3.3 Financiering gemeentelijk rioleringsplan bijlage 1 GRP
Tekst van het document
Hier kan alleen van worden afgeweken als nieuwe ontwikkelingen hebben aangetoond dat deze een beter milieurendement hebben of lagere maatschappelijke kosten opleveren bij minimaal een zelfde milieurendement. Dat geldt ook voor andere lokale zuiveringsvoorzieningen die niet bij de particuliere eigenaar in beheer en onderhoud zijn.
6.7.2
Smalle zorgplicht De gemeente Vlissingen kiest met dit GRP voor het hanteren van de zogenaamde smalle zorgplicht voor niet gerioleerde panden in het buitengebied. Dat betekent, dat de particulier verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op het eigen perceel. De particulier is eigenaar van deze voorziening en betaalt geen rioolheffing.
GRP Vlissingen definitief rapport
-48-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
De keuze voor het aanpassen van het bestaande beleid van de brede zorgplicht naar de smalle zorgplicht wordt in belangrijke mate ingegeven door de wens om aan te sluiten bij de keuze die binnen de SAZ+ is gemaakt. Daarin was Vlissingen nog de enige Zeeuwse gemeente met een brede zorgplicht. Daarnaast is er een zeer beperkte vraag naar het aansluiten van niet gerioleerde panden in het buitengebied met ondersteuning van de gemeentelijke subsidie die beschikbaar is in het kader van de brede zorgplicht. De keuze hiervoor is het voortzetten van bestaand beleid en wordt in belangrijke mate ingegeven door het afwegen van de maatschappelijke kosten en het (milieu)rendement. De kosten voor aansluiten van alle panden in het buitengebied zijn relatief hoog, evenals de kosten voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Alle rendabel aan te sluiten panden zijn reeds in de saneringsoperatie in de periode 2000-2005 aangesloten (verfijningsregeling). Daarnaast hebben de meeste inwoners in het buitengebied geen behoefte aan verandering van de huidige situatie waarin zij zelf zorg dragen voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op hun eigen perceel. Het rendement in de zin van invulling van een maatschappelijke behoefte is beperkt evenals het milieurendement.
Bij uitbreiding van het gemeentelijk rioolstelsel, waarbij woningen in het buitengebied met een septic tank eenvoudig aan te sluiten zijn op het stelsel, wordt een overgangstermijn gehanteerd om alsnog aan te sluiten of maakt de gemeente een financiële afweging over het mogelijk alsnog aansluiten van deze panden.
GRP Vlissingen definitief rapport
-49-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
6.8
Nieuw te realiseren bebouwing
6.8.1
Algemeen Voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied geldt het beleid, dat het huishoudelijk afvalwater, het hemelwater en het grondwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. Op die manier kunnen deze huisaansluitingen eenvoudig worden opgepakt bij toekomstige afkoppelwerkzaamheden. Riolering dient te voldoen aan de eisen conform de NEN 3215 (Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen) en de NTR 3216 (Riolering van bouwwerken). Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering, op drukriolering of via een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens (conform het beleid lozingen buitengebied, SAZ+). Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater en in de bodem niet toe te laten. Bij de omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Binnen de bebouwde kom of daar waar binnen 40 meter een gemeentelijk riool aanwezig is, dient verplicht te worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Dit afstandscriterium geldt vanaf de perceelsgrens (voorheen vanaf de woning). Voor nieuwbouw gold dit criterium altijd al vanaf de perceelsgrens.
Bij nieuwbouw zal het hemelwater gescheiden worden afgevoerd en infiltreren in de bodem of rechtstreeks afstromen naar het oppervlaktewater. Indien infiltratie mogelijk is, geldt dat als uitgangspunt. Indien het hemelwater wordt afgevoerd, vindt dit in principe oppervlakkig plaats of, wanneer dat niet mogelijk is, met behulp van regenwaterriolering. Belasting van de riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie met schoon water wordt daarmee voorkomen. Ook worden aspecten als droogte, veilige bouwhoogte en drooglegging beschouwd.
6.8.2
Incidentele nieuwbouw in landelijk gebied Bij incidentele nieuwbouw in het landelijk gebied op locaties waar geen riolering aanwezig is binnen een straal van 40 meter vanaf de perceelsgrens vindt in eerste instantie de toetsing plaats of er wel of niet invulling gegeven zal worden aan de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater. Indien dat niet het geval is, zal in de omgevingsvergunning worden opgenomen dat het vrijkomende afvalwater niet ongezuiverd op oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd. Iedere nieuwe lozing dient te voldoen aan de eisen conform de Regeling lozing afvalwater huishoudens. De gemeente zal bij bouwaanvragen voor deze nieuwbouw een melding doen aan de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Scheldestromen) en de betrokkenen naar haar doorverwijzen. In geval van bodemlozingen ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente.
GRP Vlissingen definitief rapport
-50-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
6.8.3
Bedrijfsmatige nieuwbouw In het geval van nieuwe bedrijfsmatige lozingen (en ook bij bestaande lozingen) is de aard en de omvang van de lozing bepalend voor de wijze van lozen. Er wordt bepaald of een lozing al dan niet op de riolering dient plaats te vinden of, indien dit niet doelmatig blijkt te zijn, welke vorm van lozen dan wordt toegestaan. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het waterschap die als waterkwaliteitsbeheerder daar een belangrijke rol in speelt. Een initiatiefnemer dient op voorhand hierover contact op te nemen met de gemeente, de eventuele kosten voor aanvullende voorwaarden en/of voorzieningen komen geheel ten laste van de initiatiefnemer. Ongemengd bedrijfsafvalwater is in veel gevallen geen stedelijk afvalwater. Hiervoor geldt derhalve geen automatische zorgplicht voor inzameling en transport door de gemeente. De gemeente heeft het recht om bestaande en nieuwe aansluitingen van bedrijven te weigeren. Dit geldt zeker als dit afvalwater niet gezuiverd kan worden op de RWZI.
6.8.4
Projectmatige nieuwbouw Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater (bijvoorbeeld uitleggers naar de hoofdriolering) en eventueel voor grondwater aangelegd bij het bouwrijpmaken van de locatie. De kosten hiervoor worden opgenomen in de exploitatieopzet en verrekend met de grondeigenaar en/of ontwikkelaar. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden toekomstbestendig uitgevoerd, waarbij het scheiden van afvalwater en hemelwater (ontvlechten) de norm is. Verhard oppervlak wordt volledig afgekoppeld en waar mogelijk dient regenwater op eigen terrein te worden gebufferd. Afhankelijk van de karakteristieken van het gebied wordt een keuze gemaakt tussen bovengronds of ondergronds verwerken van regenwater. In een rioleringsplan (of waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding en aan welke eisen moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, wordt ingezameld en afgevoerd naar de RWZI. Voor de aanleg van de voorzieningen wordt een (riool)ontwerp gemaakt volgens de dan geldende eisen, waarbij de insteek is om een klimaatbestendige openbare ruimte te realiseren en regenwater zoveel mogelijk ter plaatse wordt verwerkt.
