CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Verordening WMO 2024 Vlieland

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente VlielandBij agendapunt: Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2024 gemeente Vlieland13.960 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlieland 2024 De raad van de gemeente Vlieland

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, eerste lid en zesde lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en 5.4. van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

overwegende: -

dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

-

dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende

zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente Vlieland, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; -

dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met betrekking tot de

ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang; -

dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor

mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit vast te stellen de: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlieland 2024

Hoofdstuk 1. Artikel 1.

Begrippen en algemene bepalingen

Begripsbepalingen

1.

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden

2.

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en in de Algemene wet bestuursrecht.

-

advies en aanvraag maatwerkvoorziening Wmo 2015: het geaccordeerde of voor gezien

getekende document dat een weergave bevat van het onderzoek in het kader van de Wmo 2015;

1 / 30

-

-

algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning;

bijdrage in de kosten: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4a van de wet; college: de burgemeester en wethouders van de gemeente Vlieland; de wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gebiedsteam: het in de desbetreffende gemeente actieve team van professionals; formele hulp: ondersteuning door professionals die werken voor een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven organisatie. Die organisatie voldoet aan onze kwaliteitseisen en is gecontracteerd als ZIN-aanbieder of kan door middel van plannen (over relevante weten regelgeving, aansprakelijkheid, administratie en continuïteit) of visitatie door onze

gebiedsteams en toezichthouder aantonen dat de organisatorische bekwaamheid voldoet aan het niveau van onze inkoopvoorwaarden; -

hoofdverblijf: het feitelijke woonadres van de aanvrager. In de meeste gevallen is dat het

adres waarmee de aanvrager in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. De omstandigheden van het geval kunnen echter aanleiding geven een ander adres als

-

-

Artikel 2.

feitelijk woonadres aan te merken;

hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Vlieland;

onverwijld: zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen drie werkdagen;

persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden bedoeld in artikel 2.3.2. vierde lid onderdelen a tot en met g van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

ZIN: zorg in natura-tarief.

Algemene bepalingen

De gemeente Vlieland volgt het beleid van de gemeente Leeuwarden in haar rol als centrumgemeente ten aanzien van de regionale voorzieningen Beschermd wonen, maatschappelijke opvang en

vrouwenopvang en de inrichting van een Veilig thuis-organisatie zoals vastgesteld in de Verordening Wmo 2022 gemeente Leeuwarden, de Beleidsregels Wmo 2023-2 gemeente Leeuwarden en het

Financieel Besluit Wmo 2023-2 gemeente Leeuwarden en de eventueel navolgende gewijzigde versies hiervan voor zover het veranderingen betreft die voortvloeien uit de verantwoordelijkheden zoals

vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling ‘Centrumregeling samenwerking Sociaal Domein Fryslân 2022’.

Hoofdstuk 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Artikel 3.

Procedureregels

Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een

2 / 30

maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

Hoofdstuk 3. Artikel 4.

Maatwerkvoorziening

Criteria voor een maatwerkvoorziening

1.

Het college neemt het advies en aanvraag maatwerkvoorziening Wmo 2015 als uitgangspunt

2.

Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de

voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen: op eigen

kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale

netwerk, met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de

uitkomsten van het in artikel 3 en de nadere regelgeving op basis van artikel 3 bedoelde

onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat

wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving 3.

kan blijven.

Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft

verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met

mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de

uitkomsten van het in artikel 3 en de nadere regelgeving op basis van artikel 3 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan

beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat 4.

wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover een maatwerkvoorziening in de verstrekkingsvormen in natura of pgb geen passende bijdrage

leveren en een financiële maatwerkvoorziening naar oordeel van het college daarentegen wel

een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan 5.

blijven.

Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie

geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning: a.

b. 6.

voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven tenzij: a.

de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden

b.

de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten;

die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

3 / 30

c. 7.

de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening verstrekt.

Artikel 5.

