CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 Legesverordening - VNG toelichting

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente VlielandBij agendapunt: Belastingen en legesverordeningen 202447.781 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Artikel 2.27 Omgevingsplanactiviteit: uitweg/uitrit Zie de toelichting aan het begin van deze paragraaf, onder Algemeen. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.297 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe gemeentelijke regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.15 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Integratie verordeningen in omgevingsplan, deel 1’. Artikel 2.28 Omgevingsplanactiviteit: overige aanlegactiviteiten Artikel 2.28 is een vangnetbepaling voor de overige aanlegactiviteiten, dat wil zeggen niet in de voorgaande artikelen van deze paragraaf benoemde omgevingsplanactiviteiten die bestaan uit het uitvoeren van werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden. De formuleringen komen voor een groot deel overeen met die voor de bouwactiviteit (ruimtelijke deel) in artikel 2.6. Zie ook artikel 22.278 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw) en de toelichting daarop. De aanvraagvereisten staan in artikel 22.284 van de bruidsschat.

Het bestemmingsplan of de beheersverordening, die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, kan erin voorzien dat met betrekking tot het uitvoeren van bepaalde werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden, vooraf een omgevingsvergunning nodig is. Wij hebben gekozen voor een tariefstelling naar vast bedrag. Desgewenst kan de gemeente kiezen voor een andere tariefstelling, bijvoorbeeld naar de aanlegkosten, hoewel die soms lastig zijn vast te stellen. Wij verwijzen in dit verband naar de toelichting op artikel 2.1, eerste lid, van de tarieventabel. Soms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een archeologisch bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roept extra kosten op. Hiervoor is in artikel 2.49 een tariefbepaling opgenomen.

Paragraaf 2.8 Overige activiteiten Algemeen Voor de in deze paragraaf opgenomen activiteiten geldt hetzelfde als wat onder Algemeen bij de vorige paragraaf staat over de relatie APV en nieuwe omgevingsplan. Vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet betroffen de in de artikelen 2.29 tot en met 2.32 opgenomen activiteiten de op grond van de APV in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder f tot en met k, van de Wabo opgenomen vergunningplichten. Op grond van artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo konden ook andere vergunningen die de leefomgeving betroffen, aanhaken bij de omgevingsvergunning. Voor zover de in de gemeentelijke verordening geregelde vergunning niet valt onder artikel 2.2 Wabo, hoort deze niet in hoofdstuk 2 van de tarieventabel thuis zolang de gemeente deze niet in het nieuwe deel van het omgevingsplan heeft opgenomen. Het is dan namelijk geen omgevingsvergunning. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de standplaatsvergunning in artikel 2.33. In de modelAPV is niet aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Dan hoort de tariefbepaling in hoofdstuk 3 van de tarieventabel (zie artikel 3.10). Daarom hebben wij beide bepalingen als facultatief opgenomen. Uit een ervan kan de gemeente kiezen, afhankelijk van de eigen regeling in de APV of het omgevingsplan.

Pagina 72 van 93

Zie voor het overgangsrecht de vorige paragraaf, onder Algemeen. Artikel 2.29 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie Zie de toelichting aan het begin van deze paragraaf, onder Algemeen. Deze tariefbepaling was niet eerder in de tarieventabel zelf opgenomen omdat de Model-APV hiervoor geen vergunningplicht kent. Eerder stond deze in de toelichting op de modelverordening. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.298 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan. Artikel 2.30 Omgevingsplanactiviteit: kappen van bomen of vellen van houtopstanden Zie de toelichting aan het begin van deze paragraaf, onder Algemeen. De titel houdt verband met de definities die de bijlage bij de Ow geeft van ‘vellen’ en van ‘houtopstanden’ ten opzichte van die in de Model-APV. Bijlage bij Ow: vellen: rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben; houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Artikel 4:10 van de Model-APV bevat andere definities, met name van houtopstand: ‘hakhout, een houtwal of een of meer bomen’. Een houtopstand kan dus voor de Model-APV ook één boom betreffen.

Onder vellen wordt in de ModelAPV mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening (bomenverordening) waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. De vergunningplicht is geregeld in artikel 4:11 van de ModelAPV. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.299 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan. We hebben de term ‘kappen’ in de tariefbepaling opgenomen, omdat die activiteit één boom kan betreffen. Zie het voorbeeldartikel 5.28 van de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel I’. Artikel 2.31 Omgevingsplanactiviteit: reclame Zie de toelichting aan het begin van deze paragraaf, onder Algemeen. Deze tariefbepaling was niet eerder in de tarieventabel zelf opgenomen omdat de Model-APV hiervoor geen vergunningplicht kent (wel in de toelichting). De titel ‘handelsreclame’ die artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo gebruikte, hebben we gewijzigd in ‘reclame’ in verband met het voorbeeldartikel 5.49 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’.

Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling voor handelsreclame in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.300 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.49 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’.

Pagina 73 van 93

Artikel 2.32 Omgevingsplanactiviteit: [opslag van roerende zaken OF plaatsen objecten op de weg] Zie de toelichting aan het begin van deze paragraaf, onder Algemeen. De keuze in de titel houdt verband met de regeling in de Model-APV en het voorbeeldartikel 5.7 van de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel I’ Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt. De vergunningplicht staat in artikel 2:10 Model-APV (Voorwerpen op [of aan] de weg). Voor aanvraagvereisten: zie artikel 22.301 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.7 van de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel I’. Het heet daar ‘plaatsen van objecten op de weg’. [Artikel 2.33 Omgevingsplanactiviteit: standplaatsen Dit artikel is als facultatieve bepaling opgenomen. Zie de toelichting aan het begin van deze paragraaf, onder Algemeen. In artikel 5:18 model-APV is niet aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Dan hoort de tariefbepaling in hoofdstuk 3 van de tarieventabel (zie artikel 3.10). Daarom hebben wij beide tariefbepalingen als facultatief opgenomen. Uit een ervan kan de gemeente kiezen, afhankelijk van de eigen regeling in de APV of het omgevingsplan.

Variant 1 betreft de gemeentelijke regeling in de APV of andere verordening waarvoor genoemd overgangsrecht geldt voor zover sprake is van een ‘aangehaakte’ omgevingsvergunning. Variant 2 betreft de nieuwe regeling in het omgevingsplan. Zie het voorbeeldartikel 5.43 van het omgevingsplan in de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’.] Artikel 2.34 Andere activiteiten Dit is een vangnetbepaling. De hierin opgenomen tariefbepaling geldt voor niet benoemde en onvoorziene gevallen. Onderdeel a ziet op vergunningplichtige activiteiten, niet zijnde de onder b bedoelde omgevingsplanactiviteiten. Onderdeel b ziet op omgevingsplanactiviteiten en andere bij de omgevingsvergunning in een gemeentelijke verordening aangehaakte vergunningplichten die op grond van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob gelden als omgevingsvergunningplichten voor een omgevingsplanactiviteit.

