CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2. concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Raadsvergadering 22 april 2024, gemeente VlielandBij agendapunt: Zienswijze Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren17.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast zou opname van deze diensten in een concessie – met een exclusief recht – betekenen dat nog maar één vervoerder deze diensten mag aanbieden, in plaats van meerdere. Er zal altijd een behoefte blijven om op specifieke tijdstippen (anders dan de dienstregeling) op aanvraag en tegen betaling (’s nachts) overgezet te worden, en er zijn diverse watertaxi-ondernemers die hier momenteel op inspringen.

3.4.5

Calamiteiten

In de wettelijke definitie van OV (artikel 1 van de Wp2000) staat dat het om vervoer op basis van een dienstregeling moet gaan. 35 Tussen zonsondergang en zonsopgang geldt voor de hoofdvaarwegen/veerbootroutes een snelheidsbeperking van 20 km/u. Buiten de hoofdvaarwegen/veerbootroutes geldt 24/7 een maximumsnelheid van 20 km/u, ongeacht met welk mechanisch voortbewogen schip wordt gevaren. 36 Volgens de Wp2000 vindt Openbaar Vervoer plaats op basis van een dienstregeling. 34

Pagina 22 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Net als in de huidige concessies is het wenselijk dat, bijvoorbeeld in geval van calamiteiten, een schip binnen één uur vaarklaar en operationeel gemaakt kan worden in de haven waar dat schip zich op dat moment bevindt of waar dat schip op dat moment nabij is. De concessiehouder voorziet de hulp- en rampbestrijdingsdiensten in een telefonisch aanspreekpunt welke hiervoor continu benaderbaar is. Net als in de huidige concessies zal in de nieuwe concessies deelname aan rampenbestrijdingsoefeningen worden voorgeschreven. Aanvullend op de concessie kunnen er door de Veiligheidsregio Fryslân afspraken gemaakt met een rederij om (brandweer)materieel te vervoeren in geval van calamiteiten.

Pagina 23 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

4

Speerpunten concessies

Op basis van de doelenboom zijn de volgende vier speerpunten voor de nieuwe concessies geformuleerd. Het vierde speerpunt ‘betaalbaar en beheersbaar’ is deels in paragraaf 4.4 en deels in hoofdstuk 5 beschreven. 4.1

Betrouwbaar, frequent en structureel

4.1.1

I. Betrouwbaar, frequent Betrouwbare dienstverlening en structureel In de consultatieronde heeft vrijwel iedere partij het grote belang van de veerdiensten, de afhankelijkheid daarvan voor de eilandbewoners en de leefbaarheid van de eilanden benadrukt. Naast aandachtspunten per specifieke verbinding, is overkoepelend de continuïteit en de betrouwbaarheid van alle veerdiensten voor met name de eilandbewoners van zeer groot belang. Vervoerplicht De concessiehouder wordt verplicht reizigers die beschikken over een geldig vervoerbewijs te vervoeren met hun bagage en hulpmiddelen, waaronder onder meer kinderwagens, rollators, scootmobielen en vouwfietsen worden begrepen, tegen het daarbij behorende tarief. Huisdieren mogen onder voorwaarden mee worden vervoerd. De concessiehouder wordt verplicht om op de reguliere dienst bij de reizigers behorende motorrijtuigen en fietsen te vervoeren tegen het daarbij behorende tarief. Vanuit gebruikers is de behoefte uitgesproken aan voldoende ruimte voor motorrijtuigen en fietsen op de schepen. Net als in de huidige concessies, zullen hulpdiensten, rampbestrijdingsdiensten en rouwauto’s zowel in functie als bij de retourvaart voorrang dienen te krijgen op andere motorrijtuigen. Reizigers moet de mogelijkheid worden geboden om een plaats te reserveren, zowel op de reguliere dienst als op de sneldienst, zowel met als zonder motorrijtuig.

Punctualiteit Het personenvervoer moet worden verricht overeenkomstig de dienstregeling. De dienstregeling dient robuust te zijn, dat wil zeggen uitvoerbaar onder het overgrote deel van de condities (weer, getij, vaargeul). Dat wil zeggen dat de dienstregeling rekening houdt met de eventuele extra vaartijd die ontstaat doordat schepen niet op maximumsnelheid kunnen varen of op elkaar moeten wachten omdat passages slechts op bepaalde plekken mogelijk zijn. Het is aan de concessiehouder om aan te tonen dat de dienstregeling robuust is. Het aantal afvaarten dat vertraagd mag zijn wordt gemaximeerd op een percentage van het aantal uitgevoerde afvaarten. Het percentage in de huidige concessies van 5 procent vormt een goed vertrekpunt. In de huidige concessies is vertraging gedefinieerd als een afvaart die meer dan tien minuten later dan de geplande tijd vertrekt. Indien dit praktisch haalbaar blijkt, wordt de definitie van vertraging uitgebreid met een criterium gebaseerd op de vaartijd en/of aankomsttijd. In de huidige concessies wordt de gemiddelde vertraging over beide verbindingen

Pagina 24 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

berekend. Onder de volgende concessie wordt vertraging (ook) berekend per verbinding. Uitval Het aantal afvaarten dat mag uitvallen, wordt gemaximeerd op een percentage van het aantal geplande afvaarten. Het percentage in de huidige concessies van 1 procent vormt een goed vertrekpunt. In de huidige concessies wordt de gemiddelde uitval over beide verbindingen berekend. Onder de volgende concessie wordt uitval (ook) berekend per verbinding. Overmacht Voor uitval of vertraging die optreedt door uitzonderlijke condities, kan de concessiehouder net als in de huidige concessies een beroep doen op overmacht. De uitgevallen of vertraagde afvaart telt dan niet mee bij de bepaling of de concessiehouder aan de normen voor uitval en punctualiteit voldoet. Wanneer vertraging wordt gedefinieerd als een afvaart met een verlate vertrektijd, zal een overmachtsmelding mogelijk betrekking hebben op de aankomsttijd van de voorafgaande afvaart. De oorzaak van de vertraging ligt dan bij de voorafgaande afvaart(en). De procedure voor het rapporteren van overmacht dient van dien aard te zijn dat de rapportage navolgbaar is voor de concessieverlener. Zowel deze procedure als de procedure voor het beoordelen van overdrachtsmeldingen zal in het PvE nader worden beschreven en waar nodig verder worden verbeterd 37.

Sanctionering De huidige concessies voorzien in maatregelen voor het geval de hoeveelheid uitval en/of vertraging het maximaal toegestane percentage overschrijdt. In beide gevallen kan de concessieverlener de concessiehouder vragen om een verbeterplan. Zoals is opgemerkt in de MTR kan op grond van de huidige concessies alleen een boete opgelegd worden voor uitval van bootdiensten, maar niet voor vertraging. Dit kan een perverse prikkel opleveren die leidt tot het voorkomen van uitval, met als gevolg een hogere dispunctualiteit. Het ligt voor de hand om bij de volgende concessies weer te werken met verbeterplannen en boetes, waarbij niet alleen bij hoge uitval, maar ook bij hoge vertraging een boete opgelegd kan worden. In het kader van het PvE zal dit nader gespecificeerd worden. Reizigersrechten bij vertraging en uitval De Europese verordening 1177/2010 38 stelt regels vast inzake de rechten van scheepspassagiers. Het betreft regels inzake: a) non-discriminatie tussen passagiers met betrekking tot vervoersvoorwaarden die door vervoerders worden aangeboden; b) non-discriminatie van en bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit; c) de rechten van passagiers bij annulering of vertraging; d) de minimaal aan passagiers te verstrekken informatie; e) de afhandeling van klachten; en f) algemene voorschriften inzake handhaving.