Voorwaarden en weigeringsgronden

1. Er wordt in ieder geval geen maatwerkvoorziening verstrekt: a.

voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp

b.

voor zover de cliënt met gebruikmaking van een algemene voorziening de beperkingen in

c.

indien de voorziening voor cliënt algemeen gebruikelijk is;

d.

van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie kan wegnemen;

de zelfredzaamheid en/of participatie kan wegnemen;

indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2. lid 1 van de wet maar vóór de datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten

e.

achteraf kan worden vastgesteld;

voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale

afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Dat is anders wanneer die voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn

toe te rekenen. Dat is ook anders wanneer de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten of wanneer de eerder verstrekte voorziening niet langer een f.

oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning; voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

g.

indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.

a.

als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij een kortdurende maatwerkvoorziening leidt

b.

indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Vlieland.

2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: tot het te bereiken resultaat;

3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a.

voor zover de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie voortvloeien uit de

b.

indien de belanghebbende zijn/haar hoofdverblijf niet heeft in de gemeente Vlieland;

c.

d.

e.

f.

Artikel 6.

aard van de in de woning gebruikte materialen;

voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft welke niet op het individu zijn gericht;

indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing naar een voor de belanghebbende

ongeschikte woning op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en/of participatie en er geen zwaarwegende reden voor verhuizing aanwezig is;

indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment

meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

Indien toepassing wordt gegeven aan het primaat van verhuizen.

Regels voor pgb

4 / 30

1. 2.

3.

Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

Het college verstrekt geen pgb als de cliënt het beheer ervan uitvoert met hulp van of laat

uitvoeren door de betrokken ondersteuner zelf of daaraan verbonden personen of organisaties en daarmee ongewenste belangenverstrengeling kan ontstaan.

Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van sociaal betrokken ondersteuners afnemen in situaties waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning

4.

leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

Artikel 7.

Regels voor hoogte PGB

Algemeen: 1.

De hoogte van een PGB wordt berekend op basis van een prijs of tarief: a.

waarbij redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en

b.

waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt

c.

kwalitatief goede ondersteuning te realiseren;

diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, wil betrekken;

welke niet meer bedraagt dan (een percentage van) de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in het dienstgebied beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

Bijzonder: 2.

Individuele begeleiding basis, plus en specialistisch

Het PGB-tarief voor formele hulp bedraagt maximaal 75% van het ZIN-tarief.

Bij de inzet van het sociaal netwerk bedraagt het PGB-tarief maximaal 50% van het ZIN-tarief. 3.

Dagactiviteit basis, plus en persoonlijke ontwikkeling en kortdurend verblijf basis en plus Het PGB-tarief voor formele hulp bedraagt maximaal 80% van het ZIN-tarief.

4.

Wanneer dagactiviteit basis, plus of persoonlijke ontwikkeling is geïndiceerd en daarbij vervoer

Bij de inzet van het sociaal netwerk bedraagt het PGB-tarief maximaal 50% van het ZIN-tarief. naar en van die dagactiviteit in de vorm van een pgb is geïndiceerd bedraagt het PGB-tarief voor vervoer wanneer meerdere cliënten worden vervoerd voor formele hulp maximaal 80% van het ZIN-tarief. Bij de inzet van het sociaal netwerk bedraagt het PGB-tarief in dat geval maximaal 50% van het ZIN-tarief. Wanneer één cliënt wordt vervoerd, is het PGB-tarief voor zowel formele als informele hulp conform de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

5.

Wanneer kortdurend verblijf basis of plus is geïndiceerd en daarbij vervoer naar en van dat verblijf in de vorm van een pgb is geïndiceerd, wordt het pgb voor vervoer op maat vastgesteld.

6.

Huishoudelijke hulp 1 en huishoudelijke hulp 2 Het PGB-tarief voor formele hulp bedraagt maximaal 75% van het ZIN-tarief. Bij de inzet van het sociaal netwerk bedraagt het PGB-tarief maximaal 50% van het ZIN-tarief.

