Bijlage 3 Reactie van het college op het initiatiefvoorstel Verordening Standplaatsen 2024_Zwartgemaakt
Tekst van het document
r’
Postbus 10, 8899 ZN vlieland Dorpsstraat 127, 8899 AE Vlieland telefoon 0562 452700 e-mail info@vlieland.nl www.vlieland.nl IBAN: NL64 BNGH 0285008870 Bic code BNGHNL 2 G BTW identificatienummer NL 001 608885 BOl K.v.K. 01181122
Aan de leden van de raad
uw brief van
11 december 2023
uw kenmerk
ons kenmerk
386084
inlichtingen bij
datum
2. 6 JAN. 2OZ
bijiage(n)
1
Onderwerp
Reactie van het college
telefoonnummer e-mail
Geachte leden van de raad, Op 11 december 2023 ontvingen wij van raadslid Veerdig (Lijst Fier) een initiatiefvoorstel voor een nieuwe Standplaatsenverordening. Het is te prijzen dat raadsleden gebruik maken van dit middel om zelf zaken te agenderen. Het college geeft graag een inhoudelijke reactie op het initiatiefvoorstel. In deze brief leest u over onze reactie. In houd voorstel Het voorstel wat voorligt is om het Standplaatsenbeleid 2019 (bevoegdheid college) in te trekken en de nieuwe Standpiaatsenverordening 2024 (bevoegdheid raad) vast te stellen. Deze verordening brengt een aantal wijzigingen met zich mee. De belangrijkste veranderingen zijn: Het beleid met betrekking tot standplaatsen wordt een Raadsbevoegdheid; De duur van een standplaats wordt verlengd van vijf naar zeven jaar; De toewijzing van een standplaats wordt veranderd van een loting naar een toewijzing door op basis van een nader te bepalen puntensysteem; De standplaats ‘authentieke haringkar’ wordt verplaatst van het begin van de Dorpsstraat naar het plein voor de Havenweg 1 7 nabij de dijk; Het aantal zit en staanplaatsen wordt voor twee standplaatsen uitgebreid, en voor één standplaats beperkt. -
-
-
-
-
Samenvatting inhoudelijke reactie Wij willen uw raad vragen dit initiatiefvoorstel niet aan te nemen. Hieronder vindt u op hoofdlijnen onze bezwaren. Voor een volledige motivering verwijzen wij u naar de bijlage. • Wij hebben enkele bezwaren om de bevoegdheid om beleid op te stellen voor het innemen van Standplaatsen onder te brengen bij uw raad en deze bevoegdheid daarmee weg te nemen bij het college. • Na invoering van de omgevingswet zal het reguleren van standplaatsen een plek krijgen in het Omgevingsplan. Wij zijn zoekende om in dit licht het nieuwe beleidsplan te plaatsen. • Inhoudelijk hebben wij meerdere bezwaren over onder andere het toe laten nemen van het aantal zit- en staplekken bij twee locaties en het verplaatsen van één van de standplaatsen naar het plein voor de Havenweg 1-7 nabij de dijk.
A4
Postbus 10, 8899 ZN Vlieland Dorpsstraat 127, 8899 AE vlieland telefoon 0562 452700 e-mail info@vlieland.nl www.vlieland.nl IBAN: NL64 BNGH 0285008870 Bic code BNGHNL 2 G Bi’s’.’ identificatienummer NL 001 608885 BOl K.v.K. 01181122
,-4y(L
• Ook hebben wij enkele vragen over het verlengen van de termijn van vijf naar zeven jaar. Afsluitend willen wij u meegeven dat een puntensysteem een bijzonder lastig stelsel is, waar mogelijk veel vragen en discussie over kan ontstaan. Wij verzoeken u daarom dringend om de toewijzing door middel van loting in stand te houden. Kortom: ons voorstel is om deze wijzigingen niet door te voeren en het standplaatsenbeleid bij het college te laten. Het college zal daarbij zoeken naar een geschikte plaats voor de “authentieke haringkar”. Mocht uw raad toch besluiten het initiatiefvoorstel aan te nemen, willen wij uw raad dringend vragen om de opmerkingen die worden gemaakt in de bijlage ten harte te nemen en te verwerken in het uiteindelijke document. Ook willen wij uw raad dan vragen een eventueel nieuw opgesteld document voor te leggen aan ons als college, vooral om zorg te dragen voor een juridisch houdbare verwoording. Vragen Heeft u nog vragen? Neem dan gerust contact op met de juridisch medewerker, haar gegevens vindt u bovenaan deze brief. Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders,
1 u rgemeeste r
A4
