Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Oost-Vlieland - Oostelijke eilandlodges.pdf
Tekst van het document
27/54
28/54
Bijlagen toelichting
29/54
30/54
Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan
AANVULLING BEELDKWALITEITSPLAN
BOSRANDZONE STORTEMELK
H+N+S Landschapsarchitecten
INHOUD 1 AANLEIDING Focus aanvulling
5 5
2 PLANGEBIED EN HUIDIGE SITUATIE
7
3 BEELKWALITEIT NOORDELIJKE BOSRAND
9
Bosbouwkundige randvoorwaarden
4 BEELKWALITEIT OOSTELIJK DEELGEBIED
11
13
Het inrichtingsplan
17
Robuuste duinzone rond centrumgebied
25
COLOFON27
H+N+S Landschapsarchitecten
4
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
5
1.
AANLEIDING
Mede op basis van een in 2014 opgesteld beeldkwaliteitsplan voor de bosrandzone van de camping Stortemelk zijn inmiddels in het westelijke deel van dit gebied 18 boslodges gebouwd en recent 4 lodges in de noordflank van de oostelijke zone. Nu is het voornemen om in het oostelijke deel, ter afronding, nog 24 boshuisjes te ontwikkelen van een deels afwijkende typologie dan beschreven in het eerdergenoemde beeldkwaliteitsplan. Ter onderbouwing van het op te stellen bestemmingsplan voor dit oostelijke deel is besloten een aanvulling te maken op het beeldkwaliteitsplan uit 2014. Deze aanvulling gaat uit van dezelfde hoofduitgangspunten, gaat nader in op de perspectieven voor bos- en natuurontwikkeling in dit deelgebied en geeft de architectonische randvoorwaarden aan voor te bouwen typen lodges. FOCUS AANVULLING De aanvulling voor het oostelijke deelgebied gaat uit van dezelfde hoofduitgangspunten als het beeldkwaliteitsplan uit 2014: -
De huisjes leveren een bijdrage aan
een ecologische verbetering van Vlieland in het algemeen, en de bosrandzone van Stortemelk in het bijzonder. -
De huisjes zijn een beleving (“het
Stortemelk gevoel’) -
De huisjes dragen bij aan de ruimtelijke
kwaliteit van het bos en camping Stortemelk. De aanvulling gaat met name in op de vraag hoe in het oostelijke bosgebied een duurzame bosontwikkeling kan worden bereikt omdat de uitgangssituatie op een aantal punten nogal afwijkend is van het westelijke deel. Daarnaast worden twee nieuwe typen lodges voorgesteld die om een aanvullende set ontwerpuitgangspunten vragen.
6
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
Fig. 1 Huidige situatie oostelijk deel met ontsluiting
OOSTELIJK DEEL
Fig. 2 Gebied van de bosrandzone (oostelijk deel in wit) geprojecteerd op de hoogtekaart
7
2.
PLANGEBIED EN H U I D I G E S IT UAT I E
Van het oostelijke deel heeft de noordflank, tegen de camping aan, een vergelijkbaar bosmilieu als het westelijk deel. Het grote verschil bij dit deel is dat het voor een deel een stuk hoger ligt. In dit deel van het bos zijn inmiddels 4 huisjes geplaatst, op basis van het uitgangspunt dat de hoger gelegen bosrand tussen camping en huisjesterrein in takt blijft met een breedte van 15 – 25 meter. In het volgende hoofdstukje worden de uitgangspunten m.b.t. de beeldkwaliteit samengevat zoals die bij de aanleg van deze 4 lodges zijn gehanteerd. Bij de buitenflank tegenover de ingang van de camping, is goed te zien dat er bomen doodgaan of dood zijn. Voor een goede toekomstige buitenschil zouden hier het beste zee-dennen geplant kunnen worden, of een mix van zeeden met eik. De bomen in dit deel hebben veel te lijden van de (zee)wind, hier moet ingezet worden op sterk plantsoen dat kan uitgroeien tot een robuuste bosmantel voor het gehele oostelijke bosgebied. Dit deelgebied wordt gekarakteriseerd door een sterk reliëf. De koppen van de heuvels (duinkoppen) zijn vrij van ondergroei, je kijkt onder de uitgegroeide en verspreid staande dennen door. De valleien (lagergelegen delen) zijn nu ook vrij open, maar zijn kansrijk om meer te verdichten, waardoor het contrast tussen de open duinkoppen t.o.v. de meer gesloten valleien een veel interessanter bosbeeld kan gaan opleveren.
Bij nieuwe inplant inzetten op dominatie van eik dan wel een mix van eik en Oostenrijkse den. De bosrand gelegen langs de toegangsweg naar de camping is erg “hol” geworden en is bovendien wel heel erg toegankelijk door een drietal bospaden die aansluiten op de toegangsweg. Willen we op termijn hier het bos handhaven dan zullen we moeten investeren in een robuuste, gesloten bosrand van ongeveer 30 meter.
8
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
Fig. 3 Inrichtingsschets met oostelijk deel, 2014
9
3.
BEELDKWALITEIT NOORDELIJKE BOSRAND
Concreet gaat het om de bebouwing in de noordelijke flank van het oostelijke deelgebied, die na de realisatie van het westelijke deelgebied, als tweede bouwfase in 2021 is uitgevoerd. De ambitie om 4 grotere boshuisjes te realiseren is verkend in september 2019 en vastgelegd in een landschapsschets voor het oostelijke deelgebied dd. 03-01-2020 (zie schets). Op basis van deze schets is toen geconstateerd dat de bouw van 4 grotere eenheden mogelijk is binnen het concept van ‘boskamertjes’ en dat deze ontwikkeling zich goed verhoudt tot de ambities van het beeldkwaliteitsplan. In het opgestelde beeldkwaliteitsadvies wordt het ecologisch ontwikkelingsperspectief van de bosstrook met de 4 boskamers verder uitgewerkt in relatie tot de bouwkundige/ architectonische principes van de huisjes en worden de randvoorwaarden geformuleerd om de realisatie van de huisjes binnen het kader van het beeldkwaliteitsplan mogelijk te maken.
10
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
Fig. 5 De boskamers
Fig. 4 Bosbouwkundige randvoorwaarden
BOSBOUWKUNDIGE RANDVOORWAARDEN
I N V U L L I N G VA N D E B O S K A M E R S De 4 boskamers kunnen conform de
Om te kunnen garanderen dat er voldoende
uitgangspunten uit het beeldkwaliteitsplan,
bosverjonging kan plaatsvinden rond de
bebouwd worden met 4 unieke huisjes. In
boskamers, zodat ook op termijn de huisjes in
overleg met de architecten is uitgaande van 6
bos zullen staan, zijn in de schets de minimum
gepresenteerde schetsontwerpen een selectie
maten aangegeven van de omringende
gemaakt van de 4 meest kansrijke ontwerpen.
bosopstanden. Het gaat om een minimum
Deze selectie is enerzijds gebaseerd op de
breedte van 20 meter, waarbij langs de
reliëfverschillen binnen de 4 boskamers; de
ontsluitingsweg eventueel teruggevallen kan
kamers kunnen zowel een vlakke ligging hebben
worden naar 15 meter omdat daar een grondwal
of juist een reliëfrijk maaiveld. Daarom zijn
voor extra visuele afscherming zorgt.(zie schets)
2 ontwerpen geselecteerd die goed inpasbaar
Bij het uitzetten van het bouwvlak binnen de 4
zijn in een hellend terrein en 2 die ontworpen
boskamers, moet afhankelijk van het grondvlak
zijn voor een vlak maaiveld. Het toepassen
van huisje en terrassen, zoveel mogelijk de
van meerdere geschakelde bouwvolumes i.p.v.
bestaande vitale eiken worden ontzien.
