Bijlage 1 Wijziging GR 2024 stukken_Zwartgemaakt
Tekst van het document
Paragraaf 12 Archiefvorming wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
§ 72 ARCHIEFVORMING
§ 12 ARCHIEF
[Artikel 27 I.Het Dagelijks Bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het lichaam overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur, met inachtneming van de Archiefwet 1995 vast te stellen regelinci. welke aan Gedeputeerde Staten moet worden meegedeeld.
[Artikel 27 Are hiefzorg Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 27a Archiefbeheer 1. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het lichaam, alsmede van
12
ZDe secretaris is beiast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het iichaam, aismede van de commissies, bedoeid in § 8.
3.Gedeputeerde Staten oefenen overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk IX van het Archiefbesluit toezicht uit op de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden.
4. De archiefbescheiden worden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het Rijksarchief of van de gemeente aan te wijzen door het Algemeen Bestuur. 5. Bij opheffing van deze recielinci worden de nog niet ingevolge het vorige lid overgebrachte archief- bescheiden geplaatst in die archiefbewaarplaats.1
de commissies, bedoeid in § 8, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarpiaats. 2. Het dageiijks bestuur steit voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar iichaam aismede van de commissies, bedoeid in § 8, die nog niet naar de archiefbewaarpiaats zijn overgebracht. Artikei 27b Archiefbewaarpiaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar iichaam wordt door het aigemeen bestuur aangewezen een archiefbewaarpiaats aangewezen. Artikel 27c Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Gedeputeerde Staten. Artikel 27d Verantwoording 1. De archivaris van Gedeputeerde Staten brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikei 27e Terbeschikkingsteiiing 1.
De deeinemers aan de regeiing steiien tijdig aan het dageiijks bestuur van het openbaar iichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2. in een verkiaring van terbeschikkingsteiiing worden de periode van terbeschikkingsteiiing en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gesteide archiefbescheiden vastgeiegd.
13
3. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.] Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[Artikel 31 Artikel 31 Begroting 1. Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 15 april 1. Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële de begroting dient, de algemene financiële en en beleidsmatige kaders en de voorlopige beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. deelnemende gemeenten. 2. Het Dagelijks Bestuur biedt jaarlijks een 2. Het Dagelijks Bestuur biedt jaarlijks een ontwerpbegroting, alsmede een ontwerpbegroting, alsmede een meerjarenraming voor een aaneensluitend meerjarenraming voor een aaneensluitend tijdvlak van tenminste drie jaren, aan. Zowel tijdvlak van tenminste drie jaren, aan. Zowel de ontwerpbegroting als de meerjarenraming de ontwerpbegroting als de meerjarenraming worden acht weken voordat zij aan het worden twaalf weken voordat zij aan het Algemeen Bestuur worden aangeboden, Algemeen Bestuur worden aangeboden, door door het Dagelijks bestuur toegezonden aan het Dagelijks bestuur toegezonden aan de de raden van de deelnemende gemeenten. raden van de deelnemende gemeenten. 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg 3.
De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor eenieder ter inzage van de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, lid lid 2, van de Gemeentewet is van 2, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. overeenkomstige toepassing. 4. De raden kunnen over de 4. De raden kunnen over de ontwerpbegroting en de meerjarenraming ontwerpbegroting en de meerjarenraming van van hun zienswijze doen blijken. Het hun zienswijze doen blijken. Het dagelijks Dagelijks Bestuur voegt de commentaren bij bestuur stelt de vertegenwoordigende de ontwerpbegroting en de organen voorafgaande aan het vaststellen meerjarenraming, zoals deze aan het van de begroting schriftelijk en Algemeen Bestuur wordt aangeboden. gemotiveerd in kennis van zijn oordeel 5. Het Algemeen Bestuur stelt de begroting over de zienswijze, alsmede van de en de meerjarenraming vast vóór 15 juli van eventuele conclusies die het daaraan het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de verbindt. begroting moet dienen. 5. Het Algemeen Bestuur stelt de begroting 6. Terstond na de vaststelling zendt het en de meerjarenraming vast vóór 15 juli van Algemeen Bestuur, zo nodig, de begroting het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de en de meerjarenraming aan de raden.
Deze begroting moet dienen. kunnen van hun zienswijze doen blijken bij 6. Terstond na de vaststelling zendt het Gedeputeerde Staten.] Algemeen Bestuur, zo nodig, de begroting en 7. Het Dagelijks Bestuur zendt de de meerjarenraming aan de raden. Deze begroting en de meerjarenraming binnen kunnen van hun zienswijze doen blijken bij twee weken, doch in ieder geval vóór 1 Gedeputeerde Staten. augustus aan Gedeputeerde Staten. 7. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting en de meerjarenraming binnen twee weken, doch in ieder geval vóór 15 september aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
14
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[Artikel 38 1. Een college kan, na vooraf verkregen toestemming van de raad van die gemeente, besluiten uit deze regeling te treden. 2. Uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van enig kalenderjaar, mits een daartoe strekkend besluit tenminste één jaar tevoren aan het Algemeen Bestuur toegezonden is. 3. Het Algemeen Bestuur stelt de financiële en eventueel andere voorwaarden vast waaronder uittreding plaatsvindt.!