Er worden rioleringsberekeningen uitgevoerd en er wordt een risicoafweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende klimaatontwikkelingen (kort hevig nat, langdurig nat, langdurig droog en hittestress). Er wordt tijdig overleg gevoerd met de waterbeheerder (kwantiteit en kwaliteit). In verband met de voorkeur om regenwater op particuliere terreinen op te vangen, is het belangrijk dat dit ook fysiek mogelijk wordt gemaakt. Bij de bouwwerkzaamheden slaat de grond in de (achter)tuinen vaak dicht, doordat er met zwaar materieel over de bouwlocatie wordt gereden. Dit kan leiden tot klachten (richting de gemeente) op het moment dat bewoners intrek nemen in hun nieuwe woning, vaak in de vorm van het melden van een te hoge grondwaterstand. De oorzaak is echter niet de hoge grondwaterstand, maar
GRP Vlissingen definitief rapport
-51-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
zogenaamde ‘verkneding’ van de bodem. Op de lagere kleilaag blijft water staan en er ontstaat een zogenaamde ‘schijn-grondwaterspiegel’. Om dit te voorkomen, wordt de ontwikkelaar verplicht om het perceel ‘diep te spitten’ nadat het is opgehoogd. Ter voorkoming van foutieve aansluitingen worden bij gescheiden rioolstelsels buizen in twee verschillende kleuren toegepast. Voor vuilwaterriolering is dit roodbruin, voor regenwaterleidingen is de kleur grijs. Daarnaast wordt voor infltratieriolering (IT-riool) de kleur groen voorgeschreven. Het verplicht gebruiken van deze kleuren wordt ook in de omgevingsvergunning opgenomen.
6.8.5
Watertoets Voor alle ruimtelijke plannen moet een watertoets worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Het streven is om vanuit de watertoets in de nabije toekomst te gaan komen tot een klimaattoets, waarbij ook de aspecten droogte en hitte worden betrokken. In de openbare ruimte is de zoektocht naar een evenwicht tussen blauw, groen en steen essentieel om de klimaatontwikkelingen het hoofd te bieden. Voldoende ruimte tussen vloerpeil en het niveau van de openbare ruimte zorgt er voor dat water op straat niet direct tot schade aan de woningen leidt. Doorgaande wegen in het plan moeten in principe altijd beschikbaar zijn voor de hulpdiensten. In geval van nieuwe bebouwing dient de toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd met waterberging op eigen terrein.
GRP Vlissingen definitief rapport
-52-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
6.9
Overige aspecten
6.9.1
Vermindering rioolvreemd water Binnen de SAZ+ wordt onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van rioolvreemd water. Rioolvreemd water kan bijvoorbeeld bestaan uit lekwater bij hogere grondwaterstanden, instromend oppervlaktewater (instroom van water), regenwater op drukriolering, water vanuit drainage of afgebroken huisaansluitleidingen. Afvalwateraansluitingen op hemelwaterriolering vallen ook onder rioolvreemd water en hebben grote invloed op de waterkwaliteit. Rioolvreemd water heeft in het algemeen een kostenverhogend effect op het transporteren en zuiveren van afvalwater en veroorzaakt een wezenlijk verhoogde emissie van nutriënten en gevaarlijke stoffen. Voor het opsporen van rioolvreemd water kan onder meer gebruik worden gemaakt van de meetgegevens van waterschapsgemalen en gemeentelijke rioolgemalen. Voor de gemeente zijn de afgelopen jaren gegevens geïnventariseerd van gemalen, rwzi’s, waterpeilen en neerslag Dit geeft niet direct aanleiding tot verder onderzoek of het nemen van maatregelen. Lekke riolering wordt bij vervangingsopgaven pas vervangen. Het is niet doelmatig om alleen voor het bestrijden van rioolvreemdwater het riool te vervangen. Figuur 6.3: effecten rioolvreemd water (bron: SAZ+ rapportage ‘aanpak rioolvreemd water’, 2016)
De kosten die gemaakt worden om de waterdichtheid van het riool te waarborgen, maken in principe deel uit van de kosten van onderhoud en vervanging van het rioolstelsel. Regenwater op de drukriolering wordt alleen aangepakt als dit een knelpunt oplevert voor de afvoer van het afvalwater. Een kleine hoeveelheid regenwater op de drukriolering kan bijdragen in het voorkomen van aantasting van de ontvangende riolering. Geconstateerde afvalwaterlozingen op regenwaterriolering worden hetzelfde jaar nog overgezet naar vuilwater- of gemengde riolering. De invloed van puur afvalwater op het oppervlaktewater is dermate groot dat dit niet lang kan worden gedoogd.
6.9.2
Diffuse bronnen Een aantal stoffen dat diffuus in het rioolwater terechtkomt, vormt een belasting voor het milieu. Te denken valt hierbij aan zink uit dakgoten, koper uit waterleidingen of minerale olie uit motoren. Er wordt naar gestreefd de emissie van deze stoffen te voorkomen. De gemeente volgt hierin het landelijk beleid, dat is vastgelegd in het beleid Duurzaam Bouwen (DuBo) met regelgeving voor duurzaam (ver)bouwen in het Bouwbesluit 2012.
GRP Vlissingen definitief rapport
-53-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
6.9.3
Duurzaamheid Ook binnen de rioleringszorg wil de gemeente invulling geven aan duurzaamheid. Duurzaamheid betekent ‘ontwikkelingen uitvoeren die aansluiten op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen’. Vanuit de gemeentelijke watertaken is er relatie te leggen met thema’s op dit gebied zoals energietransitie en versterking van de biodiversiteit. Concreet betekent duurzaam omgaan met water bijvoorbeeld dat oplossingen binnen de hemelwaterzorgplicht steeds vaker gezocht worden in meer natuurlijke voorzieningen zoals waterlopen en waterpartijen. Ondergrondse constructies worden waar mogelijk vervangen door bovengrondse oplossingen in de openbare ruimte. Hiermee wordt ingespeeld op klimaatverandering met steeds hevigere neerslagsituaties. Onderhoud van deze nieuwe bovengrondse voorzieningen dient in de komende jaren specifiek aandacht te krijgen. Duurzame rioleringszorg draagt bij aan een duurzame bescherming van volksgezondheid, maar ook aan de instandhouding van natuur en milieu en waterkwaliteit. Naast het zoeken naar duurzame oplossingen geeft de gemeente invulling aan het streven naar duurzaamheid door gebruik te maken van duurzame producten als hergebruikt pvc en pompen met een laag energieverbruik (in geval van vervanging van de bestaande pompen).
Hiermee wordt invulling gegeven aan aspecten als het hergebruik van materiaal, laag energieverbruik en circulaire economie. Binnen de gemeentelijke rioleringszorg worden nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid gevolgd, bijvoorbeeld terugwinning van grondstoffen. Indien zich kansen voordoen, wordt bezien of er nuttige toepassingen zijn binnen de gemeente Vlissingen en worden deze verzilverd. Dit is echter op ad-hoc basis.
GRP Vlissingen definitief rapport
-54-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
7
Beleid grondwater In de Waterwet is de gemeentelijke zorgplicht voor grondwater verwoord. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de werkzaamheden die in de komende planperiode in het kader van de grondwaterzorgplicht zullen worden uitgevoerd. Tevens wordt het kader geschetst, waarbinnen deze maatregelen worden uitgevoerd. Vanwege klimaatverandering nemen zowel droge als natte perioden toe in frequentie, waardoor grondwateroverlast en/of -onderlast vaker kunnen optreden. Dit betekent dat de gemeente vaker te maken kan krijgen met meldingen van burgers en bedrijven ten aanzien van grondwaterklachten. Onder meer om bij klachten juist te kunnen handelen, is het van belang dat de gemeente hiervoor beleid beschikbaar heeft, zodat het voor burgers en gemeente duidelijk is wat men van elkaar mag verwachten. Het gemeentelijk grondwaterbeleid bevat onder andere de concretisering van de grondwaterzorgplicht voor het beheergebied van de gemeente, maar beschrijft nog meer aspecten.
7.1
Grondwaterzorgplicht De gemeentelijke grondwaterzorgplicht is verankerd in de Waterwet (artikel 3.6). Daarin staat: 1. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de beheerder of de provincie behoort. 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede de verwerking van het ingezamelde grondwater, waaronder in ieder geval worden begrepen de berging, het transport, de nuttige toepassing en het, al dan niet na zuivering, op of in de bodem of in het oppervlaktewater brengen van ingezameld grondwater, en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk.