één bouwblok, wordt als kwaliteit gezien en
De boskamer sluit strak aan op de buitencontour
als voorwaarde om een goede landschappelijke
van huisje en terrassen, het schetsontwerp voor
inpassing te realiseren in een reliëfrijke
het huisje ‘Origami’ is als voorbeeld bijgevoegd
omgeving en is daarmee niet strijdig met de
om aan te geven binnen welke contour het
uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan.
bouwvlak kan worden uitgekapt (zie schets). Het
Daarnaast is gekeken naar ontwerpen die
bos sluit dus strak aan op de terrassen, er is geen
zowel als 2 eenheden kunnen functioneren en
sprake van extra open, ‘grazige’ ruimte rond de
ook goed schakelbaar zijn, naast ontwerpen
huisjes.
die juist toegesneden zijn op de functie van
De toegang tot de boskamers vanaf de
één verblijfplek voor 8 personen. Tot slot
ontstingsweg bestaat uit een bijna niet
is er ook gekeken naar de verschillende
zichtbaar, ‘konijnenpaadje’ met een slingerend
belevingservaringen van het bos vanuit het
verloop en een maximale breedte van 1,5 meter.
huisje; een ‘lege’ omsloten binnenruimte, als open patio in het bos t.o.v. een stervormig gebouw, waar het bos het meest het gebouw ‘binnendringt’. Deze overwegingen hebben geleid tot de volgende selectie; -
Paviljoen: Kan goed reageren op reliëf
verschillen, geschikt als één geschakelde groepsaccomodatie, één centrale ruimte als halfopen patio in het bos. -
Burcht; in boskamer met vlakke ligging,
geschikt als één groepsaccomodatie, besloten patio binnen het gebouw. -
Ster; ontwikkelen op vlak terrein, twee
eenheden zijn goed schakelbaar, bos is overal dichtbij. -
Origami; Kan gebouwd worden in
reliëfrijk terrein, twee eenheden zijn goed schakelbaar, compact bouwvolume, terras/open ruimte rondom gebouw. Afhankelijk van de landschappelijke situatie van de boskamers worden de 4 ontwerpen voor de juiste kamer geselecteerd.
Fig. 6 Schetsontwerp Origami
11
12
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
Fig. 8 Beplantingsstrategie met bos en natuurontwikkeling
Fig. 7 Het nieuwe ruiterpad
13
4.
BEELDKWALITEIT OOSTELIJK DEELGEBIED
begrensde open plekken op de duinkoppen te laten ontstaan en een meer verdichte boszone in de valleien.
Een robuuste landschappelijke onderlegger. Om op termijn te kunnen garanderen dat ook
3.
BOSMANTELZONE/KAMPWEG
in het oostelijke deelgebied er sprake kan
In deze zone wordt aan de westkant langs de
zijn van duurzame bosontwikkeling, zijn een
Kampweg de grondwal versterkt en verdicht
aantal investeringen noodzakelijk om deze
met extra beplanting. Het huidige ruiterpad
ambitie waar te maken. Daarvoor hebben we
dat dwars door het gebied gaat, wordt verlegd
het plangebied in drie zones verdeeld, waarbij
waarbij het nieuwe tracé de grens vormt tussen
voor elke zone een specifieke aanpak wordt
het bebouwde deel en de zone met de robuuste
voorgesteld.
bosmantel. Daarnaast wordt het padenverloop
1. de beplante houtwal (tegen het centrumgebied
zodanig aangepast dat er één hoofdentree wordt
van de camping)
gecreëerd en een deel van de wegen die nu nog
2. de middenzone met het meeste reliëf in het
aansluiten op de toegangsweg naar de camping
maaiveld
worden afgesloten en opgeheven. Zo kan een
3. bosmantelzone tegen de Kampweg.
bouwvrije mantelzone ontstaan van +/- 30m. In deze bufferzone wordt de bosmantel versterkt
1.
DE BEPLANTE HOUTWAL
met extra aanplant van groepen Oostenrijkse
Hier grenst het bosgebied direct aan het
den en eik, aangevuld met berk, lijsterbes en
centrumgebied van de camping, waardoor er
vuilboom.
behoefte ontstaat aan een robuuste, moeilijk doordringbare grens. Voorgesteld wordt om een grondwal aan te brengen met een hoogte rond 1.50 meter en een variabele breedte met een minimum van 10 meter. Uit de vrijgekomen grond van de herinrichtingswerkzaamheden van het centrumgebied kan de grondwal worden opgebouwd, zodat met een gesloten grondbalans kan worden gewerkt. De randwerking van de grondwal wordt versterkt door direct aansluitend een nieuw fietspad aan te leggen. Het talud dat grenst aan het fietspad krijgt een onderbeplanting van stuiken zoals duinroos, duindoorn, brem en gaspeldoorn. Voor de boomlaag van de houtwal wordt zeeden en eik aangeplant. 2.
DE MIDDENZONE
Dit is toch wel een spannende (en ingewikkelde) zone. Besproken is dat een precieze inventarisatie van de hoogteverschillen rond de duinkoppen de start zou moeten zijn voor de concrete planuitwerking. We tellen een 7-tal duinkoppen, groter en kleiner van formaat. De koppen van de duinen zijn geschikt om huisjes te bouwen, in de valleien zetten we in op bosverjonging. De ambitie is om met beplanting
Fig. 9 principedoorsnede nieuwe wal
14
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
Fig. 10 Verkavling met ontsluitingspaden lodges
Fig. 11 De nieuwe hoofdontsluiting van het oostelijke bos met toegangspaden
15
A A N PA S S I N G E N ONTSLUITINGSSTRUCTUUR Het oostelijk bosgebied krijgt een eigen hoofdtoegang aan de Kampweg, die bewust wordt losgekoppeld van de camping entree. Daarnaast worden de bospaden die aansluiten op het omliggende wegennet afgesloten met uitzondering van een calamiteitentoegang bij de toegangsweg naar de camping. De calamiteitentoegang maakt gebruik van een stukje ruiterroute, waarna na het openen van een slagboom het terrein opgereden kan worden via het oude bospad. Het grote zandpad dat aansluit op de hoofdtoegang is nu op een aantal plekken nogal breed en wordt versmald. De interne ontsluiting is georganiseerd in een lus, deze hoofdroute is 2.00 meter breed met een vrije zone (geen bomen of andere obstakels) van 1.00 meter aan weerszijde. Deze paden zijn incidenteel (tbv hulpdiensten, verbouwing, inrichting) toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. Verder dienen ze als wandelpaden. Naast deze hoofdlus worden de lodges ontsloten via halfverharde bospaden met een breedte van 0,50 meter, verhard met lokale houtsnippers. Verlichting wordt aangebracht op lage verlichtingspaaltjes met een kleine downlighter, die bij schemering aangaan. Hierdoor wordt de donkere bossfeer behouden.
16
Fig. 12 Verkaveling lodges
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
17
HET INRICHTINGSPLAN R A N DVO O R WA A R D E N E N A LG E M E N E
RANDVOORWAARDEN DIENSTGBOUWEN
UITGANGSPUNTEN VOOR DE BOSHUISJES GELEGEN IN HET OOSTELIJK BOS:
-Ter plaatse van de hoofdentree van het
- Er worden maximaal 24 lodges ontwikkeld
oostelijke bos, nabij de bocht van de Kampweg,
die op een minimale afstand van 15 meter ten
zal ook voor dit deel van het bos een bagagedepot
opzichte van elkaar worden geplaatst.
worden geplaatst.
