02122026 Q&A vragen 3.2 compleet
Tekst van het document
MEMO GRIFFIE AAN
:
Raadsleden, collegeleden
DATUM: 12-02-2026
VAN
:
Griffie
Betreft
:
Vragen en antwoorden adviesraad (Q&A) – 3.2
Beste raad- en collegeleden, Voor de commissie Algemeen & Sociaal van 4 december 2025 zijn ten aanzien van het raadsvoorstel 3.2 de volgende vragen gesteld. De antwoorden staan in de 2 e kolom. Fractie SGP
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 3.2 – Verordening kwaliteit uitvoering en handhaving omgevingsrecht Vlissingen 2026 Vraag 1. De Omgevingswet is niet eenvoudig. Dat daarbij uitvoering, criteria en handhaving horen is evident. Maar de stukken lezend vraagt de SGP zich af waarom dit nu in de raad komt. Wat is er nieuw? Wat gaat er nu anders? Wat is de bedoeling van deze nieuwe verordening nu echt? En wat hebben onze burgers hieraan? Kunt u een algemene toelichting geven over het hoe en waarom van deze verordening? Nu begrijpen we het niet zo goed en het zou zonde zijn als er daardoor een onnodige discussie in de raad ontstaat of een ongewenst besluit genomen wordt.
Antwoord Kunt u een algemene toelichting geven over het hoe en waarom van deze verordening? Met dit type verordening geeft het college aan aan welke voorschriften zij zich houdt m.b.t. de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH; nu U&H) in het omgevingsrecht en hoe zij over de uitvoering verantwoording aflegt aan de raad. Hiervoor hebben de VNG en het IPO in 2015 een uniforme modelverordening opgesteld. Aanleiding daarvoor was de gedeelde opgave van gemeenten, provincies en omgevingsdiensten om in landelijk verband de kwaliteit van de uitvoering en handhaving (U&H) te bevorderen, te borgen en eenduidig te beoordelen, met het oog op een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Wat is er nieuw? Wat gaat er nu anders? Vanwege nieuwe wetgeving is de bestaande verordening uit 2021 aangepast, rekening houdend met de afspraken over de samenwerking tussen de Zeeuwse gemeenten. De verordening zorgt voor continuïteit in de kwaliteitsborging bij de uitvoering van U&H-taken. Waarom komt dit nu in de raad? In 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Per 2025 gelden de Kwaliteitscriteria 3.0. Medio 2025 zijn de Zeeuwse gemeenten getoetst door een extern bureau of en in hoeverre zij voldeden aan de kwaliteitscriteria. Door dit bureau is de verordening uit 2021 geactualiseerd.
Wat is de bedoeling van deze nieuwe verordening nu echt? En wat hebben onze burgers hieraan? De inwoners van Vlissingen zullen van deze verordening geen concreet resultaat zien. Het is een instrument voor de raad om de jaarverslagen van het college over de uitvoering van U&H-taken in het omgevingsrecht te toetsen. De verordening is gericht op dit horizontaal toezicht. De regelgeving schrijft voor dat overheden zo’n
verordening vaststellen. Daarom wordt dit door het team Interbestuurlijk Toezicht (IBT) van de Provincie Zeeland getoetst en opgevraagd (verticaal toezicht). 2. Er wordt gesproken over kwaliteitscriteria 3.0. Is het correct dat er hiervoor een 2.0 versie was? En dus niet een meerkeuzemenu waarbij u nu kiest voor criteria 3.0 (en niet 1.0, 2.0, 4.0, 5,0 of anderzijds?)
Er is geen sprake van een meerkeuzemenu.
3. Welke concrete verbeteringen verwacht het college door de invoering van de nieuwste kwaliteitscriteria 3.0, en hoe worden deze gemonitord?
De voorliggende verordening en de daaraan gelieerde documenten betekenen een actualisatie. Daarmee wordt de kwaliteit van uitvoering en handhaving gecontinueerd. Uiteraard worden nieuwe inzichten, verbeterde technieken en dergelijke bij zo’n actualisatie geïmplementeerd. Dergelijke processen verlopen in overleg met de diverse overheden in de provincie Zeeland. Daarbij zijn ook organisaties als Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat en dergelijke betrokken.
