CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 rvs TAM IMRO Omgevingsplan Spuikom fase 1 bijlage 1 Omgevingsplan

Commissie Ruimte 7 mei 2026, gemeente VlissingenBij agendapunt: TAM IMRO Omgevingsplan voor de Spuikom24.288 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De omvang van de sterke verontreiniging is ca 21 m³ (oppervlakte 30 m² met een diepte van 0,70 m). Daarnaast moet rekening gehouden worden dat de bodem ter plaatse van de boringen B27,

22

B33, B33A en B34 (zuid / zuidoostelijk terreingedeelte) niet toepasbaar is o.b.v. het verhoogd gehalte aan PFOS. Voor de voorgenomen graafwerkzaamheden is geen veiligheidsklasse van toepassing volgens de CROW400. De werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder “Basishygiëne”. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.1.3 Niet Gesprongen Explosieven Op sommige plaatsen in Nederland bevinden zich nog niet ontplofte explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de bodem. Deze leveren een gevaar op, vooral als ze verplaatst of aangeraakt worden, bijvoorbeeld bij graaf- of baggerwerkzaamheden. Op het moment dat in de nabijheid van deze Niet Gesprongen Explosieven (NGE) trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze NGE alsnog afgaan. Onder grondwerkzaamheden worden verstaan activiteiten zoals grondverzet, graaf- en heiwerkzaamheden in de bodem. Als gevolg van de vele oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, kunnen niet gesprongen conventionele explosieven (CE) zijn achtergebleven in de bodem. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er echter vele grondroerende werkzaamheden uitgevoerd binnen de gemeente.

Om vast te leggen in welke deelgebieden wel of geen nader onderzoek naar conventionele explosieven uitgevoerd moet worden voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden heeft de gemeenteraad op 3 oktober 2013 beleid vastgesteld, waarvan een kaart onderdeel uitmaakt. . Op basis van deze gemeentelijke beleidskaart ligt het plangebied in de zone ‘Vóóroorlogs bebouwd onderzoeksgebied’ (zie afbeelding 13). Dit betekent dat bij kleine bodemingrepen (< 100 m³) geen onderzoek naar CE uitgevoerd hoeft te worden. Bij grondverzet > 100 m³ en bij heiwerkzaamheden is maatwerk van toepassing. Per project wordt bekeken of, en zo ja, welke maatregelen er moeten worden getroffen.

Afbeelding 13 | Uitsnede Beleidskaart CE (bron: Gemeente Vlissingen, bewerking Juust) Met voorgenomen ontwikkeling wordt meer dan 100 m3 grond verzet en er zijn heiwerkzaamheden voorzien. Om deze reden is een onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) nodig. Door Expload is op 20 mei 2025 een aanvullend vooronderzoek uitgevoerd (bijlage 2). Uit een inventarisatie en analyse van historisch bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er in het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van explosieven, te weten geschutmunitie. Nader onderzoek is nodig om de aanwezigheid van oorlogsresten te bevestigen of uit te sluiten. Hiervoor wordt een projectplan opgesteld wat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de gemeente. Daarna zal een detectie uitgevoerd worden. In het geval er

23

oorlogsregesten worden aangetroffen zullen maatregelen getroffen worden, te denken valt aan aanpassen ontwerp, opsporing of ruiming. Het nader onderzoek zal uitgevoerd worden voordat grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden. Conclusie Het aspect niet gesprongen explosieven staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.1.4

Cultuurhistorische waarden

De omgang met het cultureel erfgoed in onze leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt daarnaast een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om monumenten zoals (bouw)werken, tuinen en parken, bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verschillende cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Aan de Badhuisstraat zijn verschillende monumentale woningen aanwezig. Twee spraakmakende monumenten in de omgeving van het plangebied zijn de watertoren (Badhuisstraat 187) en de voormalige Zeevaartschool (Boulevard Bankert 156). De watertoren is in 1894 gebouwd door de N.V. Vlissingsche Duinwaterleiding, uitgevoerd in NeoRenaissance stijl en tegenwoordig (grotendeels) als woning in gebruik. De Watertoren is van algemeen belang vanwege cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde en van belang vanwege gaafheid.

De voormalige Zeevaartschool (Voormalig Maritiem Instituut De Ruyter) komt uit de jaren 1950-1952/1953 en is ontworpen door de bekende Zeeuwse architect A. Rothuizen. De school heeft een belangrijke architectonische waarde, stedenbouwkundige waarde en cultuurhistorische waarde. De voormalige Zeevaartschool wordt in de nabije toekomst herontwikkeld tot een appartementengebouw met 35 appartementen.

Afbeelding 14 | Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Zeeland) In het ontwerp is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van de watertoren en de Zeevaartschool. De twee meest markante zichtlijnen zijn die vanuit de Spuistraat naar de watertoren aan de Badhuisstraat en die op het torentje van de Zeevaartschool gezien vanuit de Koudekerkseweg. Ze brengen herkenning en binden gebieden aan elkaar. Met de situering van de gebouwen wordt rekening gehouden met deze belangrijke zichtlijnen (afbeelding 15).

24

Afbeelding 15 | Zichtlijnen op Watertoren en Zeevaartschool (bron: Gebiedsvisie Spuikom) Conclusie Het aspect cultuurhistorische waarden staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.2 WATER EN NATUUR Bij het opstellen van ontwikkelplannen worden de thema’s water en natuur steeds meer als leidende basisprincipes gezien. Daar waar eerst getoetst werd of er geen nadelige effecten te verwachten waren (behoud) wordt nu – met name vanwege de klimaatdoelstellingen - veel meer gestuurd op het verbeteren van de waterhuishouding en het ontwikkelen van extra natuurwaarden. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze dit plan bijdraagt aan deze leidende principes. 4.2.1 Weging van het waterbelang Bij het toelaten van activiteiten moet rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen, ook wel ‘weging van het waterbelang’ genoemd. De weging van het waterbelang geldt, volgens artikel 5.37 Bkl, bij het vaststellen van het omgevingsplan. Bij de vaststelling van het omgevingsplan of het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt het advies van de waterbeheerder betrokken. Klimaatadaptatie De Spuikom gaat een belangrijke rol spelen in het klimaatadaptief maken van de Vlissingse binnenstad en omgeving. De Spuikom wordt ingezet om regenwater uit de nabije omgeving te bufferen. Door het groter maken van de bestaande waterpartij in de Spuikom wordt de opslagcapaciteit vergroot en de waterbergingsfunctie toekomstbestendig gemaakt.

