3.2 Rvs Bestemmingsplan Machinefabriek bijlage 1 bestemmingpslan
Tekst van het document
Onderzoek
In 2017 is in opdracht van de gemeente Vlissingen een risicoanalyse uitgevoerd naar CE binnen het plangebied Scheldekwartier (Expload, 17/04/2017). De burgemeester van de gemeente Vlissingen is akkoord gegaan met de conclusies uit dit rapport, dat als bijlage 4 is bijgevoegd. Uit deze risicoanalyse blijkt, dat de te ontwikkelen locatie niet meer verdacht is op de aanwezigheid van CE. Er hoeft daarom geen aanvullend detectieonderzoek uitgevoerd te worden. 4.6.3
Conclusie
De uitkomsten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7
Water(toets)
4.7.1
Beleids- en toetsingskader
Door de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het instrument van de watertoets geïntroduceerd. De watertoets is inmiddels verankerd op alle ruimtelijke planniveaus die Nederland kent. De watertoets is een beoordeling van de invloed die ontwikkelingen of beheer van een projectgebied hebben op het watersysteem in dat gebied. Het is noodzakelijk de gevolgen van de beoogde ontwikkelingen voor de waterhuishoudkunde en het watersysteem na te gaan. Hoe met de watertoets om te gaan is onder andere beschreven in de Zeeuwse Handreiking Watertoets. De provincie Zeeland heeft het beleid voor de bescherming van het grond- en oppervlaktewater opgenomen in het Omgevingsplan Zeeland 2018 en zijn daarover regels opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. In die verordening zijn ook regels opgenomen ter bescherming van verdrogingsgevoelige natuurgebieden en over de bescherming van waterkeringen.
33/76
In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012-2017 (GRP) heeft de gemeente Vlissingen de verbrede zorgplicht uit de Waterwet vastgelegd. Dit plan geeft aan hoe de gemeente invulling geeft aan de zorgplicht voor de door haar te behartigen aspecten: afvalwater, hemelwater en grondwater. Vervolgens is voor het Scheldekwartier op 27 juli 2017 het 'Herziene rioleringsplan Scheldekwartier' vastgesteld. Dit plan (definitief verklaard op 2 augustus 2017) is afgestemd op het grondstromenplan, dat is ontwikkeld voor het Scheldekwartier. Het rioleringsplan geeft weer op welke wijze met de (afval)waterstromen binnen het Scheldekwartier wordt omgegaan, waarbij aandacht is besteed aan de hoogteligging, de waterscheiding en waterkering en de afwatering vuilwaterriool en regenwater. Ook is er aandacht besteed aan de afvoercapaciteit in het kader van de klimaatbestendigheid en de fasering van de aanleg van de riolering. 4.7.2 Watertoets Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 5). Dit aanmeldformulier is voorgelegd aan het waterschap. 4.7.3
Conclusie
Met voorliggend bestemmingsplan wordt een herinvulling gegeven aan een bestaand gebouw. Er is geen sprake van toename van verharding. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Wettelijk kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. In navolging van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan worden gesteld dat een ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit doorgang kan vinden indien wordt voldaan aan één van de volgende punten: a) Er is geen sprake van normoverschrijding; b) Er is per saldo sprake van een verbetering (saldo-benadering); c) Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; d) Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (voortgezet in het CIMLK). In het 'Onderzoek luchtkwaliteit' van Goudappel b.v. (bijlage 6) is berekend in hoeverre sprake is van overschrijdingen van de normen uit de Wet milieubeheer en zijn de planeffecten inzichtelijk gemaakt.
34/76
4.8.2
Onderzoek en conclusie
Uit het onderzoek is gebleken dat langs alle beschouwde wegvakken ruim aan de normen uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. De plannen zorgen slechts voor beperkte concentratietoenames en dragen in geen geval ‘in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met deze bevindingen vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van de plannen.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
4.9.1
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.9.2
Toetsing
In de beoogde situatie worden diverse functies zoals commerciële ruimtes, horeca, sport en parkeerterrein gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op (potentieel) milieuhinderlijke functies en moet daarom worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied bevinden zich behalve woningen ook andere functies (maatschappelijke functies en bedrijven) waardoor de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. De beoogde ontwikkeling valt maximaal in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 50 meter. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. In de Machinefabriek is ruimte voor diverse geluidgevoelige en geluidproducerende functies. De exacte locaties van de diverse functies zijn echter niet vastgelegd. Daarom is de onderlinge afstemming van de diverse functies noodzakelijk. In paragraaf 4.10 wordt ingegaan op het aspect geluid. In de conclusies worden aan de diverse functies randvoorwaarden gesteld. Deze zijn ook vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan.