In de concessie zal verwezen worden naar deze verordening, maar de rechten zullen niet ook worden opgenomen in de concessie. 4.1.2

Minimale levensaderfunctie

37 Zie de MTR Waddenveren, waarin wordt geadviseerd dat IenW en RWS nagaan hoe zij de procesgang rondom de beoordeling van overmachtssituaties kunnen verbeteren. O.a. omdat Rijkswaterstaat op dit moment weinig inzicht heeft in de precieze oorzaken van overmachtssituaties, omdat overmachtsformulieren geen nautische details bevatten. 38 Verordening (EU) nr.1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004

Pagina 25 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

De Waddenveren zijn voor veel gebruikers de enige manier om naar het werk, ziekenhuis, familiebezoek of andere bestemmingen te reizen. De Waddenveren hebben daarmee een zogenaamde ‘levensaderfunctie’ voor de eilandbewoners. De dienstverlening hoort daar recht aan te doen. Structurele dienstverlening Om recht te doen aan de minimale levensaderfunctie dient de concessiehouder op iedere dag van het jaar een minimale dienstregeling aan te bieden, ook in de perioden waarin de vervoersvraag gering en de exploitatie niet of nauwelijks rendabel is. Bij een minimale dienstregeling gaat het niet alleen om de frequentie van afvaarten, maar ook de tijdstippen en spreiding van afvaarten over de dag. In het PvE zal een voorbeeld opgesteld worden van een minimale dienstregeling. Daarbij zal als uitgangspunt de minimale dienstregeling in een referentiejaar in de huidige concessieperiode genomen. Uit het oogpunt van duurzaamheid zal bij het bepalen van de minimale dienstregeling voor afvaarten die nu een zeer lage bezettingsgraad hebben kritisch gekeken worden of het voor een minimale levensaderfunctie nodig is deze afvaart in de toekomstige dienstregeling op te nemen. Veerboot en sneldienst De concessiehouder dient naast de reguliere veerdienst waarop motorrijtuigen vervoerd worden ook een sneldienst aan te bieden.

Deze sneldienst heeft een significant kortere vaartijd tussen een eiland en het vasteland dan de reguliere dienst. De capaciteit van de sneldienst moet toereikend zijn om te voldoen aan de vervoersvraag van forenzen en andere gebruikers. Voordelen voor eilandbewoners en andere frequente reizigers De concessiehouder dient binnen de geldige wet- en regelgeving voor eilandbewoners de kans op een vervoersbewijs op drukke dagen te vergroten. Ook dient vervoer van patiënten en dat van familieleden van de patiënten voorrang te krijgen boven ander vervoer. Daarnaast zal, ook binnen de geldige wet- en regelgeving, aan eilandbewoners een korting op de vervoersprijs moeten worden geboden. 4.1.3

Aanbod aanpassen aan vervoersvraag Aanvullend op de ‘minimale levensaderfunctie’ moet de vervoerder het aanbod aanpassen aan de vervoersvraag. Dit zal betekenen dat met name in het toeristisch seizoen (ongeveer de periode april tot en met september) extra capaciteit wordt geboden. Uitgangspunt hierbij is dat de vervoerder geen reizigers aan de wal laat staan. Ook wanneer er tijdens de looptijd van de concessie sprake is van reizigersgroei, moet de vervoerder een passend vervoersaanbod bieden. Er wordt vanuit gegaan dat de vervoerder de verwachte vervoersvraag zorgvuldig monitort, op tijd bepaalt of er extra afvaarten nodig zijn om in de vraag te voorzien en hierover ook op tijd communiceert richting reizigers. In het PvE zal een leidraad voor het opschalen van het aantal afvaarten worden geboden.

4.1.4

Borgen continuïteit bij overgang concessies Het is essentieel om de continuïteit bij de overgang van de huidige naar de volgende concessies te borgen. De overgang van de huidige concessie naar de volgende concessie mag niet leiden tot een onderbreking van de dienstverlening. Dat betekent dat alle voorbereidingen voor nieuwe concessies op tijd afgerond moeten zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verkrijgen en in gebruik nemen van het varend materieel, contractuele afspraken over het gebruik van de walinfrastructuur en de overgang van het personeel naar de nieuwe concessiehouder.

Pagina 26 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Hiervoor kan een aantal maatregelen genomen worden: • Ten eerste wordt een relatief lange implementatieperiode van circa 2,5 tot 3 jaar ingepland, dus worden de concessies in 2026 gegund. • Ten tweede wordt bekeken of de nieuwe concessies niet per april 2029 kunnen ingaan, maar in januari-februari 2029. Dit is – in tegenstelling tot de periode vanaf april – een relatief rustige tijd qua aantal reizigers en afvaarten, waardoor eventuele problemen makkelijker op te vangen zijn en/of de consequenties van eventuele problemen beperkter zijn dan in het toeristisch seizoen. Hiervoor is echter instemming van de huidige concessiehouders nodig en dit zal, op weg naar het PvE, dan ook met hen besproken worden. • Ten derde staat in de huidige concessie dat productiemiddelen over worden genomen door de volgende concessiehouder. • Ten vierde dient de nieuwe concessiehouder klanten de gelegenheid te bieden om al voor ingang van de volgende concessieperiode boekingen te maken voor de volgende concessieperiode. • Ten vijfde kan de concessiehouder gevraagd worden om in het eerste jaar ten minste het serviceniveau uit het laatste jaar van de huidige concessieperiode te continueren. 4.2

Toekomstbestendig

4.2.1

Duurzame veerdiensten Met de nieuwe concessies, waarin langjarige II. Toekomstbestendig afspraken opnieuw worden vastgelegd, kan een belangrijke stap worden gezet in de verduurzaming van het vervoer van en naar de Waddeneilanden. Zoals geschetst in paragraaf 2.3 zijn de Europese, landelijke en regionale ambities op het gebied van duurzaamheid in diverse documenten vastgelegd, waaronder de Europese klimaatwet, de relevante ‘Fit for 55’-maatregelen, de CCR Roadmap 39 voor binnenvaart en het programma Green Shipping Waddenzee. Onderzoek duurzame Waddenveren Medio 2023 heeft scheepsbouwconcern Damen Shipyards Group (hierna: Damen) in opdracht van IenW onderzocht welke uitgangspunten ten aanzien van duurzame schepen binnen de huidige beleidskaders passen, zie rapport Duurzame Waddenveren in Bijlage 2. Uit dit onderzoek blijkt dat er verschillende mogelijkheden zijn om de veerdiensten in de periode vanaf 2029 duurzamer te varen. Hierbij wordt batterij-elektrisch varen gepresenteerd als het meest voordelige nul-emissie alternatief voor alle veerverbindingen. Om batterij-elektrisch te varen, is het van belang dat er tijdig elektrische walinfrastructuur gerealiseerd wordt. Biodiesel en bio-LNG worden gepresenteerd als het financieel meest aantrekkelijke alternatief binnen de huidige beleidskaders.