[Artikel 38 Uittreding 1. Een college kan, na vooraf verkregen toestemming van de raad van die gemeente, besluiten uit deze regeling te treden. 2. Uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van enig kalenderjaar, mits een daartoe strekkend besluit tenminste één jaar tevoren aan het Algemeen Bestuur toegezonden is. 3. Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke registeraccountant opdracht verleend een uittredingsplan op te stellen dat ten minste inzicht geeft in alle kosten, die direct en indirect samenhangen met de uittreding. De kosten van het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Het uittredingsplan wordt vastgesteld door het algemeen bestuur. 4. De uittredende deelnemer verplicht zich het personeel dat is belast met de uitvoering van de door deze deelnemer opgedragen taken over te nemen of, indien dit niet mogelijk is, daarvoor een schadeloosstelling te betalen. Het algemeen bestuur stelt de omvang van het toe te wijzen personeel of de hoogte van die schadeloosstelling vast op basis van de begroting over het Jaar voorafgaande aan het Jaar waarop de uittreding betrekking heeft en kan daarbij een nader te bepalen overbruggingsperiode vaststellen. 5. Het Algemeen Bestuur regelt de verdere gevolgen van de uittreding. 6.
Het lichaam en de uittredende deelnemer spannen zich in om de nadelige financiële gevolgen van de uittreding, bedoeld in het vierde lid, zoveel mogelijk te beperken.J
Na artikel 38 wordt een nieuwe artikel 38a ingevoegd
Bestaande tekst
Nieuwe tekst [Artikel 38a Uittredingsplan en uittreedsom
15
1. Het in artikel 38, derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die een direct en indirect gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 2. Bij het berekenen van de uittreedsom worden de volgende uitgangspunten en aannames gehanteerd: a. De uittreedsom is een vergoeding voor de werkelijke schade die de GR leidt en die rechtstreeks het gevolg is van de uittreding van een deelnemer. Voor zover toepassing van het uittredingsplan niet leidt tot vergoeding van de werkelijke schade, kan het Algemeen Bestuur de uittreedsom op andere wijze berekenen. b. De tarieven die bij de deelnemers in rekening worden gebracht dekken de kosten die de GR maakt voor 100%. De kostenstructuur bestaat nagenoeg uitsluitend uit vaste lasten. Er wordt daarom van uitgegaan dat de schade die de GR als gevolg van uittreding per Jaar lijdt, gelijk is aan de jaarlijkse inkomstenderving. c. De jaarlijkse inkomstenderving is gelijk aan de gemiddelde jaarinkomsten die zijn verworven bij de uittredende deelnemer, berekend over de periode van drie jaar direct voorafgaand aan het Jaar waarin het besluit tot uittreding aan het Algemeen Bestuur is toegezonden. d.
De termijn die de GR nodig heeft om in te spelen op de uittreding en waarover de GR dus schade lijdt, is vier jaar. e. De uittreedsom bedraagt derhalve vier keer de gemiddelde jaarlijkse inkomsten die de GR verwerft bij de uittredende deelnemer en die worden berekend zoals aangegeven onder c. Van dit bedrag wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de Algemene Reserve per 31 december van het Jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding, afgetrokken. Het bedrag is exclusief BTW. 3. De uittredende deelnemer is gehouden de uittreedsom uiterlijk ter
16
gelegenheid van diens uittreding te voldoen.] Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[Artikel 39 1. Deze regeling kan worden gewijzigd indien de colleges van tenminste 2/3 deel der gemeenten daartoe een eensluidend besluit nemen, met uitzondering van artikel 5. Voor wijziging van het hiervoor genoemde artikel is unanimiteit vereist. 2. Een college dat wijziging wenselijk acht, richt het daartoe strekkende voorstel aan het Algemeen Bestuur. 3. Indien het Algemeen Bestuur of één of meer colleges wijziging wenselijk achten, doet het Algemeen Bestuur een daartoe strekkend voorstel aan de raden.]
[Artikel 39 Wijziging 1. Deze regeling kan worden gewijzigd indien de colleges van tenminste 2/3 deel der gemeenten daartoe een eensluidend besluit nemen, met uitzondering van artikel 5. Voor wijziging van het hiervoor genoemde artikel is unanimiteit vereist. 2. Een college dat wijziging wenselijk acht, richt het daartoe strekkende voorstel aan het Algemeen Bestuur. 3. Indien het Algemeen Bestuur of één of meer colleges wijziging wenselijk achten, doet het Algemeen Bestuur een daartoe strekkend voorstel aan de raden. 4. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling naar voren brengen.]
Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[Artikel 40 1. Deze regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van tenminste 2/3 deel van de gemeenten. 2. In geval van opheffing wordt het Dagelijks Bestuur met de liquidatie van de dienst belast. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, de raden gehoord, vastgesteld. 3. Ter uitvoering van de liquidatie blijft het Dagelijks Bestuur zo nodig na het tijdstip van opheffing van de regeling in functie. 4. Een batig saldo komt ten bate, een nadelig saldo wordt naar verhouding van het inwonertal van de gemeenten op 1 januari
[Artikel 40 Opheffing 1. Deze regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van tenminste 2/3 deel van de gemeenten. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis van het college te brengen. 2. In geval van opheffing wordt het Dagelijks Bestuur met de liquidatie van de dienst belast. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, de raden gehoord, vastgesteld.
17
van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarop de regeling wordt opgeheven, vastgesteld. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de door het Centraal Bureau van de Statistiek bekend gemaakte bevolkingscijfers.]
3. Ter uitvoering van de liquidatie blijft het Dagelijks Bestuur zo nodig na het tijdstip van opheffing van de regeling in functie. 4. Een batig saldo komt ten bate, een nadelig saldo wordt naar verhouding van het inwonertal van de gemeenten op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarop de regeling wordt opgeheven, vastgesteld. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de doorbet Centraal Bureau van de Statistiek bekend gemaakte bevolkingscijfers.]
De titel van paragraaf 17 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[§ 17 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN]
[§ 17 SLOTBEPALINGEN]
18
Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[Artikel 41 Het college van de gemeente Leeuwarden draagt overeenkomstig artikel 26 van de wet zorg voor de bekendmaking van de in dat artikel genoemde besluiten en voor de toevoeging van gegevens als bedoeld in artikel 136, tweede lid, van de wet aan het register als bedoeld in artikel 136, eerste lid, van de wet.l
[Artikel 41 Bekendmaking en registratie 1. Het college van de gemeente Leeuwarden, als vestigingsgemeente van de gemeenschappelijke regeling hüs en hiem, maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door Leeuwarden uitgegeven Gemeenteblad. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.J
Na artikel 41 wordt een nieuw artikel 42 toegevoegd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst [Artikel 42 Evaluatie van de regeling 1. De doel- en taakstelling van de regeling, de wijze van uitvoering en de financiering daarvan zullen periodiek geëvalueerd worden. 2. Daartoe zal het dagelijks bestuur, in overleg met de directeur, gehoord de colleges en de raden van de betrokken deelnemers, om de vier Jaar een onderzoeksvoorstel opstellen, dat aan het algemeen bestuur ter vaststelling zal worden voorgelegd. 3. Op grond van de uitkomsten van deze evaluatie kan het dagelijks bestuur voorstellen tot wijziging van de regeling doen, dan wel tot aanpassing van de financieringsmethodiek, de bedrijfsvoering en/of de organisatiestructuur van hüs en hiem.]
e
adviseurs omgevingskwaliteit
Datum
26 april 2024
Onderwerp
Reactienota zienswijze Gemeenschappelijke Regeling hüs en hiem
Geacht college, De tekst voorde vernieuwde gemeenschappelijke regeling hüs en hiem is in een zorgvuldig proces
meermaals afgestemd met ambtenaren en is voor zienswijze aangeboden aan de raden. Van de
gemeente Achtkarspelen en van de gemeente De Fryske Marren is een zienswijze ontvangen. Hierbij
treft u een overzicht van de ontvangen zienswijzen aan, voorzien van een reactie, waarbij aangegeven wordt of de zienswijze aanleiding heeft gegeven om nog een wijziging in de gemeenschappelijke
regeling aan te brengen, alvorens die aan u toe te sturen met het verzoek om instemming.
Zienswijzen gemeente Achtkarspelen
1. zienswijze over de berekening van de uittreedsom (artikeien 38 en 38a GR);
Volgens de gemeenteraad van Achtkarspelen zijn in de regeling twee verschillende berekeningen
opgenomen die de hoogte van de uittreedkosten bepalen, namelijk: a)
een vaststelling door het algemeen bestuur ten aanzien van de nadelige financiële gevolgen
(artikel 38 lid 4 GR); b)
de kosten van de uittreedsom zoals beschreven in artikel 38a lid 2 GR.
De gemeenteraad stelt dat de kosten van de uittreding vooraf niet in te schatten zijn, doordat er naast
een uittredingsplan (artikel 38a GR) ook financiële afwegingen door het algemeen bestuur kunnen
worden gemaakt (artikel 38 lid 4). Dit geeft onvoldoende duidelijkheid over de daadwerkelijke hoogte van de kosten voor uittreding.
