01152026 Q&A vragen 4.1 compleet
Tekst van het document
MEMO GRIFFIE AAN
: Raadsleden, collegeleden
DATUM: 15-01-2026
VAN
: Griffie
Betreft
: Vragen en antwoorden adviesraad (Q&A) – 4.1
Beste raad- en collegeleden, Voor de commissie Ruimte van 15 januari 2026 zijn ten aanzien van het raadsvoorstel 4.1 de volgende vragen gesteld. De antwoorden staan in de 2e kolom. Fractie POV
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 4.1 Vraag 1. Erkent het college dat de agiostorting van 660.000 euro in Impuls/het Transitiefonds kwalificeert als “verstrekken van kapitaal aan een overheidsbedrijf” in de zin van artikel 17, lid 3 en 4, van de Financiële Verordening Vlissingen 2025? Zo nee, waarom niet?
Antwoord Het gaat hierbij niet om een kapitaalverstrekking, maar het vergroten van een bestaande deelneming in Economische Impuls Zeeland.
2. Gebeurt deze agiostorting tegen een vergoeding die minimaal overeenkomt met de integrale kosten / marktconforme vergoeding, of wijkt het college daarvan af vanwege een publiek belang?
Het gaat hierbij niet om een kapitaalverstrekking, maar het vergroten van een bestaande deelneming in Economische Impuls Zeeland.
3. Indien wordt afgeweken: waar en wanneer is dan, conform artikel 17 lid 4, een voorafgaand raadsbesluit gevraagd waarin dat publiek belang van deze kapitaalverstrekking is gemotiveerd?
Zie beantwoording vraag 1 en 2.
4. Hoe verhoudt de nu gekozen voorhangprocedure zich tot artikel 8 van de Financiële Verordening, dat eist dat B&W niet beslissen en niet uitvoeren voordat de raad in de gelegenheid is gesteld wensen en bedenkingen te uiten over kapitaalverstrekking aan ondernemingen?
Op grond van de Gemeentewet art. 160 lid 2 wordt de raad middels een Raadsinformatiebrief geïnformeerd over het voorgenomen besluit van het college van B&W. De raad wordt in de gelegenheid gesteld wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Daarna wordt door het college van B&W een definitief besluit genomen. Deze procedure wordt met deze raadsinformatiebrief (2643947/ 2788352) gevolgd. Het college neemt pas een definitief besluit na het doorlopen van deze voorhangprocedure.
Artikel 17, lid 3 en 4, van de Financiële Verordening Vlissingen is niet van toepassing op het vergroten van een bestaande deelneming door doen van een agiostorting1.
Artikel 17, lid 3 en 4, van de Financiële Verordening Vlissingen is niet van toepassing op het vergroten van een bestaande deelneming door doen van een agiostorting.
Zoals aangegeven in de raadsinformatiebrief 2643947/ 2788352 heeft u tot 14 dagen na agendering in de commissie Ruimte van 15 januari 2026 de gelegenheid 1
Een agiostorting is een extra storting bovenop de nominale waarde van aandelen waardoor het eigen vermogen wordt versterkt, kortom het aandeel in Economische Impuls van de gemeente Vlissingen wordt vergroot. Dit wordt opgenomen op de balans.
om wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen aangaande het voorgenomen besluit. 5. Kan het college bevestigen dat er nog geen onomkeerbare verplichting is aangegaan vóórdat de raad deze gelegenheid daadwerkelijk heeft gehad?
Zie beantwoording vraag 4.
6. Hoe borgt het college dat de agiostorting past binnen het begrotingskader (art. 189–190 Gemeentewet en art. 5 en 12 van de financiële verordening), zodat er geen sprake is van begrotingsonrechtmatigheid of een feitelijke begrotingsoverschrijding zonder raadswijziging?
Het gaat hierbij niet om een begrotingswijziging, maar een wijziging op de balans.
