CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 Rvs Bestemmingsplan Machinefabriek bijlage 2 bijlagen bij toelichting

Commissie Ruimte 20 februari 2024, gemeente VlissingenBij agendapunt: Bestemmingsplan Machinefabriek24.538 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

-

niet alle afgeworpen bommen hebben gefunctioneerd, sommige zijn als blindganger terechtgekomen. De blindgangers zijn in kaart gebracht, maar in het vooronderzoek is geconcludeerd: ‘er is niet onomstotelijk vastgesteld dat alle blindgangers ook daadwerkelijk zijn geregistreerd’. Binnen het onderzoeksgebied zijn drie blindgangers geregistreerd;

-

Vlissingen ook op 20 september 1940, 31 mei 1943, 15 en 17 augustus 1943, 17 september 1944 en 3 november 1944 werd gebombardeerd, maar bij deze bombardementen kwamen de bommen volgens het uitgevoerde vooronderzoek om ruime afstand van het onderzoeksgebied terecht:

-

behalve bommen ook een onbekend aantal boordmunitie in het onderzoeksgebied zijn terecht gekomen, omdat op 16 oktober 1941 een beschieting met boordwapens heeft plaatsgevonden, gericht op het KSG-terrein;

-

tijdens de bevrijding van Vlissingen verspreid over KSG-terrein geschutgranaten zijn ingeslagen, omdat het tijdens de bevrijding op uitgebreide schaal werd beschoten met artilleriegeschut;

-

op 1 november 1944 net buiten het aandachtgebied CE straatgevechten hebben plaatsgevonden om de bevrijding van Vlissingen;

-

Ondanks de vele bombardementen en beschietingen na WOII in het onderzoeksgebied nooit CE zijn aangetroffen, terwijl er toch op uitgebreide schaal grondroerende werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Uit de analyse van de CE-bodembelastingkaart en het bijbehorende vooronderzoek wordt afgeleid dat er in het onderzoeksgebied minimaal dertien vliegtuigbommen zijn terechtgekomen, waarvan 3 blindgangers. De locaties waar volgens de CE bodembelastingkaart binnen en in de directe omgeving van het aandachtsgebied CE bominslagen zouden zijn geweest en beschieting met boordwapens hebben plaatsgevonden, zijn weergegeven in figuur 6. Noot: Op basis van aanvullend archiefonderzoek is aangetoond dat de CE-bodembelastingkaart helaas niet de juiste weergave geeft van de data van bepaalde gebeurtenissen en de locaties waar bominslagen zijn geweest. In de volgende paragrafen gaan wij hier nader op in.

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 21 van 199

Figuur 6: Gepositioneerde indicaties vooronderzoek 7

Op basis van de analyse van het met de vooronderzoeken die in 2005 en in de periode van 2007 tot 2009 zijn uitgevoerd gevonden archiefmateriaal, is geconcludeerd dat het voormalige KSG-terrein meermaals is gebombardeerd, uitgebreid is beschoten met artillerie en sporadisch met boordwapens, daarom is het volledige onderzoeksgebied primair aangemerkt als verdacht voor blindgangers van vliegtuigbommen en geschutmunitie. 7

Bron: CE Bodembelastingkaart gemeente Vlissingen

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 22 van 199

2.2.3

Nadere analyse

Om een beter beeld te krijgen van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het als verdacht aanmerken van het onderzoeksgebied, heeft Expload aanvullend archief onderzoek uitgevoerd. Hiervoor zijn o.a. documenten geraadpleegd die zijn verzameld door de heer Tuynman. De heer Tuynman is historicus. Hij beschikt over een uitgebreide verzameling van diverse soorten archiefstukken die voor Vlissingen relevant zijn: o.a. (lucht)foto’s, krantenberichten, rapporten en verslagen van zowel geallieerde en Duitse eenheden, Politie en Brandweer, medewerkers van de Schelde en de Dienst luchtbescherming Vlissingen (DLV) et cetera. Toelichting: Met de invoering van de Luchtbeschermingswet van 23 april 1936 werden de gemeenten verplicht een aantal maatregelen te nemen tegen aanvallen vanuit de lucht. De burgemeesters werden verantwoordelijk gesteld voor de luchtbescherming en elke gemeente kreeg de verantwoordelijkheid om een luchtbeschermingsdienst (LBD) op te richten. Deze luchtbeschermingsdiensten waren gemeentelijke diensten, die nauw samenwerkten met de politie. In veel gemeenten was het Centraal Bureau van deze dienst daarom ondergebracht in het politiebureau. De doelstellingen van de LBD waren om in vredestijd de bescherming van de bevolking tegen luchtaanvallen voor te bereiden en in tijden van mobilisatie en/of oorlog te zorgen voor daadwerkelijke bescherming van de bevolking.

In Vlissingen was de LBD al actief voordat de oorlog uitbrak. De LBD is Vlissingen is bekend onder de naam Dient Luchtbescherming Vlissingen (DLV). Tijdens de oorlog hielden zei nauwkeurig bij (veelal van minuut tot minuut) wat er in Vlissingen en omgeving gebeurde. Verderop in dit rapport worden enkele voorbeelden afgebeeld om de uitvoerigheid van verslaglegging aan te tonen. Uit de uitgebreide collectie van de heer Tuinman, die ruim 12.500 pagina’s omvat, is van de verschillende bombardementen en beschietingen zoals die in de vooronderzoeken zijn genoemd aanvullende informatie achterhaald. Verder is onderzocht of er nog andere relevante indicaties zijn waarbij CE in het onderzoeksgebied terechtgekomen kan zijn. Alvorens over te gaan tot het beschrijven van de achterhaalde indicaties, is het belangrijk om inzicht te hebben in indeling van het KSG-terrein ten tijde van WOII. De belangrijkste locatie-aanduidingen op en in de directe omgeving van het KSG-terrein zijn zichtbaar gemaakt in bijlage 2. De gebeurtenissen waarbij volgens het vooronderzoek8 CE in het onderzoeksgebied terechtgekomen kan zijn, zijn door Expload bestudeerd. De onderzoeksresultaten evenals de geconstateerde afwijkingen zijn hierna per indicatie en in chronologische volgorde omschreven.