Varen op biodiesel is initieel goedkoper dan batterij-elektrisch varen, maar leidt niet tot nul-emissie veerdiensten en voldoet daarmee naar verwachting mogelijk niet aan de eisen in de loop van de concessieperiode. Globale ambities voor de nieuwe concessieperiode Mede op basis van de conclusies en adviezen uit het rapport Duurzame Waddenveren is IenW voornemens om in de nieuwe concessies tenminste een minimaal emissiereductie-percentage te eisen, welke in de loop van de jaren zal Routekaart van de CCR voor het terugdringen van emissies in de binnenvaart, Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR), maart 2022 39

Pagina 27 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

oplopen. Aansluitend bij de doelstellingen van ‘Fit for 55’ en het Coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ kan bijvoorbeeld gedacht worden aan: • Bij de start van de concessie, in 2029, tenminste circa 55% uitstootreductie van broeikasgassen 40; • Halverwege de looptijd van de concessie, rond 2036-2037 (hierbij ook rekening houdend met de tijd die nodig is voor de aanleg van elektrische laadinfrastructuur), tenminste circa 70% uitstootreductie van broeikasgassen; • Aan het eind van de looptijd van de concessie, in 2044, tenminste circa 85% uitstootreductie van broeikasgassen, op weg naar klimaatneutrale veerdiensten in 2050 (conform ‘Fit for 55’ en het coalitieakkoord). Een dergelijk ‘transitiepad’ geeft de vervoerders de tijd om het benodigde scheepsmaterieel te ontwikkelen en te bouwen, en geeft netbeheerders de tijd om de benodigde infrastructuur te realiseren. Bovenstaande percentages en jaartallen zijn slechts richtinggevend en kunnen op weg naar het PvE nog wijzigen, bijvoorbeeld naar aanleiding van input vanuit de consultatie van de concept NvU. Hierbij is de realisatie van walinfrastructuur altijd voorwaardelijk voor een reductiepercentage van 100%. Tevens zal de precieze berekenings- en beoordelingsmethodiek in het kader van het PvE moeten worden uitgewerkt.

Dit om de beoordeling beter mogelijk te maken, immers is de precieze uitstoot van de Waddenveren in 1990 (wat door de Europese en Nederlandse Klimaatwetten als referentiejaar wordt gehanteerd) niet bekend. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een vertaling van deze percentages naar een recenter referentiejaar, het gebruik van een fossiele referentiewaarde en/of aansluiting zoeken bij het binnenvaartemissielabelsysteem. Ook zal vastgelegd moeten worden hoe de reductie wordt uitgedrukt, bijvoorbeeld in uitstoot per gevaren kilometer of uitstoot per passagier. Aangezien er ten opzichte van 1990 nu aanzienlijk strengere eisen aan schepen en verbrandingsmotoren (zoals stage V) worden gesteld, zal ook bezien moeten worden of de percentages ten opzichte van dit referentiejaar voldoende ambitieus zijn. Naast een minimaal percentage van broeikasgasemissiereductie overweegt IenW om eventuele additionele broeikasgasemissiereductie en luchtemissiereductie, aangeboden door een rederij, in de aanbesteding positief te beoordelen. Hoe in de aanbestedingsprocedure duurzaamheidseisen en eventuele additionele emissiereducties zich zullen verhouden tot de prijs, dient in het kader van het PvE nader uitgewerkt te worden.

Tot slot sluit IenW op dit moment niet uit dat er, indien er definitief walinfrastructuur voor elektrisch varen wordt aangelegd, aanvullend op de bovengenoemde eisen, ook afspraken in het PvE worden opgenomen over de (eventueel verplichte elektrische) aandrijving van schepen vanaf een bepaald jaartal. Het kan wenselijk zijn om het onderwerp ‘verduurzaming’ in een eventuele dialoogfase expliciet met marktpartijen te bespreken. Walinfrastructuur voor elektrisch varen Om in de toekomst batterij-elektrisch te kunnen varen, zal de benodigde elektrische walinfrastructuur aanwezig moeten zijn. Deze infrastructuur zal dan gerealiseerd moeten worden in samenspraak met onder andere IenW, EZK, de regionale overheden (provincie, eiland- en walgemeenten), netbeheerders (Liander en Enexis)

Volgens ‘Fit for 55’ en het Coalitieakkoord zijn deze percentages ten opzichte van 1990, maar de berekenings- en beoordelingsmethodiek zal in de fase op weg naar het PvE nader uitwerkt moeten worden. Zie ook onderstaande passage hierover. 40

Pagina 28 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

en eventuele andere betrokkenen. Wat precies nodig is voor elektrisch kunnen varen van de waddenveren, verschilt per eiland en wordt hieronder nader toegelicht. Proces tot Programma van Eisen In alle gevallen geldt dat bij de aanleg van infrastructuur IenW, de regionale overheden, netbeheerders en andere betrokken in de periode 2024-2026 in nauw contact moeten zijn over de gewenste oplossingsrichting en de daarmee samenhangende eisen voor het PvE. Dit om te zorgen dat toekomstige laadinfrastructuur en scheepsmaterieel goed op elkaar aansluiten. Het lijkt voor de hand te liggen om grote infrastructurele investeringen die primair vanuit toekomstige elektrische vervoersdiensten worden verantwoord pas na gunning in 2026 te doen, zodat er voldoende zekerheid bestaat over het toekomstig gebruik van de infrastructuur. Overigens geldt andersom hetzelfde: een vervoerder zal grootschalige investeringen in scheepsmaterieel ook pas doen na gunning en na duidelijkheid over de infrastructuur. Desalniettemin dienen vervoerders ten tijde van de aanbesteding wel een bepaalde mate van zekerheid te krijgen over of en wanneer de benodigde infrastructuur wordt gerealiseerd. Dit zal moeten worden vastgelegd in het PvE. Schiermonnikoog Voor elektrisch varen van en naar Schiermonnikoog is alleen elektrische oplaadinfrastructuur nodig in Lauwersoog.

De benodigde vermogens lijken beschikbaar te zijn in het huidige onderstation, maar zullen moeten worden aangevraagd. Ameland Voor een elektrische veerdienst naar Ameland zijn twee mogelijkheden: 1) alleen laden aan de vaste wal of 2) zowel laden aan vaste wal als op het eiland. De eerste optie kent weliswaar iets hogere operationele kosten, maar omdat er geen additionele wadkabel nodig is, worden relatief grote infrastructuurinvesteringen alsmede mogelijke natuurimpact van een wadkabel vermeden. IenW zal hier de komende periode samen met regionale overheden, netbeheerders en andere betrokken een keuze in moeten maken. In alle gevallen geldt dat het onderstation aan de vaste wal moet worden uitgebreid. Tot slot zal voor de veerdienst naar Ameland besloten moeten worden op welke locatie aan vaste wal de laadinfrastructuur wordt gerealiseerd, afhankelijk van de uitkomsten van het vervolg op VBA 2030. Het is wenselijk hier in het PvE zo concreet mogelijk over te worden en de verschillende opties waar mogelijk zoveel mogelijk te reduceren. Terschelling Om volledig elektrisch te varen zijn voor de veerdienst naar Terschelling oplaadpunten op zowel de vaste wal als op het eiland nodig. Voor batterij-elektrisch laden vanaf het eiland zijn een additionele wadkabel en faciliteiten op het eiland nodig.

