CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3 rvs Verklaring van geen bedenkingen herontwikkeling Crocuslaan eo bijlage 1 omgevingsvergunning Crocuslaan eo

Commissie Ruimte 5 oktober 2023, gemeente VlissingenBij agendapunt: RO-Procedure Crocuslaan (Verklaring Van Geen Bedenkingen)16.091 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Natuur Netwerk Nederland (NNN) De werkzaamheden vinden enkel plaats buiten NNN gebied Binnendijken (nieuw) en niet plaats in gebieden die vallen onder het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en/of de bijbehorende afwegingszone van 100 meter. Effecten van de voorgenomen ingreep op gebieden die aangewezen zijn als NNN (Binnendijken en Venebabos en Rammekenshoek kunnen hierdoor op voorhand worden uitgesloten.

Toetsing soortbescherming Planten Wegens het ontbreken van beschermde planten kunnen effecten op planten op voorhand worden uitgesloten. De ingreep heeft daarom geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van strikt beschermde planten.

Ongewervelden Het projectgebied heeft geen betekenis voor strikt beschermde ongewervelden. De intensief beheerde bermen en tuinen waarin de werkzaamheden zijn voorzien vormen geen geschikt leefgebied. De ingreep heeft daarom geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van strikt beschermde ongewervelden.

28

Vissen Het projectgebied heeft geen betekenis voor strikt beschermde soorten vissen. De ingreep heeft daarom geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van strikt beschermde soorten vissen.

Amfibieën Het projectgebied heeft voor zover bekend geen betekenis voor de strikt beschermde rugstreeppad. Geadviseerd wordt om aanwezigheid van deze soort op basis van het luisteren naar aan/afwezigheid van koorroep tijdens het nader vleermuisonderzoek deze soort aan te tonen danwel onderbouwd te kunnen uitsluiten.

Reptielen Het projectgebied heeft geen betekenis voor strikt beschermde soorten reptielen. De ingreep heeft daarom geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van strikt beschermde soorten reptielen.

Grondgebonden zoogdieren Het eventueel voorkomen van hermelijn en wezel (ter plaatse van het projectgebied) is onaannemelijk) aangezien het een bestaande woonwijk zonder rust en voldoende dekking betreft. De ingreep heeft daarom geen invloed op de gunstige staat van instandhouding op de beschermde kleine marterachtigen. De ingreep kan wel leiden tot verstoring van verblijfplaatsen van algemeen voorkomende kleine grondgebonden zoogdieren van nationaal beschermde soorten, zoals veldmuis, bosmuis, egel etc.. Hiermee kunnen verbodsbepalingen worden overtreden voor deze soorten. Voor betreffende nationaal beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling voor overtreding van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen. Er is voor deze soorten dus geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van de genoemde soorten, omdat de ingreep relatief beperkt is en het aantal dieren dat hiermee gemoeid is bijzonder klein is. De ingreep heeft daarom geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van grondgebonden zoogdieren.

Vleermuizen Aangezien er ten behoeve van deze werkzaamheden mogelijk renovatiewerk of sloop plaatsvindt op plaatsen waar mogelijke verblijfplaatsen aanwezig zijn is nader onderzoek naar vleermuizen nodig om eventuele effecten nader te beoordelen. Indien als gevolg van de werkzaamheden worden verblijfplaatsen aangetast of een vliegroute wordt onderbroken wordt is het noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen en een ontheffing Wet natuurbescherming soortbescherming aan te vragen. Hierbij is het van belang om vooraf gericht onderzoek te hebben verricht en aan te kunnen tonen dat de voorgenomen ingreep plaatsvindt vanwege een wettelijk belang. De ingreep heeft mogelijk invloed op de gunstige staat van instandhouding van strikt beschermde soorten vleermuizen (met name eventuele verblijfplaatsen in de woningen (onder pannen, boeiboorden, spouwmuren etc.) hierdoor is nader onderzoek volgens het vleermuisprotocol 2017 noodzakelijk. Een andere mogelijk effect wordt gevormd op drastische aanpassingen in het

29

verlichtingsplan en groenstructuren waarbij de huidige verlichting wordt verwijderd en lantaarns en lichtpunten op andere locaties (en gericht op groenstructuren en naar boven) wordt gerealiseerd.

Vogels Ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden kunnen beschermde functies van jaarrond beschermde soorten (nesten of schuilplaats) kunnen zijn. De ingreep heeft hierdoor mogelijk invloed op de gunstige staat van instandhouding van jaarrond beschermde vogels. Om dit te kunnen beoordelen (uitsluiten) is nader onderzoek (volgens de kennisdocumenten van Bij12) naar aanwezigheid van jaarrond beschermde vogels noodzakelijk. Ook kunnen vogels in algemene zin tot broeden komen in de aangrenzende beplanting/vegetatie. Door de werkzaamheden buiten het kwetsbare broedseizoen uit te voeren (dus niet tussen 15 maart en 15 augustus) kunnen effecten op algemene broedvogels worden voorkomen. Het nader onderzoek moet uitwijzen of de voorgenomen plannen (nadere uitwerking hiervan) effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Vervolgens kan worden beoordeel of en hoe eventuele effecten zo beperkt mogelijk kunnen worden gehouden.