- Er worden 4 verschillende types gerealiseerd:
Deze heeft een oppervlakte van max 30 m2 en
9 x Boshuisje 1-laags, 6 x Boshuisje 2-laags,
een hoogte van max 4 meter.
3 x Boshuisje 1-laags MIVA en 6 x Bostorentjes.
De vormgeving en materialisering van een
- Per type worden meerdere ontwerpen
dienstgebouw sluit aan bij de architectuur van
uitgewerkt, van elk ontwerp worden maximaal
de boshuisjes, zoadat een familie ontstaat.
3 lodges gebouwd, elk ontwerp heeft een unieke verschijningsvorm en wordt gekenmerkt door een bijzondere vormgeving. Deze strategie komt voort uit de constatering dat de bebouwing op Vlieland wordt gekenmerkt door grote verscheidenheid en weinig herhaling, wat gezien wordt als een belangrijke kwaliteit en daarom één van de hoofduitgangspunten voor dit inrichtingsplan vormt. AANVULLENDE ARCHITECTONISCHE UITGANGSPUNTEN: - De huisjes zijn compact van formaat, functioneel en onconventioneel. - Creativiteit niet alleen in het ontwerp, maar ook creativiteit in de manier van het bouwen - Gebruik van natuurlijke materialen. - Er worden geen giftige stoffen toegepast. - Bouwen met hout is een pre. - De huisjes hebben een duurzaam energiesysteem: * toiletten worden doorgespoeld met grijs water * verwarming door middel van duurzame warmte-opwekkingssystemen * stroom die door de huisjes wordt gebruikt wordt grotendeels elders door de camping zelf opgewekt (de daken van de gebouwen van het kampeerterrein)
18
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
Fig. 13 Plankaart
19
20
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
B O S H U I S J E 1- L A A G S - 9 stuks totaal in 3 verschillende ontwerpen - Het bouwvlak/de footprint van het huisje is maximaal 60 m2 - De bouwhoogte is maximaal 4,0 meter, gemeten vanaf vloerpeil van de 1e bouwlaag. - Een houten vlonder als buitenruimte, de oppervlakte hiervan wordt niet meegerekend in het bouwvlak. - De vlonder is bij voorkeur onderdeel van het ontwerp van het huisje. - Er is eenheid in het materiaalgebruik en kleurgebruik van de verschillende huisjes. - Elk ontwerp wordt specifiek voor de plek gemaakt en ontworpen.
4,0m
hoogte max. 4,0 vanaf vloerpeil 1de bouwlaag
21
B O S H U I S J E 2- L A A G S
B O S H U I S J E 1- L A A G S M I VA
- 6 stuks totaal in 2 verschillende ontwerpen
- 3 stuks totaal in eenzelfde ontwerp
- Het bouwvlak/de footprint van het huisje is
- Het bouwvlak/de footprint van het huisje is
maximaal 50 m2
maximaal 60 m2
- De bouwhoogte is maximaal 6,5 meter, gemeten
- De bouwhoogte is maximaal 4,0 meter,
vanaf vloerpeil van de 1e bouwlaag.
gemeten vanaf vloerpeil van de 1e bouwlaag.
- Een houten vlonder als buitenruimte, de
- Een (houten) vlonder als buitenruimte, de
oppervlakte hiervan wordt niet meegerekend in
oppervlakte hiervan wordt niet meegerekend in
het bouwvlak.
het bouwvlak.
- De vlonder is bij voorkeur onderdeel van het
- Het huisje moet geschikt zijn voor gebruik door
ontwerp van het huisje.
een mindervalide of een rolstoelgebruiker
- Er is eenheid in het materiaalgebruik en
- Het huisje moet drempelloos uitgevoerd
kleurgebruik van de verschillende huisjes.
worden, is aangesloten op een eigen
- Elk ontwerp wordt specifiek voor de plek
rolstoelvriendelijk toegangspad.
gemaakt en ontworpen.
- De vlonder is bij voorkeur onderdeel van het ontwerp van het huisje. - Er is eenheid in het materiaalgebruik en kleurgebruik van de verschillende huisjes. - Elk ontwerp wordt specifiek voor de plek gemaakt en ontworpen.
6,5 m
hoogte max. 4,0 vanaf vloerpeil 1de bouwlaag
4m
hoogte max. 4,0 vanaf vloerpeil 1de bouwlaag
22
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
VOORBEELD VAN VERSCHILLENDE MOGELIJKHEDEN BOSTORENTJES
30m2
30m2
KLIMWAND
WIKKELTOREN
30m2
BLOKKENDOOS
30m2
MONOLIET
30m2
BOOMHUT
23
BOSTOREN Op de duinkoppen lijkt de strategie van lodges bouwen op hoogte in contact met de boomkronen als een ‘roofvogelnest’, het meest toepasselijk. Het worden huisjes op hoge poten, waarbij de daadwerkelijke hoogte van het huisje wordt bepaald door de plek. Belangrijk bij dit type; slanke poten, en een zo klein mogelijke footprint. (ca. 4.5 x 4,5m), 2 of 3 laags, eventueel een dakterras ter hoogte van de boomkronen. - 6 stuks totaal in 2 verschillende ontwerpen - Het bouwvlak/de footprint van het huisje is maximaal 25 m2, exclusief uitwendige trappen en balkons - De bouwhoogte is maximaal 9,5 meter, gemeten vanaf vloerpeil van de 1e bouwlaag en komt nooit boven de bomen uit. - De huisjes staan op pootjes of op een sokkel. - De hoogte van de pootjes of sokkel is afhankelijk van de lokale situatie, maximale hoogte sokkel 3 meter. - De buitenruimte is onderdeel van het bouwvolume, dit kan een dakterras, een veranda of een balkon zijn. - De bostorentjes worden in groepjes bij elkaar geplaatst, ruimte tussen deze huisjes mag kleiner dan 15 meter zijn. - Er is eenheid in het materiaalgebruik en kleurgebruik van de verschillende huisjes. - Elk ontwerp wordt specifiek voor de plek gemaakt en ontworpen. -De torentjes staan op door beplanting begrenste open plekken op de duinkoppen. 9,5 m
9.5m
2.5m of3 3.0m max m(?)
30m2 BOSTOREN 3-LAAGS footprintmax. max. 30m2 buitenruimte footprint 25m2incl. excl. buitentrappen en balkons hoogte 9,5 mvanaf vanaf hoogtemax. max. 9.5m 1evloerpeil bouwlaag1de bouwlaag plaatsing op maaiveld, sokkel of pootjes
24
H+N+S · BOSRANDZONE STORTEMELK
Fig. 14 ontwerp centrumgebied
25
ROBUUSTE DUINZONE ROND CENTRUMGEBIED In 2021 is de herontwikkeling van het centrumgebied opgestart met de bouw van een nieuwe supermarkt, een nieuw personeelsverblijf en enkele personeelswoningen. De inrichting van de buitenruimte is nog niet concreet uitgewerkt, maar er zijn al wel een aantal uitgangspunten geformuleerd. Een belangrijke wens is om tot een duidelijker scheiding van verkeersstromen te komen, concreet gaat het om de routing van fietsers, service/vrachtverkeer en voetgangers. Daarnaast is de wens om ondanks het toegenomen bouwvolume, in de openbare ruimte een duidelijke ‘duinbeleving’ te creëren. In de schets is het idee uitgewerkt hoe dit overladen programma van eisen, een samenhangend beeld zou kunnen opleveren. Wezenlijk is om in te zetten op een robuuste duingordel van gemiddeld 10 meter tussen de buitenste ontsluitingsring (fietspad/serviceweg) en de bebouwing van het centrumgebied. Deze duinzone begroeid met helmgras, brem, gaspeldoorn, duindoorn en duinroos biedt de beste garantie om de ‘duinbeleving’ voelbaar te maken in het centrumgebied.