7.

Rolstoelvoorzieningen a.

Het PGB-budget voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoelvoorziening wordt gebaseerd op maximaal het ZIN-tarief van die voorziening. Dat bedrag omvat

indien van toepassing tevens de kosten voor onderhoud, reparatie en/of verzekering

5 / 30

gedurende de indicatietermijn van die voorziening. Dat bedrag wordt eveneens afgeleid

van het ZIN-tarief. Bij aanschaf van een tweedehands voorziening wordt het PGB-budget b.

naar rato vastgesteld.

Ter verbijzondering van sub a wordt het PGB-budget voor voorzieningen die niet

gebaseerd kunnen worden op een ZIN-tarief bepaald aan de hand van te overleggen

offertes gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorzieningen. Er zijn 2 offertes 8.

noodzakelijk. Het PGB-budget wordt gebaseerd op de laagste offerte.

Vervoersvoorzieningen a.

Het PGB-budget voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening wordt gebaseerd op maximaal het ZIN-tarief van die voorziening. Dat bedrag omvat

indien van toepassing tevens de kosten voor onderhoud, reparatie en/of verzekering

gedurende de indicatietermijn van die voorziening. Dat bedrag wordt eveneens afgeleid

van het ZIN-tarief. Bij aanschaf van een tweedehands voorziening wordt het PGB-budget b.

naar rato vastgesteld.

Ter verbijzondering van sub a wordt het PGB-budget voor voorzieningen die niet

gebaseerd kunnen worden op een ZIN-tarief bepaald aan de hand van te overleggen

offertes gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorzieningen. Er zijn 2 offertes 9.

noodzakelijk. Het PGB-budget wordt gebaseerd op de laagste offerte

Woonvoorzieningen a.

Het PGB-budget voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening

wordt gebaseerd op het ZIN-tarief. Het bedrag omvat indien van toepassing tevens de kosten voor maximaal 48 maanden onderhoud, reparatie en/of verzekering van die

voorziening. Dat bedrag wordt eveneens afgeleid van het ZIN-tarief. Bij de aanschaf van b.

een tweedehands voorziening wordt het PGB-budget naar rato vastgesteld.

Ter verbijzondering van sub a wordt voor veel voorkomende woningaanpassingen het

PGB-budget vastgesteld aan de hand van een in regionaal verband opgestelde lijst. Indien de noodzakelijke aanpassing niet voorkomt op die lijst, dienen twee offertes te worden

overlegd gebaseerd op de goedkoopst compenserende oplossing. Het PGB-budget wordt gebaseerd op de laagste offerte.

10. Vervoersvoorzieningen a.

Het PGB-budget voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening wordt gebaseerd op het ZIN-tarief van die voorziening. Het bedrag omvat indien van

toepassing tevens de kosten voor maximaal 48 maanden onderhoud, reparatie en/of

verzekering van die voorziening. Dat bedrag wordt eveneens afgeleid van het ZIN-tarief. Bij aanschaf van een tweedehands voorziening wordt het PGB-budget naar rato b.

vastgesteld.

Ter verbijzondering van sub a wordt het PGB-budget voor autoaanpassingen en

fietsaanpassingen bepaald aan de hand van te overleggen offertes gebaseerd op de

goedkoopst compenserende aanpassingen. Er zijn 2 offertes noodzakelijk. Het PGBbudget wordt gebaseerd op de laagste offerte.

11. Aanschaf en indien nodig onderhoud, verzekering of noodzakelijke reparatie sportrolstoel

Het PGB-budget voor de aanschaf en indien nodig voor het onderhoud, de verzekering van een sportrolstoel wordt vastgesteld aan de hand van aangevraagde offertes. Er zijn 2 offertes

noodzakelijk. Het PGB-budget wordt gebaseerd op de laagste offerte. Het PGB-budget voor noodzakelijke reparaties wordt gebaseerd op de factuur.

Hoofdstuk 4.

Informatieplicht, herziening en terugvordering

6 / 30

Artikel 8. 1.