8

Probleeminventarisatie Conventionele Explosieven Gemeente Vlissingen met documentcode 72222-7-PI-01, d.d. 19-11-2010

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 23 van 199

Bombardement 12 mei 1940 Op 12 mei 1940 heeft de Duitse luchtmacht diverse bombardementen op Vlissingen uitgevoerd, waarbij zowel brand- en brisantbommen zijn afgeworpen. Het merendeel van de bommen kwam terecht in de omgeving van ‘Het Eiland’. Dit wordt verklaard doordat de Duitse aanvallen waren gericht op schepen die in de Binnenhavens lagen en Nederlandse verdedigende stellingen die rondom de 1e Binnenhaven stonden opgesteld. Bij de aanvallen werd o.a. een Frans transportvaartuig geraakt en zonk. De posities van de verdedigende stellingen in mei 1940 zijn weergegeven op de kaart die als figuur 7 is afgebeeld.

Verdedigende stellingen

Figuur 7: Verdedigingsposities 12 mei 1940

Volgens het rapport vooronderzoek zijn er ook bommen terechtgekomen in Tuindorp, Singel en de Scheldestraat9. Voor zover op basis van het beschikbare bronnenmateriaal kan worden vastgesteld was er in het onderzoeksgebied geen sprake bominslagen. In het verslag van de DLV van 12 mei 1940 is omschreven: 04.55 uur: Bericht betreffende melding brand in de houtzagerij KMS, is niet juist. Er schijnt wel een bom gevallen te zijn. Een uitsnede uit het verslag van de DLV van 12 mei 1940 is afgebeeld als figuur 8.

9

Bron: H. Bollen en J. Kuiper-Abee, Worsteling om Walcheren 1939-1945 (Zutphen 1985)

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 24 van 199

Figuur 8: Voorbeeld uitsnede verslag DLV van 12 mei 1940

De houtzagerij KMS was gevestigd in de gebouwen op de kop van de pier gelegen tussen de 1e en 2e Binnenhaven, dit is op ruim 350 meter ten oosten van het onderzoeksgebied. Volgens de verslagen van de Duitse Weermacht (Lage berichte) zijn de aanvallen op Vlissingen echter pas om 12. 30 uur begonnen10. De aanvalstijden die in de Duitse Lage berichte worden genoemd worden o.a. bevestigd door een verklaring die de kwartiermeester F. den Dunnen heeft gegeven vanuit waarnemingen vanaf Hr. Ms.”Bulgia” 11. In de verdere berichtgeving van de DLV wordt niet meer ingegaan op de bominslag(en) op de houtzagerij KMS of van blindgangers. Conclusie: Er is geen reden om aan te nemen dat er bij de bombardementen op 12 mei 1940 blindgangers in het onderzoeksgebied terechtgekomen zijn. Dit bombardement is hierdoor voor het onderzoeksgebied niet relevant.

Mogelijke blindganger op 29 juni 1940 Op 29 juni 1940 werd nabij de montageloods vliegtuigbouw een gat van 25 cm geconstateerd, vermoedelijk afkomstig van een niet geëxplodeerde vliegtuigbom12. Conclusie: Het gat van 25 cm duidt mogelijk op een inslagopening van een Duitse 50 kg bom. Een Duitse 50 kg bom heeft een diameter van 20 cm. Op blindgangerkaarten die later zijn aangemaakt is nabij de montageloods vliegtuigbouw een blindganger ingetekend. In paragraaf 2.3.1 gaan wij hier nader op in.

10

Zie Tuynman pagina 363 t/m 365 Zie Tuynmam pagina 389 12 Bron: Vooronderzoek CE Terrein van de Koninklijke Schelde Groep te Vlissingen met documentcode 72222-01-HO-01 11

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 25 van 199

Bombardement op 21 september 1940 Op 21 september 1940 werd Vlissingen aangevallen door Britse Wellington bommenwerpers die circa 80 tot 100 brisant- en brandbommen afwierpen13. Hoeveel van iedere soort bommen werd afgeworpen is echter niet bekend. Het toen al aanwezig Duitse luchtafweergeschut bestookten de geallieerde bommenwerpers veelvuldig, o.a. met 2 centimeter granaten. Volgens een verslag van P.Z.C kwamen op de volgende locaties bommen terecht: in een schuur aan de Onderstraat gelegen naast de modelmakerij van de ‘Schelde’ (dit is in het onderzoeksgebied), in het straatdek aan het Bellamypark nabij het Beursplein, in twee huizen aan de Marine straat, in een huis in de Koudenhoek tegenover de Flessentraat, aan de achterzijde van de Galenstraat, in het wegdek voor de Badhuisstraat 66, aan de achterzijde van Badhuistraat 47, in de Hobijnstraat voor de slagerij van de heer Hemert, in het wegdek voor de Kasteelstraat 32, in woningen aan de Hyacinthenlaan 18-20 en hoek Hyacinthenlaan – Crocuslaan, in een tuin van Irislaan 31, in de voormalige schoenfabriek aan de Van Dishoekstraat (dit is in het onderzoeksgebied) en in het wegdek van de Singel/ hoek Lampsinsstraat. Op de Nieuwendijk werden enkele blindgangers aangetroffen14.

Een verslag van de DLV daarentegen vermeld dat op de volgende locaties bommen terechtkwamen: één op de steenglooiing van het Spuihaventje en drie brandbommen in naaste omgeving, één brandbom in woonhuis aan de Badhuisstraat 69, één brandbom in Badhuistraat voor perceel 69, één in de Kasteelstraat voor perceel 35, één in de Hobijnstraat voor nummer 35, één op perceel Hyacinthenlaan 13, één op de percelen Hyacinthenlaan 18-20, één in de tuin van perceel Hyacinthenlaan 76, één in de tuin van Anjelierenlaan 70, één op het magazijn van de zuivelfabriek aan de Van Dishoekstraat, één op de Singelweg nabij benzinetanks, drie in het rijwielpad aan de zuidzijde van de Prins Hendrikweg (ongeveer 20 m uit elkaar) en één in het tegenoverliggend rijwielpad, één op het perceel Koudenhoek 29, meerdere brandbommen op in de modelloods KMS (waarschijnlijk modelmakerij en dus het onderzoeksgebied), twee in de Marinestraat t.h.v. de percelen 33-35-37-40 en 48, meerdere brandbommen in P 17, zeven bommen ter hoogte van de Nieuwendijk en Bellamypark en hier ook één niet ontplofte bom. Volgens het verslag van de DLV is de niet ontplofte bom de dag na het bombardement door de Duitse autoriteiten tot ontploffing gebracht 15. Een uitsnede uit dit verslag is als figuur 9 afgebeeld.

Figuur 9: : Uitsnede verslag DLV van 21 september 1940

Behalve de verslagen opgesteld door P.Z.C en de DLV is van de aanval ook een verslag opgesteld door de heer H.J. van Soest. Dit verslag is op punten nog gedetailleerder, maar de getroffen locaties komen in hoofdlijnen overeen16.

