Bijlage 1 Verordening Standplaatsen Vlieland 2024 versie definitief (10-12)
Tekst van het document
Verordening Standplaatsen Vlieland 2024
Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Vlieland tot vaststelling van de Verordening Standplaatsen Vlieland 2024.
De raad van gemeente Vlieland, overwegende dat: door een gewijzigde situatie het beleid uit 2019 verouderd is; het gewenst is om het beleid omtrent standplaatsen aan te passen; de bevoegdheid van het opstellen van een regels in belang van de gemeente bij de raad is belegd; de lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; het college van burgemeester en wethouder op 26 januari 2024 een reactie heeft gegeven op het initiatiefvoorstel;
gelet op:
artikel 149 Gemeentewet is de raad bevoegd om een verordening op te stellen; artikel 147a Gemeentewet kan een lid van de raad een initiatiefvoorstel indienen; er op vrijdag 2 juni 2023 een inspraakavond heeft plaatsgevonden in de Vliestroom;
b e s l u i t vast te stellen de volgende verordening:
Verordening Standplaatsen Vlieland 2024
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen a.
APV: algemene plaatselijke verordening gemeente Vlieland 2011.
b.
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlieland.
c.
Evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak zoals beschreven staat in artikel 2.24 APV;
d.
Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Niet zijnde: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
e.
Standplaatsvergunning: een vergunning voor het innemen van een standplaats.
f.
Strand: het zeestrand aan de Noordzee met inbegrip van de duinhellingen en/of het beloop der duinen, inclusief de droog liggende banken.
g.
Vaste standplaats: een standplaats op een daartoe aangewezen locatie die voor een aaneengesloten periode van maximaal zeven jaar wordt ingenomen.
h.
Verkoopmiddel: een kar, wagen, kraam, tafel of anderszins een verkoopmiddel.
Hoofdstuk 2. Bereik van de verordening
Artikel 2 Reikwijdte 1.
De bevoegd tot uitvoering van deze verordening ligt bij het college van B&W.
2.
Standplaatsvergunningen worden uitsluitend verleend ten behoeve van ambulante handel en dienstverlening.
3.
Deze verordening is niet van toepassing op het toewijzen en/of innemen van standplaatsen op de (week)markt/braderie.
4.
Deze verordening is niet van toepassing op evenementen.
5.
Deze verordening is niet van toepassing op het strand.
Artikel 3 Maximum stelsel vaste standplaatsen 1.
Er geldt een maximum stelsel voor drie vaste standplaatsen.
2.
De vaste standplaatsen zijn:
a.
Een standplaats in de vorm van een authentieke houten viskar aan het Havenplein, die kan worden ingenomen in aangegeven gebied (bijlage 1)
b.
Een standplaats aan de Badweg nabij kruising Kampweg, welke kan worden ingenomen in aangegeven gebied (bijlage 2)
c.
Een standplaats bij de hoek van de Badweg en Willem de Vlaminghweg, welke kan worden ingenomen in aangegeven gebied (bijlage 3).
3.
Het college is bevoegd om in het kader van onvoorziene, zwaarwegende omstandigheden, af te wijken van bovengenoemde locaties.
HOOFDSTUK 3 Wijze van aanvragen
Artikel 4 Aanvraagvereisten 1.
Een standplaatsvergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij het college van B&W.
2.
De aanvraag dient te zijn voorzien van:
a.
naam en adres van de aanvrager;
b.
indien de aanvrager gebruik maakt van werknemers; namen van de werknemers, ID bewijzen en arbeidscontracten;
c.
omschrijving en/of foto van verkoopmiddel voorzien van afmetingen;
d.
het te verkopen assortiment;
e.
omgevingsvergunning voor activiteit en bouwwerk.
3.
Bij de aanvraag voor het innemen van een standplaats op particulier eigendom, moet een schriftelijke toestemming van de eigenaar of de zakelijke gerechtigde voor het gebruik van zijn terrein voor het innemen van een standplaats worden overlegd.
4.