7. Waarom kwalificeert het college deze rechtshandeling niet als “ingrijpend” in de zin van art. 169 lid 4 Gemeentewet, waarvoor voorafgaande raadsbetrokkenheid op zijn plaats is?
Zowel artikel 160 lid 2 als artikel 169 lid 4 van de Gemeentewet betreft een grondslag voor betrokkenheid van de raad middels het geven van wensen en bedenkingen (voorhangprocedure). Deze procedure wordt nu gevolgd; zie beantwoording 4 en 5.
8. Welke criteria hanteert het college om te beslissen of na de voorhang alsnog een formeel raadsvoorstel wordt voorgelegd?
Zie beantwoording vraag 7.
9. Heeft het college voor zichzelf varianten uitgewerkt (bijv. niet deelnemen, beperkt deelnemen, alleen via provincie/Impuls, of uitsluitend eigen lokale instrumenten versterken)? Zo ja: waarom zijn die varianten niet tegelijk aan de raad voorgelegd, zodat de raad een echte keuze heeft in plaats van een “take it or leave it”-constructie?
Er ligt nu alleen een verzoek van Economische Impuls Zeeland bij het college van B&W voor een agiostorting naar rato in het Transitiefonds Zeeland t.b.v. de verduurzaming van het Zeeuwse bedrijfsleven. Alle Zeeuwse gemeenten hebben hetzelfde verzoek gekregen. Het college van B&W heeft een voorgenomen besluit genomen omdat zij denkt dat Vlissingse bedrijven kunnen profiteren van het Transitiefonds Zeeland. Zie pagina 10 van de Presentatie transitiefonds gemeenten voor een overzicht van de bijdragen van de verschillende gemeenten. 2643947/ 2788491 Indien de gemeente Vlissingen besluit niet over te gaan tot een agiostorting of in eigen beheer leningen te verstrekken kunnen Vlissingse bedrijven niet profiteren van de middelen die de Provincie Zeeland aan het Transitiefonds Zeeland beschikbaar stelt (€16 miljoen nu, en in de toekomst additioneel €9 miljoen). De raad heeft de mogelijkheid middels deze voorhangprocedure wensen of bedenkingen aan het college van B&W kenbaar te maken (zie beantwoording vraag 4 en 5).
10. Waarom is er geen vroegtijdige politieke discussie georganiseerd over de principiële vraag: “willen we als kleine gemeente met beperkte financiële ruimte risicodragend meedoen in een regionaal fonds, of kiezen we voor directe lokale investeringen?”
Het college van B&W mag op grond van de Gemeentewet art. 160 lid 2 zelf een besluit nemen over een agiostorting met inachtneming van een voorhangprocedure. De voorhangprocedure is gestart middels deze raadsinformatiebrief. Het college neemt pas een definitief besluit na de het doorlopen van de voorhangprocedure.
Zoals aangegeven in de raadsinformatiebrief 2643947/ 2788352 heeft u tot 14 dagen na agendering in de commissie Ruimte van 15 januari 2026 de gelegenheid om wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen aangaande het voorgenomen besluit. 11. Kan het college garanderen dat een substantieel deel van de middelen uit dit Transitiefonds daadwerkelijk in Vlissingen en de Kenniswerf terechtkomt, en niet hoofdzakelijk in projecten zonder binding met Vlissingen, terwijl wij wel het financiële risico dragen?
Nee. Het Transitiefonds Zeeland werkt voor heel Zeeland. Dat betekent dat bedrijven uit heel Zeeland aanvragen kunnen doen bij het Transitiefonds Zeeland. Bedrijven uit gemeenten die deelnemen aan het Transitiefonds Zeeland middels een agiostorting worden op gelijke wijze in behandeling genomen. Het is ook aan de gemeente om het Transitiefonds Zeeland onder aandacht te brengen van Vlissingse bedrijven. Het omgekeerde is wel het geval. Indien de gemeente Vlissingen besluit niet deel te nemen aan het Transitiefonds Zeeland dan worden aanvragen van bedrijven uit Vlissingen als laatste in behandeling genomen en alleen indien het Transitiefonds Zeeland nog over afdoende middelen beschikt. Alle Zeeuwse gemeenten dragen naar rato bij aan het Transitiefonds Zeeland en dragen ook naar rato risico.