Nader onderzoek vleermuizen en overige jaarrond beschermde soorten Uit de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming blijkt dat diverse beschermde soorten in het projectgebied en omgeving kunnen voorkomen. In dit kader is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid, gebruik en eventuele functies van vleermuizen, jaarrond beschermde huismus, gierzwaluw en eventuele overige fauna in het projectgebied in kaart te brengen. Daarnaast is gekeken naar aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of essentieel foerageergebied, deze worden niet verwacht maar dit is bij de veldonderzoeken wel meegenomen. Het volledige onderzoeksrapport is in bijlage 9 toegevoegd aan de ruimtelijke onderbouwing, hieronder volgen de belangrijkste conclusies.

Vleermuizen In en nabij het projectgebied is de aanwezigheid van drie vleermuissoorten aangetroffen; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, en een enkele opname van vermoedelijk rosse vleermuis. De gewone dwergvleermuis is een vooral object/gebouw bewonende soort. Voor deze soort zijn in het projectgebied tijdens de veldbezoeken ook zomer- danwel paarverblijfplaatsen (totaal 9 stuks) aangetroffen. Een grootschalige zomer-/kraamverblijf binnen het projectgebied is niet aangetroffen, ook zijn er geen waarnemingen gedaan (sociale geluiden en/of grote aantallen foeragerende exemplaren) die op een dergelijk verblijf in of in de directe omgeving van het projectgebied kunnen duiden. Ook is de aanwezigheid van een (massa)winterverblijf niet aangetoond. Signalen en kenmerken van de bebouwing binnen het projectgebied als (massa)winterverblijfplaats zijn niet waargenomen. Mogelijk worden de wel aangetoond verblijfplaatsen wel (deels) in milde winters als verblijfplaats gebruikt. Ook buiten het projectgebied zijn enkele verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetoond. De overige waargenomen vleermuissoorten zijn vooral langs- en overvliegend en zonder binding met het projectgebied waargenomen. Binnen het projectgebied zijn geen essentiele vliegroutes, of essentieel foerageergebied voor grotere aantallen vleermuizen aanwezig.

Wel wordt er door (maximaal een/ enkele exemplaar per keer) diffuus door het projectgebied boven het groen van de tuinen gefoerageerd.

30

Jaarrond beschermde vogels Binnen het projectgebied zijn beschermde functies voor huismus waargenomen. Zowel broedplaatsen (26 stuks) als essentieel groen (als kwetterplek /rustplaats). De huismus is ook met diverse nestlocaties buiten het projectgebied aanwezig: deze functies blijven tijdens en na het planvoornemen aanwezig. Wel is tijdens de veldbezoeken opgevallen dat het groen van de tuinen (m.n. aan de zuiden oostzijde) van het projectgebied ook essentieel groen is voor nestplaatsen van net buiten het projectgebied. Met het verdwijnen van dit groen komen ook de broedplaatsen buiten het projectgebied onder druk te staan. Hiervoor is het noodzakelijk om in de fasering en mitigatie en compensatie aandacht voor te houden om te voorkomen dat ook broedplaatsen buiten het projectgebied als gevolg van de werkzaamheden binnen het projectgebied indirect verloren gaan. Binnen het projectgebied zijn daarnaast drie gierzwaluwnestlocaties aanwezig. Buiten het projectgebied zijn in grotere maten vermoedelijke nestlocaties aanwezig.

Overige soorten Binnen het projectgebied zijn ter plaatse van de woningen enkele spreeuwennestlocaties aanwezig. Ook zijn op diverse plaatsen kauwen actief (eveneens vermoedelijke nestlocaties). Daarnaast zijn binnen het projectgebied algemene broedvogels aanwezig (veel groen, relatief veel algemene broedvogels zoals, merel, turkse tortel, houtduif, roodborst etc. Verder zijn enkele egels in het projectgebied waargenomen.