Ondanks dat deze kabel niet alleen kan bijdragen aan de verduurzaming van het vervoer, maar ook aan de energietransitie op het eiland, heeft de aanleg van een wadkabel mogelijk natuurimpact en zijn relatief grote investeringen benodigd. De voor- en nadelen zullen de komende periode samen met regionale overheden, netbeheerders en andere betrokken nader moeten worden uitgewerkt. Hierover dient uiterlijk begin 2025 een beslissing te zijn genomen om in het PvE duidelijkheid te kunnen bieden naar marktpartijen. Op basis van de huidige inzichten kan wel gesteld worden dat de additionele wadkabel niet gerealiseerd zal zijn vóór de start van de nieuwe concessies in 2029. Vlieland

Pagina 29 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Voor Vlieland geldt net zoals voor Terschelling dat aan beide kanten opgeladen moet worden voor een volledig elektrische veerdienst. Anders dan voor Terschelling heeft de huidige wadkabel voor Vlieland nog capaciteit voor een (geoptimaliseerde) veerdienst. De wadkabel is echter enkel uitgevoerd en heeft geen redundantie. Dit kan opgelost worden door ofwel redundantie aan boord van de schepen in te bouwen ofwel door een tweede wadkabel aan te leggen. De voor- en nadelen van deze twee opties zullen de komende periode samen met regionale overheden, netbeheerders en andere betrokken nader moeten worden uitgewerkt. Hierover dient in het PvE duidelijkheid te worden geboden naar marktpartijen. Op Vlieland zijn wel net als op Terschelling additionele walfaciliteiten nodig om opladen mogelijk te maken. 4.2.2

Flexibel en wendbaar gedurende en na de looptijd We weten op dit moment nog niet hoe de wereld er in de nieuwe concessieperiode, van 2029 tot 2044, uitziet. Er zijn verschillende onzekerheden, bijvoorbeeld met betrekking tot het klimaat en de natuur, de morfologische ontwikkelingen in de Waddenzee, digitalisering, autobeleid en innovatie in de scheepsbouw. Voorop staat dat we ernaar streven om in het PvE, met de kennis van dat moment, zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden over deze onderwerpen, maar er zullen onzekerheden blijven. Omgang met onzekerheden gedurende de concessies Om deze toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden, is IenW voornemens om een bepaalde mate van flexibiliteit in de nieuwe concessies op te nemen. Bijvoorbeeld door net als in de huidige concessies een zogenaamde experimenteerbepaling op te nemen die concessiehouders in staat stelt om te experimenteren met nieuwe vervoersconcepten en -producten. Ook kan overwogen worden om een ontwikkelbepaling in de concessies op te nemen, waarin ruimte wordt geboden om rond bepaalde (ontwikkel)onderwerpen aanvullende afspraken te maken, al dan niet onder bepaalde (financiële) voorwaarden. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan de onderwerpen: verzanding, verduurzaming, uitkomsten MIRT-verkenning Ameland, verkeersbeleid van de eilanden, vervoersconcept en digitalisering.

Hoe en rond welke onderwerpen een ontwikkelbepaling wenselijk is, zal in de periode 20242025 nader moeten worden uitgewerkt. Deze onderwerpen zullen mogelijk in de aanbesteding extra aandacht krijgen, bijvoorbeeld door marktpartijen te vragen hier specifieke plannen op te ontwikkelen en/of door deze onderwerpen in een eventuele dialoogfase expliciet te bespreken. Afhankelijk van de nadere uitwerking van de ontwikkelbepaling(en), kan mogelijk het vastleggen van een ‘algemeen wijzigingsproces’ wenselijk zijn, waarmee concessiehouder en concessieverlener in samenspraak en in uitzonderlijke situaties tot wijzigingen in de concessie kunnen komen (voorbeeld zijn de afspraken rond de brandstoftoeslag voor WaddenverenWest in 2022). Uiteraard binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht, ten aanzien van wezenlijke wijzigingen (toename opdrachtsom met 10%) 41. Een andere manier om onzekerheden tijdig te signaleren, te bespreken en eventueel (aanvullende) afspraken over te maken, zijn evaluaties. Aanvullend op een MTR overweegt IenW om op reguliere basis relatief laagdrempelige evaluaties te houden. De frequentie en vorm dient in het PvE nader te worden ingevuld. Bieden van zekerheden na de concessies In uitzonderingsgevallen wordt op grond van de Aanbestedingswet beoordeeld of er in de betreffende situatie sprake is van een wezenlijke wijziging.

Bij een algemeen wijzigingsproces dat tussen de concessiehouder en de concessieverlener wordt vastgelegd kan een concessiehouder geen wijzigingen afdwingen. Toename van de opdrachtsom met minder dan 10% is geen wezenlijke wijziging. 41

Pagina 30 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Behalve een proces om met onzekerheden om te gaan, streeft IenW er ook naar om vervoerders bepaalde zekerheden te bieden rond de grote kostenposten, zoals materieel en personeel. Net als in de huidige concessies is IenW voornemens om in de nieuwe concessies afspraken op te nemen over de overname van materieel en personeel aan het eind van de looptijd, zie ook paragraaf 2.2.5. Op de financiële aspecten rond overname van materieel wordt in hoofdstuk 5 nader ingegaan. 4.3

Prettige reisbeleving

4.3.1

Veilige, toegankelijke en comfortabele reis III. Prettige reisbeleving Het is van belang dat de reizigers een comfortabele en goede reisbeleving hebben als zij gebruikmaken van deze veerdiensten. Fysieke veiligheid, sociale veiligheid en toegankelijkheid worden daarbij gezien als basisvoorzieningen. Daarmee dient de toekomstige rederij goed te borgen dat zij minimaal voldoet aan de voorgeschreven (EU)-regelgeving inzake sociale veiligheid en toegankelijkheid. In Europese verordening 1177/2010 zijn de rechten van scheepspassagiers vastgelegd. Hierin staat onder andere dat gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit mogelijkheden moeten krijgen om gebruik te maken van passagiersdiensten die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers. Net als onder huidige concessies dienen de toekomstige rederij(en) zorg te dragen voor een hoog niveau van veiligheid voor de reizigers en het personeel op de schepen, de kades alsook voor anderen in de omgeving van activiteiten van de vervoersdiensten. In lijn daarmee handelt de rederij tenminste naar de ISM-code (International Management Code for Safe Operations of Ships and for Pollution Prevention, zoals vastgesteld in IMO-resolutie A. 741(18)-1993), of de dan geldende regels.

De bemanning van de rederijen dient minimaal te voldoen aan de eisen van de richtlijn Europese richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart (2017/2397) of de dan geldende eisen. Daarnaast zal de concessiehouder omwille van de veiligheidszorg zorgdragen voor een goed functionerend veiligheidszorgsysteem. De concessiehouder dient ook aantoonbaar zorg te dragen voor nautische veiligheid. Te denken valt aan een plan nautische veiligheid. Deze en andere aspecten van het veiligheidsniveau zullen nader worden uitgewerkt in het PvE. Om het comfort van reizigers te waarborgen, zullen schepen over voldoende zitplaatsen moeten beschikken en over voldoende ruimte voor bagage (zodat dit niet op stoelen wordt geplaatst). Verder is het voor reizigers van belang dat zij aan boord kunnen werken. Dit kan bijvoorbeeld gefaciliteerd worden door het inrichten van een stilteruimte (‘gewone’ veren) of klaptafeltjes (sneldienst) en wifi. De netheid van de schepen, wachtruimtes, toiletten en andere walfaciliteiten beïnvloedt het reiscomfort. Alle ruimtes moeten schoon en op orde zijn. Ook moeten passende horecafaciliteiten aanwezig zijn bij de wachtruimtes aan de wal en op de veren (reguliere veer en sneldienst). De horeca moet betaalbare, gezonde en bij voorkeur lokale producten aanbieden. In het PvE worden naar verwachting bepaalde minimumeisen ten aanzien van comfort en service opgenomen.