Paragraaf 2.9 Maatwerkvoorschriften Algemeen In deze paragraaf zijn de tarieven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om maatwerkvoorschriften, als uitwerking van het belastbare feit in artikel 2.2, aanhef en onder c, van de tarieventabel. Deze tariefbepalingen zijn alleen van toepassing als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 2.3, vijfde lid, van de tarieventabel). Als voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, staat het maatwerk in een vergunningvoorschrift. We hebben de tariefbepalingen gesplitst in bouwactiviteiten, mba en overige activiteiten. De tariefstelling bij bouwactiviteiten en overige activiteiten geldt per te stellen maatwerkvoorschrift, bij de mba naar het aantal mba, opgedeeld in tariefklassen (staffels), zoals ook bij de omgevingsvergunning voor de mba is geregeld. Een andere tariefstelling is vanzelfsprekend mogelijk. De basis voor het stellen van maatwerkvoorschriften staat in artikel 4.5 van de Ow. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag voor concrete gevallen afwijken van algemene regels voor een activiteit. Het stellen van maatwerkvoorschriften kan uitsluitend als dat in het omgevingsplan, de Pagina 74 van 93

(provinciale) omgevingsverordening, de waterschapsverordening of de rijksregels is bepaald. Het bevoegd gezag neemt het maatwerkvoorschrift meestal op in een apart maatwerkbesluit. Het vaststellen van een maatwerkvoorschrift zal vaak op verzoek van de initiatiefnemer gebeuren. Het maatwerkvoorschrift geldt alleen voor degene aan wie het maatwerkbesluit is gericht. Dit is degene die de activiteiten wil uitvoeren. Een voorbeeld van een maatwerkvoorschrift is wanneer een bedrijf in een bijzonder geval toestemming krijgt om meer koelwater te lozen dan algemeen is toegestaan. Een ander voorbeeld is een extra voorschrift voor een bedrijf vanwege geluidhinder in de omgeving. (Bron: https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/maatwerkvoorschrift/.) Zie ook: Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, memorie van toelichting Ow, pag. 470-471, en Kamerstukken II 2017/18, 34986, nr. 3, memorie van toelichting IwOw, pag. 160-161. Artikel 2.35 Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten De tariefbepaling is ontleend aan artikel 14.9 van de Or, waarin een tarief staat dat de minister in rekening brengt. Artikel 2.36 Maatwerkvoorschriften bij milieubelastende activiteiten De tariefbepaling is ontleend aan artikel 14.25 van de Or, waarin tarieven staan die de minister als bevoegd gezag in rekening brengt bij bepaalde mba. Daar is gekozen voor tariefklassen, afhankelijk van het aantal mba.

In de Or komen nog meer tariefstellingen voor die op maatwerkvoorschriften voor andere mba betrekking hebben. Wij hebben gekozen voor een generieke regeling voor maatwerkvoorschriften voor mba, dus ongeacht welke mba het betreft. Een andere keuze is natuurlijk mogelijk. In het eerste lid, onderdelen b en c, hebben wij eenzelfde tariefstelling opgenomen als bij de omgevingsvergunningen voor mba in paragraaf 2.5 van de tarieventabel. Zie de toelichting op de artikelen 2.13 tot en met 2.19. Voor maatwerkvoorschriften die afwijken van de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal geldt een extra procedurevoorschrift: het bevoegd gezag moet kennis geven van het maatwerkvoorschrift op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze (artikel 10.20 van het Ob). Artikel 2.37 Maatwerkvoorschriften bij overige activiteiten Een vangnetartikel voor het geval er voor andere activiteiten op verzoek maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld.

Paragraaf 2.10 Gelijkwaardigheid Artikel 2.38 Gelijkwaardige maatregel Dit artikel bevat de tariefbepalingen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, als uitwerking van het belastbare feit in artikel 2.2, aanhef en onder d, van de tarieventabel. Deze tariefbepalingen zijn alleen van toepassing als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 2.3, vijfde lid, van de tarieventabel). Wij hebben gekozen voor afzonderlijke tariefbepalingen voor een gelijkwaardige maatregel bij bouwactiviteiten, cultureel erfgoed, mba en overige activiteiten, en voor een tariefstelling per uur. Hierop is de zgn. begrotingsconstructie van toepassing. De basis voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel staat in artikel 4.7 van de Ow. De memorie van toelichting op de Ow vermeldt: ‘Als een initiatiefnemer voldoet aan de bepalingen die in algemene regels zijn opgenomen, mag hij ervan uitgaan dat zijn initiatief voor de daarin gereguleerde aspecten past binnen het wettelijk kader Pagina 75 van 93

voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Afhankelijk van de manier waarop een bepaling is geformuleerd, zijn er maatregelen denkbaar, waarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt. Voor zowel de decentrale algemene regels als de rijksregels bepaalt het wetsvoorstel dat het gebruik van gelijkwaardige maatregelen mogelijk is, tenzij dat in de algemene regels is uitgesloten. De initiatiefnemer moet de gelijkwaardigheid van een maatregel aantonen. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag de gelijkwaardigheid voorafgaand aan de toepassing van een alternatief toetst, uitmondend in een beschikking. In de algemene regels kan in afwijking daarvan worden bepaald, dat voorafgaande toestemming niet is vereist. In dat geval kan zo nodig worden bepaald, dat wel een voorafgaande melding moet worden gedaan bij toepassing van een gelijkwaardige maatregel.’ (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, pag. 144). Voor die melding is geen legesheffing mogelijk, voor de toestemming wel, want daarbij is sprake van dienstverlening.

Paragraaf 2.11 Overige tarieven Artikel 2.39 Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit Artikel 10.23, tweede lid, van de Ow bepaalt dat als de in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een tijdelijk bouwwerk bepaalde termijn korter is dan vijftien jaar, deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste vijftien jaar. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag daartoe, is in artikel 2.39 een tariefbepaling opgenomen. Artikel 14.10 van de Or kent eenzelfde tariefbepaling voor de minister als bevoegd gezag. Op grond van artikel 10.23, eerste lid, van de Ow moet de vergunninghouder na het verstrijken van een bij de omgevingsvergunning gestelde termijn van ten hoogste vijftien jaar, de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hebben hersteld. Artikel 2.40 Wijzigen omgevingsvergunning In hoofdstuk 14 van de Or staan de tarieven die het rijk toepast voor het in behandeling nemen van aanvragen om een omgevingsvergunning voor diverse activiteiten. In die bepalingen staat ook steeds dat het (doorgaans vaste) tarief van overeenkomstige toepassing is op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. Wij hebben gekozen voor een generieke bepaling voor alle activiteiten. Het wijzigen van een omgevingsvergunning komt neer op het opnieuw aanvragen van een omgevingsvergunning.

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning is daarom hetzelfde tarief verschuldigd als voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor dezelfde activiteit. Artikel 2.41 Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning Artikel 13.1a van de Ow noemt het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning als (belastbaar) feit waarvoor rechten (leges) kunnen worden geheven. Daarvoor is hier een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2.42 Intrekken omgevingsvergunning Artikel 13.1a van de Ow noemt het in behandeling nemen van een aanvraag om intrekking van een omgevingsvergunning als (belastbaar) feit waarvoor rechten (leges) kunnen worden geheven. Daarvoor is hier een tariefbepaling opgenomen.