Het water in de Spuikom sluit aan op het watersysteem van de Vlissingse Watergang om het surplus aan water geleidelijk aan af te voeren.

25

Afbeelding 16 | Watersysteem Spuikom (bron: Gebiedsvisie Spuikom) Het is mogelijk dat bij extreme weersomstandigheden er op lange termijn (na 2100) een gecontroleerde golfslag kan optreden aan de boulevard. Zeewater zal via de Coosje Buskenstraat naar het laagste deel stromen, de kruising met de Spuistraat. In de Coosje Buskenstraat worden in de toekomst tijdelijke en mobiele voorzieningen getroffen om het water te remmen. Het afgeremde zeewater wordt vervolgens vanaf het kruispunt begeleid richting de Spuikom door middel van het aanwezige reliëf. De ontwikkeling van de Spuiwal wordt zo vormgegeven dat deze de eventuele calamiteitsopvang van het zoute water niet belemmert. Met verdere zeespiegelstijging is het te verwachten dat zoute kwel verder oprukt. De Spuikom weet weerstand te bieden tegen zoute kwel door middel van vergroting van de hoeveelheid zoetwater in de Spuikom en de daarmee gevormde zoetwaterlens.

Afbeelding 17 | Watersysteem Spuikom (bron: Gebiedsvisie Spuikom)

26

Wateroverlast Het deelgebied Spuiwal is in de huidige situatie reeds geheel verhard. Het deelgebied Grote Spuikom is en blijft, uitgezonderd het paviljoen, geheel onverhard. De toename aan verharding vanwege het paviljoen wordt ruimschoots gecompenseerd door het vergroten van het wateroppervlak in de Grote Spuikom. Hemelwater en afvalwater Het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak van de nieuwe bebouwing wordt oppervlakkig afgevoerd naar de waterpartij in de Spuikom. Het afvalwater wordt geloosd op een nieuw aan te leggen vuilwaterriolering. Deze wordt aangesloten op de bestaande riolering aan de Spuikomweg/Glacisstraat. Dit wordt verder technisch uitgewerkt. Veilige waterkeringen Als beheerder van de meeste Zeeuwse waterkeringen, heeft het Waterschap Scheldestromen het onderwerp veiligheid als eerste prioriteit. Het waterschap houdt rekening met een zeespiegelstijging op basis van reële klimaatscenario’s zodat veilig wonen in Zeeland haalbaar en betaalbaar blijft. Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor de veiligheid, het onderhoud en het beheer van de primaire waterkeringen in zijn gebied. De primaire waterkeringen moeten regelmatig worden beoordeeld om te onderzoeken of deze voldoen aan de wettelijke normen voor de waterveiligheid. Als de waterkering niet meer aan de norm voldoet, moeten er verbetermaatregelen worden getroffen.

Het plangebied ligt voor een zeer klein deel binnen een primair waterstaatswerk en verder binnen de beschermingszone (zie afbeelding 18). Hierdoor is een omgevingsvergunning nodig op basis van de waterschapsverordening. Het waterkerend vermogen van de waterkering mag niet worden aangetast. Deze vergunning zal door de ontwikkelende partijen aangevraagd worden.

Afbeelding 18 | Uitsnede kaart Waterkeringen (bron: Waterschap Scheldestromen) Conclusie Het aspect weging van het waterbelang staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.2.2 Soortenbescherming Het aspect natuur omvat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet, indien negatieve effecten op mogelijke beschermde soorten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, onderzocht worden of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken zullen delen van de Spuikom bouwrijp gemaakt worden. Bestaand water en groen worden deels gedempt, geschoond of verwijderd. Daarmee gaan mogelijk bestaande, al dan niet beschermde, natuurwaarden in het plangebied verloren. Om te weten of dat het geval is, is door ecologisch adviesbureau Waardenburg een verkennend onderzoek uitgevoerd.

27

Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een vergunningvrij geval betreft voor algemeen voorkomende amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Wel dient invulling te worden gegeven aan de specifieke zorgplicht. In paragraaf 5.1.3 worden hiervoor maatregelen gegeven. Verder blijkt dat geen uitsluitsel gegeven kan worden over de betekenis van het plangebied voor de grote vos (een dagvlinder), teunisbloempijlstaart (een nachtvlinder), steenmarter en vleermuizen. Voor deze soorten betreft het geen vergunningvrij geval. Naar het voorkomen van deze soorten dient daarom nader onderzoek plaats te vinden. Op basis van de beschikbare informatie kan geen uitsluitsel worden gegeven over de betekenis van het plangebied voor grote vos, teunisbloempijlstaart, steenmarter en vleermuizen. Om hierover uitsluitsel te kunnen geven is nader onderzoek nodig. Dit nader onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende onderzoeksprotocollen. Om invulling te geven aan de specifieke zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende amfibieën wordt de volgende maatregel voorgeschreven: - Vergraaf van de waterpartij tussen augustus en oktober (of november als de watertemperatuur het toestaat); buiten de voorplanting- en overwinteringsperiode.