fietspad
campingwerf
Fig. 15 Principe situering vuilniscontainer
27
COLOFON
Deze aanvulling op het beeldkwaliteitsplan voor de bosrandzone Stortemelk is opgesteld in een gezamenlijke opdracht van Staatsbosbeheer, Gemeente Vlieland en de Stichting Recreatiebelangen Vlieland en uitgevoerd door H+N+S landschapsarchitecten in samenwerking met Studio BRANDVRIES en atelier Boekhout. Team H+N+S Landschapsarchitecten Lodewijk van Nieuwenhuijze, H+N+S projectleider Jutta Raith, H+N+S landschapsarchitect Studio BrandVries Sander Brand Atelier Boekhout Henk Boekhout Datum Januari 2022 Projectnummer 2514
H+N+S Landschapsarchitecten Bezoekadres Soesterweg 300 3812 BH Amersfoort Postadres Postbus 1603 3800 BP Amersfoort
Bijlage 2 Watertoets
datum 28-6-2021 dossiercode 20210628-2-26954 Wateradvies korte procedure Project: Vlieland - Oostelijke boshuisjes Stortemelk Gemeente: Vlieland Aanvrager: Stephan Latuputty Organisatie: Rho Adviseurs
Geachte heer/mevrouw Stephan Latuputty, Voor het plan Vlieland - Oostelijke boshuisjes Stortemelk heeft u een watertoets aangevraagd op www.dewatertoets.nl. De uitkomst is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Het plan Vlieland - Oostelijke boshuisjes Stortemelk heeft een beperkte invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen. Werkwijze watertoetsprocedure Vanaf 2018 worden alle aanvragen uit de digitale watertoets digitaal afgehandeld. Dit betekent dat Wetterskip Fryslân voor de korte procedure standaard een wateradvies verstrekt. Wanneer noodzakelijk geacht ontvangt u op dit standaard wateradvies nog een aanvulling per email. Waterparagraaf Dit wateradvies geeft u handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten van de watertoetsaanvraag mee te nemen in het opstellen van het ruimtelijke plan of besluit. Het is de bedoeling dat u op basis van dit document het plan uitwerkt. Uit de waterparagraaf moet duidelijk blijken wat voor wateraspecten van toepassing zijn en hoe u hier in het plan rekening mee houdt. Indien nodig verzoeken wij u om de wateraspecten te borgen op de Verbeelding en in de Regels van het plan. Ruimtelijke plannen hebben soms een lange doorlooptijd. Tegelijkertijd ontstaan er soms veranderende inzichten in het beleid ten aanzien van de waterketen, waterkeringen en het watersysteem.
Om te garanderen dat de juiste uitgangspunten worden toegepast in de planvorming hanteert het waterschap een uiterste houdbaarheidsdatum van maximaal 1 jaar. Wanneer deze termijn verstreken is kunt u contact opnemen met het waterschap voor een eventuele verlenging van nogmaals 1 jaar. Leidraad Watertoets De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt Wetterskip Fryslân met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waarmee u rekening moet houden en is informatie te vinden over de te nemen maatregelen. De leidraad is de te vinden via deze link: www.wetterskipfryslan.nl/vergunningen-wetten-en-regels/online-watertoets-voor-nieuwe-plannen Wateraspecten en aandachtspunten Hieronder staan de eventuele wateraspecten die van invloed zijn op het plan en aandachtspunten om mee rekening te houden.
Toename verharding Wij willen u verzoeken om in de waterparagraaf de volgende passage op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve
maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Gebied
Stedelijk (>200 m²)
Landelijk (>1.500 m²)
Boezem
5%
5%
Polder
10%
10%
Vrij afstromend
Maatwerk mogelijk
Maatwerk mogelijk
Toelichting tabel ● 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; ● de algemene regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; ● maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater.
Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Meer informatie hierover is te vinden op De Friese klimaatatlas : www.frieseklimaatatlas.nl Waterwet Voor bepaalde werkzaamheden heeft u een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als u een sloot wilt dempen, afvalwater wilt lozen op oppervlaktewater of grondwater wilt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Een watervergunning aanvragen is dan niet nodig. Op onze website www.wetterskipfryslan.nltreft u meer informatie aan over de Waterwet en u kunt daar onder andere ook meldingsformulieren en het aanvraagformulier voor een watervergunning downloaden. Via Omgevingsloket online (www.omgevingsloket.nl ) kunt u vooraf nagaan of u een watervergunning nodig heeft of een melding moet doen (vergunningcheck). U kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.
Afronding watertoetsprocedure In de besluitvormingsfase, ten tijde van het toesturen van het voorontwerp bestemmingsplan of ontwerp omgevingsvergunning, controleert Wetterskip Fryslân of de waterbelangen voldoende zijn meegenomen en geborgd in het ruimtelijke plan of besluit. Privacyverklaring Wetterskip Fryslân verwerkt uw naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres en kadastrale gegevens om uw aanvraag te behandelen. De grondslag van de verwerking van deze gegevens zijn taken in het algemeen belang die in het Besluit Ruimtelijke Ordening aan het waterschap zijn opgedragen. Wij hebben gegevens van u ontvangen en verdere gegevens zullen wij opvragen uit het kadaster en ons geografische informatie systeem. Uw gegevens worden na afronding van uw aanvraag permanent bewaard. U heeft recht op inzage, een kopie, rectificatie, wissing, beperking, bezwaar en het indienen van een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Een verzoek daartoe kunt u doen via privacy@wetterskipfryslan.nl. Nadere informatie over de verwerking van uw gegevens en uw rechten vindt u op https://www.wetterskipfryslan.nl/over-de-site/privacyverklaring
Met vriendelijke groet,
Wetterskip Fryslân Postbus 36 8900 AA Leeuwarden T 058 292 2222 E Info@wetterskipfryslan.nl
www.dewatertoets.nl
Bijlage 3 Ecologische toets
Een ecologische toetsing van het Bestemmingsplan Oost-Vlieland – Oostelijke Eilandlodges, Camping Stortemelk voor de plaatsing van 24 lodges in het naaldbos bij de camping. P.J.Zumkehr.
ZUMKEHR ECOLOGISCH ADVIESBUREAU Midsland – Terschelling Oktober 2021
Colofon. Zumkehr, P.J., 2021. Een ecologische toetsing van het Bestemmingsplan Oost-Vlieland – Oostelijke Eilandlodges, Camping Stortemelk voor de plaatsing van 24 lodges in het naaldbos bij de camping. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, Midsland-Terschelling, Oktober 2021. Opdrachtgever. Stichting Recreatiebelangen Vlieland/ Camping Stortemelk Uitvoerder. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau. P.J.Zumkehr, Oude Terpweg 3 8891 GE Midsland Terschelling. tel. 0562-449196 mob. 06.50.816.092 e-mail: admin@pzumkehr.nl © Zumkehr Ecologisch Adviesbureau Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.
2
Een ecologische toetsing van het Bestemmingsplan Oost-Vlieland – Oostelijke Eilandlodges, Camping Stortemelk voor de plaatsing van 24 lodges in het naaldbos bij de camping Piet Zumkehr 1.