Conclusie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het noodzakelijk om een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming aan te vragen, voor de soorten: gewone dwergvleermuis; huismus; en gierzwaluw. Voor zowel het mogen vernietigingen van (in ieder geval diverse) verblijf- en broedplaatsen, en (in het geval van de gewone dwergvleermuis) verstoren van exemplaren. En voor huismus eveneens (mogelijk) voor het verwijderen van essentieel groen. Voor overige vleermuissoorten zijn in 2020/2021 geen beschermde functies binnen het projectgebied aangetoond. Wel zijn enkele van deze soorten (vermoedelijk) in de omgeving van het projectgebied aanwezig. Met het planvoornemen gaan echter geen beschermde functies verloren. Om de weg te vallen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en nestplaatsen van huismus en gierzwaluw, en essentieel groen voor huismus, als dit verdwijnt, te compenseren dienen alternatieve verblijf- nestplaatsen en alternatief groen te worden gerealiseerd. Ook zijn tijdelijke verblijfplaatsen/nestplaatsen noodzakelijk. De compensatie wordt bij voorkeur binnen het projectgebied gerealiseerd. Tijdelijke compensatie kan deels binnen en deels buiten het projectgebied plaatsvinden (ook om het element verstoring tijdens bouw/renovatiewerkzaamheden) voldoende mee te nemen.

Verder dient tijdens de werkzaamheden gelet te worden op algemene (niet jaarrond beschermde) vogels. Hoewel een ontheffing Wet natuurbescherming soortbescherming niet aan de orde is, dient wel voorkomen te worden dat nesten en jongen beschadigd/vernietigd raken. Hiervoor dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, danwel onder ecologische begeleiding maatregelen te worden genomen om broeden van deze algemene broedvogels te voorkomen.

31

Let op; hierbij dient ook aandacht te worden besteed aan de combinatie met jaarrond beschermde vogels waardoor deze werkzaamheden (vermoedelijk) enkele kunnen worden uitgevoerd na het ontvangen van een ontheffing voor de bovengenoemde soorten. Een op detail uitgewerkt activiteitenplan (waarin de fasering/planning is opgenomen) kan hierin voorzien.

4.5

Stikstofdepositie

Op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De juridische basis voor de Wet natuurbescherming zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelen bepaald. Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan. Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden.

Indien een bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee het initiatief niet tot significante negatieve effecten kan leiden.

Beoordeling Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd van zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase. De volledige berekeningen en bijbehorende rapportage is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als bijlage 10. Hieronder volgt een korte samenvatting met de belangrijkste resultaten en conclusies. Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van 0,9 kilometer van het projectgebied is wel het Natura 2000-gebieden 'Westerschelde & Saeftinghe' aanwezig waar stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn. Op circa 10,9 kilometer afstand ligt tevens het Natura 2000-gebied 'Veerse Meer', op 11,5 kilometer afstand het Natura 2000-gebied 'Vlakte van de Raan', op circa 12,6 km afstand het Natura 2000-gebied 'Voordelta' en op circa 13 kilometer afstand het Natura 2000-gebied 'Manteling van Walcheren'. Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase van het plan de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000-gebieden.

Conclusie Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

32

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies kan de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij de ontwikkeling van milieugevoelige functies in de directe omgeving van bedrijfsfuncties en bij de vestiging of uitbreiding van (nieuwe) bedrijfsfuncties in de directe omgeving van gevoelige functies. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt informatie gegeven over de gemiddelde milieubelasting van verschillende typen bedrijfsfuncties en -activiteiten, waarbij deze zijn ingedeeld in verschillende milieucategorieën. De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de minimale afstand die tussen de milieubelastende- en milieugevoelige functies moet worden aangehouden, als gevolg van hinder in de vorm van geur, stof, geluid en of gevaar. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen is echter sprake van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een ontsluitingsweg ligt of een gebied in het buitengebied met meerdere functies. De afstanden tot de milieucategorieën zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Milieu categorie

Richtafstand tot 'rustige woonwijk' 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 15000 Tabel 4.1 Richtafstanden VNG-publicatie

Richtafstand tot 'gemengd gebied' 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000

Beoordeling Onderhavig projectgebied is gelegen binnen de Bloemenbuurt van Vlissingen. Hoewel de wijk hoofdzakelijk bestaat uit grondgebonden woningen zijn er wel enkele maatschappelijke voorzieningen binnen de wijk gevestigd die passen binnen een woonomgeving. De omgeving van het projectgebied kan derhalve worden aangeduid als een 'rustige woonwijk'. Binnen de wijk zijn verder geen milieubelastende functies aanwezig die kunnen leiden tot geur-, stof-, geluid- en/of gevaar hinder op de omliggende woningen. Ter plaats van het projectgebied wordt derhalve geen onevenredige hinder van omliggende functies verwacht en kan er worden aangenomen dat hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderhavig voornemen voorziet niet in de realisatie van nieuwe milieugevoelige functies, maar wel in een vervangingsopgave. Het voornemen omvat de sloop van de reeds bestaande 143 woningen, waarvoor in de plaats 137 nieuwe grondgebonden woningen zullen worden gebouwd. Het planvoornemen voorziet daarmee niet in een functieverandering van het projectgebied of het toevoegen van andere functies dan wonen. De realisatie van het voorgenomen plan zal dan ook niet leiden tot belemmeringen en/of milieuhinder op omliggende functies.