Pagina 76 van 93

Artikel 2.43 Beoordeling aanvullende gegevens Is een aanvraag onvolledig, ook na geboden herstelmogelijkheid, dan kan deze buiten behandeling worden gesteld (artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht). Wij vinden het mogelijk om leges te heffen als de aanvrager tijdens de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met aanvullende gegevens komt, die weer extra werkzaamheden met zich brengt. Artikel 2.44 Beoordeling onderzoeksrapporten Het komt voor dat een gemeente een onderzoeksrapport moet beoordelen zonder dat sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning of een ander besluit (bijvoorbeeld besluit tot het stellen van een maatwerkvoorschrift). Hiervoor is in dit artikel een tariefbepaling opgenomen. Het tarief is hetzelfde als het tarief voor het beoordelen van een rapport in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning, zoals opgenomen in artikel 2.49. Artikel 2.45 Wijzigen van het omgevingsplan In artikel 2.45 is een tariefbepaling opgenomen voor het op aanvraag wijzigen van het omgevingsplan. Legesheffing is mogelijk als de gevraagde wijziging van het omgevingsplan rechtstreeks en in overheersende mate het belang van de aanvrager dient, omdat dan sprake is van het genot van een door de gemeente verleende dienst. De Hoge Raad heeft het in 2009 als volgt verwoord: ‘3.3.1.

Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden slechts als een dienst kunnen worden aangemerkt, indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Voorts heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat de handhaving van de regels van het bestemmingsplan tot die publieke taakuitoefening behoort omdat daarmee het algemene belang is gediend dat is gebaat bij een goede ruimtelijke ordening in de gemeente. Uit dit uitgangspunt vloeit echter voort dat het verzoek van een particulier om van een bestemmingsplan af te wijken in het algemeen niet op het publieke belang zal zijn gericht, maar zal zijn gestoeld op een persoonlijke wens van de verzoeker. Dat geldt ook voor het onderhavige verzoek van belanghebbende om haar tijdelijk vrijstelling te verlenen van het verbod van permanente bewoning van de recreatiewoning, zoals dat in het bestemmingsplan is opgenomen. De werkzaamheden van het gemeentebestuur bij de beoordeling van dat verzoek houden rechtstreeks en in overwegende mate verband met dit individuele belang van belanghebbende.

Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat het gemeentebestuur bij zijn beslissing op het verzoek de belangen van belanghebbende afweegt tegen de gevolgen voor de ruimtelijke ordening.’ (HR 17-04-2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1253). In overeenstemming hiermee oordeelde Hof Arnhem dat de werkzaamheden van het gemeentebestuur bij de beoordeling van het verzoek tot partiële herziening van een bestemmingsplan rechtstreeks en in overwegende mate verband houden met het individuele belang van belanghebbende (Hof Arnhem 1910-2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO3397). Hof Arnhem-Leeuwarden 13-02-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, oordeelt anders. Het beroep in cassatie van de gemeente heeft de Hoge Raad zonder inhoudelijke uitspraak ongegrond verklaard (artikel 81, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie) (HR 22-03-2019, ECLI:NL:HR:2019:410). Waarschijnlijk is in deze procedure van belang geweest dat sprake was van het opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan, dat het verschillende kadastrale percelen met verschillende eigenaren betrof en dat het ging om verschillende belangen (agrarische en (reguliere) bedrijfsbelangen) die waren betrokken in het plan. Het hof laat in zijn laatste overweging (daarom) ook de mogelijkheid open dat bij het op aanvraag wijzigen van het bestemmingsplan wel sprake is van individuele dienstverlening, maar Pagina 77 van 93

dat legesheffing daarvoor in het voorliggende geval zou stuiten op de legessanctie (niet kunnen heffen in verband met het verouderd zijn van het geldende bestemmingsplan). Met de Omgevingswet is niet beoogd in bovenstaande dienstverlening wijziging te brengen. Andere mogelijkheden die de gemeente heeft zijn kostenverhaal met toepassing van afdeling 3.6 van de Ow of de aanvraag behandelen als aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en legesheffing hiervoor. De gemeente moet dan wel binnen vijf jaar het omgevingsplan daarop aanpassen. Aanvrager kan er echter belang bij hebben dat direct de route van het wijzigen van het omgevingsplan wordt gevolgd. Artikel 2.46 Niet genoemd besluit op aanvraag Dit is een vangnetbepaling.

Paragraaf 2.12 Modaliteiten Algemeen De behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning kan per aanvraag verschillen. Bij de tariefstelling voor de verschillende activiteiten is daarmee al zoveel mogelijk rekening gehouden door bij de omgevingsplanactiviteiten te onderscheiden tussen binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Er kunnen desondanks bij bepaalde aanvragen aanvullende werkzaamheden nodig zijn. Bij het behandelen van de aanvraag moeten bijvoorbeeld een of meer onderzoeksrapporten worden beoordeeld. Om de werkelijke kosten zoveel mogelijk te (kunnen) benaderen is in deze paragraaf een aantal modaliteiten benoemd, die leiden tot een verhoging van leges voor de activiteit (artikelen 2.48 tot en met 2.51). Daarnaast kan er om beleidsmatige redenen soms een verhoging worden toegepast; bij de tariefstelling mag de gemeente immers die heffingsmaatstaven kiezen die passen bij het gevoerde gemeentelijke beleid. Een voorbeeld hiervan staat in artikel 2.47. Artikel 2.47 Achteraf ingediende aanvraag De extra legesheffing voor een achteraf ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning is van toepassing als er pas een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend nadat er al met de activiteit is begonnen of als de activiteit al is gerealiseerd. Dit zal zich vooral voordoen bij bouwwerken.

In artikel 5.6 van de Ow staat dat het verboden is een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten. De gemeente kan de verhoging van het tarief rechtvaardigen vanuit het gevoerde beleid. Dan zijn de extra leges een financiële prikkel om voorafgaand aan het bouwen 'netjes' een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit aan te vragen. Maatvoering is hierbij belangrijk. De extra leges mogen niet zo hoog zijn dat het strafkarakter gaat overheersen. Een verhoging van 10% met een absoluut maximum van € 1.000 valt naar onze mening binnen de redelijke grenzen. Let op! Met de extra legesheffing kan de gemeente niet de kosten van extra werkzaamheden die niet in relatie staan tot de dienstverlening verhalen. De rechtvaardiging ziet niet op extra kosten, maar is puur gebaseerd op het gevoerde beleid ter zake en ziet op een andere verdeling van het verhaal van de reguliere kosten. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 06-08-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2542: ‘Belanghebbende klaagt erover dat in zijn geval geen sprake was van extra werkzaamheden omdat hij zelf de bouwtekeningen heeft laten maken en er geen onderzoek ter plaatse is geweest. De heffingsambtenaar heeft dat bestreden en gewezen op extra werkzaamheden zoals archiefwerk en het vergelijken van de oorspronkelijke situatie en de huidige situatie.