13

Bron: H. Bollen en J. Kuiper-Abee, Worsteling om Walcheren 1939-1945 (Zutphen 1985) Zie Tuynman pagina 1549 en 1550 15 Zie Tuynman pagina 1550 en 1551 16 Zie Tuynman pagina 1552 t/m1556 14

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 26 van 199

Conclusie: In het onderzoeksgebied, nabij de Modelmakerij, zijn meerdere brandbommen terecht gekomen. Desondanks is op de CE bodembelastingkaart van het bombardement op 21 september 1940 maar één bominslag ingetekend. Expload concludeert dat de op de CE bodembelastingkaart ingetekende indicaties onvolledig zijn en de kaart voornamelijk als indicatief beschouwd dient te worden. Anderzijds blijkt uit de verslagen dat de DLV in samenwerking met andere instanties (o.a. de N.V. Koninklijke Maatschappij Schelde) de getroffen locaties en het aantal blindgangers nauwkeurig in kaart heeft gebracht. Dit bleek ook al eerder uit de verslagen die zijn opgesteld na het bombardement van 12 mei 1940. Een door de DLV aangemaakte kaart die waarop de bominslagen van mei tot en met september 1940 zijn ingetekend, is afgebeeld als figuur 10. Uit de kaart blijkt dat in het onderzoeksgebied in de periode van mei tot en met september 1940 meerdere brisant- en brandbommen zijn ingeslagen.

Figuur 10: Bominslagen mei t/m september 194017

17

Bron: DLV gemeentearchief Vlissingen

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 27 van 199

Behalve verslagen en kaarten, zijn er ook veel foto’s gemaakt die de door de bombardementen veroorzaakte schades hebben vastgelegd18. De verslagen, kaarten en foto’s tonen aan dat DLV de getroffen gebieden steeds bezocht en visuele controles heeft uitgevoerd. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat bij de visuele controles door DLV en de N.V. Koninklijke Maatschappij Schelde op locaties die ten tijde van WOII dichtbebouwd en veelal verhard waren blindgangers over het hoofd zijn gezien, mede omdat op het KSG-terrein dagelijks veel mensen werkzaam waren. In destijds onbebouwd, onverhard of niet dagelijks druk bezochte gebieden bestaat wel een kans dat blindgangers over het hoofd zijn gezien. Het verslag van de DLV van 21 september 1940 bevestigd dat de blindganger die ter hoogte van de Nieuwendijk en Bellamypark werd gevonden later door de Duitse autoriteiten is vernietigd. Conclusie: Er is geen reden om aan te nemen dat er na dit bombardement nog blindgangers zijn achtergebleven.

Aantreffen blindganger op 25 oktober 1940 Op de Koudenhoek nabij de Flessenstraat werd een blindganger gevonden Een rapport van 29 oktober 1940 meldt dat de blindganger tot ontploffing werd gebracht19. Conclusie: De indicatie bevestigd dat het zoeken naar blindgangers onverminderd doorging.

Bombardement op 22 december 1940 In de avond van 22 december 1940 vond er een bombardement plaats waarbij vier brisantbommen en meerdere brandbommen terechtkwamen binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Bij het bombardement op 22 december 1940 kwamen op de volgende locaties bommen terecht: twee brandbommen op de Glaciastraat voor de woning met huisnummer 52, één brandbom in de Kasteelstraat ter hoogte van de Scheldestraat, één brandbom in de Walstraat, één brandbom tussen de Scherminkelstraat en de Kolvernierstraat, één brandbom in de Scheldestraat voor de woning met huisnummer 90, één brandbom in de Aagje Dekenstraat voor de woning met huisnummer 35, één brandbom in een woning aan de Scheldestraat 59, één brandbom in een winkel aan Walstraat hoek Scherminkelstraat, drie brandbommen in de school aan Bouwen Ewoutstraat en ongeveer 30 brandbommen in de Verkuyl Quakkelaarstraat, Paul Krugerstraat, Scheldestraat en de Singel. De brandbommen werden direct verwijderd door de Duitse en Nederlandse brandweer. De vier brisantbommen kwamen terecht Anjelierlaan, Rozengracht en de Pioenlaan waar ongeveer 5 woningen deels instortte. Dit bombardement wordt niet genoemd in de rapporten vooronderzoek die in 2005 en in de periode 2007 tot 2009 zijn uitgevoerd. Het verslag dat verwijst naar dit bombardement is als bijlage 3 bijgevoegd.

In het verslag wordt geen melding gemaakt van blindgangers. 18 19

Zie Tuynman pagina 1570 t/m 2617 Bron: Vooronderzoek CE Terrein van de Koninklijke Schelde Groep te Vlissingen met documentcode 72222-01-HO-01

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 28 van 199

Conclusies: De indicatie bevestigd dat voor het vooronderzoek onvolledig archiefonderzoek is uitgevoerd. De indicatie vormt geen aanleiding om aan te nemen dat er na dit bombardement blindgangers zijn achtergebleven.

Vermeend bombardement 12 april 1942 Op de CE bodembelastingkaart is een bominslag opgetekend die ontstaan zou zijn op 12 april 1942. In de verslagen van DLV van 12 april 1942 en in het rapport vooronderzoek wordt echter geen melding gemaakt van luchtaanvallen of beschietingen op die dag Het verslag van 12 april 1942 opgesteld door DLV/LBD is afgebeeld als figuur 11.

Figuur 11: Verslag DLV 12 april 1942

Conclusie: Vermoedelijk betreft een verkeerde datum in de CE bodembelastingkaart. Expload concludeert dat er op 12 april 1942 geen bombardement heeft plaatsgevonden.