Voorgesteide opiossingen door gemeenteraad i)
Enkel de uittreedsomformule uit artikel 38a lid 2 hanteren. Dan is volgens de gemeenteraad
door de deelnemende gemeenten vooraf in te schatten wat de uittreedkosten zullen zijn. ii)
Geen uittreedsomformule hanteren, maar enkel een uittredingsplan op laten stellen. De
hoogte van de uittreedsom is volgens de gemeenteraad dan niet vooraf in te schatten, met als
gevolg onduidelijkheid voor gemeenten die een uittreding willen verkennen.
Reactie op zienswijze De gemeenteraad van Achtkarspelen heeft een punt dat uit artikel 38 lid 4 nu lijkt te volgen dat naast het uitreedplan, waarin de uittreedsom wordt opgenomen, nog een andere berekeningssystematiek is
opgenomen voor het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom. In de definitie tekst is daarom de zin ‘Het algemeen bestuur stelt daarnaast ook een vergoeding vast ten aanzien van de overige nadelige financiële gevolgen van de uittreding’ uit het vierde lid verwijderd. Voor de duidelijkheid is de
laatste volzin van dat lid (‘De uittredende deelnemer is gehouden de uittreedsom uiterlijk ter
gelegenheid van diens uittreding te voldoen.’) verplaats naar artikel 38a.
2. Zienswijze over het benodigde aantal stemmen bij wijziging van de regeling (artikel 39 GR)
In artikel 5 van de gemeenschappelijke regeling staat het doel van de regeling en de door de gemeenschappelijke te behartigen belangen van de deelnemers. In artikel 39 lid 1 van de regeling is
bepaald dat een wijziging van artikel 5, een unaniem besluit van colleges vergt. Volgens de gemeenteraad van Achtkarspelen zou ten aanzien van meer bepalingen die raken aan alle
deelnemende gemeenten, moeten worden geregeld dat die bepalingen slechts bij unaniem besluit kunnen worden aangepast. De gemeenteraad noemt de artikelen: 6 (taken), 37 (toetreding), 38
(uittreding), 38a (uittreedplan en uittreedsom), 39 (wijziging) en 40 (opheffing).
Voorgestelde oplossingen door gemeenteraad
Bovengenoemde artikelen opnemen in artikel 39 als uitzondering (naast artikel 5) op het bepaalde in
de eerste volzin van het eerste lid. Reactie op zienswijze
Dit is een principiële keuze van de deelnemers. Beredeneerd vanuit dat gedachte dat genoemde artikelen alle deelnemende gemeenten kunnen raken en/of zwaarwegende financiële gevolgen voor
alle deelnemende gemeenten (kunnen) hebben, valt er wat voor te zeggen om wijzigingen van deze
bepalen aan unanieme besluitvorming te onderwerpen. Het nadeel hieraan is echter dat één deelnemer een wijziging van deze bepalingen te allen tijde kan tegenhouden. Een tegenstem is
immers voldoende om een voorgestelde wijziging geen doorgang te laten vinden. De
gemeenschappelijke regeling zal met de voorgestelde oplossing dus minder flexibel en wendbaar worden. Om die reden is ervoor gekozen om de zienswijze niet over te nemen en de definitieve tekst van de GR op dit punt niet te wijzigen.
Zienswijze gemeente De Fryske Marren
2. Zienswijze over het instellen van een regionale adviescommissie (artikel 24a GR)
In de zienswijze wordt voorgesteld om in artikel 21 van GR hüs en hiem wordt verwezen naar artikel
24a van de Wgr. De gedachte bij de indieners van het amendement lijkt te zijn dat het zonder deze verwijzing voor gemeenteraden niet mogelijk is een regionale adviescommissie in het leven te laten roepen.
Reactie op zienswijze De zogenaamde ‘regionale adviescommissie’ uit artikel 24a van de Wgr is een nieuw instrument
(sinds de wijziging van de V\^r per 1 juli 2022) om de invloed van gemeenteraden te vergroten.
Anders dan de zienswijze lijkt te veronderstellen, is voor dit instrument geen wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk, nu artikel 24a van de Wgrde instelling altijd mogelijk maakt. Het is dus de Wgrdie gemeenteraden de mogelijkheid geeft om het algemeen bestuur te
verzoeken een regionale raadsadviescommissie in te stellen. Het is niet noodzakelijk daarvoor een
kapstokbepaling in de gemeenschappelijke regeling op te nemen. Omdat het ook niet fout is om het wel te doen en omdat het voor de volledigheid wellicht duidelijker is, is besloten om in de definitieve
tekst wel een extra lid toe te voegen met een verwijzing naar artikel 24a Wgr.
Ik hoop u zo voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet.
Namens het dagelijks bestuur van hüs en hiem
H. de Haan, voorzitter
M.A. Visser, secretaris-directeur