01152026 Q&A vragen 4.3 compleet
Tekst van het document
MEMO GRIFFIE AAN
: Raadsleden, collegeleden
DATUM: 15-01-2026
VAN
: Griffie
Betreft
: Vragen en antwoorden adviesraad (Q&A) – 4.3
Beste raad- en collegeleden, Voor de commissie Ruimte van 15 januari 2026 zijn ten aanzien van het raadsvoorstel 4.3 de volgende vragen gesteld. De antwoorden staan in de 2e kolom. Fractie POV
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 4.3 - Bodemkwaliteitskaart PFAS Walcheren Vraag 1. "Het voorstel stelt dat alleen op 'verdachte locaties' en 'bodemgevoelige locaties' onderzoek verplicht is. Gezien het document zelf stelt dat PFAS diffuus voorkomt in heel Vlissingen en dat lokaal afwijkende waarden kunnen voorkomen, waarom is bodemonderzoek niet standaard verplicht bij alle grondverzet? Welke locaties zijn precies níet 'bodemgevoelig' als PFAS overal voorkomt?"
Antwoord Deze constatering is niet correct. De verplichting voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij een activiteit is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal is beschreven wanneer bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Dit is onder andere bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (op een bodemgevoelige locatie) of bij graafwerkzaamheden. PFAS is vanuit de landelijke regelgeving nog geen stofgroep waarop standaard geanalyseerd moet worden bij een bodemonderzoek. In Vlissingen voegen wij via het Omgevingsplan toe dat ook onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS moet worden gedaan. Dit geldt voor alle locaties waar op grond van het Bal een bodemonderzoek moet worden gedaan voor een geplande activiteit. Een bodemgevoelige locatie is een term uit de Omgevingswet. Dit zijn locaties waar een bodemgevoelig gebouw is toegestaan. Een bodemgevoelig gebouw is een ruimte waar gemiddeld meer dan 2 uur per dan mensen verblijven. Het is niet mogelijk om een verplichting op te nemen voor het uitvoeren van bodemonderzoek voor bijvoorbeeld het bouwen van een gebouw dat niet onder de definitie van een bodemgevoelig gebouw valt. Het is niet toegestaan om deze landelijke regels dusdanig aan te passen in het Omgevingsplan.
2. "Voor toepassing van grond in de bovengrond (0-0,5m) binnen de zone Kuststrook PFAS schrijft het voorstel geen controle voor van de vervuilingsgraad van de ontvangende locatie. Hoe wordt dan voorkomen dat grond met 5,4 μg/kg PFOS wordt toegepast op een locatie die bijvoorbeeld slechts 2 μg/kg bevat, waardoor die specifieke locatie verslechtert? Het standstill-beginsel wordt alleen statistisch toegepast op zoneniveau, niet op locatieniveau - is dit niet in strijd met het beginsel?"
Nee, dit is niet in strijd met het standstill-beginsel. In het handelingskader PFAS is opgenomen dat wanneer binnen een gebied hogere waarden PFAS voorkomen dan de landelijke hergebruiksnormen en hierdoor problemen ontstaan met grondverzet het bevoegd gezag soepelere normen mag vaststellen. Dit is op voorwaarde dat in het aangewezen bodembeheergebied op gebiedsniveau sprake is van stand-still. De gekozen hogere norm van 5,4 μg/kg voor PFAS geldt alleen voor grond uit de zone Kuststrook PFAS die ook weer in deze zone wordt toegepast. De verruiming is daarmee op gebiedsniveau niet in strijd met het stand-still beginsel.
3. "De voorgestelde norm van 5,4 μg/kg PFOS wijkt 80% af van het landelijke handelingskader (3 μg/kg). Deze afwijking normaliseert bestaande vervuiling en maakt verspreiding van relatief zwaar vervuilde grond mogelijk. Wat zijn de gezondheidskundige argumenten om deze verhoging acceptabel te vinden, en waarom is gekozen voor P95 in plaats van bijvoorbeeld P75 of P85?"