De aanvrager van een vaste standplaats dient een inschrijving van de Kamer van Koophandel en een bewijs van inschrijving van het Centrale Registratiekantoor detailhandel ambacht te overleggen.
5.
Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de voorwaarden van voornoemde leden, dan kan de aanvraag niet in behandeling worden genomen
Artikel 5 Weigeringsgronden 1.
De aanvraag wordt getoetst aan de weigeringsgronden zoals verwoord in de APV.
2.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
3.
Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 APV kan de vergunning worden geweigerd:
a.
indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
b.
indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
HOOFDSTUK 4 Regels omtrent inrichting en gebruik standplaatsen
Artikel 6 Nadere voorwaarden Voor de standplaatsen worden, in overeenstemming met de gestelde kaders in de bijbehorende toelichting van de artikelen, in de vergunning nadere voorwaarden bepaald omtrent: a.
de oppervlakte van de standplaats;
b.
de aan- of afwezigheid van staanplaatsen en zitplaatsen;
c.
nadere eisen aan het verkoopmiddel;
d.
het assortiment;
e.
periode innemen standplaats;
f.
het duurzaam gebruik en uiterlijk aanzien van de standplaats, dat wil zeggen van het verkoopmiddel en van de directe omgeving.
Artikel 7 Toewijzen vaste standplaatsen
1.
Per ondernemer kan maximaal één vaste standplaatsvergunning worden afgegeven.
2.
De vaste standplaatsvergunning kan worden verleend voor een periode van maximaal zeven jaar.
3.
Na de termijn van zeven jaar wordt de standplaats aangeboden als een vrijkomende standplaats.
4.
Voor de vrijgekomen standplaatsen zal een publicatie plaatsvinden waarop belangstellenden schriftelijk kunnen reageren.
5.
Het college stelt nadere toewijzingscriteria conform de Europese regelgeving en de jurisprudentie (mededinging) vast voor een geobjectiveerd waarderingsmodel met puntensysteem. Degene met de hoogste score komt in aanmerking voor toekenning van de standplaatsvergunning. Ook bij slechts één gegadigde dient deze te voldoen aan een minimale score om te kunnen voldoen aan de ondergrens van de vereiste kwaliteitseisen.
Artikel 8. Vervallen van een standplaatsvergunning 1.
Het recht op een standplaats vervalt op eigen schriftelijk verzoek;
2.
Het recht op een standplaats vervalt bij overlijden van de vergunninghouder;
3.
Het recht op een standplaats vervalt na afloop van de in de vergunning opgenomen termijn.
Artikel 9. Intrekken van een standplaatsvergunning Een standplaatsvergunning kan onverhoopt tussentijds worden ingetrokken: a.
in het belang van de verkeersveiligheid en/of van de openbare orde;
b.
indien de vergunninghouder in strijd handelt met het bij of krachtens bepaalde van dit standplaatsenbeleid;
c.
indien de vergunninghouder in strijd handelt met de voorwaarden van de verleende vergunning;
d.
indien de vergunninghouder de vergunning niet daadwerkelijk benut door het innemen van de standplaats;
e.
indien de vergunninghouder in strijd handelt met de APV, de Warenwet, de Alcoholwet, Winkeltijdenverordening Vlieland, Wet Milieubeheer en/of Afvalstoffenverordening;
f.
indien de toestemming van de eigenaar van het terrein waarop de standplaats wordt ingenomen, wordt ingetrokken of vervalt.
Artikel 10. Nutsvoorzieningen 1.
Vergunninghouder is zelf verantwoordelijk voor de aanwezigheid van nutsvoorzieningen.
2.
Het is niet toegestaan gebruik te maken van een aggregaat, tenzij het college
hier onder voorwaarden uitdrukkelijk toestemming voor geeft voor een beperkte periode van tijd. 3.
Bij het eindigen van de vergunning, kan de vergunninghouder indien gewenst en na toestemming van het college, de geplaatste nutsvoorzieningen achterlaten.
4.