12. Impuls Zeeland voert al diverse financieringsinstrumenten uit voor Zeeuwse bedrijven. Waarom is een losstaand Transitiefonds nodig, in plaats van versterking van bestaande instrumenten, en wat is de concrete meerwaarde voor Vlissingen?
De bestaande financieringsinstrumenten van Impuls Zeeland richten zich primair op het financieren van innovatieve start- en scale-ups. Daardoor zijn deze instrumenten minder geschikt voor reguliere investeringsprojecten die zich richten op de energietransitie, het oplossen van netcongestie of de grondstoffentransitie. Het Transitiefonds Zeeland is specifiek ingericht om juist dit type projecten te kunnen financieren en vormt daarmee een aanvulling op de bestaande instrumenten. De meerwaarde voor Vlissingen ligt in het beschikbaar komen van een aanvullend financieringsinstrument voor Zeeuwse bedrijven die bijdragen aan de transitieopgaven, waardoor investeringen die anders moeilijk financierbaar zijn alsnog gerealiseerd kunnen worden.
13. Welk bedrag uit de Regiodeal en Netten op Zee wordt in dit fonds ondergebracht, en hoeveel daarvan zou anders direct of specifieker ten goede komen aan projecten in Vlissingen?
Het bedrag van de Regiodeal North Sea Port District (deel provincie) is €2 mln. Dit bedrag van de provincie zal in Q1 2026 aan het fonds toegevoegd gaan worden. Het bedrag vanuit de eerste tranche voor de provincie Netten op Zee is 0,5 mln. en is reeds aan het fonds toegevoegd. Dit bedrag is door de provincie beschikbaar gesteld en zou niet op een andere wijze ter beschikking komen van Vlissingen voor de financiering van andere projecten.
14. Het marktonderzoek waarop dit fonds is gebaseerd dateert uit 2023 en adviseert grotere tickets (vanaf ongeveer 200.000 euro) en een hogere fondsomvang. Waarom wordt nu gewerkt met kleinere leningen vanaf 100.000 euro en een omvang onder het destijds geadviseerde niveau, zonder
De gehanteerde ticketsize binnen het Transitiefonds bedraagt minimaal €100.000. Tegelijkertijd geldt dat de minimale projectomvang voor financiering vanuit het Transitiefonds €200.000 is, aangezien het fonds uitgaat van minimaal 50% cofinanciering. Daarmee sluit de minimale projectomvang aan bij de orde van grootte die in het marktonderzoek is benoemd. Verder adviseert het marktonderzoek een fondsomvang van €25 tot €50
geactualiseerde marktscan?
miljoen. Met een beoogde initiële fondsomvang van €30 miljoen wordt aangesloten bij de aanbevelingen uit het marktonderzoek. Inmiddels weten we dat door de netcongestie deze vraag alleen maar hoger is geworden. Als de vraag uit de markt verder toeneemt, kan het fonds op een later moment worden vergroot. Deze vraag ligt onder andere voor bij het Rijk, met het verzoek om aanvullend €25 miljoen te financieren.
15. Omdat het fonds juist daar wil financieren waar de markt het te risicovol vindt, zijn de risico’s voor uitval groot. Hoe wordt voorkomen dat Vlissingen in de praktijk vooral de verliezen mede opvangt, terwijl er geen harde garantie is op voldoende investeringen in onze eigen gemeente?