35/76
4.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de omliggende bedrijven en bedrijfsactiviteiten ter plaatse van woningen niet zullen leiden tot milieuhinder. Omgekeerd zullen de woningen geen belemmering vormen voor de bedrijven en bedrijfsactiviteiten. Het aspect milieuhinder en omliggende functies staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.10 Geluid 4.10.1 Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder moeten bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan, waarbinnen nieuwbouw van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen worden toegelaten, de van belang zijnde akoestische aspecten worden onderzocht. Dit betreft geluid vanwege wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) (2007) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Alvorens geluidgevoelige objecten - zoals woningen of scholen - kunnen worden geprojecteerd, dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Als er nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone van een weg worden gerealiseerd, dan mag de geluidbelasting van het wegverkeer niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Wanneer de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde dient onderzoek naar de mogelijke toepassing van geluidreducerende maatregelen te worden uitgevoerd. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde.
Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet overschrijden. Daarnaast worden in het Bouwbesluit 2012 eisen gesteld aan de karakteristieke geluidwering. Dit betreffen eisen aan de geluidwering van de gevel zodat deze zodanig wordt geconstrueerd dat in verblijfsruimten van woningen voldaan wordt aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Voor woonerven en voor wegen waarop de maximumsnelheid 30 km/h bedraagt, geldt geen onderzoekszone, waardoor ze - strikt formeel gezien - niet hoeven te worden getoetst aan de normen van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk dat deze wegen mee worden genomen in de afweging. De normen uit de Wet geluidhinder voor nieuwe woningen binnen de geluidzone van nieuwe wegen kunnen hierbij worden gehanteerd als richtwaarde. In dat geval geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. 4.10.2 Toetsing en randvoorwaarden Voor het bestemmingsplan wordt uitgegaan van één globale bestemming. Er wordt dus vooraf niet vastgelegd waar functies worden gerealiseerd. In november 2022 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Het akoestisch onderzoek richt zich op de volgende aspecten: 1. De geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de geluidgevoelige functies (appartementen); 2. Bestaande geluidzoneringen.
36/76
Geconcludeerd wordt dat voor het aspect wegverkeerslawaai voor de 50 appartementen een hogere waarde dient te worden vastgesteld van 59 dB voor de noordgevel en 53 dB voor de westgevel. Bij het vaststellen van de hogere waarde dienen de volgende randvoorwaarden te worden gesteld: a. Er dient een geluidluwe gevel of buitenruimte te worden gecreëerd. Onder een geluidluwe buitenruimte wordt een balkon of loggia verstaan waar een geluidbelasting van 48 dB inclusief, aftrek heerst, onder buitenluchtcondities. b. Er dient voldaan te worden aan de eisen uit het Bouwbesluit voor wat betreft de benodigde geluidwering. Voor de 50 appartementen dient een hogere waarde van 55 dB(A) te worden vastgesteld vanwege industrielawaai van het geluidgezoneerd industrieterrein De Schelde/Buitenhaven. Gebleken is dat het niet mogelijk is om een akoestisch onderzoek uit te voeren voor de beoogde geluidgevoelige en -producerende functies in de Machinefabriek met de flexibiliteit die in dit bestemmingsplan geboden wordt. Daarom is ervoor gekozen om een voorwaardelijke verplichting in de regels op te nemen waarin is vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor activiteiten (ver)bouwen slechts wordt verleend, indien bij de aanvraag is aangetoond dat wordt voldaan aan de geluidsnormen uit het activiteitenbesluit milieubeheer en de richtafstanden uit de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG.
In het akoestisch onderzoek wordt de mogelijkheid voor de realisatie van een integraal kindcentrum min de Machinefabriek beoordeeld. Deze mogelijkheid is echter niet van toepassing en kan dus buiten beschouwing worden gelaten. De conclusies ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai en het industrielawaai blijven onveranderd. Ook is de keuze om een voorwaardelijke verplichting op te nemen gehandhaafd.
4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Wettelijk kader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Gemeentelijk en provinciaal beleid externe veiligheid In maart 2006 is door de gemeente de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Vlissingen vastgesteld. Een toelichting daarop is door de Gemeente Vlissingen op 28 september 2010 vastgesteld.