Wanneer er geen overname van nutsvoorzieningen zal plaatsvinden, dient de vergunninghouder bij einde van de termijn van de vergunning de nutsvoorzieningen te verwijderen.
Artikel 11. Persoonlijk innemen van de standplaats 1.
De standplaatsvergunning is persoonsgebonden. Wanneer de vergunninghouder zijn verkoopmiddel verkoopt, verhuurt of in gebruik geeft, verschaft dit de koper, huurder of gebruiker geen recht op toekenning van de standplaats.
2.
Het innemen van een standplaats is alleen toegestaan door de vergunninghouder dan wel door een bij hem in dienst zijnde werknemer.
3.
In geval er sprake is van een werknemer, zal dit schriftelijk kenbaar worden gemaakt aan het college voorzien van een kopie van arbeidsovereenkomst en ID-bewijs van de werknemer.
Artikel 12 Overlijden, blijvend arbeidsongeschiktheid 1.
In afwijking van artikel 8, tweede lid , kan, ingeval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid, de vergunning voor de resterende duur van de vergunning worden overgeschreven op de achterblijvende echtgeno(o)te, geregistreerd partner of een van de kinderen, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.
2.
Een daartoe strekkende aanvraag wordt binnen twaalf weken na het overlijden of na de vaststelling van de blijvende arbeidsongeschiktheid bij het college ingediend.
3.
Na afloop van de resterende duur, wordt de standplaats als vrijkomende standplaats aangeboden.
4.
Bij niet inachtneming van de termijn van het tweede lid, komt de vergunning te vervallen.
HOOFDSTUK 5 Algemeen
Artikel 13 Intrekken oude beleidsregels 1.
De beleidsregel Standplaatsenbeleid Vlieland 2019 wordt ingetrokken.
2.
Afdeling 4 Standplaatsen van hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente van de Algemene plaatselijke verordening Vlieland 2011 wordt ingetrokken.
Artikel 14
Overgangsrecht
Indien vóór de inwerkingtreding van deze verordening is besloten om inspraak te verlenen, gelden voor die inspraakprocedure de reeds gemaakte afspraken, conform de toenmalig geldende beleidsregels Standplaatsbeleid Vlieland 2019.
Artikel 15
Inwerkingtreding
1.
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking.
2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Standplaatsen Vlieland 2024.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Vlieland in de vergadering van 26 februari 2024.
De Raadsgriffier, M.G. Brinksma-Brandenburg
De voorzitter, M. Schrier
Toelichting
Inleiding Tot op heden wordt de uitwerking van het gestelde in “Afdeling 4 Standplaatsen” en in het bijzonder in artikel 5:18 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlieland 2011 (APV 2011) verwoord in beleidsregels. Dit biedt een toetsingskader voor vergunningverlening en vormt ook een regelinstrument om verstoring van de openbare orde en/of ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen op het gebied van de ambulante handel. Gezien het feit dat een groot deel van Vlieland natuurgebied is, er een waardevol dorpsgezicht is en er sprake is van een beperkt wegennet, wordt terughoudend omgegaan met het uitgeven van vergunningen voor het innemen van een standplaats. Met het in de voorliggende Verordening Standplaatsen Vlieland omschreven vergunningstelsel worden bovengenoemde waarden (natuurgebied en waardevol dorpsgezicht) zoveel mogelijk beschermd. Noodzaak tot actualisering van het beleid Op basis van het huidige beleid zijn er momenteel twee vergunningen afgegeven. Twee vergunningen worden elke 5 jaar opnieuw uitgegeven. Eén vergunning werd verleend onder het oude recht. Dat wil zeggen dat een vergunning steeds aan dezelfde vergunninghouder werd verleend. Deze vergunning is nu na ruim twintig jaar teruggegeven. Door het vrijkomen van deze vergunning ontstaat er een mogelijkheid om het beleid ter discussie te stellen.