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 29 van 199

Bombardement op 24 april 1942 Op 24 april 1942 omstreeks 14.35 uur voerde de geallieerde luchtmacht met twaalf Boston bommenwerpers een aanval uit op Vlissingen. Om buiten het bereik van de Duitse luchtafweer (FLAK) te blijven wierpen de piloten hun bommenlast vanaf grote hoogte af. Dit was de eerste aanval die bij daglicht werd uitgevoerd. De aanval was gericht op de fabrieken die in opdracht van de Duitse bezetter vliegtuigonderdelen fabriceerden en op de Marinewerf van de Maatschappij De Schelde (M.S.)waar op de overdekte helling zes M-boten voor de Duitse Marine in aanbouw waren. De bommen kwamen verspreid in de stad terecht. Deze aanval is door diverse instanties en personen beschreven. Ook na dit bombardement zijn verslagen opgesteld en foto’s gemaakt waarop de door het bombardement veroorzaakte schade zichtbaar is20. Volgens een verslag van de DLV zijn bij deze aanval bommen terechtgekomen: op het plaveisel op de hoek P. Krugerstraat - Badhuisstraat, op de achterplaats P. Krugerstraat 8 - Hobeinsteeg, in de achterplaats Hobeinsteeg 91, op het plaveisel op de hoek Hobeinstraat - P. Krugerstraat, op de hoek Hobeinstraat - Verk. Quakkelaarstraat, ter hoogte van B. Ewoutstraat 3-5-7-9-11-13b en 33-35-37- 39, ter hoogte van Clijverstraat 37-39-41, nabij de dorpsgezinde kerk, voor het Scheldekantoor aan de A. Dekenstraat - C.

Buskensstraat (in het onderzoeksgebied), op de plaatwerkerij van MS Schelde (in het onderzoeksgebied), in de Nieuwstraat voor de garage, t.h.v. het hoekhuis A. Dekenstraat - van Dishoekstraat (in het onderzoeksgebied), nabij de school Kasteelstraat, bij het Cornerhouse aan de Nieuwendijk - Walstraat, bij de R.K. school Glacisstraat, op een woning aan de Kalkhokstraat, t.h.v. Kasteelstraat 33-35 en 54 en vier bommen in Souburg (vermoedelijk het gevolg van desoriëntatie). Na het bombardement heeft DLV in samenwerking met personeel van de Koninklijke Scheldegroep visuele controles uitgevoerd, waarbij drie blindgangers zijn aangetroffen. De eerste lag voor de B. Ewoutstraat 32, maar dit bleek later geen blindganger te zijn. Een tweede lag voor de P. Krugerstraat 32, deze is vrijwel direct na het bombardement verwijderd. Een derde lag voor de ingang van het M.S. kantoor. In het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn geen aanwijzingen gevonden dat deze blindganger werd verwijderd. Conclusies: Ook bij dit bombardement zijn weer aanzienlijk meer bominslagen geweest dan op de CE bodembelastingkaart zijn ingetekend. Dit bevestigd dat de kaart onvolledig is. Er is vastgesteld dat bij de aanval minimaal vier bommen in het onderzoeksgebied zijn terechtgekomen en mogelijk ook enkele in het water.

Na het bombardement zijn slachtoffers en gewonden en de door het bombardement veroorzaakte schade geïnventariseerd en is naar blindgangers gezocht. Volgens het archiefmateriaal hebben de opruimwerkzaamheden dagen in beslag genomen. De kans dat in het destijds vrijwel volgebouwde onderzoeksgebied ten zuiden van De Willem Ruysstraat blindgangers over het hoofd zijn gezien is nihil. Enerzijds vanwege de fysieke gesteldheid van het aardoppervlak, het gebied ten zuiden van De Willen Ruysstraat was immers dicht bebouwd en vrijwel overal verhard, terwijl een eventuele niet functioneerde bom die vanaf grote hoogte werd afgeworpen en op een bebouwd of verhard terrein was terechtgekomen alleen al door de inslagenergie duidelijke sporen zou hebben achtergelaten. Anderzijds door het gegeven dat het een

20

Zie Tuynman pagina 3534 t/m 3597

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 30 van 199

industriegebied betrof waar dagelijks vele mensen werkzaam waren en een inslaglocatie vrijwel zeker door één van de werknemers zou zijn waargenomen. In hoofdstuk 2.3.2. bij de behandeling van contra-indicaties gaan wij hier nader op in. Ten noorden van De Willen Ruysstraat lagen ten tijde van WOII ook enkele gebiedjes die braakliggend waren. De kans dat in deze gebieden een eventuele inslagopening van een blindganger over het hoofd is gezien achtten wij reëel. Betreffende gebieden zijn weergegeven in figuur 12.

Figuur 12: Onbebouwd terreindeel ten zuiden van de afdeling vliegtuigbouw

Van de blindganger aan de P. Krugerstraat is vastgesteld dat deze later is geruimd. Van de blindganger voor de ingang van het M.S. kantoor is weliswaar geen bevestiging voor het ruimen gevonden, maar de kans dat een blindganger op een dergelijke prominente plaats is blijven liggen achten wij nihil.

Bombardement 30 april 1942: Op 30 april 1942 kwamen er opnieuw bommen op het KSG-terrein terecht, al was het aantal afgeworpen aanzienlijk minder dan bij het bombardement van zes dagen daarvoor. Dit keer werden 22 bommen afgeworpen die o.a. neerkwamen op een schuilkelder in de A. Dekenstraat, op de Kopersagerij en de Machineloods (alle in het onderzoeksgebied). Een foto van de getroffen schuilkelder is afgebeeld als figuur 13.

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 31 van 199

Figuur 13: Op 30 april 1942 getroffen schuilkelder in de Aagje Dekenstraat

Verder vielen bommen op de Evertsenstraat 18-20-22-24, aan de noordkant van het Arsenaal in de grond tegen de muur, op de Scheepjesbrug (onderzoeksgebied), in het water voor de hoek Koningsweg / Dokkade (water in het onderzoeksgebied) en in de omgeving van de Dijkstraat. Ook van dit bombardement is een diversiteit aan bronnen beschikbaar, o.a. het verslag van de DLV21. Na dit bombardement werd er een blindganger gemeld in de gasfabriek, deze zou door het dak en twee vloeren zijn ingeslagen. Feuerwerker Posschiesz, een explosievendeskundige van de Duitse Wehrmacht, meldde even later dat het geen blindganger betrof, maar dat het slechts een scherf bleek te zijn. Conclusie: Na het bombardement werd het gebied weer visueel gecontroleerd op aanwezigheid van blindgangers. Het is niet aannemelijk dat in het destijds volgebouwde gedeelte van onderzoeksgebied ten zuiden van De Willen Ruysstraat blindgangers over het hoofd zijn gezien. Omdat er ook bommen in het water terechtgekomen zijn, is er wel een reële kans dat er één of meerdere blindgangers in het water terechtgekomen zijn zonder dat deze zijn waargenomen.

Bombardement op 1 juni 1942 Na een relatief rustige maand mei was het op 1 juni 1942 alweer raak in Vlissingen. Omstreeks 18.33 uur vielen er bommen ten zuiden van het onderzoeksgebied.