4. Hoe zorgt het college dat de kwaliteitscriteria daadwerkelijk worden toegepast bij alle uitvoerings- en handhavingstaken, en hoe wordt hierover transparant gerapporteerd aan de raad?
De Zeeuwse gemeenten hebben verleden jaar laten toetsen of de ambtelijke organisatie voldoet aan de gestelde eisen. Het college zal daarover rapporteren in het Jaarverslag U&H 2025, waaraan nu wordt geschreven. De afgelopen jaren is het Vlissingen onvoldoende gelukt om, wat betreft het uitvoeringsplan en rapportage achteraf, de huidige verordening na te leven. Omdat de afgelopen periode bij de Provincie Zeeland het interbestuurlijk toezicht minder goed gefunctioneerd heeft, is het gebrek aan verslaglegging onder de radar gebleven. In de beoordelingsbrief over 2024 wordt daar nu door het team IBT de vinger op gelegd. In 2025 zijn hierover enkele overleggen gevoerd en zijn door het team VTH verbeteracties ingezet, ook m.b.t. verslaglegging aan de raad in 2026.
5. Op welke wijze betrekt het college de gemeenteraad bij de formulering en bijstelling van doelen en indicatoren voor het kwaliteitsbeleid?
Het college informeert de raad door het jaarlijks toezenden van het Integraal Uitvoerings-handhavingsplan (IHUP) en het jaarverslag. Het staat de raad vrij om naar aanleiding van een IHUP of jaarverslag verduidelijking te vragen of de gestelde doelen aan de orde te stellen.
De borging van de kwaliteit van toezicht en handhaving gaat terug tot 2005. In 2012 zijn er procescriteria voor vergunningverlening en de kwaliteitscriteria voor diploma’s en werkervaring aan toegevoegd. Vanaf juli 2019 golden de Kwaliteitscriteria 2.2. Vanwege de komst van de Omgevingswet kwam in 2023 versie 2.3, waarin competentieprofielen waren toegevoegd. M.i.v. 2025 dus de Kwaliteitscriteria 3.0.
De raad van een individuele gemeente heeft echter weinig speelruimte. Het formuleren en bijstellen van doelen en indicatoren voor het kwaliteitsbeleid raakt aan uitvoering, dus aan collegebevoegdheden. Verder is landelijke regelgeving erop van toepassing en spelen afspraken een rol, die met de diverse overheden in de provincie zijn gemaakt. 6. Hoe wordt de samenwerking met omgevingsdiensten en andere bevoegde gezagen vormgegeven om de kwaliteit van
In Zeeland functioneert het Bestuurlijk Overleg Omgevingsrecht (BOOR). Daarin hebben zitting de portefeuillehouders U&H van provincie en gemeenten.
uitvoering en handhaving te borgen?
De besluiten van het BOOR worden voorbereid door een ambtelijk overleg, waaraan ook organisaties als Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat e.d. deelnemen. Daarnaast is er een overlegstructuur met RUD Zeeland. Bestuurlijk is daarbij een andere wethouder betrokken. Beide wethouders stemmen zo nodig onderling af. Ambtelijk zijn er diverse overleggen. Bijna wekelijks is er contact tussen de wederzijdse accountmanagers.
7. Leidt deze verordening tot extra administratieve lasten voor de gemeentelijke organisatie?
De voorliggende verordening leidt tot extra administratieve lasten voor de organisatie. De verbeterslag die is ingezet, vergt dat meer of preciezer gegevens worden geadministreerd.
8. Wat zijn de belangrijkste risico’s als de kwaliteitscriteria niet volledig worden nageleefd, en hoe wordt hiermee omgegaan?
De tekortkomingen die het team IBT van de Provincie Zeeland heeft geconstateerd, hebben in de praktijk van uitvoering en handhaving geen knelpunten opgeleverd. Het belangrijkste risico wordt veroorzaakt door een weeffout in de systematiek van de kwaliteitscriteria. Niet gemeten wordt of het aantal medewerkers, hun diploma’s, ervaring en uren aansluiten op de workload van de organisatie. Aandachtspunten zijn dus of de capaciteit goed aansluit op de werkload, het blijvend voldoen aan de Kwaliteitscriteria 3.0 en de samenwerking in de regio. Deze punten en mogelijke oplossingen daarvoor, worden beschreven in het jaarlijks op te stellen IHUP.