Tegelijkertijd wijzigde de situatie, direct grenzend aan de oude, authentieke viskarstandplaats door een eigendomswisseling van het aangrenzende grasperk waarop planologisch woningbouw is toegestaan. In combinatie met de druk die op de Dorpsstraat wordt gelegd door op één van de smallere delen, een derde standplaats op die locatie te continueren, noopte dit alles, mede vanuit de gedachte van verkeersveiligheid in de openbare ruimte, tot een heroriëntatie van alternatieve mogelijkheden. Daartoe is onder meer een inloop voor de eilanders georganiseerd in De Vliestroom om mee te praten over actualisatie van het gemeentelijk standplaatsbeleid. Mede op basis hiervan, inclusief de inbreng van diverse betrokkenen, is er een initiatiefvoorstel ter zake ingediend.
Uitgangspunt is dat standplaatsen Vlieland verlevendigen, werkgelegenheid verschaffen, bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte en een verrijking zijn van het voorzieningenaanbod voor de inwoners van Vlieland en het toerisme. Om dit te bewerkstelligen en te kunnen handhaven, dient de geldende wetgeving in acht te worden genomen. Juist vanwege de gewaardeerde kleinschaligheid van Vlieland is het relevant om hierin duidelijkheid te scheppen. Voorliggende Verordening Standplaatsen Vlieland beoogt hierin te voorzien.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Begripsbepalingen spreken voor zich.
Artikel 2 In dit artikel wordt vastgesteld wanneer de verordening van toepassing is.
Artikel 3 Gemeente Vlieland kent een maximumstelsel. Dit is krachtens de jurisprudentie mogelijk. Er wordt hierbij verwezen naar de gepubliceerde uitspraak van de Raad van State ECLI:NL:RVS:BH4009. De afgelopen jaren is gebleken dat meer dan drie vaste standplaatsen te veel is voor het eiland Vlieland met zijn relatief kleine oppervlakte, de belangrijke natuur- en ruimtelijke waarden en beperkte wegennet. Gelet op aspecten als openbare orde, veiligheid, overlast, de ruimtelijke, economische en maatschappelijke aspecten en dat de standplaatsen Vlieland verlevendigen, zal het huidige aantal van drie vaste standplaatsen blijven bestaan.
Artikel 4 Om de aanvraagprocedure duidelijker te maken, is het raadzaam om hiervoor een schriftelijke procedure vast te stellen, zodat dit zowel voor de behandelende ambtenaar als voor de aanvrager helder is. Wat betreft de vereiste schriftelijke toestemming van de eigenaar van het stuk grond, genoemd onder het derde lid, bestaat soms de misvatting dat met deze toestemming dan tevens de vergunning voor een standplaats is verleend. Dit is uiteraard niet juist. Alleen het college kan een vergunning voor een standplaats verlenen.
Artikel 5 Op grond van de jurisprudentie kan worden gesteld dat bestuursorganen een ruime beleids- en beoordelingsruimte genieten bij het verlenen van een standplaatsvergunning. Het besluit om de vergunning te weigeren moet wel zijn gebaseerd op (een van) de algemene (1:8 APV en/of Algemene Wet Bestuursrecht) weigeringsgronden. Artikel 1:8 APV bepaalt dat een vergunning geweigerd kan worden bij strijdigheid met: - de openbare orde: bijvoorbeeld als het soort goederen of diensten of de wijze waarop deze worden aangeboden ertoe kan leiden dat de openbare orde wordt verstoord, is het mogelijk om de vergunning te weigeren. - de openbare (verkeers)veiligheid: men kan hier denken aan het verkeer blokkeren, of een bepaalde hoek is niet meer zichtbaar voor het verkeer of er bestaat een risico op onevenredige parkeerdruk. - de volksgezondheid; deze weigeringsgrond kan samenvallen met veiligheid wanneer het belang is verkeersslachtoffers te voorkomen. - bescherming milieu: hierbij kan gedacht worden aan het verstoren van het broedseizoen of wanneer de kans aanwezig is dat de milieunormen (geluid en stank) zullen worden overtreden. Ook duurzaamheid kan hierin een rol spelen.