Zelfs als er in het geval van belanghebbende geen extra werkzaamheden zouden zijn verricht dan slaagt deze klacht ook niet. Pagina 78 van 93

Er is namelijk geen rechtstreeks verband vereist tussen de hoogte van de geheven leges en de omvang van de ter zake door de gemeente verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten.’ Over extra leges in verband met een achteraf ingediende aanvraag is een aantal, andersluidende, rechterlijke uitspraken verschenen. - Rechtbank Noord-Holland 20-07-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:5459, VNG-7120. - Rechtbank Noord-Holland 25 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7104, VNG-6782; hoger beroep Hof Amsterdam 08-01-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:418. - Rb. Almelo 10 juni 2009, ECLI:NL:RBALM:2009:BI8219, VNG-3057. - Rb. Zwolle-Lelystad 20 mei 2009, ECLI:NL:RBZLY:2009:BI4905, vng-3042. - Hof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF1770, VNG-2784. - Rb. 's-Gravenhage 26 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9896, VNG-2553. Deze uitspraken betreffen volgens ons specifieke situaties, waarbij is afgeweken van onze modelbepaling of van onze, hiervoor omschreven bedoeling met de bepaling of waarbij de gemeente onder andere kosten van handhaving en controle beoogd te dekken, dan wel kosten die zijn gemaakt vóór de vergunningaanvraag.

Artikel 2.48 Uitgebreide voorbereidingsprocedure In beginsel is op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning, om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of om intrekking van een omgevingsvergunning de reguliere procedure van toepassing (paragraaf 16.5.2 van de Ow). De reguliere procedure is acht weken, met mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Als instemming van een ander bestuursorgaan nodig is (zie hiervoor artikel 2.51 van de tarieventabel), is de beslistermijn vier weken langer (artikel 16.64 van de Ow). Artikel 16.65 van de Ow geeft aan wanneer de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Er zijn gevallen bij amvb aangewezen: dit is uitgewerkt in artikel 10.24 van het Ob: bijvoorbeeld bij bepaalde rijksmonumentenactiviteit, sommige mba of lozingsactiviteiten. Op verzoek of bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (als de raad dat heeft bepaald) is de uitgebreide voorbereidingsprocedure ook voorgeschreven (artikel 16.65, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, van de Ow). De uitgebreide voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Awb. Deze procedure leidt tot extra werkzaamheden en kosten en daarom ook tot extra leges. Er is een tariefdifferentiatie opgenomen voor mba en overige gevallen, omdat de procedure bij mba naar verwachting meer kosten met zich brengt.

In hoofdstuk 14 Or waarin de tarieven staan die de minister als bevoegd gezag toepast, is het tarief voor mba hoger gesteld. Artikel 2.49 Beoordeling onderzoeksrapporten Het kan voorkomen dat bij de behandeling van aanvragen een onderzoeksrapport moet worden beoordeeld. In dit artikel zijn zoveel mogelijk onderzoeksrapporten benoemd. Het beoordelen van dergelijke rapporten kan zich, voor zover wij kunnen overzien, voordoen bij bouwactiviteiten, sloopactiviteiten in een beschermd stads- of dorpsgezicht, mba, aanlegactiviteiten en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Wij hebben de tariefbepaling daarom in een apart artikel opgenomen, dat geldt voor alle activiteiten. Daarmee wordt tevens bereikt dat geen dubbele heffing optreedt bij een combinatie van activiteiten.

Pagina 79 van 93

Artikel 2.50 Advies Dit artikel betreft een verhoging van de leges in verband met adviezen van andere bestuursorganen of instanties die voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift of ander besluit nodig zijn. Op grond van artikel 16.15 van de Ow kunnen bij amvb, omgevingsplan, omgevingsverordening en waterschapsverordening bestuursorganen of andere instanties worden aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van de Ow, respectievelijk het omgevingsplan, de omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Een bestuursorgaan of andere instantie wordt als adviseur aangewezen als dat wenselijk is vanwege: a. de deskundigheid van het bestuursorgaan of de instantie, of b. de door het bestuursorgaan te behartigen belangen, gelet op de aan dat bestuursorgaan toegedeelde taken voor de fysieke leefomgeving. In afdeling 4.2 van het Ob (de amvb) is dit adviesrecht uitgewerkt.

Advies van de gemeenteraad is nodig bij door hem aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is of bij een meervoudige aanvraag een ander bevoegd gezag instemming van het college nodig heeft (artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Ow en artikel 4.21 van het Ob). De gemeentelijke adviescommissie bedoeld in artikel 17.9 van de Ow (nieuwe commissie die gemeenten vóór inwerkingtreding van de Ow moeten hebben) is adviseur bij: 1°. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument, 2°. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, in door de gemeenteraad aangewezen gevallen of als het college van burgemeester en wethouders daartoe aanleiding ziet (artikel 16.15a, aanhef en onder c, van de Ow en artikel 4.22 van het Ob). Van die gemeentelijke adviescommissie kan een welstandsdeskundige lid zijn. Bij de tariefbepaling voor een bouwactiviteit (artikel 2.6, aanhef en onder a. aanhef en onder 1) staat ook een tarief voor een welstandstoets. Dat tarief is alleen van toepassing als de gemeentelijke adviescommissie niet wordt ingeschakeld. Artikel 2.50, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de tarieventabel is van toepassing voor een welstandsadvies van de gemeentelijke commissie.

Wij merken hierbij nog op dat zolang de gemeente geen nieuwe beleidsregel over welstand heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 4.19 van de Ow, de welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet als zo’n beleidsregel geldt (artikel 4.114 van de IwOw). Voor overige adviezen van deze commissie geldt onderdeel c. Andere instanties die kunnen adviseren zijn bijvoorbeeld gedeputeerde staten, een minister of de Commissie voor de milieueffectrapportage (commissie MER). De kosten van deze adviezen worden aan de aanvrager vooraf kenbaar gemaakt via de zogenaamde begrotingsconstructie (eerste lid, onderdeel d, en tweede lid). De commissie MER hanteert eigen tarieven, soms vaste (hoge) bedragen, soms een uurtarief. Die tariefstellingen worden goedgekeurd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Voor de adviezen gevolgd door een besluit over instemming, zie ook de toelichting op artikel 2.51 (Instemming). Artikel 2.51 Instemming Een besluit over instemming is vergelijkbaar met de verklaring van geen bedenkingen onder vigeur van de Wabo. De instemmingsfiguur is geregeld in artikel 16.16 van de Omgevingswet en uitgewerkt in