In de beleidsvisie is
37/76
aangegeven, dat de gemeente risicosituaties beoordeelt aan de hand van de volgende veiligheidscriteria: plaatsgebonden risico, groepsrisico, zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect. Vervolgens heeft de provincie op 10 april 2012 de Beleidsvisie Externe Veiligheid "Verantwoorde Risico's" vastgesteld. 4.11.2 Onderzoek
Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart Uit de informatie op de risicokaart blijkt dat het plangebied zich niet in het invloedsgebied van wegen, vaarroutes en buisleidingen bevindt, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ook bevinden zich in de buurt van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. 4.11.3 Conclusie De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Windhinder 4.12.1 Wettelijk kader In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. De beoordeling van windhinder is nodig vanuit een goede ruimtelijke ordening.
38/76
De, inmiddels algemeen en ook in de jurisprudentie, aanvaarde norm NEN 8100 geeft normen voor het beoordelen en onderzoeken van windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving. In deze norm is een beslismodel weergegeven, wanneer windhinderonderzoek nodig is: 1. beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 – 30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is; 2. onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: een deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is. 3. gebouwen, hoger dan 30 meter: windonderzoek. 4.12.2 Toetsing De Machinefabriek heeft een maximale bouwhoogte van 25 meter. Omdat het een bestaand gebouw betreft, waarin nieuwe functies mogelijk gemaakt zullen worden, wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.12.3 Conclusie Het is niet de verwachting dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot ernstige vormen van windhinder of windgevaar. Daarmee vormt het aspect geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.13 Ecologie 4.13.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming In de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
39/76
alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in het beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Tenslotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
40/76
4.13.2 Onderzoeksresultaten Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe ligt op circa 655 meter (figuur 4.5). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zeeland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 40 meter (figuur 4.6).
Figuur 4.5 Ligging plangebied (zwart omcirkeld) t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
41/76
Figuur 4.6 Plangebied (zwart omkaderd) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zeeland) Soortenbescherming In 2018 is in het kader van de Wet natuurbescherming Zeeland door adviesbureau Wieland een quickscan uitgevoerd (bijlage 8). Uit de quickscan is gebleken dat er in de bebouwing mogelijkheden zijn voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Om te bepalen of beschermde diersoorten daadwerkelijk voorkomen in de bebouwing en wat de functie is voor de aanwezige beschermde diersoorten is een nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 9). Er zijn geen broedlocaties van gierzwaluwen aangetroffen. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. In het dak van de Machinefabriek zijn enkele broedlocaties van huismussen vastgesteld. Hier vinden geen werkzaamheden plaats. Er zijn dus geen negatieve effecten te verwachten. In en op de machinefabriek zijn diverse andere broedvogels vastgesteld. Alle broedende vogels zijn beschermd. Geadviseerd wordt met de werkzaamheden rekening gehouden met het broedseizoen. Door te werken buiten het broedseizoen kan voorkomen worden dat broedende vogels verstoord worden. Indien er gewerkt wordt in het broedseizoen kunnen er maatregelen getroffen worden om broedende vogels te weren. Dit dient te gebeuren voor aanvang van het broedseizoen. Maatregelen kunnen zijn het tijdelijk afdichten van holtes en gaten.
Het gebouw is gelegen aan de rand van de binnenstad van Vlissingen. In de aangrenzende woonwijken broeden gierzwaluwen en huismussen. Ook komen hier vleermuizen voor. Door sloop met vervangende nieuwbouw en het isoleren van bestaande woningen is er steeds minder ruimte voor broedplaatsen en verblijfplaatsen. Het gebouw van de Machinefabriek de Schelde biedt uitstekende kansen om te voorzien in broedplaatsen en verblijfplaatsen. Dit kan gerealiseerd worden door het plaatsen nestkasten en vleermuiskasten.
42/76
4.13.3 Stikstofdepositie De nabijgelegen Westerschelde en de wat verder gelegen Manteling van Walcheren zijn aangewezen als Natura 2000-gebieden. In bepaalde gebieden in de Natura 2000-gebieden komen stikstofgevoelige habitats voor. Vanwege de gevoeligheid voor stikstofdepositie van bepaalde habitats binnen Natura 2000 zijn voor de aanleg- en gebruiksfase met het programma AERIUS Calculator (2023) berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositie in beeld te brengen en om te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De berekeningen zijn bijgevoegd als bijlage 10. Daaruit blijkt dat er voor de Natura 2000-gebieden geen toename van stikstofdepositie is berekend. 4.13.4 Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming.
