bijlage 1. Integrale Waterveiligheidsstrategie - Vlieland def
Tekst van het document
De ruimtelijke inspanning bij ambitie 3 is groter dan bij 2, en die van 2 groter dan bij 1. Het is niet nodig om de inspanning nu direct te leveren, hierdoor zouden de kosten erg hoog zijn. Het is aantrekkelijker om mee te liften met groot onderhoud en vervangingsopgaven de komende decennia. Dit vereist wel een keuze in de ambities, en een duidelijke verankering in de ruimtelijke planvorming met ontwerpeisen. In het afwegingskader is onderscheid gemaakt in de kosten (en wie deze draagt), de verantwoordelijkheden en de uitvoerbaarheid. Uit de pilots blijkt dat het aantal objecten waarvoor maatregelen nodig zijn bij ambitie 1, 2 en 3 beperkt is, zeker als kan worden aangesloten bij geplande vervangingsopgaven. Door het koppelen aan vervangingsopgave en nieuwbouw zijn de kosten relatief beperkt, en onderdeel van deze vervangingsopgave. De kosten zijn vooral voor rekening van de eigenaren van de objecten en onderdeel van de (ver)bouwkosten. De strategieën zijn wat betreft uitvoerbaarheid niet echt onderscheidend. Ambitieniveau 1 zou wellicht meer ‘ad hoc’ geregeld kunnen worden maar vereist ook inzicht in maatgevende waterstanden en overstromingscontouren. Voor de andere ambitieniveaus is dat ook nodig.
Omdat de realisatie van maatregelen enige tijd (mogelijk decennia) zal vergen is het van belang om het goed te borgen in de planvorming zodat het een randvoorwaarde is bij de uitvoering. Hierdoor kan eenvoudig getoetst worden bij vergunningverlening of aan de eisen wordt voldaan, en kan ook toezicht worden gehouden.
PR4634.20 • januari 2024
51
Ambitie 1
Ambitie 2
Ambitie 3
Legenda
Figuur 28 in kaart gebrachte objecten per ambitieniveau
De kosten van rampenplannen zijn relatief goedkoop al vergen die wel een inspanning (inclusief het onderhoud middels oefeningen). De afhankelijkheid van rampenplannen neemt af naarmate de ambitie in het ruimtelijk beleid groter is, echter rampenplannen zullen wel nodig blijven al is het om mensen te waarschuwen en bij te dragen aan het herstel en redding/evacuatie. Extra investeren in waterkeringen (met zwaardere normen) is natuurlijk ook een mogelijkheid, hierdoor neemt de kans op een overstroming af maar er blijft een risico. Het verhogen van deze normen is nu niet aan de orde. Dat vereist dat er ook in dat geval expliciete keuzes nodig zijn voor ruimtelijk beleid en risico acceptatie. In het huidige onderzoek is vooral gekeken naar het aantal objecten dat wordt blootgesteld, waarbij uitval is verondersteld. Aanvullend zou nog gekeken kunnen worden in welke mate de functie weer kan worden opgestart als het water weg is, of snel hersteld kan worden, zeker als blijkt dat het water enige dagen na een doorbraak is gezakt waardoor grote delen weer droog staan. Nu is verondersteld dat bij blootstelling aan meerdere decimeters water het object uitvalt, onderzocht kan worden bij welke waterdiepte een functie daadwerkelijk uitvalt. Voor nieuwbouwlocaties, die beperkt zijn op de eilanden, geldt dat bij de locatiekeuze rekening gehouden kan worden met het overstromingsrisico.
Zo kan er onderscheid worden gemaakt in wel en niet overstroombaar gebied of een droge verdieping als vereiste. Binnen het overstroombaar gebied zijn gebieden die hoger liggen dan het gemiddeld hoogtij aantrekkelijker dan gebieden die lager liggen omdat deze eerste gebieden niet overstromen of relatief snel droogvallen.
PR4634.20 • januari 2024
52
Binnendijks Voor het binnendijks gebied neemt de verwachte maximale omvang (en vooral de diepte) van een overstroming toe in de toekomst. De kans op een overstroming blijft echter gelijk omdat waterkeringen worden versterkt. De maximale diepte is echter tijdelijk en alleen tijdens de piek. Nadat de zeewaterstand daalt zal ook water weer richting zee stromen, echter niet alles (met name in bedijkt gebied). Dat betekent dat het van belang is dat inwoners en toeristen een korte tijd kunnen schuilen zodat ze kunnen overleven (waarvoor ook evacuatieplannen nodig zijn). Uit de analyse blijkt dat er voldoende schuilplaatsen zijn voor inwoners en toeristen. Met name toeristen hebben wellicht hulp nodig om deze te vinden.