Om invulling aan de specifieke zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te geven, wordt de volgende maatregel voorgeschreven: - Door beplanting eerst te kappen / maaien voordat delen van het terrein bouwrijp worden gemaakt, hebben grondgebonden zoogdieren de gelegenheid zich te verplaatsen naar terrein waar beplanting behouden blijft - Verplaats aangetroffen egels (al dan niet in winterslaap) naar geschikt alternatief leefgebied in de buurt. Er zijn géén aanwijzingen dat beschermde kwetsbare of bedreigde soorten planten of dieren, die niet bij wet zijn beschermd, binnen de invloedssfeer van de uit te voeren activiteit voorkomen. Maatregelen om gevolgen van de voorgenomen activiteit voor deze soorten te voorkomen zijn dan ook niet nodig. Op 13 oktober 2025 is een nader onderzoek uitgevoerd naar grote vos, teunisbloempijlstaart, steenmarters en vleermuizen (bijlage 5). Uit dit onderzoek blijkt dat van deze soorten geenverblijfplaatsen of voortplantingsplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Wel dient gehoor gegeven te worden aan de specifieke zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.2.3 Gebiedsbescherming Het aspect natuur omvat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming.

Het Rijk en de Provincie zijn in eerste plaats verantwoordelijk voor gebiedsbescherming. Toebedeelde functies moeten beoordeeld worden op mogelijk nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden en getoetst moet worden aan de instructieregels uit de omgevingsverordening ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is ‘Westerschelde’. Dit natuurgebied ligt op circa 180 meter van het plangebied. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt, en hiervan gescheiden wordt door onder meer bestaande bebouwing, worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Voor dit plan is voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (zie bijlage 6). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000gebieden. Er is geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Conclusie Het aspect gebiedsbescherming staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

28

4.3 MOBILITEIT EN BEREIKBAARHEID Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot verkeersproblemen op de omliggende wegen. Er moeten ook voldoende parkeerplaatsen voor auto's en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie, het type functie en gemeentelijk beleid. Mobiliteit is geen doel op zich, maar een belangrijke randvoorwaarde voor onder meer de woningbouwopgave en de regionale economie. Gemeenten kennen een breed takenpakket op het gebied van mobiliteit. Het gaat niet alleen om het beheer en onderhoud van lokale wegen, maar ook over de mobiliteitstransitie, verkeersveiligheid en toegankelijkheid. Om mobiliteit toekomstbestendig te maken moeten al deze aspecten in onderlinge samenhang beschouwd worden. Gemeenten hebben daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om locaties binnen de gemeente goed bereikbaar te houden. 4.3.1 Parkeren Omdat de exacte invulling van het leisure gebouw en de gemengd maatschappelijke functies nog niet bekend is, evenals de verdeling grondgebonden en gestapelde woningen, kan voor deze ontwikkeling enkel een inschatting gemaakt worden van de parkeerbehoefte. De gemeente Vlissingen heeft op basis van een aantal voorlopige uitgangspunten en de studie van Ginder (bijlage 1) een inschatting gemaakt van de parkeerbehoefte (bijlage 7). De parkeerbehoefte bedraagt volgens deze berekening 259 parkeerplaatsen.

Het paviljoen is daar niet in meegenomen. Voor een paviljoen (restaurant) geldt, op basis van de Nota Parkeernormering Vlissingen 2018-2022, een parkeernorm van 9 parkeerplaatsen per 100 m2. De parkeerbehoefte van het paviljoen, uitgaande van een BVO van 500 m2, bedraagt hiermee 45 parkeerplaatsen. De totale indicatieve parkeerbehoefte bedraagt hiermee 304 parkeerplaatsen. De nieuw aan te leggen ondergrondse parkeergelegenheid onder het deelgebied Spuiwal zal zodanig gedimensioneerd worden dat deze voorziet in de volledige parkeerbehoefte van het bovengrondse programma (in ieder geval de woningen en gemengd maatschappelijke functies). Deze parkeervoorziening is enkel voor de alhier aanwezige woningen en functies. Parkeren krijgt nagenoeg volledig een plek onder het maaiveld. Hiermee tast parkeergelegenheid de kwaliteit van de openbare ruimte niet aan. Enkele parkeermogelijkheden op maaiveld blijven beschikbaar om hiermee specifieke doelgroepen zoals mindervaliden te faciliteren. De parkeerbehoefte van het deelgebied Spuikom (paviljoen) wordt opgevangen in de nieuw aan te leggen parkeervoorziening onder het deelgebied Duun. Zodra de concrete invulling bekend is, zal aangetoond moeten worden dat voorzien kan worden in voldoende parkeerplaatsen. Het is daarbij belangrijk om een passend parkeeraanbod te realiseren, waarbij zowel een tekort of een overschot wordt voorkomen.

Volledigheidshalve is het in 2022 uitgevoerde parkeeronderzoek, wat ten grondslag lag aan de gebiedsvisie, toegevoegd aan bijlage 7. Aanvullend is ook nog de restcapaciteit in de parkeergarage Fonteye onderzocht. Hieruit blijkt dat op het drukte moment van het jaar (juli en augustus) er nog een restcapaciteit van 100 parkeerplaatsen is. Met de ontwikkeling zal de huidige openbare parkeervoorziening, met een capaciteit van 75 parkeerplaatsen, verdwijnen en elders opgevangen moeten worden. Door Groen Licht BV is in februari 2025 een parkeerdrukmeting uitgevoerd (bijlage 7). Uit dit onderzoek blijkt dat het meest recente parkeeronderzoek aantoont dat de restcapaciteit in het invloedgebied van parkeerterrein Spuikom erg groot is. Zelfs op zaterdagavond (het drukste parkeermoment) is de restcapaciteit groter dan de parkeerdruk, wat betekent dat minder dan de helft van de parkeerplaatsen is bezet. Op basis van deze cijfers is het niet nodig om de parkeerplaatsen die komen te vervallen in de Spuikom, te compenseren. Conclusie Het aspect parkeren staat planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.3.2 Verkeersgeneratie, vervoersmodaliteit en ontsluiting De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering’. Uitgegaan wordt van stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk' en gebiedstype 'schil'.