Conclusie

33

Ervan uitgaande dat ter plaatse reeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de realisatie van het projectgebied niet zal leiden tot belemmeringen en/of milieuhinder op omliggende functies, kan er worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden.

4.7.1

Archeologie

Op basis van de beheersverordening "Middengebied" is het projectgebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn de gronden mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de op of in de grond aanwezige of te verwachte archeologische waarden. Op basis van de planregels behorende bij deze dubbelbestemming geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 vierkante meter én dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Tevens is ook het ophogen van het terrein met meer de 0,40 meter verboden. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Omdat met de geplande herinrichting de vrijstellingsgrenzen worden overschreden dient in het kader van de benodigde omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. Een archeologisch vooronderzoek bestaat in de Provincie Zeeland standaard uit een archeologisch bureauonderzoek aangevuld met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

In 2003 is echter in het kader van een bestemmingsplanwijziging voor het 'Middengebied' een standaard archeologische inventarisatie uitgevoerd. Het huidige projectgebied maakte hiervan deel uit. Dit betekent dat voor het huidige projectgebied geen bureauonderzoek moet worden opgesteld en dat kan worden volstaan met het opstellen van een verwachtingsmodel voor het projectgebied, gebaseerd op het eerder uitgevoerde onderzoek, aangevuld met gebiedseigen informatie (bijv. bekende verstoringen van de bodem). Deze aanpak is afgestemd met de bevoegde overheid. Het opgestelde archeologische verwachtingsmodel wordt getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

Inventariserend veldonderzoek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is ter plaatse van het projectgebied een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 11 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek kan gesteld worden dat binnen het projectgebied de basis van de boorprofielen gevormd wordt door wadvlakteafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Deze zijn aangetroffen op een diepte tussen 2,72 en 3,45 m -NAP (2,52 en 3,1 m –mv). Daarbovenop heeft zich Hollandveen ontwikkeld dat echter nergens intact is aangetroffen maar sterk is aangetast door erosie en/of moernering. De bovenzijde is vastgesteld tussen 1,79 en 3,14 m -NAP (1,45 en 2,9 m -mv). Het veenlandschap is afgedekt door kleiige poelafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze zijn echter in het overgrote deel van het projectgebied vergraven bij het moerneringsactiviteiten waarbij het veen werd ontgonnen ten behoeve van

34

zoutwinning/brandstof. In het centraal noordelijk deel van het projectgebied worden de poelafzettingen doorsneden door een kreek(bedding) met een zuidwestelijke-noordoostelijke oriëntatie. Het Laagpakket van Walcheren is in het gehele projectgebied afgedekt met een antropogeen pakket. Dit pakket is deels opgebracht maar bestaat ook deels uit vergraven bodem. In het geval het Laagpakket van Wierden, vanwege de grote diepteligging buiten beschouwing wordt gelaten, dan geldt binnen het projectgebied enkel voor het centraal noordelijke deel van het projectgebied nog een lage tot middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen (uit de middeleeuwen). Hierbij dient opgemerkt dat vindplaatsen in de top van de kreekrug kunnen worden verwacht en het gebied door de aanwezige bebouwing, infrastructuur en kabels en leidingen reeds (deels) is verstoord. Omdat nog niet bekend is waar, en tot welke diepte de bodem in de toekomst verstoord gaat worden is nog geen gedetailleerd advies gebaseerd op de specifieke planvorming te formuleren. Desondanks kan wel gesteld worden dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is bij eventuele renovatie van de woningen omdat daarbij de bodem niet of slechts minimaal zal worden geroerd.

Mocht gekozen worden voor vervangende nieuwbouw (grotendeels binnen de contouren van de bestaande bebouwing) dan wordt ook geadviseerd, in het licht van de bestaande verstoringen, geen vervolgonderzoek uit te voeren. Aanvullend kan gesteld worden dat slechts bij een grootschalige reconversie van de wijk, bijvoorbeeld volledige nieuwe inplanting van de infrastructuur en de woonblokken, overwogen kan worden om vervolgonderzoek uit te voeren. Gezien de schaalgrootte zou dit dan het overwegen waard zijn om volledig uit te kunnen sluiten (of bevestigen) dat de (geen) (onverstoorde) vindplaatsen aanwezig zijn. Conform de AMZ-cyclus (Archeologische Monumenten Zorg cyclus) zou een dergelijk vervolgonderzoek dienen te bestaan uit een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven.

Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten van het inventariserend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat bij vervangende nieuwbouw de uitvoering van een vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Het aspect archeologie vormt derhalve ook geen verdere belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7.2

Cultuurhistorie

Op basis van de beheersverordening 'Middengebied' is het merendeel van de woningen binnen het projectgebied tevens voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. Deze aanduiding is bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, zoals deze zijn beschreven in de toelichting bij de verordening. Hierin is het volgende aangegeven:

"Woningbouwcomplex Tuinstad (1919) Woningbouwcomplex van de voormalige corporatie Gemeenschappelijk Belang. Ontwerp 1919 van architecten Dijkstra en Haamers uit Vlissingen. Een gedeelte van het complex (Geraniumlaan en Acacialaan) is wegens oorlogsschade afgebroken en vervangen door portiekwoningen. Het complex is stedenbouwkundig opgezet volgens het oorspronkelijk Engels tuinstad-idee. Dit komt tot uitdrukking in de speelse plaatsing van de bouwblokken, gebogen rooilijnen en ruime voor- en achtertuinen. Het complex woningen inclusief de voortuinen bepaald het kenmerkende beeld van een tuinstad-buurt. De woningen hebben een traditioneel/zakelijke architectuur. Oorspronkelijk met donkere bakstenen gevels, en daken van rode en grijs gesmoorde keramische dakpannen. Bij een renovatie zijn de daken en vensters vervangen door rode betonstenen pannen resp. kunststof ramen. Er zijn ca. 8 typen woningen met zadeldaken en mansardekappen. In de

35

topgevels zijn de baksteen-ornamenten bewaard gebleven. De oorspronkelijke geprofileerde goten zijn eveneens vervangen. De beeldwaarde wordt vooral bepaald door de massa's dakvorm, stedenbouwkundige aanleg en groen karakter van de buurt."

Cultuurhistorisch onderzoek Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling van het projectgebied is een onderzoek verricht naar de cultuurhistorische waarde van de wijk Tuinstad, waar onderhavig projectgebied deel van uitmaakt, en naar de gevolgen op deze waarden van de beoogde herontwikkeling. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 12 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Hieronder volgen de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek.

Cultuurhistorische waarde De belangrijkste cultuurhistorische waarde van de wijk Tuinstad is de ambitie van zowel de vereniging als de gemeente om door middel van dit type woningbouw een verbetering in sociale en leefomstandigheden te creëren voor arbeiders. Deze manier van denken sluit nauw aan bij ontwikkelingen aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, betreffende sociale woningbouw.

Stedenbouwkundige waarde De belangrijkste stedenbouwkundige waarden van de Tuinstad zijn de speelse plaatsing van bouwblokken, de variatie in formaat en richting van verschillende bouwblokken en de aanwezigheid van het vele groen. Ook het forse formaat van de achtertuin refereert naar het tuindorpideaal waarbij elke huishouding beschikking moest hebben over een eigen moestuin.

Architectuurhistorische waarde De wijk Tuinstad heeft enige architectuurhistorische waarde. De bouwstijl van de wijk Tuinstad is vrij sober met weinig detaillering. De bouwstijl vertoont kenmerken van het traditionele bouwen, zonder daarin heel uitgesproken te zijn. Er kan dan ook niet echt van een ambachtelijke stijl gesproken worden. De eenlaagse bouwvolumes uit de eerste bouwfase sluiten aan bij het tuinstadconcept waarbij een 'dorpse' sfeer nagestreefd wordt. Kenmerkend en bijzonder aan deze wijk is de toepassing van betrekkelijk veel verschillende bouwvolumes die niet aansluiten op dezelfde rooilijn. De bouwvolumes uit de tweede bouwfase passen niet in het tuinstadconcept. Zo bestaan deze bouwvolumes uit twee bouwlagen, zonder variatie; daarnaast zijn de bouwvolumes op dezelfde rooilijn geplaatst.

Zeldzaamheid Tuinstad Vlissingen kan in landelijke context niet als zeldzaam omschreven worden.

Gaafheid Oorlogsschade en ingrijpende renovaties hebben de gaafheid van de wijk Tuinstad ernstig aangetast.

Ensemblewaarde

36

Binnen het oeuvre van de betreffende architecten neemt de wijk Tuinstad geen bijzondere plaats in. Ook in de samenhang met omliggende wijken is er geen sprake van grote ensemblewaarde.

Conclusie Op basis van het cultuurhistorisch onderzoek is beoordeeld dat het projectgebied een beperkte cultuurhistorische waarde heeft. De voorgenomen herontwikkeling van het projectgebied zal daarbij niet leiden tot een aantasting van cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt verder geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het projectgebied. In zowel de stedenbouwkundige opzet als architectuur van de voorgenomen herontwikkeling zal daarnaast worden gerefereerd aan het tuindorpconcept.

4.8

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De beoogde woonfunctie betreft een kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor de inventarisatie van de risico's op kwetsbare objecten als gevolg van gevaarlijke stoffen kan de Nederlandse risicokaart gebruikt worden. Hiervan is hieronder een uitsnede weergegeven.