De gemeente is daarmee formeel verantwoordelijk voor de uitvoering van het grondwaterbeheer in het stedelijk gebied voor zover dat binnen de kaders van de Waterwet is bedoeld. Het GRP is de plaats waar zij haar beleid ten aanzien van de invulling van de grondwaterzorgplicht verwoordt. Uit hoofde van deze zorgplicht dienen gemeenten, binnen de grenzen van doelmatigheid, maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te beperken of te voorkomen. Hierbij richt de zorgplicht zich met name op maatregelen van waterhuishoudkundige aard in de openbare ruimte van de gemeente. In het geval dat de maatregelen bestaan uit het aanleggen van (ontwaterings)voorzieningen, valt daar ook het beheer van deze voorzieningen onder. De gemeente heeft nadrukkelijk niet de plicht de grondwaterstand op een (vooraf) vastgesteld peil te houden. Het grondwaterpeil staat onder invloed van zoveel factoren en
GRP Vlissingen definitief rapport
-55-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
reageert dermate onafhankelijk, dat het vasthouden van het peil niet tot de mogelijkheden behoort. Een overzicht van de verantwoordelijkheden op het gebied van grondwater is opgenomen in de navolgende figuur. Figuur 7.1: verantwoordelijkheden grondwater
Een van de aspecten waarin de grondwaterzorgplicht van de gemeente zichtbaar wordt, is het functioneren van het waterloket (de regisseursrol van de gemeente). Het waterloket is de plaats waar burgers meldingen en klachten over grondwater doorgeven. Het waterloket is vervolgens de aanjager voor het zoeken naar oplossingen van grondwaterproblemen, maar is niet per definitie de plaats waar de oplossingen worden geformuleerd. Hiertoe kunnen ook andere partijen worden ingeschakeld. Het grondwaterloket draagt wel zorg voor de communicatie daarvan naar de burger toe. Daarvoor is in ieder geval een contactpersonenlijst beschikbaar die bekend is bij het klantcontactcentrum van de gemeente en het waterschap.
7.2
Grondwateroverlast De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast of schade ten gevolge van grondwater. Dit houdt in dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor de ontwatering van het eigen terrein, evenals voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Behalve door te hoge grondwaterstanden kan ook overlast ontstaan door te lage grondwaterstanden. Daarbij valt te denken aan schade aan gebouwen door ongelijkmatige zetting en paalrot, maar ook aan schade aan particulier groen.
GRP Vlissingen definitief rapport
-56-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
De gemeentelijke zorgplicht richt zich op het openbaar gebied. Eventuele maatregelen zullen daarom ook in openbaar gebied worden getroffen. De grondwaterzorgplicht is, evenals de hemelwaterzorgplicht, een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.
7.2.1
Overlast en onderlast Er is onderscheid te maken in grondwateroverlast door te hoge grondwaterstanden en zogenaamde grondwateronderlast door te lage grondwaterstanden. Om overlast te voorkomen en perceeleigenaren de mogelijkheid te bieden hun eigen terrein te ontwateren, stelt de gemeente de bewoners een overnamepunt ter beschikking voor de afvoer van overtollig grondwater. De gemeente zal het aangeboden water afvoeren naar een geschikt lozingspunt. Dit is in volgorde van voorkeur: oppervlaktewater, regenwaterriolering of gemengde riolering. De gemeente heeft een ontvangstplicht voor het overtollige grondwater, maar aan de omvang en de aard van het aangeboden grondwater kunnen door de gemeente voorwaarden worden gesteld, evenals bij hemelwater. Burgers dienen de voorschriften over waterdichtheid van gebouwen en afvoer van hemelwater op te volgen die in het bouwbesluit opgenomen zijn. Daarin is onder meer opgenomen, dat woningen die na 1 januari 1993 gebouwd zijn, moeten beschikken over dampdichte vloeren. Ook problemen als gevolg van lekke kelders behoren niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. In veel gevallen ligt de focus bij grondwater vaak op grondwateroverlast. Voor de toekomst is grondwateronderlast echter ook een realistisch probleem.
Door langdurig droge periodes kan het grondwaterpeil zodanig laag worden dat ongelijke zettingen en paalrot leiden tot schade aan eigendommen.
7.2.2
Streefwaarden De gemeente wil structurele grondwateroverlast voorkomen. Daarom hanteert de gemeente een streefwaarde voor de maximale grondwaterstand (ontwateringsdiepte) om structurele overlast te voorkomen bij in- en uitbreidingen. Deze streefwaarde is afhankelijk van lokale kenmerken van de betreffende (ontwikkel)locatie. De streefwaarden zijn weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 7.1: streefwaarde gewenste grondwaterstanden
Functie van de grond Bebouwing – wonen en werken • met een kruipruimte • kruipruimteloos Wegen Groen – plantsoenen en perken Groen – sportparken
GRP Vlissingen definitief rapport
Streefwaarde grondwaterstand ten opzichte van aanlegniveau < 70 centimeter beneden onderzijde vloer < 50 centimeter beneden onderzijde vloer < 70 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld
-57-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
Een tijdelijke verhoging van de grondwaterstand boven de norm leidt niet direct tot structurele schade. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de grondwaterstand maximaal 20 cm en 30 aaneengesloten dagen de norm mag overschrijden binnen een periode van drie jaar. In verband met kans op schade geldt deze tijdelijk toegestane verhoging niet voor wegen (spoorvorming) en sportvelden (bespeelbaarheid). In geval van structurele problemen (groter gebied en langdurige overlast) vindt onderzoek plaats naar de aard en de oorzaak van de grondwateroverlast en/of -onderlast. Hoge(re) grondwaterstanden op percelen van particulieren blijven de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar en daar treft de gemeente geen maatregelen. Wel geeft de gemeente op verzoek advies aan particulieren die hinder ondervinden van hoge grondwaterstanden op hun perceel.
7.3
Grondwater gemeente Vlissingen De grondwaterstroming in het freatisch pakket is afhankelijk van de gehanteerde polderpeilen en de lokale afwateringsmiddelen. De polderpeilen (streefpeil) liggen in de kern Vlissingen hoofdzakelijk rond NAP-1,50 meter of NAP-1,70 meter. In Oost-Souburg is dat NAP-1,65 meter. De grondwaterstanden variëren en staan mede onder invloed van het duingebied, maar zijn ook afhankelijk van bijvoorbeeld de wijze van bouwrijpmaken van een gebied. De globale grondwaterstanden kunnen worden uitgedrukt in grondwatertrappen. Een grondwatertrap geeft de fluctuatie van de grondwaterstand aan. Grondwatertrappen worden bepaald aan de hand van de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de winter en de gemiddeld laagste grondwaterstand (zomer). Langs de kust, richting Paauwenburg, geldt een grondwatertrap III* (gemiddeld hoogste grondwaterstand 25 tot 40 cm beneden maaiveld en gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm beneden maaiveld). Verder weg vanaf de duinen zijn de grondwaterstanden wat lager (grondwatertrap IV en VI en soms VII). Er zijn binnen de gemeente af en toe problemen met grondwater. Soms is dit echter ook het gevolg van neerslag die moeilijk via de ondergrond kan worden afgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de wijk Paauwenburg waar ook de wijze van bouwrijpmaken zijn invloed heeft (beperkt opgehoogd).
Andere locaties waar soms meldingen van grondwateroverlast zijn betreffen West-Souburg (Marnixplein en omstreken) en Westerzicht. Waar mogelijk worden maatregelen getroffen om de overlast te beperken, bijvoorbeeld het aanleggen van drainage of IT-riolering. Dit wordt bij voorkeur gecombineerd met andere werkzaamheden zoals een rioolvervanging.