2.

Controle

Het college onderzoekt al dan niet periodiek of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. Daarbij wordt eveneens gekeken naar de kwaliteit en rechtmatigheid ervan.

Onverminderd artikel 2.3.8 lid 3 van de wet en artikel 5:20 van de Awb bestaat de verplichting medewerking te verlenen.

Artikel 9. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen

maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van

1.

2.

de wet

Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn

verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of

onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem

redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een 3.

beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a.

de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste

b.

de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

d.

de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige

e.

de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden

c.

4.

5.

f.

of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; zorg of de Zorgverzekeringswet; voorwaarden, of

de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft

plaatsgevonden, vordert het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terug van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6.

Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, wordt deze

7.

Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, wordt deze

voorziening teruggevorderd. voorziening teruggevorderd.

Artikel 10. Opschorting betaling uit het pgb 1.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien

7 / 30

weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

2.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een

gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder d.

3.

Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste of tweede lid.

Hoofdstuk 5.

Bijdrage in de kosten

Artikel 11. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1.

Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura

2.

Op grond van artikel 2.1.4a lid vier van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening en

dan wel als pgb.

pgb tot aan kostprijs, voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en echtgenoot tezamen, door het CAK vastgesteld en geïnd, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen bijdrage is verschuldigd.

3.

In de volgende gevallen is geen bijdrage in de kosten verschuldigd: a.

b. 4.

Wanneer een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.

Wanneer vervoer naar en van de dagactiviteit basis, plus of persoonlijke ontwikkeling of naar kortdurend verblijf basis of plus wordt verstrekt.

Voor collectief vervoer geldt een afwijkende bijdrage. De reizigersbijdragen daarvoor zijn vastgelegd in artikel 2 van het Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning 2024 en de eventueel navolgende gewijzigde versie hiervan.

5.

De kostprijs van a.

Een maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na een consultatie in

b.

Een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt

c.

Een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

de markt, of in overleg met de aanbieder.

tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening.

Hoofdstuk 6. Artikel 12. 1.

Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door onder andere: a.

het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

c.

erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het

b.

2.

Kwaliteit en veiligheid

het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

Het college stelt eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

8 / 30

3.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze

eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 13. 1.

Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de

verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

2.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

3.

De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de

calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

4.

Onverminderd artikel 5:20 Awb is eenieder verplicht binnen de gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen aan de toezichthoudend ambtenaar die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

Artikel 14. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1.

Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst

door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.

b.

2.

een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

1e een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a.

overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de

deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a.

de kosten van de beroepskracht;

b.

redelijke overheadkosten;

d.

reis- en opleidingskosten;

f.

overige kosten als gevolg van door de gemeente Vlieland gestelde verplichtingen voor

c.

e.

4.

2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

2e de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

b.

3.

een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet

kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op

hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad van de gemeente Vlieland.

9 / 30

Hoofdstuk 7. Waardering en ondersteuning mantelzorgers en vrijwilligers

Artikel 15. Waardering mantelzorgers en ondersteuning mantelzorgers en vrijwilligers

De gemeente Vlieland bepaalt voor eigen grondgebied hoe de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten wordt vormgegeven.

Hoofdstuk 8. Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 16. 1.

Klachtregeling

Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht wordt daarbij in acht genomen.

2.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten

3.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, ziet het college toe op de naleving van de

aanzien van voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt.

klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 17. 1.

Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over

voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de voorzieningen die in het kader van deze verordening door de aanbieders worden

2.

verstrekt.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, ziet het college toe op de naleving van de

medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 18. 1.

Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming

over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en 2.

voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun

vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan dat overleg benodigde informatie.

10 / 30

Hoofdstuk 9.

Slotbepalingen

Artikel 19. Gegevensverwerking en Privacy 1.

Het college is, bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening,

gehouden aan de wettelijke bepalingen in de Wmo 2015, de daaruit afgeleide regelgeving, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene verordening gegevensbescherming.