Aanvullend zou IenW in de aanbesteding partijen mogelijk kunnen vragen om een service-/kwaliteitsplan ten aanzien van bovengenoemde punten.

4.3.2

Excellente uitvoering

Pagina 31 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Aanvullend op de bovengenoemde randvoorwaarden ten aanzien van veiligheid en toegankelijkheid zullen in de nieuwe concessies afspraken worden vastgelegd over onderstaande aspecten. In sommige gevallen zal spraken zijn van eisen, in andere gevallen van inspanningsverplichtingen. Personeel Al het varend personeel moet over de juiste kwalificaties beschikken. Personeel dat in contact staat met klanten moet op professionele wijze omgaan met de klanten en de Engelse en Nederlandse taal machtig zijn. Goed werkgeverschap en social return Van de concessiehouder mag goed werkgeverschap verwacht worden, in de zin dat de concessiehouder zich houdt aan bepalingen uit het arbeidsrecht en het burgerlijk recht. De concessiehouder dient zich door middel van social return in te spannen om een maatschappelijke bijdrage te leveren. Klantenservice De klantenservice moet goed bereikbaar zijn en klanten op een professionele wijze te woord staan, bij voorkeur in hun eigen taal, maar ten minste in het Nederlands en Engels. Aanvullend dient reisinformatie, naast Nederlands en Engels, ook beschikbaar te zijn in het Duits. Bagagevervoer De concessiehouder biedt reizigers de mogelijkheid om bagage veilig op bagagewagens te plaatsen. De concessiehouder spant zich in om het bagagevervoer te verbeteren.

Bijvoorbeeld door initiatieven te ontwikkelen op het gebied van een bagagetransport servicedienst (een integraal systeem voor bagagevervoer van parkeerplaats tot bestemming). Een van de doelen van een verbeterd bagagesysteem is om het aantal auto’s dat de overtocht maakt te verminderen, doordat het bagagevervoer ook op een andere manier mogelijk wordt. Klanttevredenheidsonderzoek De reisbeleving wordt jaarlijks gemeten via de OV-Klantenbarometer. De concessiehouder dient minimaal een bepaalde gemiddelde score te behalen. De te behalen score wordt gebaseerd op een referentiejaar uit de huidige concessieperiode. Voldoet de concessiehouder hier niet aan, dan zal de concessieverlener de concessiehouder vragen om een verbeterplan. 4.3.3

Onderdeel van een ketenreis Het personenvervoer van en naar de eilanden houdt over het algemeen niet op als reizigers aan wal stappen. De reis met de veerdienst is onderdeel van een keten. Voor het reisgemak is het dan ook cruciaal dat de gehele keten goed op elkaar aansluit. Afstemmen van dienstregelingen Volgens de Wp2000 moeten concessiehouders hun dienstregelingen zo goed mogelijk afstemmen op de dienstregelingen van het aansluitende openbaar vervoer. Het is daarbij ook nodig om rekening te houden met reizigers die slecht ter been zijn. Bijvoorbeeld door een acceptabele overstaptijd van circa 15 minuten te hanteren. Bij het maken en uitvoeren van de dienstregeling voert een concessiehouder hiertoe periodiek overleg met aangrenzende concessiehouders. Wijzigingen in de dienstregeling moeten door de concessiehouder tijdig worden afgestemd met aangrenzende vervoerders. Daarnaast maakt de concessiehouder afspraken over het doorgeven van vertragingen en uitval met partijen die het aansluitende OV verzorgen.

Pagina 32 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Verbeteren ketenreis De concessies richten zich in beginsel op het personenvoer van en naar de eilanden. Wel wordt aan de concessiehouder gevraagd zich in te spannen voor het verbeteren van de ketenreis, bijvoorbeeld door samen met andere vervoerders plannen te ontwikkelen op gebied van bagagevervoer en deelmobiliteit. Auto’s en parkeren Ook de auto maakt voor veel reizigers onderdeel uit van de ketenreis. Ondanks dat parkeervoorzieningen geen onderdeel zullen uitmaken van de toekomstige concessies voor het personenvervoer, kennen parkeerfaciliteiten en bijbehorende tarieven wel samenhang met het aantal auto-overzettingen. Als het meenemen van de auto relatief goedkoop is ten opzichte van het parkeren aan de wal, zullen mogelijk meer reizigers daarvoor kiezen. Anderzijds zien we in het toeristisch seizoen soms grote parkeerdrukte aan vaste wal, wat kan leiden tot overlast in walgemeenten. In de periode 2024-2025 zal IenW hierover in overleg treden met de eiland- en walgemeenten en exploitanten van parkeervoorzieningen. 4.3.4

Adequate reisinformatie en laagdrempelige ticketing Reisinformatie Het is van belang dat reizigers goed en begrijpelijk geïnformeerd zijn over hun reis. Zowel voorafgaand als tijdens de reis, aan boord en in de havens. Om het reisgemak te vergroten, wordt aan de concessiehouder gevraagd om actuele, zoveel mogelijk ‘realtime’, reisinformatie te verstrekken. Via de reisinformatiesystemen wordt niet alleen de vertrek-, maar ook de verwachte aankomsttijd gedeeld. Ook wijzigingen ten opzichte van de dienstregeling, zoals extra afvaarten, uitval en vertraging, worden zo snel mogelijk bekend gemaakt. Bij voorkeur wordt alle reisinformatie via diverse, op dat moment bekende en veelgebruikte, kanalen aangeboden. Ook wordt aansluiting gezocht bij 9292.nl en eventuele andere applicaties waar ketenreisinformatie wordt geboden. Tot slot dient in de uitwerking van het onderwerp reisinformatie uiteraard rekening te worden gehouden met veiligheid van data. Ticketing De concessieverlener is verantwoordelijk voor het vaststellen van maximale tariefindexaties. Op basis hiervan mogen de concessiehouders hun tarieven laten stijgen (zie hoofdstuk 5). Van de concessiehouder wordt verwacht dat deze komt met aantrekkelijke tariefproposities. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat onder meer gekeken wordt naar de tarieven voor frequente reizigers, zoals eilanderbewoners.

Naast tarieven voor frequente reizigers, kan gedacht worden aan tariefproposities als een daltarief (gedurende de dag en/of in een bepaalde periode) of aan tarieven voor specifieke doelgroepen (ouderen, families). Het is van belang dat reizigers op een relatief eenvoudige manier tickets kunnen aanschaffen. Dat betekent dat zij deze zowel online, als fysiek kunnen kopen. Ook moet de concessiehouder aansluitend ov-gebruik stimuleren. Waar mogelijk sluit de concessiehouder aan bij de OV-chipkaart, OVpay (betalen via bankpas) en andere op dat moment veelgebruikte betaalsystemen (voor multimodale ov-reizen). IenW vraagt hierbij ook aandacht voor de gehele ketenreis en eventuele combinatietickets, bijvoorbeeld voor een multimodale ov-reis (en MaaS 42concepten) of voor de koppeling met parkeertickets. Tot slot dient in de uitwerking van het onderwerp ticketing rekening te worden gehouden met veiligheid van data.