Het Transitiefonds streeft naar volledige revolverendheid over de looptijd. Dit betekent dat het fonds niet zodanig risicovol investeert dat het structureel leegloopt door defaults (gedeeltelijke/volledige afschrijving van een lening doordat het bedrijf dit niet meer kan terugbetalen). In de financiële opzet is rekening gehouden met defaults. Eventuele defaults worden opgevangen binnen het fonds, onder meer via de rentebaten. Ervaringen met vergelijkbare fondsen, zoals in Brabant, laten zien dat deze aanpak in de praktijk haalbaar is op basis van meer dan tien jaar fondservaring. Eventuele verliezen komen bovendien niet ten laste van individuele financiers, maar worden gedragen door het fonds als geheel. De provincie Zeeland is de grootste financier van het fonds. De gemeente Vlissingen draagt circa 2% bij aan de totale fondsomvang van €30 miljoen. Daarmee is het risico voor Vlissingen proportioneel en beperkt, terwijl zij wel kan profiteren van investeringen die bijdragen aan de regionale transitieopgaven.
16. Waarom wordt de scope van het fonds verbreed naar ook grondstoffentransitie, terwijl daar in het eerdere marktonderzoek geen uitgewerkte basis voor lijkt te zijn, en hoe sluit dat aan op de prioriteiten van Vlissingen?
Al bij de initiële opzet van het fonds maakte de grondstoffentransitie onderdeel uit van de scope, naast energietransitie en netcongestie. Er is daarmee geen sprake van een latere aanpassing van de scope. Het marktonderzoek van Rebel benoemt een aantal voorbeelden van investeringen die raken aan de grondstoffentransitie. Daarnaast constateren wij dat bij energiefondsen die elders in het land al langer actief zijn, financiering van grondstoffentransitie steeds vaker onderdeel uitmaakt van de investeringspraktijk. Recent heeft een bijeenkomst plaatsgevonden binnen de Stichting Regionale Energiefondsen, waarvan wij lid zijn, waarin kennisdeling over financiering van de grondstoffentransitie centraal stond. Hoewel de aandacht voor financiering van de grondstoffentransitie toeneemt, ligt de focus bij de start van het fonds primair op energietransitie en netcongestie. Dit hangt samen met onze ervaring dat het aantal projecten nog beperkt is en dat grondstoffentransitieprojecten veelal nog innovatief van aard zijn (demonstratieprojecten). Om die reden worden deze projecten in die fase doorgaans gefinancierd vanuit de innovatiefondsen van Impuls. Het transitiefonds komt in beeld op het moment dat zowel de techniek als de businesscase voldoende zijn doorontwikkeld en een meer volwassen fase hebben bereikt.
In de afgelopen jaren zijn in Zeeland onder meer projecten voorbijgekomen op het gebied van plastic recycling, het terugwinnen van kritische metalen uit printplaten en nieuwe batterijtechnologieën. Deze voorbeelden geven een beeld van het type projecten dat binnen de fondsscope kan passen.
17. Hoeveel belang heeft Vlissingen in Mosselkotters?
Vlissingen heeft geen belang bij mosselkotters.
18. Hoe draagt deelname aan dit Transitiefonds aantoonbaar bij aan de doelen in het programma “Toekomstbestendige leefomgeving” van Vlissingen, en welke concrete indicatoren of voorwaarden worden daaraan gekoppeld?
In het programma Toekomstbestendige Leefomgeving zijn ambities opgenomen waar Vlissingse bedrijven ook een bijdrage aan moeten leveren. Het Transitiefonds Zeeland is 1 van de instrumenten die bedrijven kunnen inzetten om hun bijdrage aan deze ambities te verwezenlijken. Er zijn meerdere instrumenten die bij kunnen dragen aan het realiseren van deze ambities. Het is daarom lastig om precies aan te geven welk deel van de opgave via het Transitiefonds Zeeland kan worden gerealiseerd. De ambities waar het Transitiefonds Zeeland in ieder geval een bijdrage aan kan leveren zijn: Thema Energie Ambitie 1: Besparen van energie Thema Energie Ambitie 2: Opwekken, opslaan en gebruiken van hernieuwbare energie Thema Klimaatadaptatie Ambitie 1: Klimaatbestendig bebouwd gebied Thema Circulaire economie Ambitie 1b: Maatschappelijke organisaties en bedrijven voorkomen het gebruik van nieuwe grondstoffen en energie Thema Circulaire economie Ambitie 2: Circulair, biobased en natuurinclusief en modulair bouwen is de norm Het is voor de gemeente Vlissingen belangrijk om te volgen hoe de het Transitiefonds Zeeland op deze ambities scoort. Op termijn kan ervoor worden gekozen om hier indicatoren aan te koppelen, indien de verdere uitwerking van de ambities hierom vragen.