Inleiding
In het noordelijke deel van het Oosterse Bos, een naaldbos gelegen tussen de Kampweg en Camping Stortemelk op Vlieland, zijn recent 18 lodges geplaatst. De initiatiefnemer heeft het plan ingediend in hetzelfde bosgebied, aansluitend aan de locatie waar de lodges zijn geplaatst, nog 24 nieuwe lodges toe te voegen. De lodges worden als verhuurobject voor toeristen aangeboden en kunnen jaarrond worden verhuurd. Het plan voldoet niet geheel aan de wijzigingscriteria in het bestemmingsplan die ter plaatse gelden, zodat een bestemmingsplanwijziging nodig is. De initiatiefnemer heeft aan Rho Adviseurs de opdracht gegeven voor het terrein een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Een belangrijke vraag is hoe het bestemmingsplan, en de uitvoering van het plan op basis daarvan, zich verhoudt tot de beschermde natuurwaarden van het gebied. De initiatiefnemer heeft aan Zumkehr Ecologisch Adviesbureau te Midsland – Terschelling gevraagd een effectanalyse op te stellen, waarin de relatie met de beschermde natuurwaarden inzichtelijk wordt. De toetsing in het algemeen heeft betrekking op mogelijke significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura2000 zoals die gelden voor Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Het rapport kan worden beschouwd als een voortoets volgens het overwegingskader van Natura2000.
De effectanalyse met betrekking tot de soortenbescherming van de Wet Natuurbescherming en met betrekking tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN) - voorheen de provinciale Ecologische Hoofdstructuur (pEHS) - is tevens in dit rapport opgenomen. 2.
Het plangebied en het plan.
Het plangebied betreft een naaldbosperceel van het Vlielander bos gelegen ten oosten van de noordelijke toegangsweg naar camping Stortemelk tussen de camping en de Kampweg in (zie het kaartje in dit rapport). Het gebied sluit aan de noordzijde aan op het terrein waar eerder lodges zijn geplaatst. Het bosgebied grenst aan de oostzijde direct aan camping Stortemelk en aan de westzijde aan de Kampweg. Langs de zuidrand van het plangebied loopt de toegangsweg naar de camping vanaf de Kampweg. Het bosperceel is structuurarm en heeft nagenoeg geen struiklaag. Wel is de natuurlijke duingeomorfologie in stand. Het bestemmingsplan beschrijft de plaatsing van 24 lodges binnen het bosperceel. Het gaat hierbij om 9 vlonderlodges van 1 bouwlaag, 3 vlonderlodges speciaal ingericht voor mindervaliden, 6 vlonderlodges met 2 bouwlagen en 6 zogenaamde bostorentjes met 3 verdiepingen. De vlonderlodges worden geplaatst op vlonders, zodanig dat bodembewerking niet nodig is. De drie bostorentjes worden geplaatst op een stellage (poten) zodanig dat het onderliggend oppervlak over een zo gering mogelijk oppervlak door het bouwsel wordt afgedekt. Er is geen sprake van bodembewerking, bodemaantasting of aantasting van de bestaande geomorfologie. De lodges worden verspreid in het bos geplaatst, zodanig dat het karakter van het perceel als naaldbos in stand blijft.
Tussen de lodges blijven bosopstanden van 20 meter breed in stand, hoewel op enkele plekken waar bospaden aanwezig zijn, dit 15 meter kan bedragen. De bostorentjes worden in twee clusters van drie exemplaren geplaatst. Uitgangspunt is dat het karakter van het perceel als naaldbos in stand blijft maar door de inrichting in combinatie met aanplant van natuureigen houtopstanden sprake is van een versterking van de natuurlijke waarden van het perceel en de randzone van de camping in vergelijking met de huidige , biodiversiteitsarme, situatie. Een aantal van de wijzigingscriteria voor het bestaande bestemmingsplan blijft gelden. Camping Stortemelk beschikt over 3500 bedden. Dit blijft ook bij de plaatsing van de lodges ongewijzigd. De in de lodges te creëren bedden worden elders op Camping Stortemelk in mindering gebracht. Er is daarmee geen sprake van een toename van het aantal recreanten, of van een toename van de recreatiedruk in natuurgebied als volg daarvan. Er wordt nergens ondergronds gebouwd. Wel is in het plan een klein bagagehuisje ( 1 bouwlaag) opgenomen. Binnen een strook van 30 meter breed langs de toegangsweg naar de camping worden geen lodges geplaatst.
3
3.
Informatiebronnen.
Voor het opstellen van dit rapport is gebruik gemaakt van beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde natuurwaarden op Vlieland. Alleen gegevens van na 2010 zijn benut. Oudere gegevens worden als niet relevant beschouwd. De belangrijkste bron voor het toetsen van de effecten aan de eisen van de natuurbeschermingswetgeving is het beheerplan voor de Natura2000-gebieden van Vlieland dat in 2015 door de Dienst Landelijk Gebied is gepubliceerd (DLG, 2015). Voor het in kaart brengen van de habitattypen in de nabijheid van het plangebied is gebruik gemaakt van de habitattypenkaart die deel uitmaakt van het beheerplan. Wat betreft de vegetatiekundige gegevens is gebruik gemaakt van de vegetatiekartering van terreinen van Staatsbosbeheer door Altenburg & Wymenga in 2013 (A&W, 2014). Vogelkundige gegevens zijn afkomstig van de in opdracht van Staatsbosbeheer uitgevoerde broedvogelinventarisatie (SOVON, 2013) en van Staatsbosbeheer zelf (2017). Informatie over het project zelf is van Camping Stortemelk en de betrokken architect Studio Brand/Vries uit Rotterdam. Als basis geldt het bestemmingsplan dat in 2021 door Rho Adviseurs is opgesteld (Rho, 2021). Om actuele informatie van het plangebied te verkrijgen ten behoeve van deze effectanalyse is op 10 juli en 7 september 2021 aan het plangebied een veldbezoek gebracht.
Tevens is op 8 september de Nationale Databank Flora en Fauna geraadpleegd. 4. Wettelijk kader. 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is het oude wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals voorheen neergelegd in de Natuurbeschermingswet1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen door één wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb vormt het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid van het Rijk naar de provincies, waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het gebied van het natuurbeleid en het landelijk gebied zo veel mogelijk worden overgedragen van het Rijk naar de provincies, overeenkomstig het ‘decentraal-tenzij-beginsel’. Dit is in het verlengde van de bestuursafspraken 2011 – 2015 tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en het daarop gebaseerde onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur van 20 september 2011, gesloten tussen Rijk en provincies. Het is de bedoeling dat de Wnb over een paar jaar op haar beurt zal opgaan in de Omgevingswet. Op grond van de Wnb worden provinciale staten verplicht voor bepaalde onderwerpen regels op te stellen. Daarnaast hebben provinciale staten de mogelijkheid om op een aantal onderwerpen regels te stellen. Deze regels zijn opgenomen in de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017.