Artikeisgewijze reactie college Samenvattend Samenvattend vragen wij uw raad dit initiatiefvoorstel niet aan te nemen. Wij vragen uw raad enkele uitgangspunten (gelezen onze bevindingen hieronder) via een andere weg aan het college voor te leggen. Zo kunnen wij, als college deze uitgangspunten verwerken in de omzetting van de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving naar het Omgevingsplan. Opmerking vooraf
—
Het omgevingsplan en de fysieke leefomgeving
Wij zijn positief gestemd dat de raad zich op deze wijze betrokken voelt. Dat signalen uit de omgeving op deze wijze worden opgepakt en worden onderzocht zien wij als een hele goede ontwikkeling. Wel vragen wij ons af of maken van standplaatsenbeleid middels een initiatiefvoorstel de beste manier is om veranderingen in regulering van standplaatsen te bereiken. Dit lichten wij nader toe. Op het moment bevinden gemeenten zich in een zeer interessante, maar nog onzekere tijd. Dit alles aangezet door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingswet gaat op veel vlakken voor verandering zorgen. Een belangrijk voorbeeld van deze veranderingen, is het invoeren van het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan bevat alle regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving1. Hieronder vallen de oude bestemmingsplannen, maar ook verschillende regels die tot op heden te vinden waren in gemeentelijke verordeningen, waaronder de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Dit houdt in dat onder andere de APV herschreven moet worden. Alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving moeten uit de APV gehaald worden en moeten opgenomen worden in het Omgevingsplan. Standplaatsen hebben betrekking op de fysieke leefomgeving. De regels met betrekking tot standplaatsen, moeten wij daarom in het Omgevingsplan opnemen.
Het is op dat moment niet meer mogelijk om aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving op een andere manier, of in een ander stuk te regelen. Hoe deze regels moeten worden overgenomen is op dit moment nog niet helemaal duidelijk. De verwachting is dat wij binnen anderhalf â twee jaar het nieuwe Omgevingsplan aan uw raad kunnen presenteren. De regels van de standplaatsen herschrijven wij om ze passend te maken in het omgevingsplan. Wij vragen ons daarom af of wijzigingen in regels rondom standplaatsen niet beter in dit traject moeten worden meegenomen en niet door het instellen van beleid.
De fysieke leefomgeving is de omgeving, waarin wij als mensen leven, wonen, werken, reizen en recreëren. De fysieke leefomgeving bestaat uit bouwwerken, infrastructuur, water, maar bijvoorbeeld ook bodem en ondergrond, lucht, natuur, landbouw, landschappen en cultureel erfgoed. 1
Pagina 1 van 8
Van beleid naar verordening Uw raad kiest ervoor, als dit initiatiefvoorstel wordt aangenomen, om de regels voor het toewijzen van een standplaats te verwerken in een verordening. Op dit moment kent de APV de bevoegdheid om regels te stellen aangaande standplaatsen toe aan het college. In het verleden was het zeer gebruikelijk dat gemeenten standplaatsen in een verordening regelden. Maar sinds 2010 is een trend te zien dat de standplaatsen overgezet werden naar de APV met daarin een aangewezen collegebevoegdheid voor het stellen van nadere regels. Er is slechts één gemeente die nog met een Standplaatsenverordening werkt. De gemeente Heerlen kent nog een verordening uit 2010. De ingezette trend om de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels en het verlenen van vergunningen te beleggen bij het college komt voort uit het idee om als gemeente snel te kunnen anticiperen op veranderingen in de samenleving. Het sluit aan bij het model van een gemeente waar een raad de kaders uitzet en een college deze kaders invult. Een raad voor de rode draad, een college voor de details en de uitvoering. Een college kan, aan de hand van kaders uitgezet door de raad, sneller acteren en regels aanpassen. Door de bevoegdheid terug te brengen naar de raad kan het proces worden vertraagd. Elke wijziging moet daarna namelijk door de raad worden vastgesteld.