19. Welke keuzemomenten en evaluatiemomenten krijgt de raad nog: kan de raad tussentijds bijsturen of uitstappen als de investeringen niet of nauwelijks in Vlissingen landen, of de risico’s en verliezen hoger blijken dan voorzien?
De aansturing van het Transitiefonds Zeeland verloopt via de aandeelhoudersvergadering van Economische Impuls Zeeland.
20. Welke concrete projecten en casussen uit 2023–2025 bevestigen de conclusies van Rebel over marktfalen, ticket size en behoefte aan fondsvolume?
In de periode 2023–2025 hebben zich bij Impuls Zeeland, zonder actieve werving, diverse projectleads gemeld die illustratief zijn voor de conclusies uit het marktonderzoek. Het betreft onder meer de volgende typen projecten: meerdere initiatieven rondom energyhubs; circa acht batterijprojecten met vermogens variërend van 500 kW tot 20 MW; twee projecten voor decentrale productie van warmte, koude en elektriciteit voor respectievelijk een groot en een middelgroot utiliteitsgebouw; een vergistingsproject; een warmtepompproject bij een agrarisch bedrijf; een laadplein; zonnepaneelprojecten; lokale productie en opslag van waterstof. Deze projectleads kenmerken zich door overwegend gezonde businesscases, maar kunnen veelal niet volledig worden gefinancierd vanuit reguliere marktfinanciering. Dit hangt samen met de omvang van de investeringen, het risicoprofiel en de aard van de projecten, waardoor aanvullende financiering nodig is.
21. Is er een risicoanalyse gemaakt van de afwijkingen ten opzichte van de aanbevelingen van Rebel (kleinere tickets, lagere fondsomvang), en wat betekent dat voor de verwachte impact en risicorendementsverhouding voor Vlissingen?
Voor de onderbouwing van de kleinere ticketsize en de lagere fondsomvang wordt verwezen naar vraag 14. In het fondsplan zijn drie financiële scenario’s uitgewerkt (zie paragraaf 6.5 van het bijgevoegde fondsplan). Deze scenario’s vormen de basis voor de financiële risicoanalyse. In het daarin geprojecteerde negatieve scenario daalt het fondsvermogen na 15 jaar naar €29.915.350. Dit impliceert een verlies van ca. €85.000 ten opzichte van de ingelegde middelen. Voor de gemeente Vlissingen zou dit bij een eventuele afwikkeling van het fonds betekenen dat circa 2% van dit verlies voor haar rekening komt, wat neerkomt op ongeveer €1.700 minder terug te ontvangen middelen. Het fonds heeft een looptijd tot 2050.
22. Wat is de beoogde default-rate (percentage niet-terugbetaalde leningen) en hoe verhouden de reserves en buffers zich tot dit scenario? 23. Hoe worden verliezen tussen deelnemers verdeeld: naar rato van inbreng, of op andere basis, en is er een maximum verliesbedrag per deelnemer afgesproken? 24. Welke typen grondstoffentransitieprojecten worden nu binnen de fondsscope verwacht (bijvoorbeeld circulaire industrie, recycling, biobased materialen) en in hoeverre zijn daar al concrete Zeeuwse of Vlissingse initiatieven voor in beeld?