42

Mobility as a Service (MaaS)

Pagina 33 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

4.4

4.4.1

Betaalbaar en beheersbaar In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de beheersbaarheid van de concessies, in het bijzonder de afspraken omtrent inspraak en de sturingsrelatie tussen concessieverlener en concessiehouder. Het onderwerp betaalbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan de orde.

IV. Betaalbaar en beheersbaar

Afgestemde keuzes Huidige situatie De omgang tussen de concessiehouder en de consumentenorganisaties en decentrale overheden is in de huidige concessie vastgelegd in een aantal processen. De concessiehouder vraagt ten minste een keer per jaar advies aan consumentenorganisaties en decentrale overheden over voorgenomen wijzigingen van dienstregelingen, tarieven en overige onderwerpen die zijn vastgelegd in de concessie. Daarnaast is de concessiehouder verplicht om jaarlijks voor 1 mei een procesvoorstel en planning voor het vervoerplan in te dienen bij consumentenorganisaties en decentrale overheden voor advies, voordat hij het definitieve plan bij IenW inlevert. Wanneer de concessiehouder een experiment uit wil voeren voor een nieuwe dienst of een nieuw product moet hij daarvoor ook advies van de consumentenorganisaties en decentrale overheden vragen, voordat hij aan IenW om een ontheffing vraagt. Ook dient de concessiehouder de consumentenorganisaties en decentrale overheden te informeren over de resultaten en het al dan niet opnemen van het experiment in het reguliere aanbod. Verder is de concessiehouder verplicht om consumentenorganisaties en decentrale overheden over verschillende zaken te informeren, bijvoorbeeld over de afhandeling van klachten en de inzage in het draaiboek verstoringen.

Verder vraagt de concessiehouder advies aan consumentenorganisaties over de klanttevredenheidsrapportages en informeert hij hen jaarlijks over onderwerpen zoals uitgewerkt in het PvE. Ook is de concessiehouder aanwezig wanneer uitgenodigd bij de vergaderingen van de consumentenorganisaties. De concessiehouder betrekt decentrale overheden bij de onderwerpen zoals uitgewerkt in het PvE en is aanwezig bij vergaderingen van de decentrale overheden wanneer uitgenodigd. Streven voor toekomstige concessies Verschillende partijen (o.a. eilandgemeenten) geven aan hun invloed onder de huidige concessieafspraken onvoldoende te vinden (er is behoefte aan meer en eerdere inspraak, met name bij belangrijke beslissingen). Hierbij is een verband te zien tussen de inspanningen die de concessiehouder levert ten aanzien van het contact met consumentenorganisaties en decentrale overheden en de tevredenheid van deze partijen. Bij meer contact met consumentenorganisaties en decentrale overheden dan de minimale verplichtingen die zijn vastgelegd in de concessie is er een hogere tevredenheid bij deze partijen. Voor de komende concessieperiode moet onderzocht worden op welke manieren de inspraak van consumentenorganisaties en decentrale overheden geïntensiveerd kan worden. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de verdeling van de verantwoordelijkheden.

De verantwoordelijkheden die nu bij de concessiehouder en verlener liggen, blijven ook in de komende concessieperiode bij de concessiehouder en concessieverlener.

Pagina 34 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Voor het vastleggen van de betrokkenheid van consumentenorganisaties en decentrale overheden binnen de concessie wordt gekeken naar verschillende opties: • Het verhogen van de minimale verplichtingen van de concessiehouder die worden vastgelegd in de concessie ten aanzien van het informeren en betrekken van consumentenorganisaties en decentrale overheden. Dit leidt ertoe dat er meer contactmomenten zijn tussen concessiehouders en consumentenorganisaties en decentrale overheden en er meer tijd wordt genomen voor deze gesprekken. Aanvullend zal worden gekeken naar de prestatie-informatie die door de concessiehouder beschikbaar wordt gesteld aan consumentenorganisaties en decentrale overheden. • Een actievere een meer zichtbare regierol van IenW, een duidelijk aanspreekpunt binnen IenW en actievere betrokkenheid bij de adviezen van consumentenorganisaties en decentrale overheden (aan de concessiehouder), al dan niet door een gesprek in ‘de driehoek’ (vervoerder, IenW en decentrale overheden en consumentenorganisaties). Hierbij is rolvastheid een aandachtspunt en is het van belang om een eventueel ‘driehoeksoverleg’ zodanig in te richten dat IenW bij mogelijke conflicten niet tussen de concessiehouder en de consumentenorganisaties en decentrale overheden in komt te staan.

• De concessiehouder verantwoordelijk maken voor de invulling van het contact met de consumentenorganisaties en decentrale overheden, bijvoorbeeld door vervoerders tijdens de aanbesteding een samenwerkingsstrategie op te laten stellen. IenW schrijft in dat geval voor welke partijen, en thema’s meegenomen moeten worden en met welke frequentie. IenW houdt tijdens de concessie oog op het verloop, maar stelt geen specifieke eisen aan dit contact. Wel kan IenW hierop bijsturen wanneer zij dit nodig acht. De verschillende opties zullen verder uitgewerkt worden in het PvE. Aanvullend hierop zijn, in het kader van de nieuwe concessies, ook afspraken met andere partijen nodig. Denk daarbij bijvoorbeeld aan Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf en vervoerders van aangrenzende concessies. Deze afspraken dienen in de periode 2024-2025 nader uitgewerkt te worden en te worden vastgelegd. Bijvoorbeeld in een separaat samenwerkingsprotocol, zoals dat voor de HRN-concessie 2025-2033 ook wordt gedaan. 4.4.2

Effectieve sturingsrelatie Een effectieve sturings- en verantwoordingsrelatie tussen de concessieverlener en concessiehouder draagt bij aan een succesvolle uitvoering van de concessie. De volgende eventuele afspraken kunnen bijdragen aan een effectieve sturings- en verantwoordingsrelatie: • Het door de concessiehouder transparant delen van informatie over prestaties met de concessieverlener (en mogelijk ook decentrale overheden en consumentenorganisaties, zie paragraaf 4.4.1). De MIPOV-gegevens (‘Model Informatieprofiel Openbaar Vervoer’) dienen hierbij als uitgangspunt. • Het, met enige regelmaat, in gesprek zijn met elkaar over prestaties. • Het vermijden van onnodige administratieve druk bij zowel concessiehouder en als concessieverlener. • Prikkels (al dan niet financieel) in de concessie ten behoeve van prestatieverbetering. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het vastleggen van prestatie-criteria met bijbehorende grenswaarden (bodem- en/of streefwaarden), vragen om verbetering (via verbeterplannen) bij overschrijding van grenswaarden en uiteindelijk sanctionering. • Een effectieve verantwoordingscyclus, waar tenminste een vervoerplan en een (financiële) jaarverantwoording onderdeel van uitmaken. Overwogen kan worden of, naar analogie van de Hoofdrailnet concessie, in de toekomst ook gewerkt zal worden met een halfjaarverantwoording en/of een beleidsprioriteitenbrief.

Pagina 35 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Bovenstaande dient in het kader van het PvE verder uitgewerkt te worden. Het uitgangspunt is om de relatie gedurende de concessieperiode verder te professionaliseren.