Mocht er een situatie zich voordoen door veranderende regelgeving of een veranderende situatie, moet de gehele raad zich buigen over het onderwerp. Daarbij kan, door de bevoegdheid tot wijzigingen van een beleid weer terug te leggen bij de raad, het beeld ontstaan dat de raad geen vertrouwen heeft in de keuzes en het handelen van zijn college. De concept-verordening zoals deze nu is opgesteld, biedt wel ruimte voor het college om de kaders van de raad uit te werken. Op een aantal essentiële punten is dit echter niet het geval. Dit zijn juist de vlakken waar in het verleden discussie over is ontstaan, denk bijvoorbeeld aan: zitplaatsen, locatie en assortiment. Mocht hier iets spelen, dan zal altijd de raad zich hierover moeten buigen. Naast de eerder genoemde snelheid kan dit kan ook vragen opwekken over de verdeling van bevoegdheden. Dit brengt een juridisch risico met zich mee. De jurisprudentie omtrent de Standplaatsenverordening is in ieder geval verouderd (slecht één gemeente heeft een verordening uit 2010, verder zijn alle verordening ingetrokken). Dat houdt in dat, wanneer er bezwaar wordt aangetekend, de rechter zich moet buigen over een kwestie waar geen actuele jurisprudentie over is. De rechter zal dan zelf een nieuwe beoordeling moeten gaan maken over de verschillende bevoegdheden die door elkaar heen kunnen lopen.
Het is de vraag of daarmee een wenselijke situatie wordt gecreëerd.
Verslag bijeenkomst Verder ontvingen wij van u een verslag van de bijeenkomst op 2 juni 2023. In dit verslag lazen wij dat er slechts twaalf mensen aanwezig waren, waarvan ongeveer de helft raadsleden/commissieleden zijn. Wij begrijpen hoe lastig participatie is en wij begrijpen de uitdaging om de stem van de burger naar voren te brengen, maar stellen onszelf wel de vraag wanneer de uitkomst van een participatieavond representatief is.
Pagina 2 van 8
Artikelsgewijze opmerkingen bij de verordening Mocht uw raad toch besluiten de standplaatsen te gaan regelen in een Verordening, hebben wij de verdere opmerkingen zo geschreven dat deze ter overweging van het stuk in de huidige vorm (verordening) kunnen worden meegenomen. Intitule In deze tekst geeft het voorstel aan dat het beleid uit 2019 verouderd is. Wij vragen ons af of ‘verouderd’ een juiste omschrijving is. Wij stellen voor de tekst als volgt aan te passen: “door een gewijzigde situatie het beleid uit 2019 verouderd is; het gewenst is om het beleid omtrent standplaatsen aan te passen;” Aan te passen naar: “door een gewijzigde situatie het gewenst is om het beleid omtrent standplaatsen aan te passen; Hoofdstuk 1 Artikel 1 Voorstel om toe te voegen: g: tijdelijke standplaats.’ standplaats die voor ten hoogste 3 weken wordt toegewezen; en de nummering g en h te veranderen naar h en i zodat de begrippenlijst op alfabetische volgorde blijft staan.
Hoofdstuk 2 Artikel 2 Enkel uitvoeren van de verordening kan breed worden opgevat en kan mogelijk tot discussie leiden. Aanvullend, in de begripsomschrijving wordt een omschrijving gegeven voor ‘College’. Het is daarom afdoende om hier enkel te verwijzen naar ‘het college’ en niet naar ‘het college van B&W’. Het voorstel om de tekst van het eerste lid als volgt aan te passen: 1. Het college is bevoegd om op basis van deze verordening een vergunning af te geven of te weigeren.