2.

Het college draagt zorg voor het naleven van het door het college vastgestelde Privacy-

3.

Het college informeert actief de bewoner/jeugdigen en hun ouders over zijn/hun privacy

protocol.

rechten en de gegevensverwerkingen die in het kader van de ondersteuning plaatsvinden.

Artikel 20. 1.

Pilot

Het college kan met het oog op het onderzoeken en het toepassen van mogelijkheden om maatschappelijke ondersteuning te bevorderen, middels een pilot afwijken van de

bepalingen in deze verordening en in de beleidsregels die die pilot verhinderen. De overige 2.

bepalingen blijven van toepassing.

Een pilot is gebaseerd op een opzet welke door de gemeenteraad als zodanig is

goedgekeurd en kenmerkt zich door zowel een beperkte omvang in kosten als een beperkte omvang in duur. In de opzet wordt naast de pilot aandacht besteed aan de bepalingen in

3.

4.

deze verordening en/of in de beleidsregels waarvan tijdelijk wordt afgeweken.

Als de pilot noodzaakt tot bijstelling van de verordening en/of de beleidsregels kan de periode zoals bedoeld in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van die bijstelling.

Indien een belangenafweging dit uitwijst, kan de cliënt worden uitgezonderd van deelname aan de pilot.

Artikel 21.

Nadere regels en hardheidsclausule

1.

In gevallen - de uitvoering van deze verordening betreffende - waarin deze verordening niet

2.

Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

3.

voorziet, beslist het college.

Het college kan ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 22.

Intrekken oude verordening en overgangsbepalingen

1.

De Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Vlieland wordt per 1 januari

2.

Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van Verordening

2024 ingetrokken.

maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Vlieland en de daarop berustende

bepalingen, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

11 / 30

3.

Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020

gemeente Vlieland waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening,

worden afgehandeld krachtens deze verordening. Indien dit leidt tot een nadelige situatie voor de aanvrager, wordt de aanvraag afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke 4.

ondersteuning 2020 gemeente Vlieland.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Vlieland, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 23. 1. 2.

Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlieland 2024.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad Vlieland, Vlieland, 18 december 2023

De raad voornoemd, , voorzitter

, griffier

12 / 30

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlieland 2024 Algemeen

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten, van een aantal taken uit de voormalige Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Deze taken zijn destijds toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten, lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Een van de uitgangspunten hierbij was en is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociale netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente, in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden: -

om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen,

om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren,

-

om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.

De Wmo 2015 en voornamelijk de nadere regeling op basis van deze verordening leggen de toegangsprocedure in hoofdlijnen vast.

Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de Wmo 2007 is vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure onder de Wmo 2015 gesteld. Een dergelijke procedure die

bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt

onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of het college zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op

adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige medewerkers in de gebiedsteams of door specialisten.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In het beleidsplan wordt het door het

gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. In het beleidsplan worden afwegingen en keuzes gemaakt over de inrichting en uitvoering van nieuwe taken.

Artikelsgewijs

13 / 30

Hier worden enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven nader toegelicht.

Hoofdstuk 1. Artikel 1.

Begrippen en algemene bepalingen

Begripsbepalingen

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Wmo 2015 (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.

Algemeen gebruikelijke voorziening: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen

beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). -

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een

algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen

chronische psychische of psychosociale problemen zou hebben gehad. Bij die beoordeling -

-

spelen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol: Is de voorziening gewoon te koop?

Is de voorziening niet substantieel duurder dan vergelijkbare producten en zou het daarmee passen of kunnen passen binnen het naar geldende maatschappelijke normen normale bestedingspatroon van de aanvrager?

Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

Bijdrage in de kosten: Uit artikel 2.1.4a van de Wmo 2015 vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de

kosten. Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen.

Hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1. van de

wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de

betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk.

Ingezetene: De cliënt kan als hij ingezetene is van de gemeente Vlieland in aanmerking komen voor een

maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een

maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt 14 / 30

in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente Vlieland. Uit de

Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de

jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de

feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend is.