GRP Vlissingen definitief rapport
-58-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
7.4
Grondwatervoorzieningen
7.4.1
Bestaande voorzieningen Binnen de gemeente Vlissingen functioneert een beperkt aantal voorzieningen ten behoeve van het grondwater. Er zijn diverse IT-riolen en drainageleidingen in gemeentelijk eigendom en enkele wadi-voorzieningen in de openbare ruimte. De IT-riolering wordt meegenomen in het reguliere beheer en onderhoud van de riolering. De wadi-voorzieningen voor wat betreft de bovengrond in het groenonderhoud en voor wat betreft de onderliggende leidingen (uitstroomleidingen) in het rioleringsonderhoud. Voor de overige drainageleidingen in het openbaar gebied wordt de komende planperiode een onderhoudsregime opgesteld. De drainage van sportvelden, speelterreinen en begraafplaatsen maakt onderdeel uit het reguliere onderhoudsprogramma van de groenafdeling.
7.4.2
Nieuw te realiseren voorzieningen Bij vervanging van bestaande (lekke) riolering wordt per locatie onderzocht of de gelijktijdige aanleg van drainage noodzakelijk is om overlast te voorkomen. De lokale (bodem)omstandigheden zijn hierin bepalend. Bij nieuw te realiseren bebouwing wordt grondwater in het kader van de watertoets in de planvorming betrokken. Afhankelijk van de resultaten hiervan, wordt besloten of er grondwaterregulerende voorzieningen noodzakelijk zijn. Goed inzicht in de bodemopbouw is hierbij van groot belang. Indien een grondwaterregulerende voorziening wordt aangelegd, is dit meestal drainage. Deze drainage wordt rechtstreeks aangesloten op het oppervlaktewater of op de regenwaterriolering. De nieuwe drainageleidingen dienen te worden opgenomen in het beheersysteem. Bij bouwprojecten zullen ontwikkelaars en andere initiatiefnemers nadrukkelijk gewezen worden op de eis tot het realiseren van voldoende drooglegging en eventueel noodzakelijke maatregelen daarvoor (bijvoorbeeld kleischelpen in kruipruimte).
7.4.3
Grondwatermeetnet Om gemeente-breed inzicht te verkrijgen in de heersende grondwaterstanden, maar ook in het kader van projecten en gebiedsontwikkelingen voert de gemeente metingen van de grondwaterstand uit met behulp van peilbuizen op diverse locaties. Aan de hand van de meetgegevens ontstaat inzicht in de lokale situatie en kan desgewenst worden nagegaan of maatregelen noodzakelijk zijn. Het beleid van de gemeente is om proactief te reageren op meldingen ten aanzien van grondwateroverlast. Met behulp van de informatie uit het huidige (en nog verder te ontwikkelen) grondwatermeetnet en op basis van gericht nader onderzoek kan
GRP Vlissingen definitief rapport
-59-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
onderbouwd gereageerd worden op klachten en meldingen over grondwateroverlast of grondwateronderlast. Ten behoeve van diverse onderzoeken voor bijvoorbeeld drainageaanleg, rioolvervanging, bouwrijp maken, het inventariseren van mogelijkheden ten behoeve van afkoppelen en infiltreren en bouwputbemalingen worden verder basisgegevens verzameld over het grondwater en de bodemopbouw. Hierbij kunnen de meetgegevens van tijdelijke projectpeilbuizen gekoppeld worden aan de langjarige meetgegevens van het landelijke grondwatermeetnet. Mogelijkheden voor infiltratie in de bodem zijn in de gemeente Vlissingen zeer beperkt aanwezig. Verdere kennis van de lokale bodemopbouw en de vigerende grondwaterstanden geeft inzicht in de eventuele kansen voor infiltratie.
GRP Vlissingen definitief rapport
-60-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
8
Beleid oppervlaktewater In dit hoofdstuk wordt de strategie voor het oppervlaktewatersysteem beschreven. Rondom het oppervlaktewater wordt nauw samengewerkt met waterschap Scheldestromen. Zij is namelijk, naast waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheerder, degene die verantwoordelijk is voor het beheren en onderhouden van het (binnendijkse) watersysteem. Het buitendijkse oppervlaktewater (Westerschelde) is in beheer bij Rijkswaterstaat. Dit valt buiten de reikwijdte van dit GRP.
8.1
Overzicht oppervlaktewatersysteem De verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van het oppervlaktewatersysteem binnen en rondom de kernen van de gemeente Vlissingen ligt bij waterschap Scheldestromen. Het watersysteem bestaat uit diverse grote en minder grote peilgebieden die samen deel uitmaken van het afvoergebied Zuidwatering, zoals weergegeven in de onderstaande figuur. Vanuit het afvoergebied Zuidwatering wordt het water uiteindelijk uitgeslagen op de Westerschelde. Dit gebeurt via het gemaal Zuidwatering en de Spuikom Rammekens. Figuur 8.1: watersysteem gemeente Vlissingen (bron: waterschap Scheldestromen)
Het Kanaal door Walcheren staat via sluizen in verbinding met het Veerse Meer en met de Westerschelde. Dit water is zout. Doordat het kanaal een beduidend hoger waterpeil heeft dan het omliggende gebied (NAP+0,90 meter) kan aan beide zijden van het kanaal sprake zijn van kwelwater. Het Kanaal door Walcheren is in beheer bij de provincie Zeeland.
GRP Vlissingen definitief rapport
-61-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
8.2
Verantwoordelijkheden Het werken aan water doen de gemeente en waterschap Scheldestromen samen, maar ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheden en taken. In de onderstaande tabel is een overzicht op hoofdlijnen opgenomen van de diverse verantwoordelijkheden van de verschillende partijen. Tabel 8.1: taakverdeling overheden (ruimer dan alleen oppervlaktewater)
Partij gemeente
waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland Rijkswaterstaat Particuliere grondeigenaren en bedrijven
Verantwoordelijk voor • Riolering: zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater en overtollig hemelwater • Milieu en volkshuisvesting • Beheer en onderhoud openbaar gebied • Ontwatering van de (eigen) openbare ruimte • Voorkomen van negatieve effecten van het freatisch grondwater • Ruimtelijke ordening (inclusief bestemmingplannen, watertoetsen) • Veiligheid fysieke leefomgeving • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied op basis van afspraken met het waterschap (‘droge deel’) • Waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer van het oppervlaktewater in het beheersgebied • Draagt zorg voor de afwatering • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater ten behoeve van waterhuishoudkundige functies (waterafvoer etc.) • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied (sierwater, recreatiewater en dergelijke) • Baggeren en slibafvoer • Afvoer en zuivering van afvalwater (RWZI) • Kustverdediging • Operationeel grondwaterbeheer (onder andere vergunningverlening, toezicht, handhaving, beleidsontwikkeling) • Advisering bij ruimtelijke plannen (wateradvies) • Vergunningverlening grondwateronttrekking diepe grondwater • Beheer Kanaal door Walcheren • Beheer van de Westerschelde • Ontwatering en afwatering op eigen perceel • Onderhoud watergangen en taluds op eigen perceel
Voor het oppervlaktewater heeft de gemeente geen zorgplicht. De gemeente heeft echter wel (samen met de andere partijen in het waterbeheer) een resultaatsverplichting voor de maatregelen die gezamenlijk zijn afgesproken voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze maatregelen zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheerplannen. De gemeente moet daaraan een bijdrage leveren wanneer lozingen vanuit de riolering hier een negatieve invloed op hebben. Ook dient het water te voldoen aan de functie die aan de waterloop of waterpartij is gegeven (bijvoorbeeld bergingsfunctie). Daarmee is er een direct verband met de uitvoering van het waterkwaliteitsspoor (zie paragraaf 8.4.2). Het waterschap is beheerder van het oppervlaktewatersysteem, beheert de peilen in de watergangen en draagt zorg voor een goede afwatering. Zij heeft haar beleid vastgelegd in het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027. Voor zover als mogelijk zijn de aandachtspunten uit dit plan meegenomen in het GRP Vlissingen.