21

Zie Tuynman pagina 3599 en 3613

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 32 van 199

Volgens het beschikbare bronnenmateriaal kwamen bommen terecht: op de Hendrikstraat 6, twee bommen op een school aan de Hendrikstraat (mogelijk onderzoeksgebied), op de verlengde Gravenstraat 12, op slagerij Imanse aan de Gravenstraat, t.h.v. Prinsenstraat 47-49 en 38-40-24, op de Amsterdamse bank, op de Willemstraat 1-3-5-7-9 en voor de garage van de Heuvel, op Walstraat 9-1113 en bij Bischoff, nabij een school aan Groenwoud, in de Weststraat 16-18 en 4-6 en op de Weststraat, op een school aan de Grote Markt en in de Breewaterstraat 22. Om 19.55 uur werd op het Beursplein een gedeeltelijk ontplofte bom gemeld. De bom was zichtbaar en is later verwijderd. Figuur 14 toont een foto van de gedeeltelijk ontplofte bom.

Figuur 14: Gedeeltelijk ontplofte bom die op het Beursplein is gevonden 23

Conclusie: Bij het bombardement zijn bommen voornamelijk iets ten zuiden van het onderzoeksgebied terechtgekomen. Ook na dit bombardement is het gebied weer gecontroleerd op aanwezigheid van blindgangers. Op 2 juni 1942 vraagt de politie om drie borden ‘onontplofte bom’ te plaatsen: één voor het huis dokter Lacomble aan de Emmastraat, één op het vierwindeplein en één in Groenewoud / Walstraat24. Van de blindganger die in een keuken van het perceel Groenewoud 62 lag, is een bevestiging aangetroffen dat deze op 8 juni 1942 door Feuerwerker Posschiesz onschadelijk is gemaakt. Omdat rond de andere blindgangers borden werden geplaats, mag worden aangenomen dat ook deze werden verwijderd. Toelichting : Het ontbreken van documenten waaruit blijkt dat blindgangers zijn opgeruimd betekend niet per definitie dat een bepaalde blindganger niet werd geruimd. Men dient zich te realiseren dat ten tijde van de oorlog archiefmateriaal verloren is gegaan, maar ook met het archiveren van historische documenten zijn archiefstukken soms in een onlogische archiefmappen terecht gekomen, waardoor ze bij het uitvoeren van vooronderzoeken waarbij uitsluitend de volgens de richtlijnen verplicht gestelde archieven worden geraadpleegd niet worden gevonden.

22

Zie Tuynman pagina 3746 t/m 3786 Bron: Tuynman pagina 3784 24 Bron: Tuyman pagina 3790 23

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 33 van 199

Bombardement op 1 augustus 1942 Op 1 augustus 1942 omstreeks 17.10 uur voerden zes Boston bommenwerpers een aanval uit op Vlissingen, waarbij o.a. bommen op het KSG-terrein terechtkwamen: één op de machineloods, één voor Çote d’Azur”, één in de Scheepbouwloods, één in de Balkenloods Scheepsbouw, twee op de Koningsweg, twee in het wegdek langs de Koningsweg, twee in de kom en drie voor de loskade in het water25. Volgens K.M.S zijn er twee blindgangers in de Koperslagerij terechtgekomen en één ernaast. Dit betekend dat verspreid over het KSG-terrein bommen zijn terechtgekomen. Verder kwamen bommen terecht in de Binnenhaven (drie in het water en één tegen de kade van de landtong tussen de Eerste en Tweede Binnenhaven) en twee in de Lampsingsstraat. Behalve de verslagen die door DLV en de Politie vanuit waarnemingen vanaf de grond zijn opgesteld, zijn de resultaten van het bombardement ook door de Engelse Luchtmacht bestudeerd. Doelstelling van dergelijke studies was te bepalen of de beoogde doelen daadwerkelijk waren uitgeschakeld. De inslaglocaties van de bommen zijn door de Engelse luchtmacht nauwkeurig vastgesteld door middel van luchtfoto-analyse. Als voorbeeld zijn als figuur 15 t/m 19 vijf afbeeldingen van dit soort evaluaties afgebeeld. In figuur 15 is tevens een uitsnede bijgevoegd uit een rapportages die op basis van de luchtfoto-analyses werden opgesteld.

Figuur 15: Evaluatie luchtaanval op 1 augustus 1942 – print 126 25 26

Zie Tuynman pagina 4024 en 4025 Bron: Tuynman pagina 4056

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 34 van 199

Figuur 16: Evaluatie luchtaanval op 1 augustus 1942 – print 227

Figuur 17: Evaluatie luchtaanval op 1 augustus 1942 – print 328

27 28

Bron: Tuynman pagina 4056 Bron: Tuynman pagina 4056

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 35 van 199

Figuur 18: Evaluatie luchtaanval op 1 augustus 1942 - print 429

Figuur 19: Evaluatie luchtaanval op 1 augustus 1942 - print 530

29 30

Bron: Tuynman pagina 4056 Bron: Tuynman pagina 4056

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 36 van 199

Conclusies: Ook bij dit bombardement zien we behoorlijke afwijkingen van de bominslagen zoals die zijn opgetekend op de gemeentelijk CE bodembelastingkaart, t.o.v. de door de Engelse luchtmacht op basis van luchtfoto-analyse vastgestelde inslagpunten, zowel m.b.t. aantallen en locaties. Op de CEbodembelastingkaart zijn van het bombardement op 1 augustus 1942 maar twee bominslagen ingetekend, terwijl uit de Engelse luchtfoto-analyserapporten blijkt dat er aanzienlijk meer bommen werden afgeworpen. Vast staat dat er bij de aanval meerdere bommen in het onderzoeksgebied zijn terechtgekomen (zowel op land en in het water) en dat er na de aanval opnieuw naar blindgangers werd gezocht. Door de relatief grote spreiding van bommen en het gegeven dat de bommen in het onderzoeksgebied veelal in een verharde en/of bebouwde omgeving terecht zijn gekomen, is het hoogst onwaarschijnlijk dat bij de visuele controles die door de DLV na ieder bombardement werden uitgevoerd, blindgangers over het hoofd zijn gezien. Uitzondering vormen eventuele blindgangers die in het water of in de destijds onverharde gebieden zijn terechtgekomen. De drie blindgangers die in en naast de Koperslagerij zijn terechtgekomen, zijn zeer waarschijnlijk geruimd. Enerzijds omdat ze niet zijn opgetekend op de na de oorlog opgetekende blindgangerkaarten.