Het is belangrijk te benadrukken dat grond met 5,4 μg/kg PFOS niet zwaar vervuild is. Grond is pas zwaar vervuild bij een PFOS-gehalte van 59 μg/kg. De gekozen nieuwe norm voor de zone Kuststrook PFAS ligt dus ruim 10x onder deze waarde. De GGD Zeeland hanteert voor de functie wonen met tuin (inclusief kleine moestuin) een waarde van 29 μg/kg. Samen met GGD Zeeland is geconcludeerd dat de nieuwe norm van 5,4 μg/kg geen risico oplevert voor de volksgezondheid. Wij hebben daarom voor deze norm gekozen om in theorie zoveel mogelijk grond te kunnen hergebruiken binnen het gebied. Dit zorgt ervoor dat projecten betaalbaar en uitvoerbaar blijven.
4. "Het voorstel gaat ervan uit dat in heel Vlissingen PFAS voorkomt tot de 3/7/3/3 waarden, maar erkent dat dit 'diffuse gemiddelde bodemkwaliteit' betreft. Zijn deze waarden op voldoende locaties daadwerkelijk gemeten, of is dit grotendeels een statistische extrapolatie? Wat is het risico dat lokale hotspots met veel hogere waarden bestaan die nu niet worden opgespoord omdat onderzoek niet overal verplicht is?"
Er zijn binnen de gemeente Vlissingen op 188 locaties metingen verricht naar de waarden aan PFAS. De gemiddelde waarden zijn gebaseerd op deze 188 metingen. Er is altijd een risico dat een lokale hotspot onopgemerkt blijft. Deze kans is overigens wel klein. Wanneer meer dan 25 m3 wordt ontgraven op een locatie (dus ook bij bouwen van een niet bodemgevoelig gebouw) moet volgens de landelijke regels bodemonderzoek worden gedaan en willen wij met dit voorstel borgen dat PFAS dan ook verplicht wordt meegenomen. Hiermee doen we al het mogelijke om te voorkomen dat lokale hotspots onopgemerkt blijven.
5. "Het vaststellen van acceptabele vervuilingsniveaus voor PFAS is een strategische keuze met onomkeerbare gevolgen voor volksgezondheid, bodemkwaliteit en eigendomswaarden. Waarom zou de raad deze strategische bevoegdheid delegeren aan het college? Het argument van 'snelheid' lijkt niet op te wegen tegen het belang van democratische controle op dit dossier. Kunt u toelichten welke concrete situaties zich kunnen voordoen waarbij snelle aanpassing van de bodemkwaliteitskaart zodanig urgent is dat deze niet via de raad kan?"
De te delegeren taak aan het college betreft alleen het in de toekomst vaststellen van nieuwe of geactualiseerde bodemkwaliteitskaarten. Een bodemkwaliteitskaart is een document met hierin de zone-indeling binnen een bodembeheergebied op basis van gemiddelde waarden van bepaalde stofgroepen. Een bodemkwaliteitskaart is in feite alleen een onderlegger voor het opstellen van beleid maar bevat zelf geen beleidsregels. Het vaststellen van beleid en maatwerkregels voor in het Omgevingsplan blijft een bevoegdheid van de gemeenteraad. In de toekomst kan zich een vergelijkbare situatie voordoen met nieuwe stoffen zoals met PFAS in 2019. Er moet dan snel worden gehandeld om binnen de gemeente de bodemkwaliteitskaart te actualiseren met de gemiddelde gehalten van deze nieuwe stof zodat geen problemen ontstaan met grondverzet. Het college kan dit soort wijzigen relatief snel vaststellen.
6. "Bij herhaalde toepassing van grond met verhoogde PFOS-waarden op dezelfde locatie (bijvoorbeeld bij verschillende bouwprojecten over tijd) kunnen cumulatie-effecten optreden. Hoe wordt dit voorkomen als de ontvangende locatie niet systematisch wordt gecontroleerd vóór elke toepassing?