GRP Vlissingen definitief rapport
-62-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
8.3
Beheer en onderhoud Beheer en onderhoud van waterlopen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van een goed functionerend watersysteem. In dat kader hebben de gemeente en waterschap gezamenlijk afspraken gemaakt wie waarvoor verantwoordelijk is, wie er wat onderhoudt en hoe de kostenverdeling geregeld is. Deze afspraken worden jaarlijks inhoudelijk besproken en geëvalueerd.
8.4
Maatregelen
8.4.1
Kaderrichtlijn water Naar aanleiding van de Europese Kaderrichtlijn water worden er geen ingrijpende maatregelen verwacht, anders dan de reeds voorgestelde maatregelen. De waterkwaliteit landelijk, maar ook regionaal, blijft wel een punt van aandacht in het kader van het voldoen aan de algemene eisen van de Kaderrichtlijn Water. Daarmee verdient het in de planperiode ook aandacht op gemeentelijk niveau. Binnen de grenzen van de gemeente bevinden zich twee KRW-waterlichamen, waar onder het Kanaal door Walcheren. Deze zijn hoofdzakelijk buiten de bebouwde kom of aan de rand van een kern gelegen (zie figuur 8.2). Het waterschap en de provincie (Kanaal door Walcheren) zijn verantwoordelijk voor het beheer van deze waterlichamen. Figuur 8.2: waterlichamen Europese Kaderrichtlijn Water binnen de gemeente Vlissingen
8.4.2
Waterkwaliteitsspoor In het kader van het emissiespoor (of de basisinspanning) zijn de afgelopen decennia de emissies uit de afvalwaterketen flink beperkt. Lokaal kunnen er echter nog steeds nadelige effecten op de waterkwaliteit optreden. Het waterkwaliteitsspoor heeft als doel die nadelige effecten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Dit spoor is een gezamenlijke inspanning van waterschap en gemeente. Omdat de waterkwaliteitseffecten lokaal sterk kunnen verschillen, en de veelal brakke watersystemen in Zeeland afwijken van de rest van Nederland, is de afgelopen jaren aan de hand van metingen onderzocht wat voor de Zeeuwse situatie de bepalende invloeden voor
GRP Vlissingen definitief rapport
-63-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
de waterkwaliteit (en ecologie) zijn. Er is onderzoek gedaan in stedelijke watersystemen op Tholen, in Vogelwaarde en in Goes. Daaruit blijkt dat het (vaak wisselende) chloridegehalte en de hoge nutriëntengehalten de meest bepalende factoren zijn voor de aanwezigheid van macrofauna en kiezelwieren. In deze brakke watersystemen hadden de overstorten vanuit het afvalwatersysteem op dat moment geen significante invloed op de (ecologische) waterkwaliteit. Op basis hiervan is de aanpak voorgesteld, waarbij gemeente en waterschap samen een ambitie voor stedelijke wateren moeten vastleggen en samen bepalen of de waterkwaliteit voldoet aan de eisen en wensen.
8.4.3
Stedelijke wateropgave (SWO) De uitwerking van de Stedelijke Wateropgave vloeit voort uit de verantwoordelijkheid die de gemeente samen met het waterschap heeft om de effecten van klimaatverandering in bebouwd gebied het hoofd te bieden. Binnen de SAZ+ is daarom een uitvoeringsprogramma planvorming Stedelijke Wateropgave opgesteld. Het doel van het uitvoeringsprogramma is om de planvorming aan te laten sluiten op de urgentie van de problematiek in de verschillende Zeeuwse kernen en de beschikbaarheid van personele capaciteit. Uiteindelijk moet het resulteren in: • een gewenste ontwikkelingsrichting (per woonkern of wijk) voor het klimaatbestendig inrichten van de waterhuishouding; • een programma van maatregelen dat tussen de gemeente en het waterschap is afgestemd. Om de planvorming handen en voeten te geven, kan gebruik worden gemaakt van de werkwijze ‘toekomstbestendige waterhuishouding in bebouwd gebied’ (SAZ+, 2015). Deze werkwijze, ook wel ‘redeneertrant’ genoemd, is ontwikkeld voor het zoeken naar integrale oplossingen voor watervraagstukken in bebouwd gebied onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en waterschap. De redeneertrant sluit aan op de Vlissingse werkwijze van de ‘toekomstbestendige openbare ruimte’ en is daarin integraal opgenomen.
De belangrijkste kenmerken van de redeneertrant zijn: • Integrale samenwerking (via multidisciplinaire aanpak): denken vanuit de totale waterhuishouding in samenhang met de bovengrondse ruimte en mogelijkheden van de ondergrond. • Beredeneren in combinatie met berekenen, waarbij de kennis en ervaring van de betrokken vakmensen centraal staat. • Data opwaarderen tot inzicht in het functioneren van de systemen. Dit vraagt om een inspanning ten aanzien van het analyseren en interpreteren van beschikbare gegevens. • Feitelijke waarnemingen als basis voor inzicht in het functioneren van de watervoerende systemen en de onderlinge samenhang daarvan. • Adaptatie, ofwel optimaal gebruik maken van de kansen die de ruimte en de lokale situatie biedt. • Dienstverleningsniveau in plaats van norm: lokaal maatwerk dat niet persé in generieke maatstaven is te beschrijven. Uitgaan van de mogelijkheden van een gebied.
GRP Vlissingen definitief rapport
-64-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
Het proces van ruimtelijke adaptatie loopt parallel aan deze planvorming. Zowel de regionale als de lokale risicodialoog, waarin de strategie wordt bepaald hoe wordt omgegaan met de klimaatontwikkelingen, is van invloed op de uitkomsten van de onderzoeken. Daarnaast is het SWO-onderzoek afhankelijk van de resultaten uit het PWO (Planvorming WaterOpgave van het waterschap). De planvorming SWO dient in samenhang met deze plantrajecten plaats te vinden.
8.4.4
Planvorming Wateropgave (PWO) Naast het programma SWO kent het waterschap het programma Planvorming Wateropgave (PWO). Daarmee brengt het waterschap het watersysteem dat vooral buiten bebouwd gebied ligt op orde. De gemeente Vlissingen maakt onderdeel uit van het PWO-gebied Walcheren. In het programma toetst het waterschap per afvoergebied aan de hand van metingen en hydrologische modelberekeningen welke waterpeilen er nu en in de toekomst optreden. Daarbij wordt gekeken naar zowel normale (dagelijkse) omstandigheden (met normen vanuit GGOR en KRW) als naar extreme omstandigheden (met normen vanuit WB21). De normen dienen dus de waterkwantiteit, maar ook de waterkwaliteit. Aanvullend onderzoekt het waterschap welke maatregelen kunnen worden genomen om aan de normen te kunnen voldoen. Op basis daarvan wordt met de belanghebbenden in het gebied de gewenste waterpeilen bepaald en vastgelegd in een peilbesluit. De maatregelen vanuit SWO en PWO worden zoveel mogelijk op elkaar afgestemd.
GRP Vlissingen definitief rapport
-65-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
GRP Vlissingen definitief rapport
-66-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
9
Middelen en kostendekking In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de noodzakelijke financiële en personele middelen voor de gemeentelijke watertaken. Voorts wordt aangegeven op welke wijze de kosten voor de gemeentelijke watertaken in de komende planperiode gedekt gaan worden.
