CConstaterende datVlissingen
Koppel je AI →
Document · PDF

01142021 Q&A vragen 3.2

Commissie Algemeen en Sociaal 14 januari 2021, gemeente VlissingenBij agendapunt: Financiering toekomst GI-functie in Zeeland1.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO GRIFFIE AAN

: Raadsleden, collegeleden

VAN

: Griffie

Betreft :

DATUM: 14-01-2021

Vragen en antwoorden commissie Algemeen & Sociaal – Rvs. 3.2

Beste raad- en collegeleden, Voor de commissie Algemeen & Sociaal van 14 januari 2021 zijn ten aanzien van raadsvoorstel 3.2 de volgende vragen gesteld. De antwoorden staan in de kolom achter de vraag. Aanvullende vragen kunnen behandeld worden in de raad. Fractie: CDA

Behandeld door: wethouder

Onderwerp: 3. 2 Financiering toekomst GI-functie in Zeeland Vraag

1. Moet niet in het raadsbesluit opgenomen worden dan het gaat om een achtergestelde lening?

Antwoord In essentie gaat het om de vraag of de benodigde middelen beschikbaar worden gesteld. Hiernaar door u gevraagd: in de nota wordt onder “wat mag het kosten” toegelicht dat de keuze voor een achtergestelde lening is ingegeven door de overweging die met betrokken inkoopexperts en juristen is gemaakt ten opzichte van de andere alternatieven: gewone lening en subsidie. Deze alternatieven werden als ongunstiger beoordeeld. Resumerend: Zeeuws wordt gevraagd een bedrag van € 3.275.000 ter beschikking te stellen onderverdeeld in: - € 1.275.000 kosten voor 3 GI’s de overgang mogelijk te maken; - € 2.000.000 kosten transitiekosten Intervence via een achtergestelde lening. Het aandeel van Vlissingen in het totaal is € 416.781. Onderverdeeld naar bovengenoemde tweedeling betaalt Vlissingen: € 162.260 voor de kosten voor de 3 GI’s € 254.521 als aandeel in de voorgestelde achtergestelde lening aan Intervence. Omdat in de vastgestelde programmabegroting 2021 al is rekening gehouden met een instandhoudingsbijdrage van € 229.140 wordt nu aan de raad instemming gevraagd voor een extra bijdrage van € 416.781 - € 229.140 = € 187.641.

2. De kans dat de lening wordt terugbetaald kunnen we als heel klein beschouwen, moet er daarom al dekking gecreëerd worden voor de afwaardering dan wel voor de extra te maken kosten door Intervence?

Hoewel die kans niet is uit te sluiten gaan we niet op voorhand daarvan uit. Bij het kiezen voor liquidatie doen wij recht aan het belang van het onderwerp nl. continuïteit van zorg voor kwetsbare kinderen. Dit proces kost inderdaad geld, maar kan hierdoor wel zorgvuldig worden doorlopen.

3. Als de transitieperiode langer dan 9 maanden duurt, is dan wederom een aanvullende bijdrage nodig?

Daar wordt niet van uitgegaan, maar is ook niet volledig uit te sluiten.

4. met de minister van V&J is afgesproken dat er geen onomkeerbare acties worden uitgevoerd, kan aangegeven worden om welke onomkeerbare acties dat zou kunnen gaan? 5. Zijn in het verleden ook met andere GI’s dan Intervence gesprekken gevoerd over de kwaliteit van de dienstverlening?

Het begrip onomkeerbare acties is niet nader gedefinieerd, maar het gaat er om dat er rond de gezinnen en jeugdigen geen acties plaats vinden zolang er geen goedgekeurd Transitieplan ligt. Specifiek betekent dit dat er nog geen kinderen/ouders overgaan van Intervence naar een van de andere GI’s.

6. De gezinsmanagers van Intervence blijven de totdat die kunnen worden gezinnen ondersteunen overgedragen aan een andere GI. Moet er niet vooral naar gestreefd worden dat gezinsmanagers met hun gezinnen gezamenlijk overgaan naar een andere GI? 7. Bij kanttekeningen en risico’s wordt alleen gesproken over de financiële risico’s die kleven aan het -tijdelijkovereind houden van Intervence. Zijn er geen andere risico’s, zoals leegloop van Intervence als medewerkers vertrekken naar een nieuwe werkgever, niet zijnde een van de andere GI’s, of een sterke toename van het ziekteverzuim gezien de omstandigheden? 8. Kan het te veel bevoorschotte bedrag van 1.218.000 als oninbaar worden beschouwd?

