderzoek.
Op basis van het voorgaande achten wij het niet noodzakelijk om deze onderzoeksplicht in deze artikelen van de verordening expliciet op te nemen.
Ten aanzien van uw advies over de mantelzorgwaardering delen wij u het volgende mee: Er is bewust gekozen om de uitwerking van de mantelzorgwaardering in de nadere regels op te nemen. Nadere regels zijn eenvoudiger en binnen een kortere termijn aan te passen wanneer de gemeente Vlissingen de mantelzorgwaardering wil veranderen. Om deze reden volgen wij uw advies niet op.
Met betrekking tot uw advies over de was- en strijkservice, willen wij het volgende melden: Voor algemene voorzieningen is een lichte toets toegestaan. Volgens de Memorie van Toelichting Wmo 2015 en een factsheet van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een gemeente beleidsvrijheid om algemene voorzieningen in te richten voor een bepaalde doelgroep. Zoals het is nu is opgenomen in de verordening, geldt dat de algemene was- en strijkservice beschikbaar is voor personen die niet (meer) in staat zijn om zelf de was te doen. Het betreft dus geen algemene voorziening die voor iedere inwoner van de gemeente Vlissingen beschikbaar is.
Blad 4 behorend bij 2620859 / 2755598
Het is begrijpelijk dat Orionis Walcheren het op de website kadert door te benoemen dat de was- en strijkservice slechts bedoeld is voor Wmo-cliënten. Over het algemeen hebben inwoners met beperkingen bij het zelf verrichten van de wastaken veelal ook andere algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo.
Tot slot willen wij het volgende duidelijk maken naar aanleiding van uw mening dat er in de verordening in zijn algemeenheid te veel kan-bepalingen zijn opgenomen: De Wmo en de Jeugdwet gaan uit van individueel maatwerk. Dit betekent dat beide wetten zich niet lenen voor het ‘dichttimmeren’ en voor 'harde’ afwijsgronden. Zoals reeds is genoemd, biedt een kan-bepaling ruimte voor een individuele afweging en vergt het een zorgvuldig onderzoek. Bij de ontwikkeling en het opstellen van de verordening is zorgvuldig afgewogen of een artikel wel of niet een kan-bepaling moet zijn. Ter informatie wijzen wij erop dat de modelverordeningen van Schulinck en VNG ook veel kan-bepalingen bevatten. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Vlissingen, de secretaris, de burgemeester,
drs. R.D.A. Wiskerke drs. A.R.B. van den Tillaar
Blad 5 behorend bij 2620859 / 2755598