Onverwijld: De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’. Het ligt altijd aan de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet worden verstaan. Het is echter van belang voor de cliënt dat hij een indruk heeft waar hij vanuit kan gaan. Dit tweede perspectief zou men

zodanig van belang kunnen vinden, dat deze passage in de verordening wordt opgenomen. Het komt de rechtszekerheid ten goede en laat binnen de drie werkdagen voldoende ruimte voor maatwerk.

Persoonlijk plan: In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk - de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, lid 4 onderdelen a tot en met e van de Wmo 2015, en de maatschappelijke

ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, lid 4 onderdelen a tot en met e van de Wmo 2015, worden onderzocht door het college. Doordat de

cliënt voorafgaand aan het onderzoek een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om

zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt. In de wettekst zelf, Wmo 2015, in artikel 1.1.1, zijn een flink aantal definities opgenomen. Deze zijn ook bindend voor deze verordening. Ook de Awb kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘belanghebbende’ (artikel 1:2, eerste lid), ‘besluit’ (artikel 1:3, eerste lid), ‘beschikking’ (artikel 1:3, tweede lid) en ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid).

15 / 30

Hoofdstuk 2.

ondersteuning Artikel 3.

Procedureregels aanvraag maatschappelijke

Procedureregels

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als

een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,

participatie, beschermd wonen of opvang. Deze bepaling legt de uitwerking van die procedureregels neer bij het college.

Hoofdstuk 3. Artikel 4.

Maatwerkvoorziening

Criteria voor een maatwerkvoorziening

In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat, nogmaals

uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van

anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. Het college neemt het advies en aanvraag maatwerkvoorziening Wmo 2015 als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. Indien het advies en aanvraag

maatwerkvoorziening Wmo 2015 niet is geaccordeerd, maar slecht is getekend voor gezien, neemt het college de reden daarvoor mee in de beoordeling.

In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 is bepaald dat bij verordening moet worden aangegeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een

maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking

komt. Daar is in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt. Het tweede en derde lid zijn gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet.

Het vierde lid is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep

(hierna: CRvB) dat het (ook) onder de Wmo 2015 mogelijk is om een financiële maatwerkvoorziening te verstrekken. Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor

personen met een beperking of chronische problemen. Van die mogelijkheid maakt de gemeente geen

gebruik. Het betreft hier ook nadrukkelijk niet een pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de cliënt aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van

artikel 2.3.6 van de wet voldoet. De Wmo 2015 verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële maatwerkvoorzieningen. Toch is er voor gekozen, om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een

16 / 30

financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten of een financiële tegemoetkoming voor vervoerskosten voor gebruik van een (rolstoel) taxi.

Met ‘financiële maatwerkvoorziening’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie

gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb). Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) maatwerkvoorziening ‘een

passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt

gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’.

Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen in de

zelfredzaamheid en/of participatie. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening.

Wat betreft het vijfde lid: in de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet

(Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:

“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of

participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere

maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige

rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te

treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure

aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.”

Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire

geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een

rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige

rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 201314, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat met artikel 8, derde lid, nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de

parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24).

Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde

wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben

voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vijfde lid voorziet in een dergelijke grondslag.

In lid 7 van dit artikel is bepaald dat kan worden volstaan met de goedkoopst compenserende

voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar

17 / 30

objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve

maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele

aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan

uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat,

niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als

maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostengoeding. De

woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college dus mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

Artikel 5. Voorwaarden en weigeringsgronden In jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op

kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te

zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit

artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a. van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.

Eerste lid ( a.): Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

Het is belangrijk een goede afbakening te hebben met andere wetten. Voor zover er met

betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot

ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Dat wordt gemotiveerd met een beroep op de eigen kracht.

Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt

daadwerkelijk aanspraak moet hebben op een voorziening op grond van een andere wettelijke

bepaling. (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil dus niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar slechts dat hij

daarop aanspraak heeft. Dat is anders indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).