Anderzijds omdat de scheepsproductie gedurende de oorlog continu is doorgegaan en het hoogst onwaarschijnlijk is dat een blindganger nabij een gieterij is blijven liggen. Bomdement 21 januari 1943 Op de CE bodembelastingkaart zijn in het aandachtsgebied CE geen bominslagen ingetekend van een aanval op 21 januari 1943, terwijl zowel uit het rapport vooronderzoek en het beschikbare archiefmateriaal blijkt dat er die dag wel bombardementen werden uitgevoerd waarbij bommen in en in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn terechtgekomen. Twaalf Bosten bommenwerpers voerde op 21 januari 1943 aanvallen uit op de havens in Vlissingen en de Schelde. Volgens de omschrijvingen in het rapport vooronderzoek kwamen op de volgende locaties bommen neer: twee in smederij annex nagelbergplaats (in het onderzoeksgebied), één in de scheepsbouwloods (in het onderzoeksgebied), één in het trottoir en wegdek in de Arsenaalstraat, één in het Gemeenteopslagterrein, één in het talud van de dijk in de Dijkstraat, één in de Zeedijk, één op olietank en pompkamer Vlismar, twee op gebouwen van de N.V. Haven van Vlissingen op het Binnenhaventerrein, één in het open terrein van de Binnenhaven, twee bij het station en vermoedelijk een tiental bommen in de Buitenhaven31.

Ook van dit bombardement zijn diverse verslagen beschikbaar die uitgebreid beschrijven wat er die dag gebeurd was en waar bommen terechtkwamen, al komen de locatieomschrijvingen in de verslagen niet altijd exact overeen. Een aantal van de verslagen van de aanval op 21 januari 1943 zijn opgenomen in de collectie van de heer Tuynman32. Een Duits verslag beschrijft bijvoorbeeld dat er vier bominslagen zijn geweest ter hoogte van de Hellingbaan aan de kop van het dok. Opmerkelijk genoeg wordt hier in het vooronderzoek geen melding van gemaakt.

31 32

Bron rapport vooronderzoekmet documentcode 72222-7-PI-01, d.d. 19 november 2010 Pagina 4584 t/ m 4606

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 37 van 199

De Engelse luchtmacht heeft ook na dit bombardement de resultaten geëvalueerd door middel van luchtfoto-analyse. Op basis van de interpretatierapporten is vastgesteld dat er inderdaad meerdere bommen ter hoogte van de Hellingbaan zijn ingeslagen. Eén uitsnede uit de bestudeerde luchtfoto’s met hierin afgebeeld een uitsnede uit het bijbehorende interpretatierapport, is afgebeeld als figuur 20. Betreffende luchtfoto en het interpretatierapport bevestigen dat er bommen op of in de directe omgeving van de Hellingbaan en de scheepbouw werkplaats zijn terechtgekomen.

Figuur 20: Een luchtfoto met resultatenanalyse van de aanval op 21 januari 1943

Conclusie: Na het bombardement werd de schade die was ontstaan weer uitgebreid geïnventariseerd. In de verslagen en/op rapportages wordt echter nergens melding gemaakt van eventuele blindgangers. Het is niet aannemelijk dat blindgangers in het destijds volgebouwde en verharde gedeelte van het onderzoeksgebied over het hoofd zijn gezien, maar niet kan worden uitgesloten dat eventuele blindgangers die mogelijk in de dokhaven of de destijds onverharde terreindelen zijn terechtgekomen, niet zijn waargenomen. Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 38 van 199

Bombardement op 25 januari 1943 Op 25 januari 1943 vielen twaalf Bosten bommenwerpers de Schelde en de haven aan. Op de CE bodembelastingkaart zijn binnen het aandachtsgebied CE van dit bombardement geen bominslagen ingetekend, maar uit het bronnenmateriaal blijkt dat bij de aanval mogelijk wel bommen in het aandachtsgebied CE zijn terechtgekomen, namelijk bij de houtzagerij De Schelde33. Volgens omschrijvingen in het rapport vooronderzoek zijn er bij de aanval bominslagen geweest in het wegdek voor het pand Westsouburgseweg 3, naast schuilkelder ten oosten van de Keersluisbrug, op een open terrein Vlismar, in volkstuintjes, drie in het kanaal, twee op het Marine terrein, op het pand Kanaalstraat 40, op de panden Kanaalstraat 70, 72 en 74, in de glooiing van het VerbreedKanaal, voor het pand Kanaalstraat 86, twee in een weiland bij Bloemenlaan, in een bouwland in vak J 17 en bij huisjes oostzijde Kanaal. Om uit te sluiten of met de omschrijving ‘Houtzagerij’ toevallig niet de ‘Timmerwerkplaats’ werd bedoeld is aanvullend onderzoek gedaan. Hiervoor zijn de luchtfoto-analyserapporten die door de Engelse luchtmacht zijn opgemaakt geraadpleegd. De bominslagen nabij het Verbreedkanaal worden bevestigd. Zie luchtfoto en uitsnede bijbehorende interpretatierapport (figuur 21).

Figuur 21: Een luchtfoto met resultatenanalyse van aanval op 25 januari 1943

33

Bron Tuyman pagina 4629 t/m 4644

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 39 van 199

Zoals blijkt uit de luchtfoto-analyses van de Engelse luchtmacht kwam het merendeel van de bomen ten noordoosten van het onderzoeksgebied terecht. De getroffen gebieden zijn gemarkeerd op een luchtfoto van 25 januari 1943 die samen met een uitsnede uit het interpretatierapport van de Engelse luchtmacht is afgebeeld als figuur 22.

Figuur 22: : Luchtfoto van 25 januari 1943 met de analyseresultaten van de aanval gemarkeerd

Uit het beschikbare bronnenmateriaal blijkt dat ook na deze aanval de getroffen gebieden weer uitgebreid en door diverse instanties zijn beschreven, maar in het beschikbare bronnenmateriaal wordt nergens melding gemaakt van eventuele blindgangers. Conclusie: De bom in de Houzagerij betreft de houtafdeling op de Binnenhaven. Het beschikbare bronnenmateriaal vormt geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van (niet waargenomen) blindgangers in het onderzoeksgebied, of ze moeten in het water of in de niet verharde of dagelijks druk bezochte terreindelen zijn terechtgekomen. Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 40 van 199