37

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (locatie projectgebied is blauw omlijnd)

Beoordeling Onderhavig initiatief omvat de sloop van 143 woningen waarvoor in de plaats 137 nieuwe woningen worden gebouwd. De ontwikkeling van het initiatief zal daarmee naar alle waarschijnlijkheid niet leiden tot een toename van het aantal personen binnen dit gebied. Als gevolg van de ontwikkeling van het projectgebied is de kans op een toename van het groepsrisico derhalve nihil. Een berekening van het groepsrisico kan daarmee in alle gevallen achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn wel alle risicobronnen in de omgeving van het projectgebied beoordeeld.

Risicovolle inrichtingen Nabij het projectgebied (<200 meter) zijn geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig, een berekening van het groepsrisico is derhalve niet van toepassing.

Buisleidingen Ten noordoosten van het projectgebied is een gasleiding van de Gasunie aanwezig. De afstand tot deze buisleiding is dusdanig groot (ruim 930 meter) dat het projectgebied niet binnen de invloedsfeer van deze leiding is gelegen.

Rijksweg A58 De rijksweg A58 (wegvaknummer: Ze4) is gelegen op circa 1,5 kilometer afstand van het projectgebied. Het projectgebied is daarmee niet gelegen binnen de 200 meter plaatsgebonden risicocontour van deze transportroute van gevaarlijke stoffen. Als gevolg van stofcategorie GF3 bedraagt het maximale invloedsgebied van de A58 355 meter. Het invloedsgebied is derhalve niet van toepassing op onderhavig projectgebied.

Westerschelde Het projectgebied is niet gelegen binnen het plaatsgebonden risicocontour van de Westerschelde waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een berekening van het groepsrisico kan derhalve achterwege blijven. Het invloedsgebied van deze vaarroute is wel van toepassing op het projectgebied. In de 'Actualisatiestudie 2011 risico's transport gevaarlijke stoffen Westerschelde en prognoses 2015-2030', uitgevoerd door De Norkske Veritas (DNV), is bepaald dat het invloedsgebied van de Westerschelde 2.887 meter betreft. Het toxische invloedsgebied (scenario toxische wolk) is 2.333 meter. Het projectgebied is gelegen binnen beide invloedsgebieden. Volgens het Bevt moet in dat geval worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking.

38

Figuur 4.2 Plaatsgebonden risicocontouren Westerschelde 2030 (locatie projectgebied aangeduid met blauwe stip)

Verantwoording groepsrisico Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid van personen bij rampen en zware ongevallen heeft betrekking op de mogelijkheid van personen zichzelf en anderen in veiligheid te brengen. De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven. De voorgestane ontwikkeling voorziet niet specifiek in de realisatie van een functie voor verminderd zelfredzame personen. Er kunnen zowel zelfredzame personen als minder zelfredzame personen aanwezig zijn. Vanuit de mogelijke ongevalscenario’s met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde, zijn de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en ook de vereisten die hier aan zouden kunnen worden gekoppeld, zeer beperkt. De grootste bedreiging wordt gevormd door een grote ontsnapping van brandbaar gas, gevolgd door een wolkbrand of een gaswolkexplosie. In beide gevallen zal het ongeval binnen relatief korte tijd na het initiële ongeval tot schadelijke effecten in het projectgebied kunnen leiden. Deze tijd is onvoldoende voor een snelle alarmering en duidelijke instructies voor de aanwezigen.

De locatie wordt volledig gedekt door een Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (sirenepaal). De aanwezigen in het projectgebied kunnen dan ook tijdig worden gewaarschuwd bij een ongeval. Het is in dit kader noodzakelijk dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie in de woningen handmatig kunnen worden uitgeschakeld. Extra investeringen in vluchtwegen leveren geen bijdrage voor de beperking van het aantal slachtoffers ten gevolge van de eerste "klap". Wel zal het daarna ook nog noodzakelijk zijn om het gebied te ontruimen, gewonden op te vangen en secundaire branden te blussen. De locatie is voorzien van een goede verkeersontsluiting. Hulpverleningsdiensten kunnen snel ter plaatse zijn om het potentiële schadegebied snel te ontruimen. Verder zijn er voldoende vluchtmogelijkheden om het gebied te verlaten. Dit komt de zelfredzaamheid en beheersbaarheid bij een calamiteit ten goede. Gezien het bovenstaande kan dan ook geconcludeerd worden dat er zich geen onaanvaardbare knelpunten voordoen ten aanzien

39

van de aspecten 'zelfredzaamheid', 'ontvluchting' en 'bereikbaarheid'.