Er ontstaat geen cumulatie met PFOS bij herhaalde toepassing. De waarden aan PFOS in grond zijn in milligram per kilogram. Bij het toepassen van diverse partijen grond wordt het volume vergroot en kan de waarde nooit hoger zijn dan de hoogst gemeten waarden in de partijen grond. In de praktijk zien we juist dat de waarden door vermenging van de verschillende partijen grond wordt uitgemiddeld.
Fractie FVD
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 4.3 - Bodemkwaliteitskaart PFAS Walcheren Vraag 1. Kan het college toelichten welke inhoudelijke en bestuurlijke overwegingen hebben geleid tot het agenderen van dit raadsvoorstel als routinestuk?
Antwoord Het college bepaalt niet of het raadsvoorstel een ‘routinestuk’ is. Het presidium bepaalt dit. U bepaalt in de commissie uiteindelijk of het raadvoorstel een hamerstuk is of een bespreekpunt op de agenda van de besluitenraad.
2. Ziet het college, ja of nee, het huidige raadsbesluit om in te stemmen met deze maatwerkregels als een voorbereidingshandeling voor een wijziging van het Omgevingsplan in de zin van artikel 16.55 Omgevingswet?
De vraag is niet geheel duidelijk. Artikel 16.55 uit de Omgevingswet gaat over de aanvraagvereisten bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Met het huidige besluit stemt u in met het technisch uitwerken van de voorgestelde maatwerkregels en stelt hiermee in feite de kaders voor de nieuwe regels. Na het technisch uitwerken van de maatwerkregels volgt een procedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Kan het college expliciet bevestigen of de instemming van de raad met deze maatwerkregels juridisch en bestuurlijk bindend is voor de latere wijziging van het Omgevingsplan, ja of nee?
Ja, de instemming met de maatwerkregels is juridisch en bestuurlijk in principe bindend. De wijziging van het Omgevingsplan is wel een aparte procedure waar u als raad (wederom) moet instemmen met de technisch uitgewerkte maatwerkregels. Nieuwe inzichten, landelijke regels of binnengekomen zienswijzen kunnen ertoe leiden dat toch wijzigingen aan de eerder ingestemde maatwerkregels gewenst zijn.
4. Kan het college bevestigen dat de raad bij de latere Omgevingsplanprocedure juridisch volledig vrij is om af te wijken van de maatwerkregels waarmee met dit voorstel zou worden ingestemd?
Wij gaan ervan uit dat u met deze vraag bedoeld of het mogelijk is om af te wijken van de maatwerkregels wanneer deze zijn opgenomen in het Omgevingsplan en er wordt een Omgevingsplanprocedure gestart voor een activiteit. Voor alle activiteiten bedoeld in de hoofdstukken 3 t/m 5 uit het Bal of voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning kan een initiatiefnemer een maatwerkbesluit aanvragen om af te wijken van de bestaande regels. De bevoegdheid om maatwerkbesluiten kan ook bij het college liggen. Dit is afhankelijk waarvoor een maatwerkbesluit wordt aangevraagd. Als er geen maatwerkbesluit wordt aangevraagd mag niet worden afgeweken van bestaande regels.
5. Welke overwegingen heeft het college gemaakt om bij deze maatwerkregels geen participatie toe te passen; waar is deze afweging vastgelegd?
Het is niet juist dat geen participatie heeft plaatsgevonden. Voor de voorgestelde maatwerkregels zijn grote grondbezitters langs de kustlijn en andere bevoegde gezagen geraadpleegd omdat deze voor hen de meeste impact hebben en om de regels af te stemmen op regels uit de provinciale omgevingsverordening en waterschapsverordeningen. Onder andere Waterschap Scheldestromen, Staatsbosbeheer, de provincie, RUD Zeeland en GGD Zeeland zijn geraadpleegd voor de voorgestelde maatwerkregels.