9.1
Personele middelen Voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken zijn personele middelen nodig. De omvang van de personele middelen is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het inwoneraantal, het aantal aanwezige rioolobjecten, het ambitieniveau van de gemeente en de beschikbaarheid en toegankelijkheid van actuele gegevens. Een belangrijke keuze daarnaast is de verhouding tussen het uitbesteden van werkzaamheden en het zelf uitvoeren daarvan. De gemeente Vlissingen kiest ervoor om een aantal werkzaamheden uit te besteden. Daarbij voert de gemeente regie, maar heeft zij wel personele middelen nodig voor deze regievoering. Daarvoor is het belangrijk dat de betreffende medewerkers voldoende toegerust zijn qua middelen en qua kennisniveau om de uitbesteedde activiteiten aan te kunnen sturen. De omvang van de noodzakelijke personele middelen is gebaseerd op de handreikingen uit de Kennisbank Stedelijk Water en de eigen gemeentelijke ervaringen van de afgelopen periode. Die laatste ervaringen laten zien dat de huidige personele bezetting, met name op het gebied van planvorming en onderzoek, niet volledig toereikend is om alle gemeentelijke watertaken uit te voeren. Er is externe ondersteuning noodzakelijk. De Kennisbank Stedelijk Water maakt onderscheid in vijf onderdelen van de gemeentelijke watertaken die moeten worden uitgevoerd. Dit zijn: 1. Planvorming 4.
Maatregelen 2. Onderzoek 5. Facilitair 3. Onderhoud Voor de deeltaken planvorming (1), onderzoek (2) en facilitair (5) zijn er kengetallen beschikbaar op basis van de omvang van het inwoneraantal. De onderhoudsinspanningen (3) kunnen worden bepaald op basis van de lengte riolering en het aantal voorzieningen. De personele inzet voor de maatregelen (4) is afhankelijk van het niveau van de investeringen. De uitwerking van de noodzakelijke formatie op basis van de Kennisbank Stedelijk Water is opgenomen in bijlage 7. Aanvullend aan de kentallen uit de Kennisbank Stedelijk Water is een inschatting gemaakt van de personele middelen die nodig zijn om invulling te geven aan het beleid ten aanzien van samenwerking en klimaatadaptatie. Daarvoor is op basis van de huidige inzichten vooralsnog uitgegaan van 0,3 fte. Voor de komende planperiode is er in totaal circa 6,2 fte aan personele middelen noodzakelijk voor alle gemeentelijke watertaken. De onderbouwing van deze personele
GRP Vlissingen definitief rapport
-67-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
behoefte is opgenomen in de navolgende tabel. Hierbij is uitgegaan van 185 werkdagen (circa 1350 productieve uren) per jaar voor 1 fte. Tabel 9.1: totaal benodigde personele middelen
Deeltaak 1. planvorming 2. onderzoek 3. onderhoud 4. maatregelen 5. facilitair Samenwerking en klimaatadaptatie Totaal
Personele inzet [dagen] [fte] 136 0,74 85 0,46 184 0,99 609 3,29 80 0,43 56 0,30 1.150 6,22
De totaal benodigde personele inzet blijkt groter te zijn dan de huidige beschikbare personele capaciteit. In de afgelopen planperiode is door inhuur van personeel extra menskracht beschikbaar geweest voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. Naast het tekort aan menskracht is ook de onderlinge verhouding tussen de taken verschillend. Er zouden meer uren beschikbaar moeten zijn voor onderzoek en planvorming en voor de bijdrage in diverse samenwerkingsverbanden. Dit wordt in de praktijk grotendeels door één persoon gedaan, waardoor de beschikbare tijd daarvoor beperkt is. Het is van belang om in dit oogpunt ook een landelijk zichtbare trend te signaleren die laat zien dat personele kwetsbaarheid een steeds belangrijker aandachtspunt wordt binnen de gemeentelijke watertaken. Door klimatologische en maatschappelijke ontwikkelingen, technische innovaties en benodigde kostenbesparingen neemt de complexiteit van het werk toe, evenals de druk op de personele middelen van de gemeentelijke organisaties. Het is van belang een helder beeld te ontwikkelen van de invulling van de gemeentelijke watertaken en de kwetsbaarheden op dat gebied om deze zo goed als mogelijk te kunnen ondervangen.
9.2
Kosten Voor het uitvoeren van de gemeentelijke watertaken worden er kosten gemaakt. Kosten voor het beheer en onderhoud van de voorzieningen, kosten voor aanleg en vervanging van rioleringsobjecten, maar ook kosten voor onderzoek en beleidsvorming. De kosten zijn onderverdeeld in investeringen enerzijds en in exploitatielasten en kapitaallasten anderzijds. In de navolgende paragrafen zijn samenvattende tabellen opgenomen van de kosten voor de gemeentelijke watertaken in de komende planperiode. Voor alle kosten geldt dat is uitgegaan van prijspeil 2022. Alle kosten (exploitatie en investeringen) zijn exclusief BTW gerekend. Bij de kostendekkingsberekening is wel een BTW-component (apart) toegevoegd.
GRP Vlissingen definitief rapport
-68-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
9.2.1
Investeringen De investeringen betreffen in hoofdzaak de kosten voor het vervangen en renoveren van de riolering en de gemalen (hoofdgemalen en drukriolering). Deze investeringen worden over langere tijd afgeschreven, voor het gedeelte waar zij niet direct worden gefinancierd. Het is het streven om op termijn investeringen niet meer af te schrijven, maar volledig te kunnen dekken uit de rioolbaten (ideaalcomplex). Vooralsnog geldt dat de afschrijvingstermijn per onderdeel verschilt en afhankelijk is van de levensduur van het betreffende object. De kapitaallasten van de investeringen worden opgenomen in de exploitatiebegroting. Voor de investeringen is een doorkijk gemaakt over een periode van circa 15 jaar. Hiervoor is aangesloten bij de planning zoals die geldt voor de toekomstbestendige openbare ruimte (TOR). Deze investeringen zijn uit oogpunt van een gelijkmatige vraag naar personeel en middelen zoveel mogelijk verspreid en gemiddeld over de beschouwde periode. Dat leidt tot een min of meer gemiddeld investeringsniveau per jaar. Het gemiddelde investeringsniveau bedraagt op deze manier circa 5 miljoen euro per jaar. Naast de investeringen op basis van het traject toekomstbestendige openbare ruimte kunnen er investeringen noodzakelijk zijn ter verbetering van het totale systeem.