In de basis is gerekend met 5% defaults per jaar. In het fondsplan zijn drie financiële scenario’s uitgewerkt (zie paragraaf 6.5 van het fondsplan – 2643947/ 2788477).
25. Waarom is gekozen om deze grondstoffentransitie wél in dit fonds onder te brengen en niet in een apart instrument, terwijl het oorspronkelijke onderzoek daar minder op inzoomde?
Zie beantwoording vraag 16.
26. Welke afspraken zijn gemaakt om projecten op en rond de Kenniswerf daadwerkelijk te prioriteren: zijn er concrete quota, rangorderegels of beoordelingscriteria die Vlissingen bevoordelen?
Er zijn geen afspraken t.a.v. de prioritering van projecten op en rond de Kenniswerf. Projecten op en rond de Kenniswerf kunnen wel profiteren van het Transitiefonds Zeeland en hier een aanvraag doen. Het is dus van belang om veel bekendheid te geven het Transitiefonds Zeeland onder de Vlissingse bedrijven, en specifiek de bedrijven op de Kenniswerf.
27. Welke indicatoren worden gebruikt om te meten of het fonds bijdraagt aan de doelen van “Toekomstbestendige leefomgeving” (bijvoorbeeld aantal projecten in Vlissingen, werkgelegenheid lokaal, CO₂-reductie in onze gemeente
Zie beantwoording vraag 18.
Zie beantwoording vraag 15.
Zie beantwoording vraag 16.
Fractie LPV
Behandeld door wethouder
Onderwerp: 4.1 - Raadsinformatiebrief Voorhangprocedure Transitiefonds van Impuls Vraag
1. Kan het college toelichten wat de financiële consequenties zijn van de storting van €606.000 voor de Vlissingse begroting?
Antwoord Het gaat hierbij niet om een kapitaalverstrekking, maar het vergroten van een bestaande deelneming in Economische Impuls Zeeland. Dat heeft geen invloed op de begroting, maar betreft een wijziging op de balans. Het gaat hierbij niet om een begrotingswijziging, maar een wijziging op de balans.
2. Begrijpen wij het goed dat dit transitiefonds uitsluitend bedoeld is voor bedrijven?
Ja.
3. Kan het college toelichten (op 1 A4’tje) welke subsidies/fondsen/budgetten, etc. er zijn voor verduurzaming particulieren?
Op de website van het Duurzaambouwloket Vlissingen kunt u vinden welke subsidies beschikbaar zijn voor particulieren: Duurzaam Bouwloket | Vlissingen Daarnaast kunnen particulieren een lening aanvragen via het Nationaal Warmtefonds: Groen licht voor verduurzaming - Nationaal Warmtefonds Verder verwijzen we u graag naar de website van de gemeente Vlissingen voor andere initiatieven t.a.v. verduurzaamingsactiviteiten bij particulieren: Duurzaam wonen | Gemeente Vlissingen
4. Op welke manier worden bedrijven gefaciliteerd/ondersteund bij het verkrijgen van een bijdrage uit het fonds?
Bedrijven die aan aanvraag willen doen bij het Transitiefonds Zeeland worden eerst uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek door Impuls Zeeland. Daar wordt breed gekeken naar de probleemstelling van het bedrijf, de oplossingsrichting en de financieringsbehoefte. Indien nodig kijkt de adviseur ook naar mogelijke andere financieringsregelingen zoals vouchers en subsidies. Zie ook pagina 23 van het fondsenplan voor de procedure bij Impuls Zeeland – 2643947/ 2788477
5. Op welke manier wordt gemonitord/geëvalueerd of de Vlissingse storting ook daadwerkelijk bijdraagt voor Vlissingse bedrijven in het kader van de Vlissingse verduurzaming?
Via de aandeelhoudersvergadering van Economische Impuls Zeeland wordt de gemeente op de hoogte gehouden van de portfolio ontwikkeling van het Transitiefonds Zeeland.