De gemeente Vlissingen heeft op basis van een aantal voorlopige uitgangspunten en de studie van Ginder (bijlage 1) een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie. De totale verkeersgeneratie bedraagt 1000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Spuikomweg heeft in de toekomstige situatie ruim voldoende restcapaciteit om deze toename op te vangen.

29

De verkeersbewegingen worden via de Spuikomweg afgewikkeld naar de Badhuisstraat en naar de Spuistraat (westelijk deel van de binnenstad). De Spuikom wordt een gebied waar voetganger en fietser optimaal bediend worden en automobiliteit gericht is op rekening houden met andere verkeersdeelnemers. Om dit duidelijk te maken wordt de Spuikomweg bij de aansluiting van de Badhuisstraat veranderd van doorgaande weg in een meer binnenstedelijke toegangsweg die ingepast is in de omgeving. De route ontsluit de parkeergarages aan de nieuwe bebouwingsstrip langs de Spuikomweg en de verdere binnenstad en moet ook geschikt blijven als ontsluiting voor met name het westelijke deel van de binnenstad. De Spuikomweg zal ook afgewaardeerd worden. De Glacisstraat houdt een verkeersluw karakter. Het wordt een nog rustigere straatje, alleen om de aanliggend parkeerplekken op te lossen en de woningen aan de Glacisstraat en de Duinpoortweg te bereiken. Ook worden er diverse wandel- en fietspaden aangelegd. Conclusie Het aspect verkeersgeneratie en ontsluiting staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.4 DUURZAAMHEID Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen.

Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. 4.4.1 Duurzame energie Om een toekomstbestendige ontwikkeling tot stand te brengen is in de planontwikkeling veel aandacht besteed aan duurzaamheidsaspecten. De gebouwen worden zo energiezuinig mogelijk gerealiseerd. De gebouwen worden voorzien van zonnepanelen, warmteterugwininstallatie (WTW) en warmtepompen. Om de warmtevraag tot het minimum te beperken worden de woningen goed geïsoleerd. De gebouwen worden zo gebouwd, dat de energievraag zoveel mogelijk wordt beperkt. Voor de elektriciteitsopwekking ligt het voor de hand om PV-panelen toe te passen op het dak om in duurzame energie te kunnen voorzien. Een aanzienlijke kans ligt er op het dakvlak van de bioscoop, dat gebruikt kan worden om PV-panelen toe te passen en daarmee in de energiebehoefte binnen de Spuikom te voorzien. Daarnaast is er voor een enkel hoog gebouw te denken aan het maken van zogenaamde powerNESTs (integratie van windenergie met zonnepanelen).

Een kansrijke verkenning aan de meest zonnige badplaats van Nederland, waar het tevens vrijwel altijd waait. Aangezien de ontwikkelingen op het gebied van energie uit hernieuwbare bronnen snel gaan, is het wenselijk om ook kansen voor energiewinning uit andere bronnen te beschouwen, zoals riothermie, het gebruik van de restwarmte in het rioolwater of energiewinning uit ijsbuffersystemen. Verstandig omgaan met de ruimte is wenselijk. De energieambities en de groene ambities binnen de Spuikom gaan beide uit van het benutten van daken. Ten aanzien van het winnen van elektriciteit versus groen- en wateropslag wordt de gedachte gehanteerd dat in de woningbouwblokken de hoogste daken voor energiewinning gebruikt worden en de lagere daken voor groen. Hiermee ontstaat ook een divers, functioneel en groen dakenlandschap. Conclusie Het aspect duurzame energie staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.4.2 Circulaire economie Binnen de Spuikom is het de ambitie om minstens een kwart van de bebouwing in houtbouw uit te voeren. Juist in de gebouwde omgeving is het mogelijk om veel CO2 uitstoot te besparen (en zelfs op te slaan) door hout als alternatief bouwmateriaal te gebruiken. Conclusie Het aspect circulaire economie staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

30

4.4.3 Duurzame mobiliteit In de gebiedsvisie wordt aandacht besteed aan oplaadmogelijkheden voor elektrische auto’s en het faciliteren van deelmobiliteit. De Spuikom schept kansen voor een mobiliteitshub. Een mobiliteitshub is de plek waar overgestapt kan worden van de ene vorm van mobiliteit naar de andere en uit zich fysiek in een mobiliteitswinkel met een fysieke plek voor deelauto’s, deelscooters, deelfietsen en andere vormen van vervoer. In de Spuikom bedient de hub het stadscentrum, culturele- en maatschappelijke voorzieningen, de cinema en leisure voorzieningen, het stadhuis, de boulevards en stadsstranden. Allen functies zijn op 5 minuten lopen bereikbaar. Op deze plek is ook de overstap naar OV (grote en kleine bus) met comfortabele wachtruimte, taxi en fiets mogelijk. De vorm en invulling van het mobiliteitshub worden nog verder onderzocht. Conclusie Het aspect duurzame mobiliteit staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.4.4 Biodiversiteit en natuurinclusiviteit In de Spuikom, met haar ecologische potenties, is de ambitie dat elk bouwblok aantoonbaar natuurinclusief wordt gebouwd. In ieder geval voor vleermuizen, gierzwaluw en huismus. Deze ambities betreffen vooral interventies in de gebouwen, maar worden in de Spuikom ondersteund door in de beplanting de biodiversiteit te vergroten.

Een grote diversiteit aan planten en bomen trekt vogels, zoogdieren en insecten en schimmels. Uit de onderlinge samenwerking ontstaat in het landschap een natuurlijke kringloop. In de stedelijke omgeving zal een natuurlijk ecosysteem niet geëvenaard worden, maar er is wel sprake van interessante stadsnatuur. Voor vogels en andere dieren is het wenselijk dat de bomen, heesters, kruiden en bodembedekkers in de binnentuinen en beplante daken zorgen voor voedsel en beschutting. Voor de aanplant van beplanting is variatie gewenst om te zorgen voor vruchten, noten, bloemen. Op die manier draagt de beplanting bij aan de stadsbiotoop. Langs het open water in de Spuikom worden flauwe oevers met deels riet gemaakt, waarmee ook de ecologische waarde wordt benut. Conclusie Het aspect biodiversiteit en natuurinclusiviteit staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.5 GEZONDE LEEFOMGEVING Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de kaders van Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Het aspect gezondheid is veelomvattend en zeer divers. Aan de meeste milieuaspecten (o.a. luchtkwaliteit, geluid en geur) zijn in meer of mindere mate immers gezondheidsaspecten verbonden.