Pagina 80 van 93

afdeling 4.2 van het Ob. Instemming kan nodig zijn als het bestuursorgaan waaraan de bevoegdheid tot advies of instemming is toegekend, niet zelf bevoegd gezag is. In de gevallen dat de gemeenteraad adviseur is (zie artikel 2.50 van de tarieventabel), is hij ook het bestuursorgaan dat een besluit over instemming neemt (artikel 16.16 van de Ow). Advies en besluit over instemming zijn onderdeel van de aanvraagprocedure. De kosten daarvan worden via de tariefstelling in artikel 2.50, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.51, aanhef en onder a, doorberekend aan de aanvrager van de omgevingsvergunning of van een ander besluit op grond van de Ow. Zie ook onder NB.1. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit meerdere activiteiten omvat (meervoudige aanvraag), kunnen meerdere bestuursorganen betrokken zijn bij het behandelen van de aanvraag. Dat gebeurt via de figuur ‘advies met instemming’ aan het bevoegd gezag. Een bestuursorgaan dat onder de Ow een verzoek tot advies en instemming behandelt, kan daarvoor aan het bevoegd gezag kosten in rekening brengen. Dat gebeurt vooralsnog op basis van onderlinge afspraken. De wettelijke voorziening om kosten ‘achter het loket’ te verrekenen tussen overheden is nog in voorbereiding (voor de minister is het nu nog geregeld in artikel 14.2a van de Or).

Het lukt waarschijnlijk niet om dat vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet te regelen. In deze aanstaande wettelijke regeling wordt gekozen voor verrekening via een betalingsbeschikking (bestuursrechtelijke geldschuld in de zin van de Awb). De bedoeling is dat de geldsom die voor het besluit over instemming in rekening wordt gebracht gelijk is aan de rechten (leges) die het instemmende bestuursorgaan zou heffen als het voor de activiteit waarvoor instemming wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn: - Instemmend bestuursorgaan van de provincie (gedeputeerde staten): rechten (leges) staan in provinciale legesverordening (die bekendgemaakt is in het provincieblad); - Instemmend bestuursorgaan van het waterschap (dagelijks bestuur): rechten (leges) staan in de legesverordening van het waterschap (die bekendgemaakt is in het waterschapsblad); - Instemmend bestuursorgaan van het rijk: rechten (leges) staan in de Omgevingsregeling (Stcrt. 2019, 56288, nadien gewijzigd). De geconsolideerde (geldende) tekst van deze regelingen is te vinden op https://wetten.overheid.nl. Als het instemmende bestuursorgaan zelf geen rechten zou heffen, kan het ook geen geldsom voor de instemming in rekening brengen. De verschuldigde geldsom is voor het bevoegd gezag een last ter zake van de aanvraag en kan worden doorberekend aan de aanvrager of degene voor wie die aanvraag wordt gedaan.

Op deze manier kan de bestaande praktijk worden voortgezet dat voor besluiten over instemming (voorheen de verklaringen van geen bedenkingen) kosten kunnen worden verrekend tussen bestuursorganen, en dat het bevoegd gezag die kosten via de leges kan doorberekenen aan een initiatiefnemer. Het bedrag wordt vooraf aan de aanvrager/initiatiefnemer bekendgemaakt. Meestal zal een en ander al duidelijk worden in het omgevingsoverleg (vooroverleg). NB.1. Een bestuursorgaan kan gevallen aanwijzen waarin instemming niet is vereist (artikel 16.16, derde lid, Ow en artikel 4.37 van het Ob). Bestuursorganen kunnen ook bij het uitbrengen van advies bepalen dat voor een besluit geen instemming nodig is (artikel 16.16, vierde lid, van de Ow). Dan is dus alleen artikel 2.50, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, van de tarieventabel van toepassing. Ook hiervoor wordt nog wettelijk geregeld dat de voor het advies in rekening te brengen kosten gelijk zijn aan de rechten (leges) die het adviserende bestuursorgaan zou heffen als het voor de activiteit waarvoor advies wordt verzocht zelf bevoegd gezag zou zijn. De begroting van kosten op basis van het tweede lid van artikel 2.50 komt dan dus op dat bedrag uit.

Pagina 81 van 93

NB.2. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op meer dan een activiteit (meervoudige aanvraag) en het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag wordt voor een activiteit waarvoor hij geen bevoegd gezag zou zijn bij een enkelvoudige aanvraag voor die activiteit, is op grond van artikel 16.15 en 16.16 van de Ow advies en/of instemming nodig van een ander bestuursorgaan. Omdat het college bij een enkelvoudige aanvraag geen bevoegd gezag is voor de betreffende activiteit, is voor die enkelvoudige activiteit geen tarief opgenomen in de tarieventabel. Het instemmende bestuursorgaan kan wel kosten in rekening brengen bij het college (zie hierboven). Die kosten zijn gelijk aan het bedrag dat het instemmende bestuursorgaan als rechten zou heffen bij een enkelvoudige aanvraag voor die activiteit. De gemeente berekent die kosten op grond van artikel 2.51 door aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. NB.3. Stel er is sprake van een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit maakt daarvan deel uit. Als een ander bestuursorgaan voor het behandelen van de meervoudige aanvraag bevoegd gezag is, heeft het college recht van ‘advies en instemming’.

Het college berekent dan aan het bevoegd gezag als kosten door de leges die hijzelf geheven zou hebben als sprake was van een enkelvoudige aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. NB.4. Als het onder NB.3 genoemde geval een geval betreft waarvoor de gemeenteraad adviseur is (zie artikel 16.15a van de Ow en artikel van het 4.21 Ob), is de gemeenteraad adviseur voor het college van burgemeester en wethouders voor het besluit over instemming (artikel 16.15a, onder b, 2, van de Ow en artikel 4.21, tweede lid, van het Ob). Het college berekent dan als kosten aan het bevoegd gezag door de leges die het zelf als bevoegd gezag geheven zou hebben voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van de tarieventabel: leges bouwactiviteit (artikel 2.5 en 2.6 ) plus evt. modaliteiten als beoordeling rapporten (artikel 2.49) en advies gemeenteraad (artikel 2.50, eerste lid, onder a).

Paragraaf 2.13 Vermindering Artikel 2.52 Vermindering na omgevingsoverleg Artikel 2.52 bepaalt dat de voor de aanvraag om een omgevingsvergunning verschuldigde leges worden verminderd met het bedrag dat al voor het aan de aanvraag voorafgaande omgevingsoverleg is betaald. Er gelden wel aanvullende regels. Vanuit de praktijk is de wens geuit om een extra vermindering te kunnen geven ter stimulering van het omgevingsoverleg. Dat is in het artikel tot uitdrukking gebracht door de vermindering te bepalen op een percentage van de leges die voor het omgevingsoverleg verschuldigd waren. Bij stimulering van omgevingsoverleg is het percentage hoger dan 100, bijvoorbeeld 120%. Als die stimuleringsgedachte niet bestaat, kan een gemeente ook een lager percentage hanteren. Of natuurlijk gewoon 100%. In het tweede lid zijn voorwaarden opgenomen waaraan voldaan moet zijn. De aanvraag om een omgevingsvergunning moet zijn gedaan: a. voor dezelfde activiteit of activiteiten als waarop het omgevingsoverleg betrekking had; b. in overeenstemming met de uitkomsten van het omgevingsoverleg; en c. binnen […] maanden na het laatste omgevingsoverleg of, als het omgevingsoverleg volgens afspraak leidt tot een kennisgeving aan de aanvrager, na de dagtekening van de kennisgeving. Op grond van het derde lid blijft na vermindering altijd een minimumbedrag verschuldigd.