Artikel 6 Onderhavig artikel geeft aan dat het nodige wordt geregeld in de voorwaarden van de verleende vergunning, conform onderstaande uitgangspunten: Onder a: Als uitgangspunt geldt dat het oppervlakte van de standplaatsen II & III inclusief verkoopmiddel, maar exclusief luifel maximaal 15m2 bedragen. De hoogte is maximaal 2,60m hoog. Er geldt één bouwlaag. Voor standplaats I (authentieke houten viskar) geldt als uitgangspunt dat de oppervlakte de grootte van het verkoopmiddel betreft, met een maximum van 5m2. Deze voorwaarde wordt gezien ter bescherming van ruimtelijke omgevingsaspecten (natuur en beschermd dorpsgezicht).
Onder b: Het gaat bij standplaatsen primair om detailhandel en niet om horeca. Het plaatsen van zitgelegenheden in combinatie met tafels of daarop gelijkende voorzieningen is daarom slechts onder strikte voorwaarden louter bij de standplaatsen II & III toegestaan. Een ondernemer die een standplaats II of III aanvraagt, dient vooraf aan te geven of er zitplaatsen (in de vorm van banken of losse stoelen) of staanplaatsen (in de vorm van statafels) bij de standplaats zullen komen. De mogelijkheid bestaat dat het is toegestaan om bij standplaats II: - één picknicktafel, geschikt voor maximaal zes personen en één statafel, geschikt voor drie personen, bij de standplaats aan te bieden; De mogelijkheid bestaat dat het is toegestaan om bij standplaats III: - twee picknicktafels, geschikt voor maximaal tweemaal zes personen en één statafel, geschikt voor drie personen, bij de standplaats aan te bieden; De mogelijkheid om enig materiaal te plaatsen op of nabij de authentieke viskar van standplaats I is, met uitzondering van een deugdelijke vuilnisbak, niet toegestaan.
Onder c: Een standplaatsvergunning kan worden geweigerd indien niet wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand. Om hier een richtlijn aan te geven gelden in het algemeen de navolgende kwaliteitscriteria voor het verkoopmiddel: - er mogen geen zeecontainers worden gebruikt als verkoopmiddel; - het verkoopmiddel dient niet dermate slecht onderhouden zijn dat dit een verstoring oplevert met de rest van de omgeving; - materiaal, kleur, vorm past in omgevingsbeeld. Voor wat betreft de standplaats I aan het Havenplein, wordt specifiek gekeken of het verkoopmiddel overeenkomt met de definitie van een authentieke houten viskar, passend in het aangezicht van het Havenplein.
De verkoopmiddelen. Onder d: Bij de aanvraag dient de aanvrager aan te geven welk assortiment hij of zij wenst te verkopen. Het college heeft bij het vaststellen van de voorwaarden binnen de vergunning dus enige keuzevrijheid binnen de gestelde kaders. Duidelijkheid is echter ook gewenst. Voor de viskar aan het Havenplein geldt een verplichting van het verkopen van louter verse vis en aan verse vis gerelateerde producten. Enige vorm van bakken en/of verwarmen van vis en vis gerelateerde producten is niet toegestaan, noch mogen deze vanuit standplaats I te koop worden aangeboden. Vergeleken met de andere locaties (i.c. rondom de standplaatsen II & III), zijn er op deze locatie meer risico’s aanwezig op verschillende soorten van overlast, hetgeen te allen tijde voorkomen dient te worden (stank, zwerfvuil en dergelijke). Voor de overige vaste standplaatsen zal per aanvraag worden beoordeeld of het gevraagde assortiment wenselijk is op de betreffende locatie qua diversiteit op Vlieland en eventueel kans op hinder/overlast. Zie in dit verband tevens de toelichting op de weigeringsgronden van artikel 5. Voorts kan het college bij vrijgekomen standplaatsen in de toewijzingscriteria nadere voorwaarden/richtlijnen geven aan het gewenste assortiment.