Aanleiding voor deze investeringen zijn bijvoorbeeld geconstateerde kwaliteitsgebreken in de riolering of het voldoen aan milieueisen. Deze verbetermaatregelen worden zo veel mogelijk gecombineerd met reeds geplande vervangingswerkzaamheden. Voor de planperiode van dit GRP zijn dit soort verbetermaatregelen reeds geïntegreerd in de geconcretiseerde vervangingsplanning. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de geplande investeringen voor de komende planperiode en een doorkijk naar de toekomst. Tabel 9.2: samenvatting investeringen riolering, prijspeil 2022 (exclusief BTW)
Jaar 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033
GRP Vlissingen definitief rapport
Afkoppelen € € € € € € € € € € €
4.421.750,00 4.058.250,00 4.344.500,00 3.425.650,00 4.079.400,00 4.600.400,00 4.933.150,00 4.829.150,00 4.853.750,00 2.145.500,00 4.501.500,00
Vervangen € 1.050.000,00 € 866.000,00 € 1.114.000,00 € 517.000,00 € 149.000,00 € 100.000,00 € 262.000,00 € 43.555,28 € 2.939.000,00 € 1.312.000,00
-69-
Voorbereiding €
200.000,00
€ € € € €
100.000,00 100.000,00 100.000,00 200.000,00 100.000,00
€ €
100.000,00 250.000,00
Totaal investeringen € 5.671.750,00 € 4.924.250,00 € 5.558.500,00 € 4.042.650,00 € 4.328.400,00 € 4.900.400,00 € 5.295.150,00 € 4.872.705,28 € 4.953.750,00 € 5.334.500,00 € 5.813.500,00
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
9.2.2
Exploitatielasten Onder de exploitatielasten vallen alle directe kosten die jaarlijks gemoeid zijn met de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. Dit betreft het beheer en onderhoud van de voorzieningen, maar ook de planvorming, diverse onderzoeken en de voorbereiding van uit te voeren maatregelen. Onder de exploitatiekosten vallen ook de personeelskosten en de kapitaallasten die voortvloeien uit de geactiveerde investeringen. Tot slot vallen onder de exploitatiekosten ook zijdelingse kosten zoals een percentage van het straatvegen en baggeren bij riooloverstorten. Dit zijn zogenaamde ‘gemengde activiteiten’, waarvan de uitvoering ook ten goede komt aan het functioneren van het rioleringssysteem. In de onderstaande tabel zijn de exploitatielasten riolering samengevat voor 2023. Het betreft de directe werkzaamheden en kosten voor de rioleringszorg. Hierbij zijn niet de personele lasten en de kapitaallasten meegenomen. Ook kosten vanuit de samenwerking en overhead staan niet in de tabel. Tabel 9.3: samenvatting exploitatielasten riolering 2023, prijspeil 2022 (exclusief BTW)
Onderdeel Doelmatig onderhoud riool Kolkaansluitingen Huisaansluitingen Rioolgemalen Zijdelingse kosten (straatreiniging etc.)
9.3
€ € € € €
Kosten 365.830 63.460 64.860 236.060 152.957
Kostendekking Tegenover de kosten voor de gemeentelijke watertaken staan ook baten. Deze baten worden grotendeels gevonden in de rioolheffing die door burgers en bedrijven wordt betaald voor het gebruik van de gemeentelijke voorzieningen. Daarnaast zijn er baten afkomstig uit nieuwe aansluitingen die worden gerealiseerd. Dit laatste is echter een zeer klein aandeel in de totale baten. Het streven van de gemeente is een kostendekkend tarief voor de rioolheffing. De komende jaren wordt getracht de kosten voor de gemeentelijke watertaken niet te sterk te laten stijgen om zo de kosten voor de burger beperkt te houden. De kosten voor de gemeentelijke watertaken stijgen echter, onder meer als gevolg van het structureel vervangen van kwalitatief slechte riolering, van klimaatontwikkelingen waar op moeten worden ingespeeld om (water)overlast te voorkomen, het op peil houden van het onderhoudsniveau van de voorzieningen, uitbreiding van het areaal en het voldoen aan de gestelde eisen van de waterbeheerder. Onder meer in de samenwerking met andere (water)partners en gemeentelijke disciplines, maar ook in risicogestuurd beheer en onderhoud worden mogelijkheden gezocht om kosten te besparen en eventuele kostenstijgingen zoveel mogelijk te beperken (minder meerkosten).
GRP Vlissingen definitief rapport
-70-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
9.3.1
Heffingsgrondslag In de ‘Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing Vlissingen 2022’ wordt gesproken over een eigenarendeel en gebruikersdeel waarover de heffing wordt bepaald. Het gebruikersdeel gaat uit van het principe ‘de gebruiker betaalt’. De hoogte van de heffing is afhankelijk van het waterverbruik en geclassificeerd in verschillende klassen. In de onderstaande tabel is ter illustratie de vastgestelde rioolheffing voor 2022 opgenomen. Tabel 9.4: rioolheffing eigenarendeel en gebruikersdeel 2022
9.3.2
Eigenaar
Tarief
Eigenaardeel
€ 210,13
Gebruiker Klasse 1 - 400 m3 401 - 1000 m3 1000 - 2000 m3 2001 - 3000 m3 3001 – 4000 m3 4001 m3 of meer
Tarief € 60,54 € 330,71 € 591,81 € 852,79 € 1.114,00 € 32,22 per 100 m3
Voorziening riolering De gemeente Vlissingen beschikt over een voorziening riolering. Deze voorziening wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat een deel van de investeringen niet hoeft te worden geactiveerd. Op die manier wordt toegegroeid naar de beleidsmatige keuze van het ideaalcomplex dat in eerdere planperioden is ingezet. Daarnaast zorgt de voorziening ervoor dat schommelingen in het tarief waar nodig kunnen worden geëgaliseerd. De effecten van grote verschillen tussen verschillende jaren ten aanzien van de hoogte van de investeringen en exploitatielasten worden opgevangen via deze voorziening. Het eventuele overschot tussen kosten en baten wordt in de voorziening gestort. Het uitgangspunt voor de rioolvoorziening is dat er over de beschouwde periode geen tekort of overschot is en dat het saldo van de voorziening aan het einde van de periode nagenoeg nihil is. De voorziening mag in principe niet negatief worden. In de actualisatie van het GRP wordt iedere keer opnieuw een afweging gemaakt wat noodzakelijk is om de voorziening aan de dan geldende eisen te laten voldoen. Aan het begin van deze planperiode is de omvang van de voorziening aanzienlijk. De komende jaren echter zal deze geleidelijk aan leeg worden getrokken om de voorgenomen investeringen te kunnen dekken. Er wordt, met andere woorden, ingeteerd op de bestaande omvang van de voorziening.
Het blijft op (lange) termijn wel raadzaam om in de voorziening voldoende financiële middelen beschikbaar te hebben voor calamiteiten of onvoorziene gebeurtenissen.
GRP Vlissingen definitief rapport
-71-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
9.3.3
Hoogte rioolheffing Voor het bepalen van de hoogte van de rioolheffing is uitgegaan van de hiervoor beschreven uitgangspunten. Daarbij is een doorkijk gemaakt over een periode van circa 15 jaar. Zoals genoemd wordt de hoogte van de rioolheffing gebaseerd op de inhoud van dit GRP, de kosten van de geprojecteerde rioolvervangingen en renovatiewerkzaamheden en de kosten van de gemeentelijke watertaken in zijn algemeen. Ook de lopende en de nieuwe kapitaallasten die voortvloeien uit de investeringen worden uit de rioolheffing gedekt. Om de exacte hoogte van de rioolheffing te bepalen, maakt de gemeente Vlissingen vervolgens gebruik van de kosten inclusief BTW. De BTW component wordt over een deel van de totale exploitatielasten berekend en aan de totale kosten toegekend. Op basis van die getallen wordt vervolgens de hoogte van de rioolheffing vastgelegd. Het belangrijkste uitgangspunt dat het verloop van de rioolheffing bepaald, is de beleidslijn en bestuurlijke keuze om in 2029 het ideaalcomplex te bereiken. Dit houdt in dat de baten die uit de rioolheffing binnenkomen op dat moment gelijk zijn aan de jaarlijkse lasten voor de gemeentelijke watertaken. Daarmee hoeven de investeringen niet meer geactiveerd te worden en is de omvang van de voorziening tevens gereduceerd tot circa 0 euro of een klein vastgesteld bedrag voor calamiteiten.