De vermindering kan er dus niet toe leiden dat voor de aanvraag van de omgevingsvergunning geen leges meer verschuldigd zijn of zelfs een bedrag zou moeten worden teruggegeven. Pagina 82 van 93

[Artikel 2.53 Vermindering bij meervoudige aanvraag Artikel 2.53 bevat een vermindering als sprake is van een meervoudige aanvraag. Wij hebben het artikel als facultatief opgenomen. De gemeente moet zelf de wenselijkheid ervan afwegen. Een meervoudige aanvraag betreft verschillende activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Naarmate de aanvraag meer vergunningplichtige activiteiten omvat, zal er sprake zijn van relatief minder administratief werk voor de beoordelende instantie(s). Omdat hierdoor kostenvermindering optreedt en om te stimuleren dat aanvragen om een omgevingsvergunning betrekking hebben op zo veel mogelijk activiteiten (bijvoorbeeld kappen, slopen, bouwen) die deel uitmaken van een initiatief, hebben wij in dergelijke gevallen een vermindering op het legesbedrag opgenomen. We onderkennen drie klassen: 5 tot 10, 10 tot 15 en 15 of meer activiteiten. Het percentage van de vermindering loopt met de hoeveelheid activiteiten iets op. De gemeente kan de percentages invullen en/of kiezen voor meer ‘verminderingsklassen’. De mba hebben wij uitgezonderd omdat bij de tariefstelling voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een mba al een clustering van activiteiten heeft plaatsgevonden.]

Paragraaf 2.14 Teruggaaf Algemeen Een teruggaaf is een voorzienbare hardheid die zich bij toepassing van de verordening kan voordoen. Bij onvoorziene gevallen, kan de hardheidsclausule worden toegepast (artikel 63 AWR). Artikel 2.54 Teruggaaf bij aanvraag en oordeel geen omgevingsvergunning nodig Als de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning leidt tot het oordeel dat geen omgevingsvergunning nodig is, is wel sprake van het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Op grond van artikel 14.4, eerste lid, van de Or (tarievenregeling van het rijk) geldt dan een gereduceerd tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief. Op die tarievenregeling is het belastingrecht niet van toepassing. Omdat in dit geval wel sprake is van het in behandeling nemen van een aanvraag, is formeel het gewone tarief verschuldigd is, maar is het niet redelijk het volledige bedrag te heffen. Daarom hebben wij ‘het gereduceerde tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief’ geformuleerd als een teruggaaf van [85]% van de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag. De gemeente is autonoom om een ander percentage te hanteren.

In dit verband wijzen wij nog op artikel 16.64a, eerste lid, van de Ow: Als het bevoegd gezag naar aanleiding van de aanvraag om een omgevingsvergunning van oordeel is dat geen omgevingsvergunning nodig is, wordt dat vermeld in de kennisgeving, bedoeld in artikel 16.64, derde lid, van de Ow. Zie ook: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2004:AQ7004. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt daarin: ‘Voor de beantwoording van de vraag of voor een voorgenomen handeling een vergunning vereist is, kan een vergunning worden aangevraagd dan wel door een derde om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen worden verzocht. Het bevoegde bestuursorgaan dient bij het nemen van een besluit op zulk een aanvraag of verzoek de vraag naar de vergunningplicht als een voorvraag te beoordelen.’ Gelet op het bovenstaande hebben wij in de tarieventabel geen tariefbepaling opgenomen voor een zogenaamde ‘verklaring vergunningvrij’. Als iemand wil weten of een omgevingsvergunning nodig is, kan hij/zij een aanvraag om een omgevingsvergunning indienen. Voor het in behandeling nemen van Pagina 83 van 93

zo’n aanvraag worden de reguliere leges voor de betreffende activiteit geheven. Als het college tot het oordeel komt dat geen omgevingsvergunning nodig is, is een teruggaaf van een legesdeel mogelijk door de bepaling in artikel 2.54. Artikel 2.55 Teruggaaf als aanvraag verder buiten behandeling wordt gelaten Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, voorziet artikel 14.4 lid 2 Or (tarievenregeling Rijk) in een gereduceerd tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief. Ook hier is de aanvraag al in behandeling genomen. De Hoge Raad heeft beslist dat ‘de uitdrukking 'in behandeling nemen' in de tarieventabel moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 229, lid 1, aanhef en onder letter b, van de Gemeentewet, in welk artikel de bevoegdheid is gegeven rechten te heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In een geval waarin ter zake van een aanvraag een besluit wordt genomen op de voet van artikel 4:5 van de Awb kunnen er reeds diensten zijn verstrekt welke heffing rechtvaardigen.’ (Hoge Raad 21-12-2007, ECLI:NL:HR:2007:BC0652.

Ook hier kan het heffen van het volledige legesbedrag voor de aanvraag onredelijk zijn en hebben wij ‘het gereduceerde tarief van 15% van het oorspronkelijke tarief’ geformuleerd als een teruggaaf van [85]% van de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag. De gemeente is autonoom om een ander percentage te hanteren. Artikel 2.56 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij reguliere procedure Artikel 2.56 ziet op de situatie dat de aanvraag wordt ingetrokken binnen een bepaald tijdsbestek na het in behandeling nemen van de aanvraag maar voor het verlenen van de vergunning. Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen (of niet alle berekende leges hoeft af te rekenen), maar dat de gemeente al wel kosten heeft gemaakt bij het in behandeling nemen van de aanvraag. Hoe meer tijd er verstreken is, hoe meer werkzaamheden al zijn uitgevoerd, hoe hoger de gemaakte kosten zullen zijn en des te minder zal de burger terug ontvangen. Daarom is gedifferentieerd naar de verstreken tijd. Omdat voor de reguliere procedure andere beslistermijnen gelden dan bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure, geldt artikel 2.56 alleen als de reguliere procedure op de aanvraag van toepassing is. De reguliere beslistermijn is acht weken, als instemming van een ander bestuursorgaan is vereist twaalf weken.