Pagina 36 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

5

Financieel kader

De hiervoor geschetste uitgangspunten, die IenW aan de vervoersdiensten stelt, leiden tot kosten voor de vervoersdienst. Om te zorgen dat het toekomstig vervoer betaalbaar is voor de reiziger, de concessieverlener en de concessiehouder(s), gaat dit hoofdstuk in op de financiële kaders en randvoorwaarden. 5.1

Budgetneutraal als uitgangspunt Het huidige openbaar passagiersvervoer van en naar de Waddeneilanden wordt bekostigd vanuit de reizigersopbrengsten (passagiers en autovervoer). In de huidige concessies zijn deze opbrengsten zodanig dat er geen overheidsbijdrage nodig is: de concessies zijn nu budgetneutraal. In het OV kennen we ook andere voorbeelden, zowel situaties waar de concessieverlener een subsidie verleent als situaties waarin de vervoerder een concessieprijs betaalt om het vervoer te mogen verrichten 43. De uiteindelijke kosten van het vervoer – en daarmee ook de eventuele subsidie of concessieprijs - hangen af van diverse aspecten, waaronder: • De eisen die worden gesteld aan de toekomstige veerdiensten. In algemene zin kan worden gesteld dat hoe meer kwaliteit wordt gevraagd, hoe duurder de uitvoering van de concessie wordt; • De (kosten)efficiëntie van de vervoerder. De mate waarin hij in staat is om de gestelde eisen zo kostenefficiënt mogelijk te realiseren. Dit kan bijvoorbeeld duidelijk worden in de aanbiedingen die marktpartijen tijdens de aanbesteding doen; • De te verwachten opbrengsten vanuit het vervoer van passagiers en hun voertuigen. Dit hangt zowel af van het aantal reizigers en auto’s, als van de eisen die worden gesteld aan tarieven; • De eventueel aanvullend te verwachten opbrengsten, bijvoorbeeld vanuit (eenmalige) subsidies (voor duurzaamheid) 44.

Kijkend naar de situatie sinds de inwerkingtreding van de huidige concessies in 2014 en naar de globale scope van de toekomstige concessies (grotendeels vergelijkbaar met huidig), is het uitgangspunt van IenW dat de toekomstige concessies opnieuw budgetneutraal worden. Er zijn op dit moment geen structurele middelen beschikbaar. Bij het definiëren van de toekomstige eisen zal daarom rekening worden gehouden met dit uitgangspunt. Hiertoe kan het helpen om in de fase van de totstandkoming van het PvE ook de financiële effecten van bepaalde eisen door te (laten) rekenen en een indicatieve business case op te stellen. Op basis daarvan kan een afweging worden gemaakt tussen eventuele (meer)kosten en het al dan niet meenemen van bepaalde eisen.

5.2

Overige uitgangspunten Aanvullend op het hierboven genoemde algemene uitgangspunt, zal IenW bij de totstandkoming van het PvE op hoofdlijnen de volgende zes principes hanteren en nader uitwerken: 1. Betaalbaarheid voor reizigers Om te zorgen dat de veerdiensten betaalbaar blijven voor reizigers, zullen in de toekomstige concessies (proces)afspraken worden opgenomen over de maximale jaarlijkse tariefstijging, de hoogte van tarieven in het eerste jaar van de nieuwe concessieperiode (bijvoorbeeld verwijzend naar een Voor de huidige HRN-concessie (2015-2025) wordt een concessieprijs betaald, maar vanaf 2025 is dit voor het HRN niet meer het geval. 44 Zie suggesties in Bijlage 2, alsmede de overzichten van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) en eventueel het Waddenfonds. 43

Pagina 37 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

referentiejaar) alsmede over een kortingstarief voor frequente reizigers, zoals eilandbewoners. 2. Eerlijke financiële afspraken Het is belangrijk dat de financiële afspraken over de concessies eerlijk zijn en zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Bijvoorbeeld door de financiële effecten van bepaalde eisen door te (laten) rekenen, door inzicht in kostenefficiëntie van verschillende vervoersconcepten, door open gesprekken met marktpartijen en door een passende beoordelingssystematiek in de aanbesteding. Hiertoe kan bijvoorbeeld een gunning plaatsvinden op basis van de beste prijs-kwaliteit verhouding en/of kan eventueel een plafondprijs worden vastgesteld. Dit dient in de volgende fase nader uitgewerkt te worden. 3. Duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden Verantwoordelijkheden zullen in het PvE duidelijk moeten worden vastgelegd. Uitgangspunt is dat de concessiehouder, net als in de huidige situatie, verantwoordelijk is voor de reizigersopbrengsten. Financiële effecten die zijn gerelateerd aan de bedrijfsvoering van de concessiehouder komen in beginsel voor eigen rekening en risico van de concessiehouder. De concessieverlener stuurt op prestaties van de concessiehouder, maar niet op het rendement (m.u.v. (dreigende) overschrijding van het redelijk rendement en het treffen van maatregelen wanneer dit gebeurt, vergelijkbaar met afspraken uit de huidige concessies).

Het ligt voor de hand dat de concessieverlener, net als in de huidige situatie, wel wordt betrokken bij grote investeringsbeslissingen (zoals de aanschaf van nieuwe schepen). 4. Open over kosten en opbrengsten Om zowel tijdens het aanbestedingsproces als gedurende de concessie open gesprekken te kunnen voeren over kosten, opbrengsten en financiële consequenties van bepaalde eisen, zal IenW marktpartijen om bepaalde (vertrouwelijke) financiële informatie vragen. Welke informatie in dat kader gewenst is, wordt in het PvE nader uitgewerkt. 5. Eerlijke verdeling van risico’s In beginsel voert de concessiehouder de concessie uit voor eigen rekening en risico. Aanvullend kunnen protectiemaatregelen en/of procesafspraken worden opgenomen om financiële verliezen voor de concessiehouder (deels) te beperken in extreme situaties veroorzaakt door exogene factoren 45. Hierbij kan gedacht worden aan situaties als extreme afname van reizigersaantallen of zeer radicale wijzigingen in wet- en regelgeving of beleid (t.a.v. bijvoorbeeld natuur, duurzaamheid en autogebruik op de eilanden) 46. In het kader van risicoverdeling zal ook in het bijzonder worden gekeken naar de bepalingen over de overname van schepen 47. Eventueel kunnen IenW en geïnteresseerde marktpartijen in een dialoogfase nader in gesprek over de details omtrent de in het PvE voorgestelde risicoverdeling. 6.

Financiële prikkels ten behoeve van prestatieverbetering Er kunnen financiële prikkels in de concessies worden opgenomen, om de kwaliteit en prestaties van de vervoerder(s) te verbeteren. Hierbij kan Afhankelijk van een nader te maken inschatting dat bepaalde risico’s zich wel of niet voordoen, kan IenW overwegen een risicoreservering hiervoor op te nemen. 46 Het betreft hier alleen extreme situaties, groter dan het reguliere ondernemersrisico. 47 De looptijd van de concessie (15 jaar) is korter dan de afschrijvingsperiode van nieuwe schepen (circa 25 tot 30 jaar). Derhalve zullen afspraken moeten worden gemaakt over de omgang met de restwaarde van de vloot aan het eind van de concessieperiode. Dit kan bijvoorbeeld op basis van een taxatie of op basis van de afschrijvingswaarde. Ook zal overwogen moeten worden of dit een verplichting of een optie is en op welk moment deze restwaarde wordt bepaald. 45

Pagina 38 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

gedacht worden aan een bonus-malussysteem, zoals in de huidige concessies de boete voor een te hoog percentage uitval.