Het bereiken van het ideaalcomplex en het gebruik maken van een voorziening is ingezet in het GRP van 2014. In het voorgaande GRP van 2018 is dit nogmaals bevestigd. In de afgelopen jaren zijn de principes hiervan vastgehouden, maar de uitvoering is enigszins gewijzigd. De hoogte van de rioolheffing is maar beperkt gestegen, waardoor het huidige niveau beduidend lager ligt dan in 2014 was voorzien. Mede daardoor, en door de gestegen kosten in het algemeen, is het niet mogelijk om de toen voorziene daling van de rioolheffing in 2029 door te voeren. Deze ruimte is eigenlijk in de jaren hiervoor al opgesoupeerd. Daarnaast is het ook niet mogelijk om het niveau van de noodzakelijke investeringen voor rioolvervanging per 2029 sterk te verlagen. Gestegen kosten en een aanzienlijke uitbreiding van het areaal zijn hier de oorzaak van. Zoals eerder genoemd is de vervangingsachterstand die in eerdere jaren is geconstateerd wel verder ingelopen. Dit zal de komende planperiode verder ter hand worden genomen, onder meer middels het traject van de toekomstbestendige openbare ruimte. Hiermee wordt niet alleen de kwaliteit van het rioolstelsel verbeterd, maar wordt de complete openbare ruimte toekomstbestendig ingericht. Door integraal samen te werken met meerdere disciplines en gebiedsgericht de projecten uit te voeren, kan kostenefficiënt worden gewerkt.
In de tabel op de volgende pagina is het verloop van de rioolheffing en de voorziening voor de komende jaren inzichtelijk gemaakt. Bij de berekening van het gebruikersdeel van de rioolheffing is uitgegaan van een gemiddeld gewogen heffing. Daarbij is de laagste categorie toegekend aan alle gebruikers en zijn de meerdere inkomsten vanuit de hogere categorieën als één bedrag toegevoegd. Zo is een gewogen gemiddelde rioolheffing verkregen. Verder is voorgesorteerd op een eenmalige verlaging van de gebruikersheffing in 2023. Met deze heffing als startpunt zijn de kostendekkingsberekeningen uitgevoerd.
GRP Vlissingen definitief rapport
-72-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
Tabel 9.5: verloop hoogte rioolheffing (prijspeil 2022, zonder inflatiecorrectie, exclusief BTW)
GRP Vlissingen definitief rapport
-73-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
Uit de tabel valt af te leiden dat een stijging van de rioolheffing in de komende jaren onontkoombaar is om het ideaalcomplex te kunnen realiseren in 2029. En daarbij geldt dan nog dat dit alleen mogelijk is door de inzet van de rioolvoorziening. Na 2029 blijft de heffing nog, enigszins gedempt, stijgen en loopt de voorziening verder leeg. Vanaf 2034 zijn de inkomsten en de uitgaven min of meer in evenwicht en is ook de voorziening leeg. Vanaf dat moment in het ideaalcomplex volledig geïmplementeerd. Tabel 9.6: verloop van de voorziening
€ 8.000.000 € 7.000.000 € 6.000.000 € 5.000.000 € 4.000.000 € 3.000.000 € 2.000.000 € 1.000.000 €-
9.3.4
2035
2034
2033
2032
2031
2030
2029
2028
2027
2026
2025
2024
2023
2022
€ -1.000.000
Evaluatie kostendekkingsplan Bij het opstellen van het kostendekkingsplan zijn alle maatregelen en bijbehorende investeringen zo nauwkeurig mogelijk geraamd, evenals alle posten van de exploitatie en de personele middelen. De praktijk in de planperiode kan echter afwijken, onder meer als gevolg van onvoorziene financiële of technische ontwikkelingen, maar ook van maatschappelijke ontwikkelingen. Het is daarom van belang de geschetste ontwikkeling van de rioolheffing als indicatief te beschouwen en deze met enige regelmaat tegen het licht te houden in het perspectief van de ontwikkelingen op langere termijn (doorkijk). Daarom wordt uitgegaan van een tussentijdse evaluatie binnen de planperiode na twee of drie jaar.
GRP Vlissingen definitief rapport
-74-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
BIJLAGE 1
VERKLARENDE WOORDENLIJST
GRP Vlissingen definitief rapport
-75-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
GRP Vlissingen definitief rapport
-76-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
BIJLAGE 1:
VERKLARENDE WOORDENLIJST
Het GRP Vlissingen maakt gebruik van een groot aantal begrippen dat nauw samenhangt met de rioleringszorg. In deze bijlage wordt een aantal van deze begrippen nader verklaard. aantasting
Een wijziging van de structuur van de buiswand als gevolg van (bio)chemische of mechanische processen.
afkoppelen
De afvoer vanaf verhard oppervlak loskoppelen van de gemengde riolering en anderszins laten plaatsvinden.
afvalwater
Al het water dat is verontreinigd en waarvan men zich wenst te ontdoen.
afvalwaterketen
Het deel van de waterketen dat betrekking heeft op de inzameling, transport, zuivering en lozing van gezuiverd afvalwater, ofwel riolering en rioolwaterzuivering.
afvalwaterstelsel
Stelsel voor de inzameling en het transport van afvalwater.
afvalwatersysteem
Het geheel van rioleringstechnische en zuiveringstechnische werken.
AWZI / RWZI
Afvalwaterzuiveringsinstallatie / rioolwaterzuiveringsinstallatie
basisinspanning
Afspraak om rioleringssystemen zodanig aan te passen, dat de vuiluitworp uit de overstorten van deze systemen wordt verminderd tot een vastgestelde norm.
Basisrioleringsplan (BRP)
Plan waarin op gedetailleerde wijze wordt aangegeven hoe de inzameling en afvoer van afvalwater en neerslag binnen een bepaald gebied dient te geschieden (zie ook SSW).
BBB, BBL, BBR
Bergbezinkbassin, bergbezinkleiding, bergbezinkriool. Deze vallen onder het begrip randvoorziening.
bemalingsgebied
Een gebied dat door één rioolgemaal wordt bemalen. Bij drukriolering en vacuümriolering betreft dit het totale gebied dat op het systeem van pompputjes c.q. vacuümputten is aangesloten.
bergbezinkbassin / -riool
Een open of gesloten bassin (of riool) als onderdeel van het rioolstelsel, dat als doel heeft de lozing van vuil uit een rioolstelsel op oppervlaktewater te verminderen. Door de speciale vormgeving van het bassin (of riool) is de stroomsnelheid laag en zal bezinking van vuil optreden.
GRP Vlissingen definitief rapport
-77-
R018.P244/R005/RHOU 30 november 2022
berging
De nuttige inhoud van een rioolstelsel uitgedrukt in m3, dan wel gerelateerd aan het daarop aangesloten verhard oppervlak (mm). De inhoud van inspectieputten wordt niet bij de berging meegerekend. Het volume van de droogweerafvoer wordt daarentegen niet in mindering gebracht.
berging op straat
Dat deel van de neerslag welke op het straatoppervlak valt, maar niet direct tot afstroming komt naar het riool. Meestal gebeurt dit wel in een later stadium.
BOK, (BOB)
Binnenonderkant (buis).
bouwtechnische maatregelen
Maatregelen in de woning (in de kruipruimte, kelder of woonruimte) met als doel vochtoverlast te beperken.
CZV
Chemisch zuurstof verbruik, de zogenaamde ‘gidsparameter’ voor alle vervuilende stoffen. Deze parameter weerspiegelt de effecten op langere termijn en de regionale effecten in het oppervlaktewater.
drainage
Een systeem van doorlatende leidingen met omhulling in de bodem, waarin de opvang en afvoer van overtollig grondwater plaatsvindt om zo de grondwaterstand te beheersen.
droogweerafvoer
De hoeveelheid (vuil)water die in droogweerperioden wordt afgevoerd. Afkorting DWA.
drukriolering
Riolering waarbij het transport van afvalwater plaatsvindt via (kleine) pompen en persleidingen.
effluent
Het uitstromende gezuiverde afvalwater uit een afvalwaterzuivering.
foutieve aansluiting
Een aansluiting van een afvoer op de riolering, die niet op de juiste plaats of op de juiste leiding is aangesloten (bijvoorbeeld een vuilwaterafvoer die is aangesloten op een regenwaterriool).