4.14 Duurzaamheid en energie 4.14.1 Beleids-/toetsingskader In het klimaatverdrag van Parijs (2015) hebben 195 landen ervoor getekend om de mondiale temperatuurstijging tot ruim onder 2 graden Celsius te beperken, en daarbij te streven naar een verdere beperking van de opwarming tot maximaal 1,5 graad Celsius. De Europese Unie heeft namens alle lidstaten harde toezeggingen gedaan om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 40 procent te verminderen ten opzichte van 1990. De Nederlandse Rijksoverheid legt de lat echter hoger dan deze toezegging en acht maatregelen noodzakelijk die voorbereiden op een extra reductie van 9 procent. In het verlengde hiervan is in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet Vet) onder andere geregeld dat nieuwbouwwoningen niet meer mogen worden aangesloten op een aardgasnetwerk. De voorheen geldende aansluitplicht van woningen is vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet. Als gevolg daarvan worden ook de energieprestatie-eisen voor nieuwbouw aangescherpt. Het kabinet maakt ook afspraken met gemeenten, provincies, waterschappen en netbeheerders om de gebouwde omgeving te verduurzamen. De gemeente Vlissingen heeft uitgesproken, dat haar duurzaamheidsambities verder reiken dan waartoe de wettelijke voorschriften de gemeente verplichten.
De gemeente is opdrachtgever en kan dus voorwaarden stellen met betrekking tot energiebesparende maatregelen. Vanzelfsprekend worden alle plannen bijna energieneutraal uitgevoerd en voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, maar de ambitie is om meer te doen. De verschillende initiatiefnemers zullen moeten onderzoeken op welke wijze zij hun plannen duurzamer kunnen maken in relatie tot de bouwkosten. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De BENG-norm heeft de eerder geldende normen van energetische efficiëntie van nieuwbouw (in de vorm van Energieprestatiecoëfficiënten) vervangen.
43/76
4.14.2 Toetsing Uit het voorgaande blijkt dat voor het plan niet meer de verplichting geldt om op het gasnet te worden aangesloten. Dat wordt dan ook niet gedaan. Er wordt gasloos gebouwd. Verder zal mogelijk balansventilatie worden toegepast. Dit is een gesloten systeem van mechanische ventilatie waarbij gebruikte vochtige lucht wordt afgezogen er droge verse lucht wordt ingeblazen. De hoeveelheid aangevoerde lucht is volledig in balans met de hoeveelheid afvoerde lucht. Het is een gesloten ventilatiesysteem waarin warmteterugwinning plaatsvindt. Ten slotte wordt de mogelijkheid onderzocht of op de dakvlakken zonnepanelen kunnen worden gelegd. Verder is op het niveau van het bestemmingsplan de duurzame combinatie tussen water en ruimtelijke ontwikkeling van belang. In het plangebied wordt echter geen open water aangelegd voor berging van schoon hemelwater. De overige thema's spelen vooral op het niveau van bouwplannen een rol. Het gebouw zal voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit. Er zullen dus keuzes gemaakt worden gemaakt ten aanzien van duurzame materialen, dat wil zeggen hout, betongranulaat, pvc, gips en zo min mogelijk tot geen lood en geen koper. Kozijnen en goten worden uitgevoerd in kunststof. Lood door loodvervangers waar mogelijk.
4.14.3 Conclusie Op verschillende niveaus van de planontwikkeling wordt ingezet op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling.
4.15 Kabels en leidingen (ondergrondse infrastructuur) In en rondom het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig of in voorbereiding. Wel ligt de reguliere ondergrondse infrastructuur direct rondom het plangebied. Het kabel- en leidingenprofiel zal worden ingepast in de profielen van de openbare ruimte.
4.16 Lichthinder In de beoogde ontwikkeling wordt het beeldbepalende pand (mogelijk) in de avonduren verlicht. Om hinder op omliggende panden te voorkomen wordt de voorwaarde gesteld dat verlichting alleen op de gevelvlakken van het gebouw gericht mag zijn en niet daarnaast of daarboven.
44/76
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op het juridische plan
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de juridisch -planologische regeling in dit bestemmingsplan toegelicht. Die regeling moet voldoen aan bepaalde eisen. Zo is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en andere bestemmingsplannen en verordeningen zijn van belang voor het opstellen van een bestemmingsplan. De regels dienen op een dusdanige wijze te zijn opgesteld, dat deze uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. In dit bestemmingsplan zijn geen bestemmingen of gebruiksregels opgenomen die doelbewust huidig feitelijk gebruik zouden uitsluiten.