Beheersbaarheid en resteffect Ongevallen met ammoniak en brandbare stoffen kunnen tot grote slachtofferaantallen leiden. De mogelijkheden van de hulpverleningsdiensten om deze ongevallen te bestrijden zijn beperkt. Bij ongevallen met toxische stoffen is het van belang, dat de alarmering snel verloopt en dat er snel voor wordt gekozen om de aanwezige personen te waarschuwen met het advies: ramen en deuren en ventilatieopeningen sluiten. Daarbij is het tevens van belang dat de brandweer snel ter plaatse van het ongeval is om een inschatting te maken van de situatie. Het vrijkomen van een brandbaar gas dat vertraagd ontstoken wordt, heeft warmtestraling en eventueel drukeffecten tot gevolg. Door de vertraagde ontsteking kan de wolk zich verspreiden wat indien de wolk zich richting Vlissingen verspreidt, kan leiden tot een grote toename van het aantal slachtoffers. De mogelijkheden voor de hulpverleningsdiensten zijn beperkt. Detectie en alarmering heeft hierbij minder effect dan bij ammoniak aangezien het advies dat gegeven moet worden niet op voorhand duidelijk is, omdat het (vrijwel) niet te voorspellen is of een wolkbrand of wolkexplosie op zal treden. Personen die zich inpandig bevinden, worden in grote mate beschermd tegen warmtestraling.

Bij het optreden van drukeffecten kan bij inpandig verblijf echter ook tot extra gewonden of zelfs doden leiden (als gebouwen instorten, of door brokstukken, gesprongen ramen). Met de huidige middelen is het voor de hulpverleningsdiensten niet mogelijk om de effecten van een wolkbrand of wolkexplosie te voorkomen.

Conclusie De mogelijkheden van de hulpverlening om de gevolgen te beperken die worden veroorzaakt door een ongeval op de Westerschelde zijn zeer beperkt. Met name bij de ongevallen met brandbare gassen kunnen honderden slachtoffers vallen. De ontwikkelingstijd hiervan is zo snel dat er onvoldoende tijd is om met repressief optreden de gevolgen te beperken. Tevens zijn ongevallen met ammoniak van belang. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan het noodzakelijk zijn om grote delen van Vlissingen te alarmeren en te instrueren om ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Dit vereist een zeer snel handelen van de hulpverleningsdiensten. Vereiste daarbij is uiteraard dat de hulpverleningsdiensten zelf ook snel gealarmeerd zijn. De hulpdiensten zijn in Zeeland op het overgrote deel van de rampen voorbereid. Echter bij een bepaald soort rampen zal de hulpverleningscapaciteit niet toereikend zijn. Het schadebeeld, dat bij deze rampen op kan treden vergt meer van de hulpverleningsdiensten dan waar zij toe uitgerust zijn. De onderhavige ontwikkeling is echter dermate gering, dat dit bij een dergelijke calamiteit niet of nauwelijks bijdraagt aan een toename van het aantal gewonden. Dit neemt niet weg dat hulpverleningsdiensten bij een worst case scenario onvoldoende in staat zijn te voldoen aan de hulpvraag.

Afweging Het belang dat gemoeid is met de beoogde ontwikkeling op de onderhavige locatie, moet afgewogen worden tegen de toename van het groepsrisico. Indien zich een calamiteit voordoet, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, kunnen de gevolgen groot zijn. Echter, gezien de relatief grote mate van zelfredzaamheid van de aanwezige personen en de beheersbaarheid (zoals hiervoor beschreven), in combinatie met de zeer geringe wijziging van het groepsrisico en de zeer kleine kans op een calamiteit, wordt dit niet gezien als een belemmering voor de realisering van het project.

40

Conclusie Ter plaatse van het projectgebied gelden geen belemmeringen met betrekking tot externe veiligheid. Als gevolg van de ligging binnen het invloedsgebied van de Westerschelde is het groepsrisico verantwoord. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.9

Ontplofbare oorlogsresten

Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.

Beoordeling De gemeente Vlissingen heeft in 2022 onderzoek laten uitvoeren naar de verwachtingswaarden van ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog ter plaatse van de Bloemenbuurt. Uit het onderzoek is een rapport opgesteld waarin voor alle betrokkenen duidelijk wordt uitgelegd of er bij de werkzaamheden in het onderzoeksgebied met betrekking tot eventueel achtergebleven ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog beheersmaatregelen nodig zijn. Het onderzoeksrapport is als bijlage 13 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat binnen de Bloemenbuurt verdachte gebieden liggen voor blindgangers van geallieerde vliegtuigbommen (kaliber van 250 - 1.000 lb.). De ondergrens van het verdachte gebied is vastgesteld op 11,3 meter onder maaiveld. In het hele verdachte gebied geldt een onverdachte bovenlaag van 0,5 meter en plaatselijk van 1 meter. Om te voorkomen dat eventuele blindgangers met forse kracht worden getoucheerd, wordt bij grondroerende werkzaamheden binnen verdacht gebied, waarbij gebruik wordt gemaakt van graafmachines, het vooraf opsporen en eventueel verwijderen van vliegtuigbommen geadviseerd. De kaart in onderstaand figuur toont de ligging en afbakening van de verwachtingsgebieden van afwerpmunitie uit de Tweede Wereldoorlog.