Bombardement op 31 mei1943 Zes dagen later was het alweer raak, het onderzoeksgebied werd opnieuw getroffen door oorlogsgeweld. Twaalf Mitchell bommenwerpers wierpen tussen de 25 á 30 bommen af. Hiervan kwamen er twee naast de montagehal van de afdeling Vliegtuigbouw van De Schelde terecht en de Wasserij De Volharding werd verwoest. Volgens omschrijvingen in het rapport vooronderzoek was er sprake van bominslagen op het woonhuis aan de Singelweg 135 van Stoomwasserij “ De Volharding” (singelweg = tegenwoordig Paul Krugerstraat), in het wegdek van de Singelweg - nabij de Van Dishoeckstraat, op een open terrein in vak K 16, op een gebouw van de Duitsche Weermacht in vak K 17, voor het pand Azaliastraat 21, elf op een open terrein in vak H 15; één in een open terrein vak Q 10; vijf op een open terrein in vak K 18 / J 18; één bij de werkkeet in vak K 20, één op het Hoofdmagazijn op het KSG-terrein (in het onderzoeksgebied), één nabij schuilkelder in vak O 16 (Schelde), één op het terrein KMS, vak O 16 (Schelde); één in de Dokhaven, vier in het Verbindingskanaal en één in de Jachthaven. De opsomming van getroffen locaties is waarschijnlijk afgeleid uit de verslagen van de DLV. Een politierapport daarentegen maakt melding van de volgende bominslagen: twee bominslagen tussen Houtkade en terrein Mij.

De Schelde (in het onderzoeksgebied) waardoor twee boten zijn gezonken, één bom op het terrein van de Mij. De Schelde vlakbij de grote kraan (in het onderzoeksgebied), drie bommen op de timmerfabriek van Mij. De Schelde (onderzoeksgebied), vier bommen op de jachthaven waardoor de “Vlissingen”(verlichtingsschip van het Loodswezen) zonk, twee treffers op de Vlismar waardoor een grote tank werd vernield en in de Tweede Binnenhaven een schip de “W. van Driel” beschadigd raakte, dertien bommen tussen fort Linkerreduit en de Azaleastraat op een weiland, één op een woning aan de Azaleastraat 21, één op de Singel / hoek Dishoekstraat, één op het Lazaret Fliegerhorst aan de Singel en drie voltreffers op de wasserij de `Volharding`. Een uitsnede uit het rapport is afgebeeld als figuur 23.

Figuur 23: Uitsnede politierapport met vermelding getroffen locaties

De in het politierapport beschreven getroffen locaties komen weliswaar in grote lijnen overeen met de omschrijvingen in het rapport vooronderzoek, maar zijn voor bepaalde locaties nauwkeuriger. De nauwkeurige beschrijvingen maken het beter mogelijk om inslagen te positioneren.

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 41 van 199

De inslaglocaties worden daarnaast bevestigd in een Duitstalig politierapport dat een dag na het bombardement werd opgesteld, zie figuur 24.

Figuur 24: Politierapport van 1 juni 1943

Ook na deze aanval heeft de Engelse luchtmacht de resultaten van het bombardement weer door middel van luchtfoto-analyse geëvalueerd. De getroffen gebieden zijn opgetekend op de voor de analyse gebruikte luchtfoto’s. De analyserapporten bevestigen de locaties zoals omschreven in de politierapporten. Met de luchtfoto-analyse door de Engelse luchtmacht is vastgesteld dat er minimaal acht bommen zijn geëxplodeerd ter hoogte van het Dok (in het onderzoeksgebied- gemarkeerd gebied A) en tenminste veertien in gemarkeerd gebied B (deels in het onderzoeksgebied). De door de Engelse luchtmacht bestudeerde luchtfoto van 31 mei 1943 en de hierop ingetekende getroffen gebeden is afgebeeld als figuur 25. Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 42 van 199

Figuur 25: Resultaten luchtfoto-analyse Engelse luchtmacht bombardement van 31 mei 1943

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 43 van 199

Conclusie: De schade die bombardementen was veroorzaakt werd structureel door meerdere instanties en uitgebreid in kaart gebracht34, o.a. door het maken van foto’s. Eén van de foto’s die na het bombardement op 31 mei 1943 werd genomen, is een foto die een locatie ter hoogte van de getroffen kraan weergeeft (figuur 26). Op de foto is een gezonken schip in de dokhaven zichtbaar. Verder maakt de foto duidelijk hoe vol de kade ten tijde van de aanval stond en de relatief beperkte schade die tot en met 31 mei 1943 aan omliggende gebouwen was ontstaan.

Figuur 26: Foto van het Dok voor de machinefabriek genomen na het bombardement op 31 mei 1943

Mede op basis van dit soort foto’s achtten wij de kans dat een blindganger in bebouwing, verharde bodem en/of dagelijks druk bezochte locaties in de landbodem van het onderzoeksgebied onopgemerkt zou blijven daarom nihil. Daarentegen is het wel zeer wel mogelijk dat een blindganger die in het water van de dokhaven is terechtgekomen, niet werd waargenomen. Dit geldt ook voor de locaties die niet bebouwd, verhard of dagelijks druk bezocht waren.

Bombardement op 13 juni 1943 Op 13 juni 1943 omstreeks 09.17 uur vallen er opnieuw diverse bommen op Vlissingen, o.a. op het droogdok van M.S de Schelde (in het onderzoeksgebied), in J. de Moorstraat op de hoek met de Bankertstraat nabij de nummers 29 en 31, bij het pand Arsenaalstraat 6 en bij de sluizen. Dit keer werd de aanval uitgevoerd door elf Mitchell bommenwerpers die in totaal 44 Medium Capacity (MC) brisantbommen van 1.000 lb. afwierpen. De bommen waren voorzien van 0,25 seconde vertragingsontstekers. 34

Zie Tuynman pagina 5240 t/m5274

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 44 van 199

Volgens de Duitse verslagen kwam er op het Scheldeterrein één bom terecht ter hoogte van de Hellingbaan 3, twee in het water vlak bij deze Hellingbaan vlak bij een schip, één bij Hellingbaan 5 in het droogdok en zes op het opslagterrein en twee op huizen. Na het bombardement is de schade in kaart gebracht35. De Engelse luchtmacht heeft ook na dit bombardement de resultaten de aanval bestudeerd door luchtfoto-analyse. De interpretatierapporten bevestigen weliswaar het inslaan van bommen in het onderzoeksgebied (zie luchtfoto figuur 27), maar het wolkendek maakt het onmogelijk de exacte inslaglocaties te bepalen. Daarom is het getroffen gebied bij benadering aangegeven.