Figuur 29: Waterdieptes in 2100: Links is de maximale waterdiepte tijdens een extreme overstroming. Rechts is de geschatte waterdiepte enkele dagen na een overstroming waarbij het water op vrij verval kan wegstromen door het getijde. (NB: het overstroomde gebied is weergegeven op basis van de huidige normsituatie, in de situatie van 2100 zal er een schil met waterdieptes van maximaal 1 m waterdiepte bij komen afhankelijk van de maaiveldhoogte).
Na het zakken van het water kunnen schuilplaatsen worden verlaten en kan een eerste herstel gaan plaatsvinden. Ook kunnen toeristen en inwoners dan naar de wal reizen. Herstel (en de leefbaarheid) kan worden bespoedigd door middelen, inclusief eten en drinken, veilig te stellen voorafgaand aan de overstroming zodat de periode beter overbrugd kan worden tot de verbindingen met de vaste wal hersteld zijn. Overwogen kan worden de locaties te wijzigen, lokaal te beschermen of in te zetten op een snel herstel. Het is nog onduidelijk wat de herstelmogelijkheden zijn van deze objecten en of uitval kan worden voorkomen bij de kritieke waterdieptes.
Buitendijks Het buitendijkse gebied is inherent onderdeel van de identiteit van de Waddeneilanden. Voor buitendijks gebied geldt dat hoogwater en overstromingen in de toekomst vaker voorkomen. Dit buitendijks gebied, deels beschermd door duinen en keringen vergt onderhoud. Dit gebied (evenals duinen en voorlanden bij primaire waterkeringen) kan (al dan niet vertraagd en geheel of gedeeltelijk) meegroeien met zeespiegelstijging. De snelheid is afhankelijk van de locatie en de mate waarin dit meegroeien - een natuurlijk proces - wordt gestimuleerd. Een aantal objecten ligt buitendijks, zoals het energie aanlandpunt en het bedrijventerrein zijn cruciaal voor de voorzieningen en de leefbaarheid op het eiland. Ook voor deze locaties kan overwogen worden om de locatie op termijn te veranderen, het ligt voor de hand hier op korte termijn naar te kijken wat mogelijk is met continuïteitsplannen of om de bescherming verder vorm te geven.
PR4634.20 • januari 2024
53
Figuur 30 Waterdiepte bij een 1/10.000 per jaar situatie in de huidige situatie. In 2100 komt deze situatie ongeveer 1/1.000pj voor. (NB: het overstroomde gebied is weergegeven op basis van de huidige normsituatie, in de situatie van 2100 zal er een schil met waterdieptes van maximaal 1 m waterdiepte bij komen afhankelijk van de maaiveldhoogte).
5.2
Conclusies en aanbevelingen
Conclusie 1. De studie laat zien dat de impact van zeespiegelstijging anders is voor het binnendijks en buitendijks gebied. Voor het binnendijkse gebied zorgen de waterkeringen voor een ondergrens in de kans van voorkomen van overstromingen. Voor het buitendijks gebied betekent zeespiegelstijging dat overstromingen vaker voorkomen, tenzij het gebied meegroeit met de zeespiegel of dat waterkerende elementen ook worden versterkt. Dit betekent dat er zicht moet zijn op deze waterkerende elementen, welke eisen hieraan gesteld worden en mogelijke ruimtebeslag voor toekomstige versterkingen. Voor Vlieland zal meegroeien aan de Wadzijde maar zeer ten dele een oplossing zijn vanwege het verwachte beperkte aanbod van zand/slib. Conclusie 2: Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. Van de ruim 1600 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming. In deze schatting is ervan uitgegaan dat er tijdens het seizoen dijkdoorbraken mogelijk zijn, maar er vrijwel geen mensen kamperen. Aanbeveling 1: Zorg dat bewoners en toeristen bekend (kunnen) zijn met mogelijke schuillocaties en wat van hen verwacht wordt om enkele dagen te overleven. Voor de uitwerking van dit handelingsperspectief is risico- en crisiscommunicatie het vertrekpunt.
Aanbevolen wordt dat de veiligheidsregio hiervoor een strategie opstelt op basis van de uitwerking van rampenplannen (waarin ook de mogelijkheden om vooraf het eiland te verlaten nog worden gemaximaliseerd). Aanbevolen wordt ook de eilandgemeentes en recreatiebedrijven bij de uitvoering te betrekken omdat deze daadwerkelijk het contact hebben met de inwoners en toeristen. Conclusie 3: Voor vitale en kwetsbare objecten kunnen voorzieningen worden getroffen om de kwetsbaarheid te verkleinen zodat sneller herstel kan plaatsen. Als criterium is hierbij een extreme overstroming gekozen omdat het ruimtelijk beleid aanvullend is op de bescherming door waterkering, en om de leefbaarheid snel te herstellen wetende dat het vaste land mogelijk ook is getroffen.