41

Figuur 4.3 Verwachtingsgebieden voor afwerpmunitie (projectgebied is blauw omlijnd)

Op basis van bovenstaande kaart is te zien dat specifiek ter plaatse van onderhavig projectgebied geen verwachtingsgebieden voor afwerpmunitie uit de Tweede Wereldoorlog zijn opgenomen. In onverdacht gebied (of in een onverdachte bovenlaag) kan worden volstaan met het hanteren van het 'Protocol onverwachts aantreffen ontplofbare oorlogsresten'. Werknemers dienen hierover vooraf te worden geïnformeerd.

Conclusie Ter plaatse van het projectgebied gelden geen verwachtingsgebieden voor ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen verdere belemmering voor de beoogde herontwikkeling van het projectgebied.

4.10

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan de maximum toegestane grenswaarden. Hieronder vallen onder andere woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen. Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 en NO2.

Beoordeling Niet in betekenende mate (NIBM)

42

Onderhavig planvoornemen omvat de sloop van de 143 woningen en vervangende nieuwbouw van 137 grondgebonden woningen. Het planvoornemen behoort vanwege de relatief beperkte omvang tot de categorie van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3% grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven.

Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het RIVM is daartoe bepaald wat de totale concentraties zijn nabij het projectgebied (rekenpunten langs de A4 op circa 470 meter ten oosten van het projectgebied). De toetsresultaten ter plaatse van de rekenpunten, alsmede de bijbehorende grenswaarden, zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 4.2 Concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het projectgebied (bron: cimlk.nl)

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de concentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied ruim onder de grenswaarden blijven. Derhalve kan er ter plaatse van het projectgebied worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. Aan de hand van de Schone lucht Kaarten van het RIVM is de blootstelling aan luchtverontreiniging ter plaatse van het projectgebied in kaart gebracht. Ter plaatse van het projectgebied worden de grenswaarden voor roet, fijnstof en stikstofdioxide niet overschreden. Er derhalve worden geconcludeerd dat er ten aanzien van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

43

Figuur 4.4 Uitsneden Schone Lucht Kaarten RIVM (bron: Atlas Leefomgeving)

Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van de het plan 'niet in betekende mate' is en derhalve geen nader onderzoek benodigd is. Tevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.11

M.e.r.-beoordeling

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Beoordeling en conclusie De activiteit die met de ruimtelijke onderbouwing mogelijk wordt gemaakt, is de sloop van 143 woningen en vervangende nieuwbouw van 137 grondgebonden woningen.

Deze activiteit valt niet onder onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage, dus er is geen milieueffectrapportage verplicht. De activiteit valt wel binnen onderdeel D (D11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). De activiteit blijft wel ruimschoots onder de drempelwaarden:

44

Oppervlakte van 100 hectare of meer; Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiervoor is een aanmeldnotitie opgesteld. De m.e.r.-aanmeldnotitie is als bijlage 14 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke onderbouwing en gaat in op de volgende aspecten: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis van de aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). Het besluit m.e.r.-beoordeling is een separate procedure en dient genomen te worden alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld.

45

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

Beoordeling en conclusie Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Participatie

Participatie wordt een belangrijke pijler onder de toekomstige Omgevingswet. Derden moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling heeft l'escaut als initiatiefnemer ervoor gekozen om de bewoners vanaf het begin mee te nemen in het proces. Een open planproces waarbij intensief is samengewerkt met zowel de bewoners, de huurdersbelangenvereniging, de gemeente Vlissingen en l'escaut. Dit heeft geresulteerd in een buurtplan waarin

46

gezamenlijk met alle betrokkenen een afweging is gemaakt tussen renovatie en nieuwbouw en uiteindelijk een gedragen keuze is gemaakt voor nieuwbouw met een voorkeursmodel met groene speelstraten. Voor een volledige beschrijving van het participatieproces wordt verwezen naar bijlage 15.

5.2.2

Ontwerpbesluit

Het ontwerpbesluit wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen.

47

Hoofdstuk 6

Conclusie

Ter plaatse van de Crocuslaan en omgeving (hierna: Crocuslaan e.o.) te Vlissingen heeft woningcorporatie l'escaut 143 grondgebonden woningen in eigendom. De meeste woningen zijn inmiddels al 100 jaar oud, hebben onder andere last van vochtproblematiek en verkeren technisch in een slechte staat. l'escaut is derhalve voornemens om de 143 te slopen en hiervoor in de plaats 137 nieuwe grondgebonden woningen te bouwen. De nieuwe stedenbouwkundige opzet van de wijk en de nieuwe woningen overschrijden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de ter plaatse geldende beheersverordening 'Middengebied' van de gemeente Vlissingen. Om de beoogde herontwikkeling van de wijk mogelijk te maken wordt er derhalve middels een omgevingsvergunning buitenplans afgeweken van de beheersverordening, conform Artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3º van de Wabo. Uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing kan worden geconcludeerd dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13197287/1