Deze beslistermijnen kunnen met zes weken worden verlengd (artikel 16.64 Ow). Bij invulling van het aantal weken in de tariefbepaling moet hiermee rekening worden gehouden. Wij hebben de regeling afgestemd op artikel 14.4, vierde lid, van de Or (tarievenregeling rijk). Daar is het geformuleerd als lager tarief, resp. 25%, 50% en 75%, dus andersom aan de door ons geformuleerde teruggaaf van resp. 75%, 50% en 25%. Wij kiezen voor een teruggaafbepaling omdat de aanvraag al in behandeling is genomen. Teruggaaf is alleen mogelijk als nog niet op de vergunningaanvraag is beslist. Artikel 2.57 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift bij uitgebreide voorbereidingsprocedure Dit is eenzelfde regeling als in artikel 2.56, maar nu voor het geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Zie voor de toepassing van de procedure paragraaf 16.5.3 van de Ow. Artikel 3:18, eerste lid, van de Awb bepaalt de beslistermijn op ten hoogste zes maanden. Bij complexe zaken kan de termijn worden verlengd met zes weken (artikel 16.66, derde lid, van de Ow in samenhang met artikel 3.18, tweede lid, van de Awb). Bij invulling van het aantal weken in de tariefbepaling moet hiermee rekening worden gehouden. Wij hebben de regeling afgestemd op artikel 14.4, derde lid, van de Or (tarievenregeling rijk).

Daar is het geformuleerd als lager tarief, resp. 25%, Pagina 84 van 93

50% en 75%, dus andersom aan de door ons geformuleerde teruggaaf van resp. 75%, 50% en 25%. Wij kiezen voor een teruggaafbepaling omdat de aanvraag al in behandeling is genomen. Teruggaaf is alleen mogelijk als nog niet op de vergunningaanvraag is beslist. Artikel 2.58 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg-, sloop- of milieubelastende activiteiten In artikel 2.58 gaat het om de situatie dat de gevraagde vergunning is verleend maar de bouw-, sloop-, aanleg- of milieubelastende activiteiten niet worden uitgevoerd. De werkzaamheden ter beoordeling van de vergunningaanvraag zijn wel verricht, maar de werkzaamheden verbonden aan het houden van toezicht gedurende het realisatieproces hoeven niet verricht te worden, terwijl bij het vaststellen van het tarief wel met de kosten daarvan rekening is gehouden. Daarom kan worden besloten een deel van de geheven leges terug te betalen. Het is wel van belang dat de vergunning wordt ingetrokken, omdat anders teruggaaf plaatsvindt terwijl de aanvrager vervolgens alsnog met de bouw of werkzaamheden zou kunnen aanvangen. Daarom gelden drie voorwaarden voor de teruggaaf: 1. de vergunninghouder dient een aanvraag om intrekking in, 2. binnen een bepaalde in het artikel op te nemen termijn na vergunningverlening, en 3.

er is nog geen gebruik gemaakt van de omgevingsvergunning, met andere woorden: de activiteit is nog niet uitgevoerd. Artikel 2.59 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouwof milieubelastende activiteiten De situatie van artikel 2.59 doet zich voor als de aanvraag niet leidt tot het verlenen van de vergunning. Ook hier zullen de controlewerkzaamheden niet worden verricht, wat een lager tarief rechtvaardigt. Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen. Wij hebben de teruggaaf beperkt tot de bouwactiviteiten en mba, omdat daar doorgaans substantiële legesbedragen mee zijn gemoeid. Met een weigering hebben wij gelijkgesteld het geval dat de vergunning door de rechter wordt vernietigd. Artikel 2.60 Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten Het legesdeel modaliteiten betreft de in paragraaf 2.12 opgenomen tarieven, wat verhogingen zijn op de reguliere tarieven voor een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit op grond van de Ow. Dit zijn meestal geen door de gemeente beïnvloedbare kosten. Daarom is er geen reden deze ook in de teruggaaf te betrekken. Artikel 2.61 Minimumbedrag teruggaaf Uit doelmatigheidsoverwegingen hebben wij bepaald dat de teruggaaf een bepaald bedrag te boven moet gaan.

Teruggaaf in verband met het realiseren van duurzaamheidsmaatregelen De legesverordening kan worden gebruikt als instrument om duurzaamheidsdoelen te realiseren. De gemeente wil bijvoorbeeld een bijdrage leveren aan de verbetering van het klimaat en de vermindering van de CO2-uitstoot. Een belangrijke bijdrage aan deze doelstelling kan worden geleverd door het realiseren van duurzaamheidsmaatregelen bij bestaande gebouwen en nieuwbouw, door de bouw van zonneparken en windturbines en door de aanleg van (verzwaarde) elektriciteitsnetwerken en warmtenetten. In veel gevallen is voor het verrichten van deze duurzaamheidsmaatregelen een omgevingsvergunning nodig (bouwactiviteit, aanlegactiviteit, buitenplanse omgevingsplanactiviteit). De leges die de gemeente hiervoor heft, werken kostenverhogend en vormen een drempel om tot het Pagina 85 van 93

nemen van duurzaamheidsmaatregelen over te gaan. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt de legesheffing af te stemmen op het gemeentelijke beleid, zoals zij dat heeft geformuleerd op het gebied van de energietransitie. De gemeente kan genoemde drempel wegnemen of verlagen door een teruggaaf van bepaalde leges te verlenen voor die gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en waarin na afronding van de activiteiten blijkt dat duurzaam is gebouwd of verbouwd, dan wel een collectieve voorziening voor duurzame energieopwekking is gerealiseerd. De VNG heeft voor de volgende duurzaamheidsmaatregelen modelteruggaafbepalingen geformuleerd: - Bestaande woningen isoleren - Renovatie tot nul-op-de-meter-woning - Plaatsen van zonnepanelen op daken of aan gevels - Aanbrengen van een begroeid dak - Buitenunit voor een warmtepomp - Plaatsing zonnecollectoren voor zonneboiler - Energiezuinige nieuwbouw - Bouw van zelfstandige, grondgebonden zonnepanelen - Bouw van windturbine(s) - Aanleg (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet De modelteruggaafbepalingen zijn te vinden op https://vng.nl/files/vng/20180509-legesverordening-alsinstrument-duurzaamheidsbevordering.pdf en moeten in overeenstemming worden gebracht met de nieuw structuur van de tarieventabel van de legesverordening. De teruggaafbepalingen kunnen worden ingevoegd na artikel 2.59.

De legesteruggaaf heeft uitsluitend betrekking op de leges voor de activiteiten bouwen, aanleggen of buitenplans afwijken en voor zover deze de duurzaamheidsmaatregel(en) betreffen en ziet niet op eventuele andere activiteiten.

Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn en niet vallend onder hoofdstuk 2 Europese Dienstenrichtlijn Algemeen Ter bevordering van de vrijheid van vestiging en de vrije verrichting van grensoverschrijdende diensten streeft de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) naar: - vereenvoudiging van administratieve procedures - de opheffing van belemmeringen voor dienstenactiviteiten en - vergroting van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten onderling en van dienstverrichters en consumenten in de interne markt. (Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376.) Eind 2006 is de EDR in werking getreden. De EDR is geïmplementeerd in de Dienstenwet (Stb. 2009, 503). De EDR heeft consequenties voor de legesheffing voor díe vergunningstelsels die onder haar reikwijdte vallen. Wanneer valt vergunningstelsel onder de EDR? Een vergunningstelsel valt alleen onder de EDR als het vergunningstelsel specifiek is gericht op dienstverrichters of dienstverleners. Een algemeen vergunningstelsel (bijv. de omgevingsvergunning Pagina 86 van 93

voor bouw- of aanlegactiviteiten) valt niet onder de EDR omdat dit zich niet uitsluitend richt op dienstverrichters/dienstverleners, maar ook op particuliere burgers. Ook bevat de EDR een aantal uitgezonderde gebieden. Alle modelverordeningen zijn gescreend op toepassing van de EDR. Daaruit is een aantal vergunningstelsels naar voren gekomen, die onder de EDR vallen. Wij hebben die ‘afgezonderd’ in hoofdstuk 3 van de tarieventabel leges. Als een gemeente nog andere vergunningstelsels kent dan die in de modelverordeningen zijn opgenomen, zal zij deze zelf moeten toetsen aan de EDR. Als het vergunningstelsel daaronder valt en de gemeente heft hiervoor leges, dan moet deze ook in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden opgenomen. Een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten valt ook onder de EDR. Maar omdat deze is gebaseerd op de Omgevingswet hebben wij deze in hoofdstuk 2 opgenomen. Wij hebben daarom aan de benaming van hoofdstuk 3 toegevoegd: en niet vallend onder hoofdstuk 2. Voor de kostentoerekening heeft dit geen gevolgen. EDR en leges De EDR heeft geen betrekking op belastingen. Artikel 13, tweede lid, EDR bepaalt dat eventuele kosten voor de aanvragers in verband met hun vergunningaanvraag redelijk zijn en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures in kwestie en de kosten van de procedures niet mogen overschrijden.

Dit betekent dat legesheffing mogelijk is. De kostentoerekening hoeft niet op individuele basis plaats te vinden. De EDR laat toe dat vaste (forfaitaire) bedragen voor dienstverlening in verband met vergunningprocedures worden gehanteerd, mits die forfaitaire kosten zijn gebaseerd op gemiddelde kosten. Wij merken hierbij nog op dat de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie heeft gesteld over het al dan niet van toepassing zijn van de Europese Dienstenrichtlijn op de legesheffing, meer in het bijzonder of de leges in dezen ook als belastingen in de zin van de EDR moeten worden aangemerkt (HR 5 juni 2015, nr. 13/03931, ECLI:NL:HR:2015:1467). Het Europese Hof van Justitie heeft die vraag echter onbeantwoord gelaten (HvJEU 30 januari 2018, C-360/15 (Amersfoort), ECLI:EU:C:2018:44). EDR en kruissubsidiëring Door de formulering van de artikel 13, tweede lid, van de EDR is kruissubsidiëring alleen nog toegestaan binnen clusters van sterk samenhangende vergunningstelsels. Dit betreft alleen de diensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. Wij hebben die in titel 3 opgenomen. Elke paragraaf van hoofdstuk 3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid.

Indien uit controle blijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid.

Paragraaf 3.1 Horeca Artikel 3.1 Exploitatie openbare inrichting Onderdeel a In artikel 2:28 van de model-APV heeft de VNG gekozen voor het handhaven van de horecaexploitatievergunning, maar alleen voor inrichtingen die: - niet onder de Alcoholwet (vóór 1 juli 2021 Drank- en Horecawet) vallen, dit in verband met de Bibob-toets, en - wel onder de Alcoholwet vallen en die voor ernstige overlast hebben gezorgd. Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een vrijstelling van de vergunningplicht. Deze vergunningplicht geldt ook voor de ‘droge horeca’. Daaronder wordt verstaan: het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik elders, en het Pagina 87 van 93

verstrekken van rookwaar (coffeeshops). Het staat gemeenten uiteraard vrij om de horecaexploitatievergunning geheel af te schaffen of geheel te handhaven. Wij hebben voor de horecaexploitatievergunning op basis van de model-APV in onderdeel a een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel b In onderdeel b staat een tariefbepaling voor een ontheffing van de sluitingstijd die op grond van de model-APV geldt voor horeca-inrichtingen. Artikel 3.2 Uitoefenen horeca- of slijtersbedrijf Onderdeel a Op grond van artikel 3 van de Alcoholwet is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Het gaat dan om het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse (horecabedrijf) of voor gebruik elders dan ter plaatse (slijtersbedrijf). Het gaat hier om de zogenaamde 'natte horeca'. Voor het afgeven van dergelijke vergunningen kunnen gemeenten leges heffen en daarbij zelf de hoogte van de te heffen leges vaststellen. In onderdeel a is hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel b De in onderdeel b geregelde ontheffing betreft een ontheffing van de regels waaraan paracommerciële rechtspersonen zich moeten houden bij de verstrekking van alcoholhoudende drank.

De burgemeester kan deze ontheffing met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen verlenen (artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet). Onderdeel c Als een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij burgemeester en wethouders te melden. Burgemeester en wethouders verstrekken, als nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. In onderdeel c is hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel d De tariefbepaling van onderdeel d ziet op het wijzigen van een aanhangsel bij de horecavergunning. Een horecavergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens: a. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; b. de aantekening door te laten halen dat een leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van het horecabedrijf of slijtersbedrijf. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel (artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Alcoholwet). Wij hebben hiervoor een tariefbepaling opgenomen in onderdeel d.

Onderdeel e Onderdeel e bevat een tariefbepaling voor ontheffingen als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet. Hiervoor kan de gemeente zelf de hoogte van de leges bepalen met inachtneming van het uitgangspunt van maximale kostendekking.

Pagina 88 van 93

Paragraaf 3.2 Seksbedrijven Artikel 3.3 Vergunning seksbedrijf Eerste lid Indien een gemeente een vergunningstelsel kent voor seksbedrijven zoals in de model-APV, kan ze hiervoor tariefbepalingen opnemen. Ook dit vergunningstelsel valt onder de Europese Dienstenrichtlijn. Op grond van artikel 3.3 van de Model-Algemene plaatselijke verordening (Model-APV) is het verboden om zonder vergunning een seksbedrijf uit te oefenen. Er zijn verschillende soorten seksbedrijven, zoals prostitutiebedrijven, sekstheaters, seksbioscopen, bedrijfsmatig verleende webcamseks enzovoort. Zie voor een beschrijving hoofdstuk 3 van de Model-APV en Ledenbrief 15/056 – Nieuw ‘Prostitutiehoofdstuk’ model-APV (9 juli 2015). Bij het aanvragen van een vergunning voor een seksbedrijf moet een bedrijfsplan worden overgelegd. Deze verplichting geldt voor alle prostitutiebedrijven, dus ook voor escortbedrijven. Uiteraard volgt uit de aard van de werkzaamheden dat een bedrijfsplan van een escortbureau – op bepaalde punten – een andere uitwerking vereist dan een bedrijfsplan van een prostitutiebedrijf met een andere aard. De beoordeling daarvan zou dus ook verschillend kunnen zijn qua arbeidsintensiteit. Dit rechtvaardigt dan een verschil in tariefstelling. De onderdelen a, b en c voorzien daarin. De aanvraag om de verlenging van een vergunning wordt behandeld als zijnde een nieuwe aanvraag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=9848e6eb-a24c-4296-b23b-bf78ff59fb69