Artikel 3 Locatie viskar Wij zien de locatie viskar zoals deze nu staat aangegeven niet als een haalbare locatie. Allereerst omdat de aangegeven locatie mogelijk ter hoogte van de nieuwe uitweg van de dijk komt te liggen. Omdat wij nog niet helemaal zeker weten hoe de dijk uit gaat komen op het Havenplein, is een locatie zo dicht bij de dijk mogelijk niet houdbaar. Ten tweede wordt het plein ingezet als fietsenstalling voor de fietsvrije Dorpsstraat. Hierdoor is de locatie zoals nu is aangegeven mogelijk slecht bereikbaar. Pagina 3 van 8
Verder ligt er vooralsnog een beding over een eventuele standplaats nabij de Doeksenterminal. Er moet goed onderzocht worden hoe ver dit beding reikt en of die ook op dit deel van het havenplein van toepassing is. Ook kan er op deze locatie geen stroom worden aangesloten en is een aggregaat niet toegestaan. Een ondernemer is daarom afhankelijk van koeling op basis van stroom opgewekt door zonnepanelen of een accu, of hij moet de koeling van zijn goederen elders plaatsen. Vanuit de Warenwet zijn hier ook eisen aan verbonden. De vorige ondernemer heeft reeds aangegeven dat het koelen van zijn product en het opslaan van voorraad ook op de oude locatie al een uitdaging was. Afwijkingsbevoegdheid Wij zijn blij met de afwijkingsmogelijkheid in het derde lid. Zo kan beter worden ingespeeld op onvoorziene situaties. Wel willen wij uw raad vragen ‘zwaarwegende’ te laten vervallen. Onvoorziene omstandigheden is een begrip wat goed is te motiveren en waar weinig discussie over kan ontstaan. Wij spreken de zorg uit dat over het begrip ‘zwaarwegende’ wel discussie kan en zal ontstaan. Wanneer is iets zwaarwegend? Het uitgangspunt is dat de standplaatsen op de aangewezen locaties worden vergund. Het zal slechts zeer zelden kunnen voorkomen dat er iets gebeurd waardoor een plek niet langer geschikt is. Volgens ons geeft dit voldoende waarborg.
Hoofdstuk 3 Artikel 4 Eerste lid: In de begripsomschrijving wordt een omschrijving gegeven voor ‘College’. Het is daarom afdoende om hier enkel te verwijzen naar ‘het college’ en niet naar ‘het college van B&W’.
Tweede lid onder e: Voorstel te aanpassen tekst:
e. (indien noodzakelijk) een omgevingsvergunning voor bijvoorbeeld de activiteit bouwen.
Artikel 5 Geen opmerkingen
Hoofdstuk 4 Artikel 6 Tekst regel vs. Tekst toelichting Bij een regel is de tekst van de regel leidend. De toelichting geeft slechts een nadere motivering van de regel die in de tekst van de verordening is omschreven. Pagina 4 van 8
In de toelichting worden enkele punten reeds uitputtend bepaald. Noch uw raad noch wij als college zijn (zonder wijziging van de verordening en de toelichting) bevoegd om deze kaders anders uit te voeren. Het voorstel is om deze kaders daarom uit te schrijven in de tekst van de verordening. Deze voorwaarden hoeven daarom niet nader uitgewerkt te worden in een vergunning, ze staan immers al vast, zo is te lezen in de toelichting. Voorstel tot het herschrijven van het artikel: Artikel 6 inrichting standplaatsen 1. De oppervlakte van de standplaatsen mogen maximaal bedragen: a. Voor standplaats 1, 5 m2 in de vorm van een authentieke haringkar; b. Voor standplaats II en III, 15 m2 voor het verkoopmiddel en 15 m2 voor de luifel. 2. De standplaatsen mogen voorzien worden van de volgende zit- en staanplaatsen: a. Voor standplaats 1 mogen er geen zit- en/of staanplaatsen gecreëerd worden; b. Voor standplaats II mogen er maximaal 12 zitplaatsen in de vorm van 2 picknickbanken en 3 staanplaatsen in de vorm van een statafel gecreëerd worden. c. Voor staanplaats III mogen er maximaal 6 zitplaatsen in de vorm van een enkele picknickbank en 3 staanplaatsen in de vorm van een statafel gecreëerd worden. 3. De periode innemen standplaats; 4. Verder is het college bevoegd om nadere voorwaarden te stellen in de vergunning omtrent: a. nadere eisen aan het verkoopmiddel; b. het assortiment; c.
het duurzaam gebruik en uiterlijk aanzien van de standplaats, dat wil zeggen van het verkoopmiddel en van de directe omgeving. Omdat wij als college reeds gebonden zijn aan de tekst en de toelichting van de verordening is het onder het nieuwe lid vier niet noodzakelijk om expliciet aan te geven dat het college zich aan de gestelde kaders dient te houden. Ernstige bezwaren tegen aantal zit- en staplaatsen Hierbij willen wij opmerken dat het college ernstige bezwaren heeft tegen het toestaan van meer dan 6 zit- of staanplaatsen bij de standplaatsen. Dit lichten wij nader toe. De gemeente heeft altijd het beleid gevoerd dat een standplaats geen verkapte horeca mag worden. Er mag daarom geen terrasvorming ontstaan. Door het toestaan van het grotere aantal zitplaatsen achten wij dat er wel een verkapte, zo niet, bijna volledige horeca gevoerd gaat worden. Naast het ontstaan van een horeca locatie met terras speelt ook het aspect veiligheid. Met name locatie II krijgt in deze verordening een aanzienlijke verruiming. Een locatie gelegen op één van de drukste kruispunten op Vlieland. Een locatie waar nu reeds, met name in de zomer, overlast wordt ervaren door de vele weggebruikers, fietsers die stil gaan staan, fietsen die geparkeerd worden op de weg en soms ook auto’s die in de berm staan geparkeerd.