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. 4.5.1 Gezonde en natuurlijke leefomgeving Zowel bij het realiseren van de bebouwing als de openbare ruimte wordt gelet op het maken van een gezonde leefomgeving. In de openbare ruimte zorgt de natuurlijke omgeving voor bewegen, spelen en sporten in de Spuikom. Het groen en water draagt bij aan verbetering van de luchtkwaliteit en draagt eveneens bij aan het tegengaan van hittestress, wat de gezondheid ten goede komt. Door de aanplant van groen en de aanleg van waterpartijen is in akoestisch opzicht sprake van een ‘zachte’ wijk waar de geluidshinder beperkt is. In de Spuikom zal de luchtkwaliteit beter zijn dan in omliggende wijken vanwege het grote groengebied en groen op gevels en daken. Conclusie Het aspect ‘gezonde en natuurlijke leefomgeving’ staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

31

4.5.2

Milieuzonering

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Milieugevoelige objecten (zoals woningen) moeten beschermd worden tegen milieubelastende functies. Het deelgebied Spuiwal bestaat uit onder meer de realisatie van woningen, een gebouw met leisure-activiteiten en beperkte ruimte voor horeca en/of publieke dienstverlening in de plint van de woongebouwen K en J (afbeelding 19). Enkel de woningen worden aangemerkt als gevoelige objecten.

Afbeelding 19 | Uitsnede gebiedsvisie Spuikom (Bron: Gebiedsvisie Spuikom) In de directe omgeving van deelgebied Spuiwal zijn een culturele functie (nu een bioscoop) en een gemengde functie (nu een supermarkt) mogelijk. Voor een bioscoop geldt een richtafstand van 30 meter en voor een supermarkt een richtafstand van 10 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Daarnaast dient binnen het deelgebied Spuiwal rekening gehouden te worden met voldoende afstand tussen de woonfunctie en de gemengd maatschappelijke functies en het gebouw met leisure. Gelet op de mix aan functies binnen het plangebied en de omgeving (gemengd, supermarkt, bioscoop, wonen, ontsluitingsweg) kan gesproken worden van gemengd gebied. Hierdoor kan de richtafstand met één afstandstap verkleind worden. Hieronder zijn de richtafstanden in beeld gebracht. De richtafstanden zijn gebaseerd op de VNG-publicatie ‘Bedrijven- en milieuzonering’. Gemengd maatschappelijke functies Van de gemengd maatschappelijke functies (zie tabel hieronder) geldt voor alle functies een richtafstand van 0 meter binnen gemengd gebied. De gemengd maatschappelijke functies vormen, in het kader van milieuzonering, geen belemmering.

Functie Horeca Huisarts (1 behandelkamer) Apotheek

32

GEMENGD MAATSCHAPPELIJK Uitgangspunt (VNG-brochure) Cafés, bars Artsenparktijken, klinieken en dagverblijven Artsenparktijken, klinieken en dagverblijven

Richtafstand (meter) 0 0 0

Fysio Consultatiebureau (per behandelkamer)

Artsenparktijken, dagverblijven Artsenparktijken, dagverblijven

klinieken

en

0

klinieken

en

0

Leisure Voor het leisuregebouw zijn van de meest kansrijke functies, volgend uit de rapportage van Ginder, de richtafstand in beeld gebracht: Jeu de boules, VR/AR Experience, fitness hyrox centrum, racket/padelcentrum, klimhal/bouldering en/of een sciencecentrum/leerfabriek. Voor het leisuregebouw (gebouw I) geldt voor een aantal functies een richtafstand van 10 meter of 30 meter. Het meest nabijgelegen geluidgevoelig object zijn de gebouwen K en J. De afstand tussen deze gebouwen bedraagt 20 meter. Om deze reden wordt enkel voor het fitness hyrox centrum, het racket/padelcentrum en de klimhal/bouldering niet voldaan aan de richtafstand. In de regels is een beoordelingsregel en vergunningsvoorschrift opgenomen dat bij het ontwerp en de inrichting van het gebouw voldaan moet worden aan de standaardwaarden voor geluid op een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 22.63 van het omgevingsplan.

Functie Jeu de boules VR/AR Experience Fitness hyrox centrum Racket/padelcentrum Klimhal/bouldering Sciencecentrum/leerfabriek

LEISURE Uitgangspunt (VNG-brochure) Bowlingcentra Evenementenhallen Sporthallen Sporthallen Sporthallen Museum

Richtafstand (meter) 10 10 30 30 30 0

Conclusie Het aspect milieuzonering staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.5.3

Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Een akoestisch onderzoek is nodig wanneer de verkeersintensiteit van omliggende wegen met een geluidaandachtsgebied meer dan 1.000 mvt/etmaal bedraagt. Het plangebied is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Spuikomweg en de Badhuisstraat. Naar verwachting hebben beide wegen een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mvt/etmaal. Akoestisch onderzoek is daarom nodig. Door Goudappel Coffeng is op 24 april 2025 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 8).

Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van het verkeer op de gemeentelijk wegen sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde. Geluidreducerende maatregelen, in de vorm van het reduceren van de maximale snelheid op de Spuikomweg of het toepassen van geluidreducerend wegdek, sorteren effect. Toch kan de geluidsbelasting niet ver genoeg gereduceerd worden om onder de standaardwaarde te komen voor alle woongebouwen. Omdat sprake is van overschrijdingen van de standaardwaarde dient onderzocht te worden of er aanvullende bouwkundige maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De gecumuleerde geluidsbelasting wordt beoordeeld tussen ‘redelijk en ‘tamelijk slecht’. Daarbij hebben alle woongebouwen een geluidsluwe zijde. Afhankelijk van de indeling van deze gebouwen is het mogelijk om de woningen binnen de woongebouwen te voorzien van een geluidluwe zijde. Wanneer deze indeling

33

bekend is, kan volgend onderzoek inzicht geven in geluidsbelasting per woning. Een onderzoek naar aanvullende bouwkundige maatregelen om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB (BbL) en een onderzoek naar de geluidbelasting per woning wordt uitgevoerd zodra een concreet bouwplan beschikbaar is en hiervoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd. Langs de wegen in de omgeving is geen sprake van een waarneembare toename van geluid van 1,5 dB of meer als gevolg van de verkeerstoenames. Daarmee is geen sprake van indirecte planeffecten voor geluid. Conclusie Het aspect geluid staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.5.4

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook liggen in en in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied (10 km) van de kerncentrale Borssele, specifiek de zone ‘jodiumprofylaxe tot 18 jaar en zwangere vrouwen’. Hiervoor geldt de algemene maatregelen ‘schuilen’ en ‘het nemen van jodiumprofylaxe’. Aan de westzijde van het plangebied is de Westerschelde gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Een klein deel van de Spuikomweg valt binnen de Basisnetroute Water van de Westerschelde (zie afbeelding 20). Alle routes die onderdeel uitmaken van het Basisnet, hebben een brand- en een explosie- (en een gifwolk)aandachtsgebied. Een aandachtsgebied is een gebied waar mensen in een gebouw onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een brand, explosie of gifwolk die van buitenaf komt. De brand, explosie of gifwolk is hierbij veroorzaakt door een ongewone gebeurtenis met vervoer van gevaarlijke stoffen. Aangezien een klein deel van het plangebied gelegen is binnen het gifwolkaandachtsgebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Daarbij wordt vermeld dat er geen kwetsbaar object gerealiseerd wordt binnen het gifwolkaandachtsgebied. De bereikbaarheid van het gebied is goed, voor zowel de hulpdiensten als de bewoners en bezoekers van de binnenstad. Er zijn in en rondom het plangebied diverse mogelijkheden om te vluchten.

Er zijn schuilmogelijkheden in de woongebouwen zelf of in (openbare) gebouwen in de omgeving. De woongebouwen zullen ook voldoen aan de veiligheidseisen zoals een centraal afsluitbare mechanische ventilatie. De beoogde woongebouwen hebben meerdere in- en uitgangen. Dit komt ten goede aan de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid op het moment dat een incident of ongeval kan leiden tot een gifwolk. Voor de woongebouwen wordt ervan uitgegaan dat de bewoners zelfredzaam zijn.

34

Afbeelding 20 | Uitsnede Signaleringskaart (bron: Signaleringskaart EV, bewerking Juust) Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.5.5

Luchtkwaliteit

Bij het toelaten van activiteiten moeten, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10. Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 80 wooneenheden, een gebouw met leisure, beperkte horeca en/of publieke dienstverlening, parkeervoorzieningen, groen, water en ontspanning met dagrecreatieve functies en een horecapaviljoen. Deze ontwikkeling valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Door Goudappel Coffeng is op 24 april een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit (bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat langs alle beschouwde wegvakken ruim aan gestelde omgevingswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving voldoen. De concentraties, als gevolg van de plannen, overschrijden de normen, met een ruime marge, niet. Met deze bevindingen vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van de plannen.

35

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.5.6

Windhinder

Windhinder kan optreden op rond hoge gebouwen. Er kan sprake zijn van verhoogde windsnelheden, waardoor het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kan zijn. Door onderzoek (computeranimatie of windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder of windgevaar zal optreden. Ook kan bekeken worden welke maatregelen mogelijk zijn om windhinder te voorkomen of te beperken. In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. De beoordeling van windhinder is nodig vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een windhinder onderzoek is vooral bij hoogbouw gewenst. De, inmiddels algemeen en ook in de jurisprudentie, aanvaarde norm NEN 8100 geeft normen voor het beoordelen en onderzoeken van windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving. In deze norm is een beslismodel weergegeven, wanneer windhinderonderzoek nodig is: 1. gebouwen, hoger dan 30 meter: windonderzoek; 2. beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 – 30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is; 3. onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is. De ontwikkeling van de Spuikom is nog niet voldoende concreet om te bepalen of het uitvoeren van een windhinder onderzoek noodzakelijk is.

Om ter plaatse een acceptabel windklimaat te kunnen garanderen, en waar nodig maatregelen te kunnen treffen, is ten aanzien van de noodzaak om onderzoek te doen (en eventueel passende maatregelen te treffen) voorzien in een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Conclusie Het aspect windhinder staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.5.7

Bezonning/schaduwhinder

Bezonning is een van de afwegingsaspecten voor de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Door De Zwarte Hond is een bezonningstudie gemaakt (bijlage 8). Uit de bezonningstudie blijkt dat er tot 18.00 weinig tot geen sprake is van schaduwoverlast op de woningen ten noorden van de Duinpoortweg. Na 18.00 komt, met het invallen van de avond, de zon achter de gebouwen te staan en zal enige schaduw ontstaan op deze woningen. Deze bezonningstudie betreft een indicatieve studie, omdat het ontwerp van de gebouwen nog niet concreet is uitgewerkt. Op het moment dat een concreet bouwplan beschikbaar is, zal een nieuwe bezonningstudie gemaakt worden die ook voldoet aan de TNO-normen.

Conclusie Het aspect bezonning/schaduwhinder staat het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

36

4.5.8

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Bij de ontwikkeling van onder meer woningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan (voorheen de aanmeldnotitie). Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze motivering wordt gezien als de mededeling. Of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten is mede afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling en de relatie met andere plannen, projecten of activiteiten en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed.