Onder e: Eventuele verplichte openingstijden zijn als middel niet evenredig aan het doel, zodat er daarom sprake zou zijn van een schending met het evenredigheidsbeginsel. Toch wordt het noodzakelijk geacht dat er een expliciete voorwaarde wordt opgenomen in de standplaatsvergunning(en), inhoudende dat de standplaatshouder verplicht is de vergunning daadwerkelijk te benutten door het innemen van de standplaats. Aan de invulling van het daadwerkelijk benutten, heeft het college enige beoordelingsvrijheid. Qua openingstijden wordt aangesloten bij de Winkeltijdenwet en Winkeltijden verordening. Onder f: de standplaats en verkoopmiddel dienen te voldoen aan redelijke eisen van welstand. Uitgangspunt is om zoveel mogelijk in te zetten op duurzaamheid.
Artikel 7 In vergelijking tot artikel 4 geldt ook hier dat het raadzaam is om duidelijk aan te geven hoe de procedure zal verlopen. De standplaatsvergunningen worden voor een termijn van zeven (7)) jaar verleend. De praktijk is dat er drie (3) standplaatsen te vergeven zijn, en dat het college als uitgangspunt heeft dat de standplaatsen Vlieland verlevendigen, werkgelegenheid verschaffen, bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte en een verrijking zijn van het voorzieningenaanbod voor de inwoners van Vlieland en het toerisme. Aangezien in de huidige tijd er steeds meer eisen worden gesteld aan de verduurzaming, gevoegd bij de forse prijsstijgingen qua grondstoffen, energie en personeel, is het ter ondersteuning van deze relatief bescheiden ondernemingen, te billijken de huidige lengte van de standplaatsvergunning te verlengen tot zeven jaar. Gezien de status van de drie standplaatsvergunning, zijnde schaarse vergunningen, is een automatische aansluitende gunning niet toegestaan. Lid 1: Voorts blijft de regel in stand dat er per ondernemer één vergunning voor een vaste standplaats kan worden verleend. Dit geldt ook voor de rechtspersonen van de betreffende ondernemer waarin de ondernemer de nodige zeggenschap heeft. Aan bedoelde rechtspersonen wordt een aanvraag voor een standplaats geweigerd.
Hiermee dient te worden voorkomen dat door verbondenheid/verwevenheid van rechtspersonen uiteindelijk toch dezelfde ondernemer meerdere standplaatsen op Vlieland gaat innemen. Hiermee zou het uitgangspunt van dat de gemeenten gehouden zijn gelijke kansen te bieden aan verschillende ondernemers in het gedrang komen. Zie hierbij tevens de toelichting op artikel 11 en 12. Lid 5: Verder kunnen er door het college krachtens artikel 7, vijfde lid, nadere toewijzingscriteria worden vastgelegd voor vrijgekomen standplaatsen. Artikel 8 Dit artikel spreekt voor zich. In onderhavige situaties zal namens het college een schriftelijke bevestiging worden gestuurd. Artikel 9 Behoudens de in artikel 1:6 APV genoemde gronden, kan de standplaatsvergunning worden ingetrokken krachtens de in artikel 9 genoemde situaties. Logischerwijs dient de vergunninghouder zich te houden aan de geldende wetgeving, de voorwaarden genoemd in de verleende vergunning en aan onderhavig beleid.
Omgevingswet Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege strijd met een geldend Omgevingsplan. Wanneer wel een standplaatsvergunning wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het geldende Omgevingsplan worden gesteld, van kracht. Warenwet Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet (eetwaren en drinkwaren etc..) zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Wet Milieubeheer In de Wet Milieubeheer wordt een regeling getroffen voor inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen gelden ook voor standplaatshouders, voor zover zijn verkoopplek als inrichting kan worden aangemerkt. Er is sprake van een inrichting indien de kraam gedurende een zekere tijd een vaste standplaats heeft en daar met een zekere regelmaat wordt opgesteld en in werking wordt gebracht. Van belang is de regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patat – en visverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is de Afvalstoffenverordening. Alcoholwet Op basis van de Alcoholwet is het verboden om middels een standplaats alcohol te verstrekken.