Onder andere de boa heeft reeds een vraag neergelegd of de locatie wel geschikt zou zijn voor een standplaats, juist gezien de drukte. Wij als college achten deze locatie zeker geschikt voor een standplaats. De drukte moet echter wel passend aan de locatie gereguleerd worden. Dit geldt hetzelfde voor standplaats III. Ook deze locatie bevindt zich op een druk kruispunt met veel verschillende weggebruikers. Pagina 5 van 8
Het creëren van meer zitplaatsen, brengt met zich mee dat er meer mensen tegelijk op de locatie aanwezig zullen zijn en, omdat men kan zitten, ook vaak langer op de locatie aanwezig zijn. Hetgeen de drukte op de locaties doet toenemen. Naast het verwachte toegenomen aantal mensen, moet ook gerekend worden op een extra te plaatsen fietsen. Wij vragen ons ernstig af of locatie II geschikt is voor een minimum van 15 mensen + fietsen (ervan uitgaande dat er geen mensen extra in de rij staan). Ook vragen wij ons af of locatie III geschikt is voor een minimum van 9 mensen en 9 fietsen. Ook nu stonden fietsen al op het wandelpad, waardoor wandelaars de weg op moesten om de standplaats te passeren. Wij vragen uw raad dringend om deze verruiming niet over te nemen, en het aantal zit- en staplaatsen te beperken tot een maximaal van 6 zitplaatsen in de vorm van 1 picknickbank OF 6 staplaatsen in de vorm van twee statafels: 2. De standplaatsen mogen voorzien worden van de volgende zit- en staanplaatsen: a. Voor standplaats / mogen er geen zit- en/of staanplaatsen gecreëerd worden; b. Voor standplaats II en III mogen er maximaal 6 zitplaatsen in de vorm van een enkele picknickbank of 6 staanplaatsen in de vorm van twee statafels gecreëerd worden. Niet duidelijk waarom verruiming wordt gegeven Afsluitend willen wij u het volgende ter overweging meegeven.
De afgelopen jaren is het aantal zit- of staplaatsen van maximaal 6 altijd de standaard geweest. Ook met dit aantal ontvangt de gemeente meldingen over drukte rond de standplaatsen en overlast van fietsen en andere voertuigen die nabij de standplaatsen geplaatst worden. In het licht van onze bezwaren omtrent veiligheid en aard van een standplaats zien wij geen inhoudelijke onderbouwing om het aantal te wijzigen.