In principe is dat ook het streven. In het Transitieplan worden afspraken en procedures vastgelegd om dit doel zo veel mogelijk te bereiken.

9. Hoe groot is het negatieve eigen vermogen van Intervence?

Fractie: 50PLUS

Met alle GI’s vinden reguliere contractgesprekken plaats en daarin komen kwaliteitsaspecten aan de orde. Hoewel er overal wel eens iets speelt, zijn er geen indicaties dat bij de andere 3 GI’s sprake is van een structureel kwaliteitsprobleem. Hierop zien de Inspecties nadrukkelijk toe.

De raadsnota heeft als doel om de noodzakelijke incidentele middelen beschikbaar te stellen. Dat geeft inderdaad een zekere focus op financiën. Maar het klopt dat het risico van meer personeelsverloop en ziekteverzuim zich zeker kan voordoen. Dat is inherent aan dit soort processen. De inspanningen van alle partijen, in het bijzonder de aangestelde procesbegeleider en de directeur bestuurder van Intervence, zijn er op gericht dit effect tegen te gaan.

Door Intervence moet een liquidatieplan worden opgesteld, zo moet o.a. het pand in Middelburg worden verkocht. Wij kunnen dus nu nog niet weten wat het resultaat wordt (bijv. afgezet tegen de hypotheek) en de mogelijke claims van andere schuldeisers. Het EV was per einde 2019 € 331K positief. Voor 2020 verwachten wij een verlies van zeker € 500K. Daarmee is het verwachte EV eind 2020 ongeveer € 170K negatief. Dit is uiteraard nog volledig onder voorbehoud van de jaarrekeningopstelling en controle die nog moet plaats vinden.

Behandeld door: wethouder

Onderwerp: 3.2 Financiering toekomst GI-functie in Zeeland Onderdeel van de afspraken in het bestuursakkoord van 2019 was dat de Zeeuwse gemeenten Intervence structureel gingen bevoorschotten, op basis van toen geldende productiecijfers. De verrekening van de voorschotten met de werkelijke productie wordt dan aan het einde van elk boekjaar door de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (IJZ) geregeld. Bij de verrekening van 2019 bleek dat Intervence tot en met april 2020 een bedrag van € 1.218.000 te veel bevoorschot was en dit bedrag moet terugbetalen aan de Zeeuwse gemeenten. Dit omdat de geleverde productie afweek van het bevoorschotte bedrag. Intervence is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van scenario 3. Dat betekent dat zij zich kunnen richten op een faillissement (scenario 3a) of een liquidatie (scenario 3b) van de onderneming. De geschatte kosten van een faillissement komen neer op € 2.75 miljoen en die van liquidatie op € 3.27 miljoen. Intervence heeft hier zelf onvoldoende middelen voor. Daarom worden de gemeenten gevraagd hierin te ondersteunen. Voor Intervence is het noodzakelijk te weten welke ondersteuning zij van de gemeenten zullen ontvangen om uitvoering te geven aan de keuze.

Bij elkaar opgeteld vraagt de afbouw van Intervence en de overdracht van de casussen in scenario 3b dus een bedrag van € 3.275.000 van de Zeeuwse gemeenten. Voor Vlissingen betreft dit een incidenteel bedrag van € 416.781 (bijlage verdeelsleutel). Vraag Antwoord Kan het college aangeven of het bedrag wat Volgt z.s.m. teveel is bevoorschot (lees schuld) ingebed is in het bedrag van € 3.275.000,-? Als het faillissement 2,75 mjn kost en de Volgt z.s.m. liquidatie 3,275 mjn, ik het dan niet mogelijk om deze bedragen te investeren in Intervence in een nieuwe opstart? Graag uitleg omdat u de middelen wellicht nooit terugkrijgt, is dat nog een optie? Er is door de gezamenlijke gemeenten, met Volgt z.s.m. de betrokken partijen, een communicatieplan opgesteld, is er ook sprake van een sociaal plan voor de medewerkers?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9629829/1