Artikel 10 Dat de gemeente zelf geen nutsvoorzieningen heeft aangelegd, hetgeen gebruikelijk is bij andere gemeenten, heeft te maken met de situatie dat sommige gronden van de standplaatsen niet geheel in eigendom zijn van de gemeente, maar deels van Staatsbosbeheer. Daar staat tegenover dat de vergunninghouder ook geen huur behoeft te voldoen aan de gemeente. Vanwege geluidsoverlast is het niet toegestaan om aggregaten te gebruiken. Voorheen moesten de standplaatsen na afloop van de vergunning ontruimd worden opgeleverd dus met verwijdering van aangebrachte nutsvoorzieningen. Er kunnen echter redenen aanwezig zijn om de reeds geplaatste nutsvoorzieningen na einde van de vergunning op de standplaats achter te laten. Bijvoorbeeld indien deze voorzieningen nog goed bruikbaar zijn, en met enige zekerheid kan worden gesteld dat een opvolgend vergunninghouder er gebruik van kan en zal maken. De vergunning is persoonsgebonden. Een overname van de voorzieningen tussen oude en nieuwe vergunninghouder is dus geen optie. Een eventuele overname zal met de gemeente moeten plaatsvinden. Dit is echter voor beide partijen geen verplichting.
Artikel 11 en 12 Deze artikelen bepalen dat de standplaatsvergunning persoonsgebonden is. Dit is conform artikel 1:5 APV. De vergunninghouder mag zich wel laten bijstaan door werknemers. Bij de aanvraag dient dit dan ook door de aanvrager kenbaar te worden gemaakt. Indien dit pas later bekend is, dan zal de aanvrager dit moeten melden bij de gemeente en een kopie van de arbeidsovereenkomst moeten overleggen. Relevant is dat een standplaatsenvergunning een zogenaamde schaarse vergunning betreft. Er is sprake van een “schaarse vergunning” als het aantal beschikbare vergunningen voor een bepaalde activiteit beperkt is. Dit is zeker het geval op Vlieland, aangezien er maximaal drie (3) vaste standplaatsenvergunningen te vergeven zijn. De Europese Dienstenrichtlijn en nationale rechtsnormen gaan er van uit dat gemeenten aan ondernemers zo veel mogelijk gelijke kansen bieden om economische activiteiten uit te kunnen oefenen. Uit de jurisprudentie valt op te maken dat bij de verdeling van schaarse vergunningen potentiële gegadigden gelijke
kansen moeten krijgen om in een transparante procedure mee te dingen naar een vergunning. Een overdracht van de standplaatsvergunning door de vergunninghouder is derhalve niet mogelijk. Met een overdracht wordt tevens bedoeld een overdracht van aandelen van de vergunninghouder indien de vergunninghouder een rechtspersoon betreft. De standplaatsvergunning blijft persoonsgebonden en de vergunning wordt voor een maximale duur van zeven (7) jaar afgegeven. Aangezien de vergunninghouder wel de nodige investeringen dient te verrichten qua aanleg, overname nutsvoorzieningen en aanschaf verkoopmiddel, wordt een termijn van de standplaatsvergunning van zeven (7) jaar redelijk geacht.
Artikel 13 spreekt voor zich.
Artikel 14 Overgangsrecht. Gezien de wettelijk verankerde uitgangspunten van een betrouwbare overheid die werkt naar redelijkheid en billijkheid, zullen de twee reeds uitgegeven standplaatsvergunningen (II & III), initieel uitgegeven voor vijf jaren, bij het van kracht worden van deze verordening, automatisch met twee jaren verlengd worden, mits betrokken ondernemers dat wensen. Standplaatsvergunning I is nog niet toegekend en zal conform de bepalingen van deze verordening worden uitgegeven.
Artikel 15 Het Verordening standplaatsenbeleid Vlieland 2024 treedt in werking vanaf de datum van publicatie.
Bijlagen
Bijlage 1 Locatie Havenplein
Bijlage 2 Locatie Badweg nabij kruising Kampweg
Bijlage 3 Locatie hoek van de Badweg en Willem de Vlaminghweg