Artikel 7 Wij lezen twee wijzigingen in dit artikel. Allereerst is de termijn van 5 naar 7 jaar gegaan, ten tweede wordt er een toewijzingsprocedure van een loting aangepast naar een puntensysteem. Van 5 naar 7 jaar Op zich hebben wij geen bezwaar tegen het verlengen van de termijn van 5 naar 7 jaar, wel vragen wij uw raad de matiging aangaande deze 7 jaar duidelijk te omschrijven. Verder stellen wij u de vraag of de termijn van 7 jaar voldoende is gemotiveerd. De leer van de schaarse vergunningen (dienstenrichtlijn) laat zien dat een termijn van een vergunning zo gesteld moet worden dat de ondernemer zijn investering terug kan verdienen, maar dat de termijn niet zo is gesteld dat andere gegadigden geen uitzicht meer hebben op het verkrijgen van de vergunning. Kijken wij om ons heen, zien wij dat een standplaats over het algemeen voor 3 5 jaar verleend wordt. Daarom moet wel goed gemotiveerd worden waarom 7 jaar in dit geval noodzakelijk is om de investering terug te verdienen. Wij menen dat de verlenging van 5 naar 7 jaar goed te motiveren in het kader van de bijzonere situatie op een eiland. Maar deze motivering ontbreekt vooralsnog. -
Hoe verhoud de verlenging. Twee van de drie locaties voor een standplaats staan op grond van Staatsbosbeheer. Ook zij geven daarvoor een vergunning af. Dit doen zij voor een periode van 5 jaar. Gaat/kan/wil Staatsbosbeheer de vergunning ook voor langere periodes afgeven? Zo niet, dan ontstaat er een situatie waarbij de gemeente een vergunning afgeeft voor 7 jaar, die maar 5 jaar ingezet kan worden. Hierover lezen wij niets terug in de tekst van Pagina 6 van 8
de Verordening of de toelichting. Wij willen uw raad vragen dit goed af te stemmen met Staatsbosbeheer. Ernstige bezwaren tegen een puntensysteem Wij als college hebben ernstige bezwaren tegen het in te voeren puntensysteem. Op dit moment werkt de gemeente met een loting. Dat houdt in dat indien iemand aan de voorwaarden voldoet die in het beleid staan, diegene mee mag doen aan de loting. Wat u voorstelt vraagt om een hele andere beoordeling. Per onderdeel zal een puntensysteem geschreven moeten worden, verder zal er een commissie moeten worden aangewezen die deze punten toewijst. Dan komt degene met de hoogste punten uit de bus. Het is echter bijzonder lastig om in een kleine gemeente zoals Vlieland een onafhankelijke commissie samen te stellen. Los van de uitdaging om een helder puntensysteem te schrijven waarbij een ieder gelijke kansen krijgt om punten te kunnen verdienen. Wij verzoeken u daarom dringend om de toewijzing bij een loting te houden. Een loting waarbij een ieder die voldoet aan de voorwaarde mee mag doen. Mocht uw raad op bepaalde punten voorwaarden willen stellen over bijvoorbeeld assortiment of duurzaamheid, willen wij u vragen die op een andere manier op te nemen. Wij willen u vragen de oude tekst te handhaven: 5. Bij geljkwaardige aanvragen volgt een loting.
Artikel 8 Geen opmerkingen
Artikel 9 De tekst hebben wij geen opmerkingen over. Wel een voorstel om een intrekkingsgrond onder d aan te scherpen van: d. indien de vergunninghouder de vergunning niet daadwerkelijk benut door het innemen van de standplaats; Naar: d. indien de vergunninghouder de vergunning tussen Pasen en de Herfstvakantie voor meer dan twee maanden onbenut laat, tenzij de vergunninghouder schriftelijke toestemming van het college heeft tot het niet benutten van de vergunning;
Artikel 10 Geen opmerkingen
Artikel 11 In de afgelopen periode is er intern discussie ontstaan over het zelf innemen van een standplaats. Een standplaats is in onze ogen immers bedoeld om de ondernemer zelf in zijn eerste levensbehoefte te voorzien. De zorg bestaat dat iemand in de toekomst een Pagina 7 van 8
standplaats toegewezen krijgt, waarbij de vergunninghouder zelf niet aanwezig is, maar werknemers de standplaats bijna volledig laat runnen. Wel moet het mogelijk zijn dat tijdens bijvoorbeeld ziekte of een vakantie van de vergunninghouder een werknemer de standplaats waarneemt. Daarom stellen wij u voor het tweede lid als volgt aan te passen: 2. Het innemen van een standplaats is hoofdzakelijk toegestaan door de vergunninghouder, ondersteund door een bij hem in dienst zijnde werknemer.
Artikel 12
Geen opmerkingen
Hoofdstuk 5 Artikel 13
In tegenstelling tot een eerder gedaan voorstel om Afdeling 4 van hoofdstuk 5 in te trekken, willen wij voorstellen de tekst van de APV te herschrijven naar het voorbeeld van de gemeente Heerlen:
Artikel 2:10 wordt als volgt aangepast: In het vierde lid onder b wordt de [.] vervangen door [,]; In het vierde lid wordt toegevoegd: a.
Standplaatsen als bedoeld in de Standplaatsenverordening;
Artikel 5.20 komt te luiden: Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.
Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Standplaatsenverordening, de Wet beheer rjkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2. De weigeringsgrond van artikel 1.8, onder d, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer; 3. De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
Om deze wijziging door te voeren moet een apart besluit genomen worden.
Artikel 14
Geen opmerkingen
Artikel 15
Geen opmerkingen Pagina 8 van 8