Figuur 27: Resultaten luchtfoto-analyse Engelse luchtmacht bombardement van 13 juni 1943 35

Zie Tuynman 5345 t/m 5365

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 45 van 199

Conclusie: Uit het beschikbare bronnenmateriaal blijkt dat ook na dit bombardement het gebied weer werd gecontroleerd op achtergebleven blindgangers. Om12.00 uur meldde Feuerwerker Podschiesz dat er geen blindgangers waren. Het is niet aannemelijk dat blindgangers in het destijds volgebouwde en verharde gedeelte van het onderzoeksgebied over het hoofd zijn gezien. Dat in de dokhaven of de destijds onverharde terreindelen eventueel blindgangers zijn terechtgekomen die niet zijn waargenomen, kan niet worden uitgesloten. Vermeend bombardement op 21 juni 1943: Op de CE bodembelastingkaart zijn bominslagen ingetekend die ontstaan zouden zijn op 21 juni 1943, maar zowel in het rapport vooronderzoek en in de geraadpleegde archiefstukken wordt geen melding gemaakt van een bombardement op 21 juni 1943. Conclusie: Waarschijnlijk is in GIS-Layer de verkeerde aanvalsdatum ingevuld. Het beschikbare archiefmateriaal vormt geen aanleiding om aan te nemen dat er op 21 juni 1943 een bombardement werd uitgevoerd waarbij bommen in het onderzoeksgebied zijn terechtgekomen. Bombardement op 24 juni 1943: Op 24 juni 1943 was het wel weer raak.

Om 08.40 uur vielen meerdere bommen in het onderzoeksgebied: op de machineloods, op de koperslagerij, op de stoomketel van de timmerfabriek en de Timmerfabriek zelf, op de houtopslagplaats, in wegdek Aagje Dekenstraat, in de glooiing Koningsweg en in wegdek van de Koningsweg voor centrale PZEM, in centrale PZEM en in een aan- grenzend kolenpark. Verder vielen er bommen op de garage voor de elektrische tram en vier op het Vlismaterrein. Volgens de Operational Record Books (ORB) van de Engelse luchtmacht hebben bij de aanval Ventura bommenwerpers 35 Medium Capacity (MC) brisantbommen met een kaliber van 500 lb. en 48 General Purpose (GP) brisantbommen met een kaliber van 250 lb. afgeworpen. De bommen waren voorzien van ontstekers met een vertraging van 0,025 seconde. Een luchtfoto die tijdens de aanval werd genomen en waarop de bominslagen te zien zijn (strike-foto), is afgebeeld als figuur 28 36. De foto bevestigd het neerkomen van bommen in het onderzoeksgebied.

36

Figuur 28: Strike-foto van 24 juni 1943

Bron: Tuynman 5465 en 5504

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 46 van 199

Het beschikbare bronnenmateriaal bevestigd dat ook na deze aanval het getroffen gebied weer door DLV werd gecontroleerd op blindgangers. Op het KSG-terrein was sprake van twee blindgangers. Het rapport van de DLV van 28 juni 1943 vermeldt dat een blindganger in het harshok van de koperslagerij was verwijderd en dat de blindganger bij het gasstation koperslagerij werd opgegraven en weggevoerd. Volgens hetzelfde rapport werd er nog een derde blindganger gemeld voor perceel Lampsinsstraat 19 (buiten het onderzoeksgebied). Deze blindganger werd opgegraven en leverden volgens het rapport geen gevaar meer op. Een foto van deze blindganger is afgebeeld als figuur 2937.

Figuur 29: Blindganger Lampsinstraat 19

Noot: Ondanks dat de foto van zeer matige kwaliteit is, zie je op de foto het effect door kinetische energie van een bom met een gewicht van circa 250 kilogram die vanaf grote hoogte werd afgeworpen en hierdoor met grote snelheid op het maaiveld terecht komt, maar desondanks niet explodeerde. Dit bevestigd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat blindgangers in bebouwde of verharde terreindelen over het hoofd zijn gezien. In hoofdstuk 2.3.2 gaan wij hier nader op in en is nog een voorbeeld weergegeven. Ook na deze aanval heeft de Engelse luchtmacht de resultaten van de aanval geëvalueerd op basis van luchtfoto-analyse. Op basis van dit betreffende interpretatierapporten is vastgesteld dat er bommen op de machinewerkplaats zijn terechtgekomen, op nabijgelegen gebouwen en op de aanlegsteiger. De bestudeerde luchtfoto’s met uitsneden uit de door de Engelse luchtmacht opgestelde analyserapporten zijn afgebeeld als figuur 30 en 31. 37

Zie Tuynman pagina 5543 t/m 5465

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 47 van 199

A

Figuur 30: Resultaten luchtfoto-analyse Engelse luchtmacht bombardement van 24 juni 1943

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 48 van 199

Figuur 31: Resultaten luchtfoto-analyse Engelse luchtmacht bombardement van 24 juni 194338

Conclusie: Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor achtergebleven blindgangers, maar er kunnen eventueel wel blindgangers ongezien in het water, onbebouwd of niet verhard terrein zijn terechtgekomen. 38

Bron: Tuynman pagina 5522 en 5523

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 49 van 199

Bombardementen augustus 1943 Alhoewel er volgens de op de CE- bodembelastingkaart ingetekende indicaties in het aandachtsgebied CE in augustus 1943 alleen sprake is geweest van bominslagen op 20 augustus, blijkt uit archiefmateriaal dat er ook op 15 en 19 augustus 1943 bombardementen zijn uitgevoerd waarbij mogelijk bommen in het aandachtsgebied CE zijn terechtgekomen. Op 15 augustus 1943 bombardeerden maar liefst 91 of 92 Amerikaanse B-17’s bommenwerpers Vlissingen. De aanval was gericht op het vliegveld, maar de bommen kwamen terecht in een strook van het noorden van de stad via het vliegveld en het station door tot Ritthem. Na de aanval zijn in totaal 1184 kraters geteld, waarvan 30 op het vliegveld. Langs de Vlissingseweg was de tramrails vernield en de spoorlijn over een lengte van ca. 100 meter. Bij het abattoir (batterij) heeft het bommen geregend. Vooral Tuinstad39 werd ernstig getroffen40. De getroffen gebieden zijn door de Engelse luchtmacht indicatief ingetekend op een kaart (zie figuur 32).

Figuur 32: Getroffen gebieden op 15 augustus 1943

39

Middengebied, omgeving Lindenlaan, Goudsebloemlaan, Margrietenlaan, Meidoornlaan, Irislaan, Hyacintenlaan, Pimulalaan, Crokuslaan. 40 Bron: H. Bollen en J. Kuiper-Abee, Worsteling om Walcheren 1939-1945 (Zutphen 1985) en Tuynman pagina’s 5888 t/m 5963

Kenmerk: RAP0016141V2 definitief

Pagina 50 van 199

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13781266/1