5.2
Toelichting op de verbeelding
Algemeen Een bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Verder geldt het volgende: De ondergrond waarop de verbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie. Op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan. De Machinefabriek krijgt de bestemming 'Gemengd'. In deze bestemming zijn de verschillende functies die mogelijk worden gemaakt benoemd. Per functie is een maximum vloeroppervlak opgenomen. Hoofdgebouwen mogen (uitsluitend) binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak worden opgericht. Op de analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan wordt de betekenis van de bestemming(en) en de aanduidingen aangegeven op het renvooi.
5.3
Toelichting op de regels
De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hieronder worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht.
45/76
5.3.1
Inleidende regels
In de inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. 5.3.2
Bestemmingsregels
Gemengd De gronden binnen het bestemmingsplan Machinefabriek krijgen de bestemming 'Gemengd'. In de regels van deze bestemming wordt het beoogde programma mogelijk gemaakt. Hierbij wordt aangemerkt dat naast parkeren, ook diverse dienstverlenende, horeca- en sportvoorzieningen en maximaal 50 appartementen mogelijk worden gemaakt. Waarde - Archeologie Artikel 4 geeft de bestemmingsomschrijving, bouwregels, afwijkingsmogelijkheden en specifieke gebruiksregels voor de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor het westelijk en zuidelijk deel van het plangebied is op grond van eerder onderzoek geconstateerd dat er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Voor dit deel van het plangebied is dan ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. 5.3.3 Algemene bepalingen In dit hoofdstuk zijn onderstaande regels opgenomen: Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Algemene bouwregels In lid Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten is geregeld dat bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die afwijken van de maten die in dit bestemmingsplan zijn vastgelegd en die met vergunning tot stand zijn gekomen, mogen worden aangehouden. Er is dus geen sprake van een uitsterfregeling met overgangsrecht. Vanzelfsprekend geldt een dergelijke bepaling alleen voor bestaande bouwwerken. In lid Overschrijding bouwgrenzen is geregeld dat bouwgrenzen mogen worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen van gebouwen. Er mogen geen bestemmingsgrenzen worden overschreden, want dan zou sprake zijn van strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn 2 gebiedsaanduidingen geregeld: Geluidzone - industrie De Schelde/Buitenhaven en Milieuzone bodembeschermingsgebied. Het waarom van deze aanduidingen is uitgelegd in de paragrafen 4.10.2 en 4.5.2.
46/76
Geringe afwijkingsregels Op grond van deze bepaling kan met een omgevingsvergunning in geringe mate worden afgeweken van de voorgeschreven maten en bouwgrenzen in het bestemmingsplan. Om te voorkomen dat kleine meetfouten tot grote gevolgen leiden en om enigszins flexibel met maatvoeringen om te kunnen gaan, zijn enkele afwijkingsmogelijkheden opgenomen om in geringe mate te kunnen afwijken van genoemde maten, oppervlaktes enzovoorts. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van lid Geringe afwijkingen maten en bouwgrenzen. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overige regels Dit lid is opgenomen, omdat in een aantal gevallen in de regels van bestemmingsplannen verwezen wordt naar een (andere) wettelijke regeling (zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan) of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
In Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid Overgangsrecht bouwwerken is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid Overgangsrecht gebruik is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. De Slotregel geeft de naam van het plan aan.
47/76
48/76
Hoofdstuk 6 6.1
Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Kostenverhaal
In de Wro en het Bro zijn bepalingen opgenomen, die gaan over verplicht kostenverhaal door de gemeente. In bepaalde gevallen kan dit uitmonden in een verplicht op te stellen grondexploitatieplan. Nu dit bestemmingsplan ziet op de ontwikkeling van bouwplannen als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening is verplicht kostenverhaal in beginsel aan de orde. Op grond van artikel 6.12, lid 2, van de Wro kan worden afgezien van de vaststelling van een exploitatieplan, indien het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd en het niet noodzakelijk is om een tijdvak of fasering te bepalen dan wel andere eisen te stellen aan de inrichting van het gebouw. Deze bepaling brengt met zich mee, dat, indien alle gronden binnen een gebied, waarvoor een bestemmingsplan wordt vastgesteld op basis waarvan bouwplannen mogelijk zijn, in eigendom zijn van de gemeente, er geen exploitatieplan nodig is. De gemeente regelt het kostenverhaal via de uitgifte van de bouwgrond. Ook de fasering en inrichting bepaalt de gemeente zelf. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet vereist.