Naast de bevoegdheden die provinciale staten hebben, hebben gedeputeerde staten van Fryslân ook haar bevoegdheden. Dit zijn onder andere bevoegdheden tot het opstellen van beleidsregels op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregels in het kader van de Wnb zijn opgenomen in deze beleidsregel: de Beleidsregel Wet natuurbescherming Fryslân 2017. 4.1.1. Natura2000 De natuurgebieden in Nederland die deel uitmaken van het netwerk van Natura2000 ontlenen hun bescherming aan op Europees niveau gemaakte afspraken. De gebiedsbeschermingswetgeving voor de Natura2000-gebieden maakte tot voor kort deel uit van de Natuurbescherminswet1998. Per 1 januari 2017 is deze wetgeving onveranderd in de nieuwe Wnb overgenomen. De Natura2000-gebieden gelden als Speciale Beschermingszones (SBZ’s), die zijn aangewezen op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of de Vogelrichtlijn. De SBZ’s die in het kader van de Habitatrichtlijn zijn vastgesteld worden ook wel Habitatrichtlijngebieden genoemd. Ze zijn aangewezen vanwege bijzondere habitats en soorten (de zogenaamde ‘kwalificerende waarden’), genoemd in respectievelijk bijlage I en bijlage II van de richtlijn. De SBZ’s in het kader van de Vogelrichtlijn staan ook wel bekend als Vogelrichtlijngebieden. Ze zijn aangewezen ter bescherming van het leefgebied van bedreigde vogels en trekvogels.
Als projecten en andere handelingen in of nabij een Natura2000 gebied plaatsvinden, moet onderzocht worden of deze significant negatieve effecten op de kwalificerende waarden van het gebied hebben. Als uit deze beoordeling blijkt dat het gebied wordt aangetast, of duidelijke twijfel bestaat over het uitblijven van die aantasting, kan het bevoegd gezag slechts vergunning verlenen voor de gevraagde activiteit als er geen alternatieven zijn, er een dwingende reden van groot openbaar belang met die activiteit is gemoeid en vóór de ingreep compensatie van natuurwaarden is gerealiseerd.
4
Als gevolg van de decentralisatie van rijkstaken naar de provincies is de provincie in de nieuwe Wnb bevoegd gezag voor vrijwel alle Natura2000-gebieden. Een uitzondering daarop zijn gebieden van grote omvang die deel uitmaken van meerdere provincies en waarvoor een samenhangend beleid is opgesteld. Het gaat dan onder meer om grote open wateren, zoals de Waddenzee en de Noordzee. Het Rijk is voor deze gebieden bevoegd gezag voor zover het de gedeelten betreft die kunnen worden beschouwd als open water. Wat betreft de toekenning van een Omgevingsvergunning voor de uitvoering van projecten die Natura2000gerelateerd zijn, gelden de gemeenten als loket. De provincie heeft echter een beoordelende taak, en kan voor projecten waarbij significant negatieve effecten met zekerheid zijn uit te sluiten een “verklaring van geen bedenkingen”afgeven. Een dergelijk oordeel is echter pas mogelijk als de effecten van de uitvoering van projecten zijn geanalyseerd in een zogenaamde “voortoets”. Indien uit een voortoets blijkt dat significant negatieve effecten niet met zekerheid uitgesloten zijn, dient een vergunning voor de Wnb te worden aangevraagd bij de provincie.
Er dient dan een Passende beoordeling voor het project te worden opgesteld, waarin de aard van de significant negatieve effecten verder wordt uitgewerkt en wordt geanalyseerd of deze effecten door middel van mitigerende maatregelen of compensatie kunnen worden voorkomen. Stikstof. De Natura2000-gebieden van Vlieland zijn gevoelig voor de negatieve effecten van stikstofdepositie uit de atmosfeer. Voor projecten die binnen of in de omgeving van Natura2000-gebieden worden uitgevoerd is het verplicht de uitstoot van stikstof te berekenen die structureel na voltooiing van het project ontstaan. De berekening kan worden gemaakt door middel van het digitaal toegankelijke programma Aerius Calculator 2020. In de berekening is de stikstofuitstoot van het project, die structureel ontstaat in de gebruiksfase van belang. Indien de structurele stikstofuitstoot dermate beperkt is dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen met zekerheid zijn uitgesloten, geldt het project wat betreft de stikstofproblematiek als vergunningvrij. Sinds een uitspraak van de Raad van State in 2021 hoeft tijdelijke depositie die ontstaat tijdens de aanlegfase van het plan, bijvoorbeeld door de tijdelijke inzet van mobiele werktuigen of door transport, niet meer in de berekening worden meegenomen. 4.1.2.
Soortenbescherming in de Wnb De nationale bescherming van soorten werd tot voor kort geregeld door de Flora- en faunawet. Deze is echter per 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wnb. Daarmee zijn ook enkele wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijziging betreft de verplaatsing van het bevoegd gezag van het Rijk naar de provincies. Een andere wijziging betreft de lijst van beschermde soorten. In de Flora- en faunawet was sprake van drie verschillende beschermingsregimes. Dit onderscheid is in de Wnb vervallen. Wel maakt de wet onderscheid in soorten die beschermd zijn op basis van internationale afspraken en soorten die alleen op nationaal niveau beschermd zijn (de nationale soorten). De bescherming van soorten van internationale betekenis komt overeen met die van de “strikt beschermde soorten”, als onderdeel van de oude Flora- en faunawet. Wat deze strikt beschermde soorten betreft zijn er in de nieuwe wet geen veranderingen opgetreden. Het onderscheid tussen “matig beschermde soorten” en “licht beschermde soorten” uit de Flora- en faunawet is in de Wnb komen te vervallen. In de Wnb geldt voor alle in Nederland voorkomende soorten de zorgplicht. Dit betekent dat bij de uitvoering van plannen of projecten verslechtering van de “staat van instandhouding” van de soorten niet is toegestaan.
In de oude Flora- en faunawet was een lijst opgenomen van in Nederland algemene soorten met een “algemeen goede staat van instandhouding in Nederland”. Voor dit lijstje gold vrijstelling van de wet als in de algemeen goede staat van instandhouding geen verandering zou optreden. Nu dit onderscheid is opgeheven geldt vanuit de Wnb nu ook voor deze soorten de zorgplicht. Vrijstelling wordt vanuit de Wnb niet meer gegeven. Echter met het verplaatsen van het bevoegd gezag naar de provincies is het verlenen van vrijstelling waar het algemene soorten betreft nu provinciaal beleid geworden. De provincies hebben daarom in aparte beleidsnotities vrijstellingslijsten opgenomen voor soorten waarvoor op provinciaal niveau vrijstelling mogelijk is. Deze vrijstellingslijsten kunnen per provincie verschillen. De lijst van de provincie Fryslân als bijlage 1 in de Beleidregels Wet natuurbescherming van de Provincie Fryslân 2017 bevat een aantal algemene soorten zoogdieren en amfibieën waarvoor vrijstelling mogelijk is. Daarnaast is een bijlage 2 opgenomen met enkele soorten waarvoor vrijstelling geldt ingeval van overlast. Ook zijn beleidsregels opgesteld over beheer van ganzenpopulaties en betreffende de steenmarter. Bijlage 1. Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Zoogdieren Aardmuis Bosmuis
Microtus agrestis Apodemus sylvaticus
5
Dwergmuis Bunzing Dwergspitsmuis Gewone bosspitsmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Wezel Woelrat
Micromys minutus Mustela putorius Sorex minutus Sorex araneus Erinaceus europaeus Lepus europaeus Mustela erminea Crocidura russula Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Mustela nivalis Arvicola terrestris
Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Rana temporaria Bufo bufo Triturus vulgaris Rana ridibunda.