6. Welke alternatieven heeft het college onderzocht en overwogen om eerst participatie te organiseren en daarna
Er is bewust voor gekozen om voor de maatwerkregels alleen de geselecteerde groep van eerdergenoemde partijen te raadplegen. De reden hiervoor is benoemd in
pas normstelling voor te leggen, en waarom is voor geen van deze alternatieven gekozen?
het antwoord op vraag 5. Bij de procedure voor de wijziging van het Omgevingsplan is er een mogelijkheid voor alle belanghebbenden om een zienswijze in te dienen.
7. Op welk moment acht het college participatie juridisch noodzakelijk: voor instemming met concrete normen, of pas nadat deze normen door de raad akkoord zijn bevonden?
Zie antwoord vraag 5 en 6.
8. Kan het college aangeven of men van plan is in de toekomst ook andere normstellende onderdelen van het Omgevingsplan zonder participatie aan de raad voor te leggen?
Er wordt bij toekomstige normwijzigingen wederom bekeken welk participatieniveau het beste past bij het besluit.
9. Indien het college erkent dat er maatschappelijke impact voortvloeit uit deze maatwerkregels, hoe verhoudt dan het besluit om geen participatie toe te passen zich tot het Vlissingse participatiebeleid?
Wij zijn van mening dat de maatwerkregels niet leiden tot grote gevolgen van inwoners. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid en de maatwerkregels hebben voornamelijk een positief effect. Een uitgebreid participatietraject is naar onze mening dan ook niet nodig in dit geval.
10. Is volgens het college een bodemkwaliteitskaart een technisch uitvoeringsinstrument, of een normerend beleidsinstrument?
Een technisch uitvoeringsdocument. Een bodemkwaliteitskaart is een document met hierin de zone-indeling binnen een bodembeheergebied op basis van gemiddelde waarden van bepaalde stofgroepen. Een bodemkwaliteitskaart is in feite alleen een onderlegger voor het opstellen van beleid maar bevat zelf geen beleidsregels of normen.
11. Hoe moeten wij deze voorgestelde delegatie zien in het licht van het door de raad in 2021 vastgestelde delegatiebesluit, waarin delegatie expliciet is beperkt tot administratieve en beleidsneutrale wijzigingen?
Een bodemkwaliteitskaart is geen beleidsdocument en bevat ook geen beleidsregels. Bij de wijziging van een bestaande kaart betreft dit alleen een administratieve wijziging. Bijvoorbeeld door het toevoegen van nieuwe stoffen of het wijzigen van bestaande zones (bij herontwikkeling). Omdat de vaststelling van een bodemkwaliteitskaart voor inwerkingtreden Omgevingswet een bevoegdheid was van het college en het alleen een administratieve wijziging betreft is het college van mening dat het gepast is deze taak te delegeren aan het college.
12. Hoe kan het college waarborgen stellen om te voorkomen dat toekomstige normwijzigingen in bodemkwaliteitskaarten zonder (burger)participatie of raadsbetrokkenheid zal plaatsvinden?
Normen zijn niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Deze worden opgenomen in het Omgevingsplan. Het vaststellen van beleid en maatwerkregels voor in het Omgevingsplan blijft een bevoegdheid van de gemeenteraad. Er kunnen geen nieuwe normen worden vastgesteld voor het college. Er wordt bij toekomstige normwijzigingen wederom bekeken welk participatieniveau het beste past bij het besluit.
13. Is deze delegatie een uitzondering specifiek voor PFAS, of gaat dit gelden als structureel uitgangspunt voor andere normstellende onderdelen?