6.2
Financiële uitvoerbaarheid
Voor het plangebied van de Machinefabriek is een grondexploitatie vastgesteld. De uitvoering van dit project past daarbinnen. De financieel-economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is daarmee gewaarborgd.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor het voorontwerpbestemmingsplan is een inspraakronde van 6 weken gehouden. Er zijn in deze periode geen inspraakreacties ontvangen. Burgemeester en wethouders zullen op grond van artikel 3.8 van de Wro jo. Afd. 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht het ontwerpbestemmingsplan Scheldekwartier, Machinefabriek voor een periode van 6 weken ter inzage leggen.
6.4
Overleg instanties
Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg worden gepleegd met de besturen van eventueel betrokken andere gemeenten, het waterschap, de provincie en met die diensten van het rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen, die in het plan in het geding zijn. Dit zijn in ieder geval de volgende instanties. 1. Provincie Zeeland, Postbus 165, 4330 AD Middelburg (provincie@zeeland.nl). 2. Waterschap Scheldestromen, Postbus 1100, 4330 ZE Middelburg (info@scheldestromen.nl). 3. Veiligheidsregio Zeeland, Postbus 8016, 4330 EA Middelburg (info@vrzeeland.nl). Hun reacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
49/76
50/76
Hoofdstuk 7
Conclusie
De in deze toelichting beschreven ontwikkeling is in overeenstemming met het geldende beleid van Rijk, provincie en gemeente en past binnen de relevante wettelijke kaders, zoals aangegeven in de betreffende hoofdstukken en bijbehorende onderzoeken. Het plan heeft de voorgeschreven procedure doorlopen. Het plan voorziet daarom in een goede ruimtelijke ordening dat niet in strijd is met het geldend recht.
51/76
52/76
Regels
332/379
54/76
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Scheldekwartier, Machinefabriek met identificatienummer NL.IMRO.0718.BPSN14-ON01 van de gemeente Vlissingen. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan-huis-verbonden bedrijf een bedrijf of het beroeps- of bedrijfsmatig verlenen van diensten gericht op consumentenverzorging, lichaamsverzorging, bed & breakfast c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of in hoofdzaak door middel van handwerk, die door de beperkte omvang en de aan het wonen ondergeschikte ruimtelijke uitstraling in een woning en de bijbehorende bouwwerken kunnen worden uitgeoefend en waarbij de woning haar woonfunctie behoudt. 1.6
aan-huis-verbonden beroep
een vrij beroep op medisch/therapeutisch gebied of het beroepsmatig verlenen van diensten op zakelijk, administratief, architectonisch, ontwerp-technisch, kunstzinnig, maatschappelijk, juridisch of daarmee gelijk te stellen gebied, die door de beperkte omvang en de aan het wonen ondergeschikte ruimtelijke uitstraling in een woning en de bijbehorende bouwwerken kunnen worden uitgeoefend en waarbij de woning haar woonfunctie behoudt. 1.7
bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.8
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.9
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
55/76
1.10
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11 bevoegd gezag het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.12
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.13
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 1.14 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.15
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel. 1.16 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.17
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren 1.18
bijbehorend bouwwerk
de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.19 dienstverlening het bedrijfsmatig aanbieden en verlenen van diensten, nader te onderscheiden in: a. zakelijke dienstverlening: het, in hoofdzaak, verrichten van administratieve, financiële en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden al dan niet met een daaraan ondergeschikte baliefunctie; b. publieksgerichte dienstverlening: het, in hoofdzaak, verrichten van baliewerkzaamheden of verlenen van andere diensten, gericht op het publiek, daaronder begrepen belwinkels en internetcafés. 1.20
evenementen
grootschalige, permanente, periodieke en/of meerdaagse gebeurtenissen, gericht op een groot publiek met betrekking tot kunst/expositie, sport, muziek, maatschappij, ontspanning en/of cultuur. 1.21
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
56/76
1.22
geluidgevoelige objecten
woningen en andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. 1.23
geluidzone - industrie
de met de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - industrie De Schelde/Buitenhaven' aangegeven zone, zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. 1.24 gezoneerd industrieterrein een terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van bedrijven en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. 1.25
hogere grenswaarde
een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen. 1.26
horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, nader te onderscheiden in: a. lichte horeca, categorie 1a, aan detailhandel verwante en ondersteunende horeca: horecabedrijf van relatief beperkte omvang, dat zich met name richt op het winkelend publiek en openingstijden hanteert, die aansluiten op de openingstijden van de detailhandelsbedrijven en die bestaan uit het aanbieden en verstrekken van geringe etenswaren, kleinere maaltijden en dranken, een bezorg- en afhaalservice daaronder begrepen; b. lichte horeca, categorie 1b: horecabedrijf van relatief beperkte omvang, dat zich in mindere mate richt op het winkelend publiek en als regel ruimere openingstijden hanteert dan aan detailhandel verwante en ondersteunende horeca (categorie 1a) en dat bestaat uit het aanbieden en verstrekken van geringe etenswaren, kleinere maaltijden en dranken, een bezorg- en afhaalservice daaronder begrepen; c. lichte horeca, categorie 1c, maaltijd- en logiesverstrekkende horeca: horecabedrijf, gericht op het in hoofdzaak aanbieden en verstrekken van volwaardige maaltijden voor consumptie ter plaatse, een bezorg- en afhaalservice daaronder begrepen, en het aanbieden van nachtverblijf al dan niet met congres- en vergaderaccommodatie; d.