PR4634.20 • januari 2024
54
Het aantal objecten (en stakeholders) waarop de 3 verschillende ambitieniveaus in kaart zijn gebracht neemt toe naarmate de ambitie hoger ligt. In Tabel 16 is het aantal kwetsbare objecten opgenomen per ambitieniveau. VLIELAND Aantal objecten
BINNENDIJKS O.b.v. maximale waterstand (en na een overstroming)
Aantal objecten
BUITENDIJKS O.b.v. maximale waterstand bij 1/10.000 gebeurtenis
319 0
AMBITIE 1 Heden 2100 0 (0) 0 (0) 0 (0) 0 (0)
0 1
Heden 0 1
2100 0 1
ONDERSTEUNING LEVENSMIDDELEN
7 3
5 (0) 3 (0)
20 1
18 1
20 1
WATERHUISHOUDING DRINKWATER ENERGIE VEILIGHEID ICT&TELECOM
47 17 23 2 2
25 6 6 1 0
23 2 5 1 0
24 2 5 1 0
1 0
0 0
0 0
SECTOR
NIET ZELFREDZAMEN AANLANDPUNT HULPDIENSTEN EN
LANDBOUW, TUINBOUW EN VISSERIJ GEZONDHEID INFRASTRUCTUUR
2 2 5
5 (1) 3 (0) AMBITIE 2 6 (0) 6 (2) 0 (0) 0 (0) 6 (0) 7 (0) 0 (0) 0 (1) 0 (0) 0 (0) AMBITIE 3 0 (0) 1 (0) 0 (0)
0 (0) 0 (0) 0 (0)
5
5
5
Tabel 16: Aantal objecten in de huidige situatie en 2100 dat kwetsbaar is voor overstromingen in de huidige situatie en in 2100 bij een extreme overstroming. Voor primaire waterkeringen is onderscheid gemaakt in de maximale waterstand tijdens de overstroming en enkele dagen na de overstroming als het water vrij heeft kunnen afstromen. Voor buitendijks gebied is uitgegaan van het extreemste scenario wat het meest vergelijkbaar is met de binnendijkse situatie.
Aanbeveling 2: De gemeente wordt geadviseerd het ambitieniveau vaststellen waarbij het gaat om de kaders die gelden voor verschillende functies en objecten bij nieuwe ontwikkelingen en renovatie. Het vastgestelde ambitieniveau zal in omgevingsplannen moeten worden verankerd zodat er duidelijkheid is voor alle stakeholders. Dat betekent dat de gemeente:
Kaders en richtlijnen opstelt voor het ruimtelijk beleid voor nieuwe ontwikkelingen en renovatie in samenspraak met de ruimtelijke partners (als provincie, waterschappen en Rijkswaterstaat). Het gaat dan om ontwerphoogten (op basis van waterstanden) en randvoorwaarden om van deze ontwerphoogtes af te wijken (bijvoorbeeld als door andere maatregelen de continuïteit van de functie of voldoende snel hersteld kan worden geborgd). Geadviseerd wordt om deze te verankeren zodat bij vergunningaanvragen voor nieuwe ontwikkelingen hieraan getoetst kan worden. De maatgevende waterstanden zoals deze zijn afgeleid in deze studie kunnen worden gebruikt als ontwerprandvoorwaarde voor nieuwe gebouwen.
In overleg gaan met de beheerders van de vitale objecten over mogelijke maatregelen bij nieuwbouw of renovatie. Hierbij kan worden gekeken naar fysieke maatregelen om de gevolgen op de beoogde locatie te verkleinen en of naar andere locaties te kijken. Ook kan worden gekeken naar mogelijkheden voor extra bescherming (met de waterbeheerder) of noodmaatregelen (met de veiligheidsregio). Een belangrijk aspect hierbij is inzicht te
19 Het gaat hierbij om 11 woon eenheden verdeeld over 3 objecten.
PR4634.20 • januari 2024
55
krijgen in de verdeling van de kosten en baten en het maken van afspraken hierover. Belangrijk hierbij is te benadrukken dat de kaders gaan over nieuwbouw en vervangingsopgave, en de maatregelen voor waterveiligheid worden gerealiseerd als onderdeel van andere (grotere) investeringen en dat zo wordt verwacht dat de meerkosten beperkt zijn. Aanbeveling 3: De gemeente wordt geadviseerd om op basis van de opgedane inzichten te bepalen of er nu al objecten of netwerken acute aandacht vragen. In eerste instantie wordt geadviseerd hiervoor objectgerichte rampenplannen op te stellen, als deze het risico nog niet afdekken zijn mogelijke fysieke maatregelen noodzakelijk.