Bijlage 2. Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Roek Kokmeeuw Zilvermeeuw Woelrat Aardmuis Dwergmuis Veldmuis
Corvus frugilegus ssp frugilegus Larus ridibundus Larus argentatus ssp argentatus Arvicola terrestris Microtus agrestis Micromys minutus Microtus arvalis
Voor alle andere soorten geldt in de Wnb een zogenaamde actieve beschermingsplicht gedefinieerd als zorgplicht, waarvoor de “staat van instandhouding” van de populaties centraal staat. Daarnaast geldt voor een aantal in de Wnb apart genoemde soorten een passieve beschermingsplicht. In deze beleidsregel worden de individuen van de opgenomen soorten beschermd tegen schadelijke activiteiten (plukken, het vangen van vlinders etc.). Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn veranderingen doorgevoerd, waardoor een groot aantal vaatplanten de beschermde status is kwijtgeraakt. Daarentegen zijn aan de lijst enkele soorten dagvlinders toegevoegd, waaraan voorheen geen beschermde status is toegekend. 4.2. Overige relevante wetgeving. 4.2.1. NNN: Natuur Netwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). Het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) is onderdeel van het rijksbeleid voor een netwerk van natuurgebieden door Nederland. Waar de grenzen nog globaal zijn vastgesteld, moeten onomkeerbare ingrepen voorkomen worden. Na vaststelling van de exacte grenzen zijn ruimtelijke ingrepen binnen de EHS niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’.
In uitzonderingsgevallen kan het Rijk de natuurwaarden en functies van het EHS-gebied laten wijken voor andere functies van groot maatschappelijk belang. De initiatiefnemer dient deze belangen en mogelijke alternatieven uitgebreid te motiveren. Daarnaast dient hij compenserende dan wel mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen (Ministerie van LNV 2003). In vrijwel geheel Friesland is inmiddels de feitelijke Provinciale Ecologische Hoofdstructuur vastgesteld (Streekplan Fryslân 2006). In het streekplan is verwoord dat een algemene zorgplicht bestaat voor de instandhouding van kwetsbare soorten. Ruimtelijke ingrepen in de EHS zijn niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn
6
én er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’. Voor Vogelrichtlijngebieden of Natuurbeschermingswetgebieden – zoals hier het geval is – gelden aanvullende eisen. In het geval van een ingreep worden alle nodige mitigerende maatregelen getroffen. Bij Habitatrichtlijngebieden met prioritaire soorten en/of habitats, zijn onder ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ niet begrepen ‘redenen van sociale of economische aard’. Bij natuurcompensatie is een uitgangspunt dat geen netto-verlies optreedt aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang van de EHS. Voor de Waddeneilanden geldt dat feitelijk alleen kwalitatieve (geen kwantitatieve compensatie) mogelijk is. Verordening Romte Fryslân Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslan/werkwijze RO 2014 vastgesteld (Provincie Friesland, 2015). De provincie stelt hierin o.a. vast welke gebieden deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en hoe deze beschermd worden. Deze hoofdstructuur is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Dit netwerk vormt de basis voor het natuurbeleid. De EHS bestaat uit kerngebieden (grote aaneengesloten natuurgebieden met een hoge kwaliteit) natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Planologisch heeft de EHS een extra beschermde status.
Sinds 2014 wordt de EHS Natuur Netwerk Nederland genoemd (NNN). Deze titel wordt in dit rapport verder gebruikt. De bescherming van het NNN is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân (31 juli2014 (Provincie Friesland, 2015)). Hierin is onder meer vastgelegd: • Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden binnen het NNN dient een passende bestemming te hebben met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. • Het plan maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het NNN. • Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij het NNN kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Hiervan kan worden afgeweken wanneer sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn en schade door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als redelijkerwijs mogelijk is.
Resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. Daarnaast kan een ruimtelijk plan onderling samenhangende activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken die mede tot doel hebben de kwaliteit of kwantiteit van het NNN op gebiedsniveau te verbeteren, indien per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de oppervlakte van het NNN gelijk blijft of toeneemt. In de plantoelichting dient daartoe een verantwoording opgenomen te worden over de aard, omvang, locaties en het tijdvak van realisatie van de verbetering van de natuurwaarden. Ook dient de wijze waarop tenuitvoerlegging van de daartoe benodigde maatregelen en ingrepen plaatsvindt feitelijk en planologisch gewaarborgd te worden.
Een ruimtelijk plan dat nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maakt nabij het NNN, die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan kan doorgang vinden mits er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn, schade door mitigerende maatregelen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt en resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur. 4.2.2. Planologische Kernbeslissing Waddenzee II en III De planologische kernbeslissing (PKB) Derde Nota Waddenzee (VROM 2001) bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee (VROM 2001). De PKB is gebiedsgericht van karakter en integreert het ruimtelijk en ruimtelijk relevante rijksbeleid voor de Waddenzee. De grens van het PKB-gebied kan worden omschreven als het zeegebied van Den Helder tot de rijksgrens met Duitsland. Het PKB-gebied wordt aan de noordkant begrensd door onder meer de kwelders en platen van de Waddenzeekust van de eilanden. De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap. Om dit te bereiken is het beleid onder meer
7
gericht op de duurzame bescherming en/of een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van de flora en de fauna en tevens op behoud van de landschappelijke kwaliteiten, met name rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid. Nieuwe activiteiten dan wel uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten met een economische en/of recreatieve betekenis zijn mogelijk, mits zij passen binnen de hoofddoelstelling voor de Waddenzee. Met betrekking tot het ontwikkelingsperspectief stelt de PKB onder meer: De Waddenzee is primair een natuurgebied en een uniek open landschap. De natuurlijke dynamiek van de fysische processen in de Waddenzee, op de Waddeneilanden en in de Noordzeekustzone wordt zo min mogelijk beperkt, zodat zich nieuwe platen, geulen en jonge duin- en kustgebieden kunnen ontwikkelen. De rust, weidsheid en open horizon zijn gewaarborgd en worden hoog gewaardeerd. Zeezoogdieren, vissen en (trek)vogels zijn duurzaam verzekerd van voldoende voedsel en rust- en voortplantingsgebieden. Het rijksbeleid ten aanzien van de recreatie op de Waddenzee is gericht op het beheersbaar maken en houden van het recreatief medegebruik en het ontwikkelen van duurzame vormen van recreatie, waarbij de natuurlijke draagkracht van het gebied uitgangspunt is. Voor het recreatief medegebruik geldt een zonering waarbij de voor verstoring gevoelige gebieden worden ontzien.
Voorts wordt gesteld dat de flora en fauna van de Waddenzee zich meer ongestoord dienen te kunnen ontwikkelen. Zeehonden behoeven voldoende voedsel en rustplaatsen. Hetzelfde geldt voor de vogels die voldoende ongestoorde hoogwatervluchtplaatsen moeten kunnen vinden en op acceptabele vluchtafstand over voldoende voedsel moeten beschikken, wat zij aldaar ongestoord tot zich moeten kunnen nemen. Een meer ongestoorde ontwikkeling van de Waddenzee is alleen mogelijk wanneer het menselijk gebruik van het gebied hierop (meer) wordt afgestemd (bijvoorbeeld via zonering) of indien bepaald gebruik - op termijn – wordt afgebouwd. Richting het jaar 2030 zet het kabinet hierop in. Nieuwe activiteiten en uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten in de Waddenzee dienen daarom aan de hoofddoelstelling te worden getoetst. Het afwegingskader dient ook te worden toegepast voor activiteiten buiten het PKB-gebied die de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee kunnen aantasten (externe werking). Het afwegingskader komt sterk overeen met dat van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Elementen hieruit zijn: Nagegaan dient te worden of er sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee. Er dient rekening te worden gehouden met eventuele cumulatieve effecten van verschillende activiteiten op de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee.