Pagina 39 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

6

Vervolg

6.1

Vervolgproces

6.1.1

Nota van Uitgangspunten In paragraaf 6.2 is de globale planning van het vervolgproces weergegeven. De concept NvU wordt begin 2024 ter consultatie voorgelegd aan onder andere decentrale overheden, consumentenorganisaties, natuurorganisaties en marktpartijen. Tevens zal de concept NvU openbaar beschikbaar zijn en mogelijk via een of enkele informatiebijeenkomsten met o.a. bewoners en/of ondernemers van de eilanden worden besproken. Nadat de opmerkingen uit de consultatieronde zijn verwerkt, kan deze (naar verwachting) medio 2024 worden vastgesteld.

6.1.2

Programma van Eisen Na vaststelling van de NvU zal het PvE worden opgesteld. Globaal geldt dat de uitgangspunten uit deze NvU in het PvE worden uitgewerkt tot meer concrete eisen voor de aanbesteding. In de voorgaande hoofdstukken is voor bepaalde onderwerpen specifieker aangegeven wat in de fase richting het PvE wordt uitgewerkt. Het streven is om na een consultatie het PvE medio 2025 vast te stellen, zodat daarna de aanbestedingsprocedure kan starten.

6.1.3

Openbare aanbestedingsprocedure Zoals in paragraaf 2.2 beschreven, zullen de nieuwe concessies na een openbare aanbesteding moeten worden verleend. Hiervoor zijn verschillende procedures mogelijk. Zoals eerder in de NvU aangegeven, kan het wenselijk zijn om over verschillende (ontwikkel)onderwerpen met marktpartijen in gesprek te gaan tijdens de aanbestedingsprocedure om te komen tot een geschikte oplossing voor complexe vraagstukken, zie onder andere paragraaf 4.2.2 en bijlage 2. Concurrentiegerichte Dialoog Light Een concurrentiegerichte dialoog biedt dergelijke voordelen, maar deze procedure is relatief tijdrovend en arbeidsintensief. Daarom kijken wij voor de aanbesteding van de concessies voor de Waddenveren naar de zogenaamde “Concurrentiegerichte Dialoog Light (hierna: CDL)”, welke is ontwikkeld door RWS. Deze procedure wijkt af van de concurrentiegerichte dialoog zoals beschreven in de Aanbestedingswet. De CDL bestaat globaal uit de volgende stappen: 1. Aanmelding van gegadigden 2. Toetsing van gegadigden op uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen 3. De eerste fase: het indienen en beoordelen van het trechterproduct Er vindt trechtering plaats in het aantal gegadigden voordat de eerste fase van start gaat. In de eerste fase wordt het product beoordeeld voor toelating in de tweede fase.

Afhankelijk van de gunningsystematiek dient het trechterproduct invulling te geven aan één (het belangrijkste) gunningscriterium of een opdrachtgeversrisico. De informatie die verstrekt wordt door de aanbestedende dienst is in deze fase beperkt tot het gunningscriterium waarop het trechterproduct gebaseerd moet worden. 4. Na de eerste fase worden de best beoordeelde gegadigden uitgenodigd voor de tweede fase

Pagina 40 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

5. De tweede fase: dialoog met best beoordeelde gegadigden In deze fase vinden de dialooggesprekken plaats. Uitgangspunt is één gesprek per gegadigde 48. De gesprekken gaan over verduidelijking, belemmeringen en oplossingsrichtingen. Men werkt met een open agenda, zowel gegadigde als het aanbestedingsteam kan punten op de agenda zetten. Elk aspect mag besproken worden, ook de prijs of het budgetplafond. Tijdens de dialooggesprekken mag niet aan één gegadigde informatie worden verstrekt die niet ook beschikbaar is voor andere gegadigden. Hiermee wordt het level playing field gewaarborgd. Mocht er informatie worden gedeeld die niet in eerdere dialooggesprekken aan bod is gekomen, maar die wel relevant is, dan dient dit gedeeld te worden in de Nota van Inlichtingen. 6. De inschrijving: de gegadigden dienen de inschrijving in 7. Gunning: gunning vindt plaats op basis van de gunningscriteria IenW is voornemens om zo nodig globaal een dergelijke procedure te doorlopen. Dit proces zal in 2024 nader uitgewerkt worden. 6.1.4

Organisatie Als concessieverlener is IenW wettelijk verantwoordelijk voor het personenvervoer tussen het vasteland en de eilanden. IenW zal dan ook de voorbereidingen treffen voor de nieuwe concessies en de staatssecretaris 49 zal de benodigde besluiten nemen, waaronder het vaststellen van de NvU, het PvE en de gunning van de concessies. Uiteraard zal de inhoud worden afgestemd met zowel de andere onderdelen van de Rijksoverheid (o.a. RWS, Rijksvastgoedbedrijf, LNV) en de betrokken omgevingspartijen (o.a. decentrale overheden, natuur- en consumentenorganisaties). Binnen IenW is de voorbereiding van de nieuwe concessies ondergebracht bij de directie Openbaar Vervoer en Spoor (OVS). Om te voorkomen dat de zittende rederijen voorkennis krijgen of intensiever betrokken zijn dan andere marktpartijen en om het gelijke speelveld zoveel mogelijk te borgen, wordt binnen de directie OVS een scheiding aangebracht tussen het beheer van de huidige concessies (20142029) en de voorbereiding van de nieuwe concessies.

6.1.5

Communicatie IenW zal het publiek informeren via Kamerbrieven en via de Rijksoverheid pagina Waddenveren 50. Tevens verstuurt IenW op gezette momenten informatieve nieuwsbrieven naar betrokkenen en geïnteresseerden.

6.2

Globale planning De globale planning voor het vervolgproces is in tabel 2 hieronder weergegeven. Tabel 1: Globale planning vervolg Moment Eind 2023 Begin 2024 Medio 2024

Mijlpaal Marktanalyse en concept NvU gereed Consultatie concept NvU Vaststellen NvU

In het geval van één gegadigde kan deze fase meer uitgediept worden. Uitgaande van de huidige afspraken. In een toekomstige formatie kan dit mogelijk wijzigen en kan dit gelezen worden als ‘de bevoegde bewindspersoon’. 50 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/openbaar-vervoer/waddenveren 48 49

Pagina 41 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

Begin 2025 Medio 2025 Tweede helft 2025 Uiterlijk medio 2026 2026-2029 2029

Consultatie PvE Vaststellen PvE Aanbestedingsprocedure Gunning nieuwe concessies Implementatieperiode nieuwe concessies Start nieuwe concessies

Pagina 42 van 43

Concept Nota van Uitgangspunten Friese Waddenveren

7

Bijlagen

Tabel 2: Overzicht van bijlagen Nummer Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Titel Marktanalyse Friese Waddenveren Duurzame Waddenveren eindrapportage (Rev 2.1) Samenvatting consultatieronde Waddenveren va. 2029

Pagina 43 van 43

Datum 21-11-2023 08-11-2023 07-09-2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=529c0e5b-5756-4a79-b4cf-612788af48df