middelzware horeca, categorie 2, drankenverstrekkende horeca: horecabedrijf van relatief beperkte omvang, gericht op het in hoofdzaak aanbieden en verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse en het, ondergeschikt daaraan verstrekken van geringe etenswaren en kleine maatlijden; e. zware horeca, categorie 3, vermaak aanbiedende horeca: horecabedrijf van grote omvang, gericht op het structureel aanbieden van grootschalige feest-, muziek- en dansevenementen, die door hun aard en omvang grote aantallen bezoekers trekken. 1.27
huishouden
één of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling van de personen en van onderlinge verbondenheid.
57/76
1.28
kunstobject
voortbrengselen van alle gangbare kunstvormen zoals de beeldende, schilder- en/of tekenkunsten. 1.29 maatschappelijke voorzieningen voorzieningen en instellingen, gericht op het aanbieden en uitoefenen van activiteiten met betrekking tot welzijn, volksgezondheid, religie en levensbeschouwing, onderwijs, openbare orde en veiligheid, beschermde woonvormen, sociale, maatschappelijke en openbare dienstverlening, nieuwsgaring (multimedia) en kinderopvang. 1.30 NEN de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 1.31
nutsvoorzieningen
de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.32
overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.33
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.34
peil
de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.35 straatmeubilair objecten en voorwerpen in de openbare ruimte, zoals bloembakken, speeltoestellen, zitbanken, verlichting, kunstobjecten, prullenbakken, reclameborden, fonteinen, terrasvoorzieningen en -afscheidingen, informatievoorzieningen, verkeersborden en bewegwijzering; 1.36 voorkeursgrenswaarde de maximale waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen; 1.37 wonen het gebruik van een woning; 1.38
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden als hoofdverblijf.
58/76
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
breedte, lengte en diepte van een gebouw
tussen de bovengrondse buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren.
59/76
60/76
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Gemengd
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dienstverlening; b. horecabedrijven tot en met categorie 2 (met uitzondering van een logiesverstrekkende horeca); c. een evenementenhal met daarbij behorende horeca tot en met categorie 3 (met uitzondering van een logiesverstrekkende horeca); d. ter plaatse van de aanduiding 'terras'; tevens terrassen; e. kantoren; f. maatschappelijke voorzieningen; g. een sportzaal; h. het wonen in een woning, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit; i. parkeervoorzieningen (parkeergarage); j. andere, bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, energievoorzieningen, verlichting, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair, abri's, kunstobjecten, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling. 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Algemeen Het bestaande gebouw wordt op hoofdlijnen gehandhaafd. 3.2.2 Gebouwen en overkappingen a. gebouwen worden binnen een bouwvlak gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a. zijn balkons en ondergeschikte elementen zoals liftschachten, trappenhuizen buiten het bouwvlak toegestaan; c.