In onderhavig plan worden in totaal maximaal 80 wooneenheden, een gebouw met leisure, beperkte horeca en/of publieke dienstverlening, parkeervoorzieningen, groen, water en ontspanning met dagrecreatieve functies en een horecapaviljoen mogelijk gemaakt. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt zijn (zie paragraaf 4.1 t/m 4.6). Conclusie Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

37

5. Conclusie 5.1 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Er dient gemotiveerd te worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan

V ~ X

Ondergrond en cultuurhistorie Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven Cultuurhistorische waarden

V V V V

Natuur en water Weging van het waterbelang Soortenbescherming Gebiedsbescherming

V V V

Mobiliteit en bereikbaarheid Parkeren Verkeersgeneratie, verkeersmodaliteit en ontsluiting

V V

Duurzaamheid Duurzame energie Circulaire economie Duurzame mobiliteit Biodiversiteit en natuurinclusiviteit

V V V V

Gezonde leefomgeving Gezonde en natuurlijke leefomgeving Milieuzonering Geluid Omgevingsveiligheid Luchtkwaliteit Windhinder Bezonning/Schaduwhinder Milieueffectrapportage

V ~ ~ V V ~ V V

5.2 BELANGENAFWEGING Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan de meeste aspecten wordt voldaan. Voor een aantal aspecten geldt dat deze onder voorwaarden kunnen voldoen: - Niet Gesprongen Explosieven: uit het aanvullend vooronderzoek blijkt dat nader onderzoek nodig is. Het nader onderzoek zal uitgevoerd worden voordat grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden. - Milieuzonering: In het kader van milieuzonering wordt niet voldaan aan alle richtafstanden. In de regels is daarom een beoordelingsregel en vergunningsvoorschrift opgenomen dat bij het ontwerp en de inrichting van het gebouw voldaan moet worden aan de standaardwaarden voor geluid op een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 22.63 van het omgevingsplan.

38

-

-

Geluid: In het kader van geluid is er een overschrijding van de standaardwaarde. Een onderzoek naar aanvullende bouwkundige maatregelen om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB (BbL) en een onderzoek naar de geluidbelasting per woning is nodig. Deze worden uitgevoerd zodra een concreet bouwplan beschikbaar is en hiervoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd. Windhinder: De ontwikkeling van de Spuikom is nog niet voldoende concreet om te bepalen of het uitvoeren van een windhinder onderzoek noodzakelijk is. Om ter plaatse een acceptabel windklimaat te kunnen garanderen, en waar nodig maatregelen te kunnen treffen, is ten aanzien van de noodzaak om onderzoek te doen (en eventueel passende maatregelen te treffen) voorzien in een voorwaardelijke verplichting in de planregels.

In het geval voldaan wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden, kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

39

6. Uitvoerbaarheid 6.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In het omgevingsplan geeft de gemeente aan dat een bepaalde functie op een locatie ‘kan’ komen en zodra zich een concreet initiatief aandient moet onderzocht ‘hoe’ dat financieel uitvoerbaar is. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die voldoende concreet is, moet de uitvoerbaarheid daarom worden aangetoond. Om te waarborgen dat het project ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd moet aangetoond worden dat het ook financieel uitvoerbaar is. Zo wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die uiteindelijk niet uitgevoerd kunnen worden. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de grondeigenaar (tevens gemeente) plaatsvindt. Ontwikkelkosten, nadeelcompensatie en proceskosten zijn voor rekening van de gemeente. 6.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. De gemeente Vlissingen heeft een eigen participatiebeleid: De Participatie- en Inspraakverordening Vlissingen 2023.

Inhoudelijk is deze verordening in lijn met het participatiebeleid. In het participatiebeleid staan algemene uitgangspunten die gelden bij ieder participatieproces, klein of groot, kort of lang durend, offline of online. Bij planvorming, beleidsontwikkelingen en projecten is het belangrijk om op grond van de beleidsruimte binnen het onderwerp, een goede afweging te maken over het participatieniveau. Vaak wordt hierbij gesproken over 'participatieladders'. Hiermee wordt aangegeven op welke manier de gemeente omgaat met de inbreng van haar inwoners en andere belanghebbenden. In het kader van de gebiedsvisie Spuikom is een uitgebreid participatietraject gevolgd. Hieronder volgt een opsomming van een aantal participatiemomenten: In de maanden juni tot september 2021 is het op verschillende manieren mogelijk geweest om ideeën voor de Spuikom ‘te spuien’. In totaal zijn er rond de 110 ideeën van bewoners en betrokkenen opgehaald. Veel daarvan gaan over het groene ‘lager’ gelegen deel van de Spuikom. De top 3 meest genoemde onderwerpen zijn groen, sporten en spelen. Een vrijblijvende marktconsultatie gaf de kans aan marktpartijen om ideeën en beelden over de Spuikom te delen en de gemeente vrijblijvend informatie vanuit de markt mee te geven voor de Spuikom. 6 partijen hebben uiteenlopende ideeën aangeleverd over het gebruik en de invulling.

Zij zagen onder meer kansen voor woningen en (verblijfs)recreatie. Een klankbordgroep van betrokken Vlissingers heeft in alle fases van de visieontwikkeling met enthousiasme gereflecteerd op de voorliggende keuzes en actief bijgedragen aan de visievorming. Aandacht is er onder meer meermaals gevraagd voor de ruimtelijke structuur en zichtlijnen van de bebouwing aan de binnenstadszijde en de verbinding van en naar de binnenstad. In de gebiedsvisie is hierop ingespeeld met een gewijzigde stedenbouwkundige structuur en een aanvullende padenstructuur door de Grote Spuikom. De Visie Spuikom heeft van 7 juli tot 29 september 2022 in de inspraak gelegen. Achttien inspraakreacties zijn ontvangen. De inspraakreacties zijn voorzien van een reactie en daar waar nodig hebben deze een vertaling gekregen in de definitieve Visie Spuikom. 6.2.2 Terinzagelegging en ketenpartners Het plan heeft als ontwerp ter inzage gelegen. De ketenpartners zijn hierover geïnformeerd. Na de terinzagelegging zijn de binnengekomen zienswijzen beantwoord (bijlage 10) en de wijzigingen die daaruit volgen zijn verwerkt in het TAM-IMRO omgevingsplan.