( b.): Een algemene voorziening gaat voor op de verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit

is

te

een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst

doen als afwijzingsgrond.

( c.): Het is niet de bedoeling dat op grond van de Wmo 2015 voorzieningen worden verstrekt

waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover,

ook als hij of zij geen beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008,

18 / 30

nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO).

( d.): Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt na de melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2. lid 1 van de wet gerealiseerd

of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken

voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt

voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt.

( e.): In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een

vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare

onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen

verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een

verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.

( f.): De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke

voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.

( g.): De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominente rol in de Wmo, getuige

bijvoorbeeld CRvB 21-5-2012, nr. 11/5321 WMO. Dit onderdeel is opgenomen om de eigen

verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven in de verordening zodat het kan dienen als

beoordelings- en afwijzingsgrond. De CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in de hierboven

genoemde uitspraak) geoordeeld dat de eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote rol speelt, zodat een grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn.

De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn specifiek van toepassing op

maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Het is op basis van het tweede lid onder a van belang dat de uitgaven in proportie staan tot de duur van de beperking. Deze weigeringsgrond geldt echter niet als een kortdurende maatwerkvoorziening leidt tot het te

bereiken resultaat. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om kortdurende hulp bij het huishouden en

kortdurend verblijf indien de cliënt is aangewezen op permanent toezicht en ondersteuning indien de mantelzorger overbelast dreigt te worden. Er kan daarbij niet over langdurig noodzakelijk gesproken worden.

In het derde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een

maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de term

'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden. In het derde lid, sub f staat het primaat van verhuizen opgenomen. Er kan slechts toepassing worden gegeven aan het

primaat van verhuizen, als dat primaat voor de desbetreffende cliënt een compenserende voorziening

is. Dat wordt beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Die worden bij elkaar afgewogen. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de volgende omstandigheden: •

Kosten van de woningaanpassing. Betreft verhuizing de goedkoopst compenserende oplossing?

19 / 30

• • • •

Wat is er beschikbaar op het gebied van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen? Wat zijn de financiële gevolgen van verhuizing voor de cliënt? Wat zijn de sociale omstandigheden van de cliënt?

Zijn er psychische redenen aanwezig op grond waarvan van de cliënt niet kan worden verlangd dat deze verhuist?

Wanneer toepassing is gegeven aan het primaat van verhuizen, kan – in plaats van een

woonvoorziening - een tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.

Artikel 6.

Regels voor pgb

In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel (2.3.6) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de cliënt te

geven. In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 een pgb kan verstrekken. Van belang is (bijvoorbeeld) dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b van de Wmo 2015). Daardoor wordt

geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).

Ten aanzien van het derde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag

(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder sociaal betrokken ondersteuners ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van sociaal betrokken ondersteuners in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de

gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en

aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten. Informele hulp bij hulpmiddelen,

woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd, is voor de gemeente van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen,

woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt

(artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen,

woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).

Artikel 7.

Regels voor hoogte pgb

Artikel 7 berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte

toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) staat vermeld dat kan worden bepaald dat het pgb niet hoger hoeft te zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van compenserende ondersteuning in

natura. De gemeente heeft daarmee ook de mogelijkheid differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. De gemeente kan verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college

voorgestelde aanbod. Een pgb kan slechts worden geweigerd voor dat gedeelte dat duurder is dan het

20 / 30

door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente

vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.

Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten

hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op

de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.

De CRvB heeft op 17 mei 2017 een uitspraak gedaan over verboden delegatie. De raad stelt dat de

bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan het college. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden

vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia. De berekeningswijze van de hoogte van pgb’s is vanaf lid 2 uiteengezet.

Hoofdstuk 4. Artikel 8.

Informatieplicht, herziening en terugvordering

Controle

Op grond van artikel 2.1.3., vierde lid van de wet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=681c973a-a5f8-419c-800e-68a325d22110