de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
61/76
3.3
Afwijken van bouwregels
3.3.1 Afwijkende parkeernorm Bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder c. om een afwijkende parkeernorm toe te passen mits dit niet leidt tot onevenredige parkeerproblematiek in dan wel buiten het plangebied en met inachtneming van het bepaalde in 3.4 onder f. 3.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. het maximum oppervlak voor dienstverlening en kantoren bedraagt gezamenlijk 6.000 m² bvo; b. het maximum oppervlak voor horecabedrijven tot en met categorie 2 bedraagt 1.200 m² bvo ; c. het maximum oppervlak voor de evenementenhal met daarbij behorende horeca tot en met categorie 3 bedraagt 4.000 m² bvo; d. het maximum oppervlak voor een sportzaal bedraagt 1.500 m² bvo; e. het maximum aantal appartementen bedraagt 50; f. het minimum aantal parkeerplaatsen in de parkeergarage bedraagt 601. g. ten minste 395 parkeerplaatsen van het in 3.4 onder f. genoemde aantal parkeerplaatsen zijn beschikbaar voor bewoners van woningen in de omgeving; h. vluchtwegen dienen uit te komen op maaiveldniveau. 3.5
Voorwaardelijke verplichtingen
3.5.1 voorwaardelijke verplichting parkeren Een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de bestemming van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag is aangetoond, dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering, zoals deze is opgenomen in de 'Beleidsnota parkeernormering Vlissingen' en diens rechtsopvolger(s), waarbij een deel van de parkeerbehoefte kan worden verkleind door het gebruik van deelauto's. 3.5.2 voorwaardelijke verplichting geluid Een omgevingsvergunning voor activiteiten (ver)bouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag is aangetoond, dat wordt voldaan aan de geluidsnormen uit het activiteitenbesluit milieubeheer en de richtafstanden uit de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. 3.5.3 voorwaardelijke verplichting terras Ter plaatse van de functieaanduiding 'terras' geldt dat het gebruik van de gronden ten behoeve van het gebruik als terras bij een horecagelegenheid is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de geluidsnormen uit het activiteitenbesluit milieubeheer en de richtafstanden uit de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG.
3.6 Afwijken van gebruiksregels 3.6.1 Afwijken van de Staat van Horeca-activiteiten Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 3.1 om horecabedrijven toe te laten in één categorie hoger dan in lid 3.1 genoemd, voor zover het betrokken horecabedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of de bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 3.1 genoemd.
62/76
3.6.2 Afwijken van parkeernormen Bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4 om een afwijkende parkeernorm toe te passen mits dit niet leidt tot onevenredige parkeerproblematiek in dan wel buiten het plangebied. 3.6.3 Afwijken van de Staat van Bedrijfsactiviteiten Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 3.1: a. om bedrijven toe te laten uit ten hoogste één categorie hoger dan in lid 3.1 genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 3.1 genoemd; b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in lid 3.1 genoemd.
63/76
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 4.2
Bouwregels
4.2.1 Bebouwing Voor het bouwen gelden de volgende regels: c. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; d. ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) en dubbelbestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) en dubbelbestemming(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige, waaruit blijkt, dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; 4.
het hiervoor bepaalde is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 30 m²; een bouwwerk dat niet dieper wordt gebouwd dan 40 cm. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Verbod Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm beneden het maaiveld, waartoe in ieder geval worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, grootschalig egaliseren en ontginnen, het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere waterpartijen; b. het ophogen van gronden met meer dan 2 m; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil, voor zover dit geen maatregel van het bevoegde waterschap betreft; d. het planten of rooien van bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; e. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen, en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
64/76
f.
het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.
4.3.2 Uitzonderingen Het verbod, zoals bedoeld in sublid 4.3.1, is niet van toepassing, indien: a. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan, waarbij lid 4.2 in acht is genomen; b. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan; c. de werken of werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; d. de werken of werkzaamheden tot de normale beheers- en onderhoudswerkzaamheden worden gerekend; e. de werken of werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 30 m²; f. de werken of werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm onder het maaiveld; g. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige, dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen aanlegvergunning als bedoeld in sublid 4.3.1 nodig is. 4.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in sublid 4.3.1, kan slechts worden verleend, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin wordt aangetoond, dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b.
de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het behoud van archeologische resten in de bodem; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige. 4.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
4.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag te slopen. 4.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in sublid 4.4.1 is niet van toepassing, indien: a. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan, waarbij het bepaalde in lid 4.2 in acht is genomen; b. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; c. de diepste, waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm beneden het maaiveld bedraagt; d. de oppervlakte, waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 30 m² bedraagt;
65/76
e. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige, dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 4.4.1 nodig is. 4.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in sublid 4.4.1, kan slechts worden verleend, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin wordt aangetoond, dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het behoud van archeologische resten in de bodem; 2. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
66/76
Hoofdstuk 3 Artikel 5
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
67/76
Artikel 6 6.1
Algemene bouwregels
Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten
Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende: a. voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat" 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden; b. ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; c. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken, als opgenomen in dit plan, niet van toepassing. 6.2 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, erkers, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken alsmede andere ondergeschikte bouwdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.