40

7. Juridische planbeschrijving 7.1 JURIDISCH KADER TAM-IMRO OMGEVINGSPLAN Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ontwikkeld voor gemeenten die hun omgevingsplan nog niet kunnen wijzigen met behulp van de nieuwe standaarden (STOP-TPOD). Met behulp van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) kan met behulp van de IMROstandaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) alsnog het omgevingsplan gewijzigd worden. Het gebruik van een TAM-IMRO omgevingsplan is, vooralsnog, toegestaan tot en met 31 december 2025.

Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. TAM-IMRO plannen moeten uiterlijk voor 1 januari 2032 worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). Met het ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Spuikom fase 1 Vlissingen’ wordt de realisatie van onder meer 80 wooneenheden, een gebouw met leisure, gemengd, maatschappelijke functies, parkeervoorzieningen, groen, water, dagrecreatieve functies en een horecapaviljoen mogelijk gemaakt. Deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Vlissingen is technisch opgesteld conform het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

7.2 OPZET VAN DE REGELS 7.2.1 Algemeen Een TAM-IMRO plan wordt opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Volgens de werkafspraken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt een TAM-IMRO omgevingsplan toegevoegd als een nieuw hoofdstuk in een omgevingsplan. Conform deze werkafspraken wordt dit TAM-IMRO omgevingsplan als hoofdstuk 22a ingevoegd in het omgevingsplan van de gemeente Vlissingen. Bij het opstellen van dit TAM-IMRO plan is rekening gehouden met de werkafspraken die de VNG heeft vastgelegd rondom de vormgeving van een TAM- IMRO plan, de wettelijke criteria en de lokale regelgeving van de gemeente Vlissingen. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Functies en activiteiten; 3. Algemene regels; 4. Overgangsbepalingen. 7.2.2 Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMROstandaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor een TAM-IMRO omgevingsplan is deze hoofdstuk- en artikelnummering niet mogelijk, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent.

Deze nummers zijn dus al ‘bezet’.

41

Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot en integreert met de rest van het omgevingsplan is, conform voorstel van de VNG, na het object ‘Regels’ en voor het toevoegen van het object ‘Hoofdstuk’ een preambule opgenomen. Deze preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moet worden. 7.2.3 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • Artikel 1 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Daarnaast wordt aangegeven dat eerder geldende ruimtelijke plannen en de regels uit het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat) niet van toepassing zijn als er strijdigheid bestaat met de regels uit het TAMomgevingsplan. Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er namelijk niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Het toepassingsbereik zorgt er dus voor dat voorkomen wordt dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, en bepaalde regels voorgaan op de oude regels. Artikel 1 onder a sluit de werking van het bestemmingsplan ‘Boulevard’ uit.

Het paraplubestemmingsplan ‘Parkeernormering’ blijft wel van toepassing. Artikel 2 Begripsbepalingen: Met deze bepaling wordt geregeld dat de begripsbepalingen in dit hoofdstuk voorgaan op de wettelijke begripsbepalingen. • Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen: In di artikel worden de begripsbepalingen weergegeven die aanvullend zijn aan of afwijkend zijn van de wettelijke begripsbepalingen. • Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft weer op welke wijze gemeten moet worden voor de in dit hoofdstuk opgenomen regels 7.2.4 Functies en activiteiten Dit hoofdstuk kent functies toe aan locaties en stelt regels aan activiteiten. Binnen het plangebied zijn meerdere functies aangewezen. Deze functies zijn in de artikelen 5 tot en met 10 weergegeven en betreffen de functies ‘Cultuur en ontspanning’, ‘Groen’, ‘Horeca’, ‘Verkeer’, ‘Verkeer-verblijfsgebied’ en ‘Wonen’. Daarnaast wordt binnen deze artikelen aangegeven welke activiteiten (bouwactiviteiten, gebruiksactiviteiten) ter plaatse zijn toegestaan. In artikel 11 zijn de zijn regels opgenomen ter bescherming van bepaalde waarden of bepaalde objecten. In dit geval zijn dat regels behorende bij de functie ‘Waarde – Archeologie 1’ en heeft als doel het behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.

In artikel 12 ‘Waterstaat’ zijn de regels opgenomen die naast de overige functies op een locatie gelden. Deze komt overeen met de voormalige dubbelbestemming en stelt specifieke regels aan bouwactiviteiten en activiteiten ten behoeve van werken en werkzaamheden. 7.2.5 Algemene bouwregels Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen die gelden voor het gehele plangebied: • Artikel 13 Anti-dubbeltelregel: Dit artikel heeft als doel om te voorkomen dat van gronden, waarvan gebruik is gemaakt voor de realisering van een bepaalde activiteit, na realisering daarvan, nogmaals gebruik kan worden gemaakt. Hiermee is aangesloten op de standaard anti-dubbeltelbepaling uit artikel 3.2.4 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening. Hiermee kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat als dit TAM-IMRO omgevingsplan regelt dat perceel A maximaal 50% mag worden bebouwd, een deel van het perceel (na verkoop van dat deel) opnieuw meetelt bij een ander perceel (perceel B). Door die verkoop telt dat deel van het perceel niet alleen twee keer mee bij het bepalen van de oppervlakte, maar zorgt ook voor een strijdige situatie op perceel A. Daar wordt immers niet meer voldaan aan het vereiste dat maximaal 50% bebouwd mag worden. • Artikel 14 Algemene bouwregels: Hierin is aangegeven dat bouwgrenzen mogen worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16848448/2