De te delegeren taak aan het college betreft alleen het in de toekomst vaststellen van nieuwe of geactualiseerde bodemkwaliteitskaarten. Niet het vaststellen van normen. In Vlissingen zijn er op dit moment twee bodemkwaliteitskaarten. De reguliere bodemkwaliteitskaart Vlissingen 2023 voor de standaard stoffen en de bodemkwaliteitskaart PFAS Walcheren.
Fractie LPV
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 4.3 - Bodemkwaliteitskaart PFAS Walcheren Vraag 1. Kan het college toelichten wat de meetwaarden in simpele bewoordingen betekent voor de Vlissingse volksgezondheid? 2. Kan het college aangeven welke Vlissingse locaties op basis van deze bodemkwaliteitskaart de aandacht hebben?
Antwoord Geen van de gemeten waarden overschrijdt de normen voor de functie wonen met tuin. Met GGD Zeeland is gekeken of de verhoogde waarden PFAS een negatief effect hebben op de gezondheid van onze inwoners. Dit is niet het geval. Alle locaties binnen de zone Kuststrook PFAS Walcheren hebben extra aandacht omdat binnen deze zone de hoogste waarden worden gemeten. PFAS is binnen de hele gemeente een aandachtspunt waarbij gevoelige functies zoals volkstuinen extra aandacht hebben. Hiervoor loopt al een traject.
3. Op welke manier zijn de eigenaren (of andere zakelijk gerechtigden) van deze locaties betrokken bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart?
Alle boringen voor het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart zijn in overleg met grondeigenaren verricht. Voor de voorgestelde maatwerkregels zijn grote grondbezitters langs de kustlijn en andere bevoegde gezagen geraadpleegd omdat deze voor hen de meeste impact hebben en om de regels af te stemmen op regels uit de provinciale omgevingsverordening en waterschapsverordeningen. Onder andere Waterschap Scheldestromen, Staatsbosbeheer, de provincie, RUD Zeeland en GGD Zeeland zijn geraadpleegd voor de voorgestelde maatwerkregels.
4. Bekend is dat de locatie Brittania ook PFAS bevat. Is deze locatie opgenomen in deze bodemkwaliteitskaart? En wat zijn daarvan de consequenties voor de herontwikkeling? Tot slot, wat is de stand van zaken?
Nee, deze locatie is niet opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Dit heeft twee redenen. 1. Locaties met een bekende ernstige verontreiniging worden altijd uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. 2. Formeel betreft dit deel van Vlissingen geen landbodem maar valt onder primaire zeewering waarvoor Rijkswaterstaat bevoegd gezag is. Het aanpassen van de grens zodat deze locatie wel onder landbodem valt en daarmee onder ons bodembeheergebied is een traject dat via het Rijk moet worden opgestart. Het vaststellen van de bodemkwaliteitskaart heeft geen consequenties voor de herontwikkeling. De stand van zaken omtrent de herontwikkeling van locatie Brittania is niet relevant voor dit voorstel.
5. Bekend is dat er onderzoek is gedaan bij het volkstuincomplex ‘Levenslust’. Is deze locatie opgenomen in deze bodemkwaliteitskaart? En wat zijn hiervan de consequenties voor de volkstuinvereniging?
Ja, deze locatie is opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. De gemiddelde gemeten waarden komen ook overeen met de gemiddeld aangetroffen waarden in de rest van de gemeente. Er zijn geen consequenties voor de volkstuinvereniging door het opnemen van deze locatie in de bodemkwaliteitskaart. De advisering over het gebruik van de locatie en de consumptie van zelfgekweekte gewassen is een apart traject samen met GGD Zeeland dat losstaat van de bodemkwaliteitskaart. Bij volkstuinen wordt altijd uitgegaan van de daadwerkelijke gemeten gehalten op de locatie en niet van een gemiddelde gebaseerd op de 188 meetlocaties in Vlissingen. Wanner de volkstuinverenging in de toekomst grond zou willen toepassen op de locaties van 1 van de volkstuinen
moet dat met de voorgestelde maatwerkregels altijd schone grond zijn.