Toestemming voor een activiteit kan slechts worden gegeven nadat zekerheid is verkregen dat de activiteit de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee niet zal aantasten. Het voorzorgbeginsel brengt met zich mee dat er bij twijfel wordt uitgegaan van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden en van de meest verstrekkende effecten voor de Waddenzee (worst-case scenario). Voor een activiteit die leidt tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden en waarvoor geen reële alternatieven aanwezig zijn dient te worden nagegaan of er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bij een activiteit die leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden dienen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen te worden. Deze maatregelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien waarbij de eis geldt dat geen netto verlies aan wezenlijke kenmerken of waarden optreedt. 4.2. Welke natuurbeschermingswetgeving is van toepassing op het plangebied? 4.2.1. De Wet Natuurbescherming en Natura2000 gebieden. Op Vlieland is sprake van drie Natura2000-gebieden die vallen onder de Wet Natuurbescherming, namelijk: - Duinen Vlieland - Noordzeekustzone - Waddenzee.
8
Het plangebied zelf is niet gelegen binnen de grenzen van een van de Natura2000-gebieden, maar grenst direct aan Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Het aangrenzend bosgebied ten zuiden van de toegangsweg naar de camping maakt deel uit van het Natura2000-gebied. De duinen ten noorden van kampeerterrein Stortemelk maken geen deel uit van het Natura2000-gebied. Er liggen alleen ten westen (op een afstand van 615 meter) en ten oosten van camping Stortemelk (op een afstand van 530 meter) open duinterreinen die deel uitmaken van het Natura2000-gebied. De Natura2000 gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone vallen volledig buiten het plangebied. De afstand van het plangebied tot deze twee Natura2000-gebieden is dermate groot, dat een toetsing met betrekking tot de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden niet nodig is. Voor Natura2000-gebied Waddenzee geldt dat het Noordzeestrand ten noorden van camping Stortemelk (op een afstand van 262 meter van het plangebied) tot het Natura2000-gebied behoort. Verder wordt het Waddengebied ten zuiden van Vlieland tot het Natura2000-gebied gerekend. De afstand tussen het plangebied en dit deel van Natura2000-gebied Waddenzee bedraagt 870 meter. De grens met Natura2000-gebied Noordzeekustzone ligt op het Noordzeestrand op 942 meter noordwestelijk van het plangebied. Zie verder kaart 2 in de bijlage.
4.2.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De begrenzingen die door de Provincie Friesland zijn vastgesteld in het kader van het Natuur Netwerk Nederland komen in het plangebied deels overeen met die van de Wet Natuurbescherming, in zoverre dat alle Natura2000-gebieden ook tot het Netwerk behoren. Bebouwde gebieden vallen buiten de begrenzing van het Netwerk. De bosgebieden op Vlieland die buiten Natura2000-gebied vallen, maken echter wel deel uit van het Netwerk. Het plangebied maakt derhalve ook deel uit van het NNN. De regelgeving van het NNN heeft betrekking op ruimtelijke ingrepen met een permanent karakter. Een analyse van de effecten in het kader van het NNN is nodig (zie hoofdstuk 7). 4.2.3. PKB-Waddenzee III. De PKB-Waddenzee beschermt het Nederlandse waddengebied. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van het PKB-gebied en ook niet langs de rand. De PKB-Waddenzee is dan ook niet van toepassing. 4.2.4.
Soortenbescherming in de Wet Natuurbescherming.
De soortenbescherming werd tot voor kort geregeld in de Flora- en faunawet. Deze is echter per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming. Ten opzichte van de oude wet zijn wijzigingen doorgevoerd. Voor alle binnen of in de omgeving van het plangebied voorkomende soorten geldt de zorgplicht. Dit betekent dat de uitvoering van het plan niet tot verslechtering mag leiden van de “staat van instandhouding van de soort”. Voor soorten die beschermd zijn op basis van internationale verdragen geldt binnen het plangebied een strikte bescherming. De soortenlijst komt overeen met die van de “strikt beschermde soorten” van de oude Flora- en faunawet. De zorgplicht geldt echter tevens voor de andere voorkomende, nationaal beschermde soorten. Voor algemene soorten is vrijstelling mogelijk. Het gaat dan om soorten met een “algemeen gunstige staat van instandhouding in Nederland”. Vrijstelling geldt als de uitvoering van het plan geen hierin geen verandering teweeg brengt. De vrijstellingslijst is in december 2016 door de provincie Fryslân vastgesteld (Provincie Fryslân, 2016a en 2016b). Het soortenbeschermingsaspect in de Wet Natuurbescherming is niet gekoppeld aan Natura2000 en is derhalve ook buiten Natura2000-gebieden van toepassing. 4.3. De instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Vlieland.
De volgende instandhoudingsdoelen zijn voor Natura2000-gebied Duinen Vlieland geformuleerd (prioritaire typen en soorten zijn aangeduid met een *): Habitattypen. - H1310. Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp. en andere zoutminnende soorten. - H1330. Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae). - H2120. Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”). - H2130. * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (‘grijze duinen”)
9
-
H2140. * Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum. H2150. * Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno – Ulicetea). H2160. Duinen met Hippophae rhamnoides. H2170. Duinen met Salix repens ssp argentea (Salicion arenariae). H2180. Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied. H2190. Vochtige duinvalleien
Soorten. - H 1930. Groenknolorchis (Liparis loeselii). Broedvogels: - Lepelaar - Bruine kiekendief - Blauwe kiekendief - Porseleinhoen - Kluut - Tapuit Trekvogels en overwinteraars. - Aalscholver - Pijlstaart - Slobeend - Eider - Tureluur - Kleine mantelmeeuw - Tapuit De instandhoudingsdoelen zijn vastgelegd in het definitieve aanwijzingsbesluit voor het Natura2000gebied Duinen Vlieland, maar zijn enigszins gewijzigd ten opzichte van het concept aanwijzingsbesluit. Onder meer is de Velduil uit de lijst van broedvogels geschrapt. De kernopgaven voor Natura2000- gebied “Duinen Vlieland” luiden als volgt: - Ruimte voor natuurlijke verstuiving in de witte en embryonale duinen, onder meer van belang als habitat van de Kleine mantelmeeuw en de Strandplevier. - Uitbreiding en herstel van de kwaliteit van de grijze duinen als habitat van Tapuit en Blauwe kiekendief door het tegengaan van vergrassing en verstruweling. - Behoud oppervlakte en kwaliteit duinen met Kraaiheide - Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien (kalkrijk).
10
5. De natuurwaarden van het plangebied en de directe omgeving. 5.1. Vegetatie. Het bosperceel, waar de lodges worden geplaatst, heeft een boomlaag, bestaande uit circa 20 meter hoge dennen. De dennen zijn in de duinen van Vlieland aangeplant in de eerste helft van de vorige eeuw. Het betreft voornamelijk Oostenrijkse den (Pinus nigra nigra) en Corsicaanse den (Pinus nigra maritima). Op kleine schaal komen ook loofbomen in de boomlaag voor, met name zomereik (Quercus robur) en zachte berk (Betula pubescens). Als gevolg van dunningen in het verleden is de boomlaag niet overal gesloten, maar is deels sprake van een halfopen boomlaag. De struiklaag is in het perceel en langs de Kampweg slecht ontwikkeld. Het perceel heeft dan ook een aanzien van een bos met een open structuur. De struiklaag wordt gedomineerd door Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina). Daarnaast komen ook voor zachte berk, wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), hulst (Ilex aquifolium) en tamme kastanje (Castanea sativa). De bosbodem is voornamelijk begroeid met soorten bladmossen, waarbij gewoon klauwtjesmos (Hypnum cupressiforme), heideklauwtjesmos (Hypnum jutlandicum) en gaffeltandmos (Dicranum scoparium) domineren.