Objectgerichte rampenplannen (door de overheid) en continuïteitsplannen (door de (semi)private object eigenaren en zorginstellingen) kunnen het risico reduceren ook voor situaties die nu al kunnen voorkomen. Hierbij kan worden aangesloten bij de ontwikkeling van handelingsperspectieven zoals die worden uitgewerkt door de veiligheidsregio’s. Naast de eerdere genoemde uitwerking voor evacuatie en schuilmogelijkheden ligt een nadere uitwerking voor niet- of minder zelfredzame mensen voor de hand, het veiligstellen van hulpverleningsmateriaal (inclusief materiaal van loonbedrijven) en de energie aanland punten voor de hand.
Indien met deze noodmaatregelen het risico onvoldoende kan worden afgedekt kan worden overwogen om ook fysieke maatregelen te nemen (dit is een politieke keuze). De gemeente zal deze afweging moeten maken en dan het gesprek aangaan met de betrokken beheerders. Als deze enkel vanuit het doel van waterveiligheid worden genomen, en niet gekoppeld aan andere ontwikkelingen, zijn de kosten dus relatief hoog. Tegelijkertijd geldt hierbij dat de ambitie in het Deltaprogramma is om in 2050 klimaatrobuust te zijn.
Aanbeveling 4: Het verdient aanbeveling om de typering van vitale objecten eenduidig vast te stellen in omgevingsplannen van de gemeente en de lijst met deze objecten ook te beheren en onderhouden en hierover afspraken te maken met de veiligheidsregio en waterbeheerders. Deze lijst met objecten kan worden gecombineerd met de overstromingsscenario’s uit LIWO die ook continu worden verbeterd door de waterschappen en Rijkswaterstaat. Het verdient dan ook aanbeveling om frequent (bijv. eens in de 6 jaar gekoppeld aan de actualisatie van de hoogwaterrichtlijn) de overstromingskaarten te actualiseren op basis van LIWO zodat er een actuele en betrouwbare basis ligt onder de omgevingsplannen van de gemeente. Om dit onderhoud te kunnen doen zijn de volgende acties noodzakelijk:
De basisdata moeten op orde zijn. Dat betekent dat de gemeente ervoor moet zorgen dat het BAG actueel is, inclusief een typering van de objecten naar de klassen van de vitale objecten en het aantal bouwlagen voor schuilmogelijkheden. De waterbeheerders zullen ervoor moeten zorgen dat de overstromingskaarten en kansen actueel zijn.
Indien aangesloten wordt bij het KRO bestand als basisbestand over objecten (waarin meerdere bronnen inclusief het BAG worden meegenomen) zullen hierover afspraken gemaakt moeten worden met de veiligheidsregio zodat deze informatie toegankelijk is.
De informatie zal voor beleidsmakers bij de gemeente eenvoudig ontsloten moeten kunnen worden. De viewer zoals ontwikkeld in dit project kan hiervoor een basis bieden.
Conclusie 4. Om de waterkeringen en buitendijks gebied op orde te houden is er ruimte nodig die groter wordt naarmate de zeespiegel stijgt.
Voor Vlieland leidt met name 2 meter zeespiegelstijging tot een grote inpassingsopgave.
PR4634.20 • januari 2024
56
Het ruimtebeslag is nog relatief beperkt met enkele tientallen meters maar de dijkversterking kan conflicteren met tientallen woningen bij groene dijken en standaard versterkingen. Alternatieven die kunnen leiden tot minder impact op de bebouwing zijn zeewaartse versterkingen of constructieve oplossingen.
Voor het buitendijks gebied geldt dat het stimuleren van het meegroeien van duinen en voorlanden ook ruimtebeslag vraagt. Het stimuleren van deze natuurlijke processen is een keuze. Het gaat hierbij enerzijds over de omvang en anders in andere mogelijke oplossingen als (tijdelijk) onderhoud met machines. Een keuze voor het stimuleren van meegroeien betekent dat er minder periodiek onderhoud nodig is maar vraagt een grotere inspanning dan de huidige geplande suppleties. Een meerwaarde van het stimuleren van meegroeien is dat bijvoorbeeld kerven ook natuurlijke meerwaarde opleveren. Aan de wadkant is dat echter veel lastiger en het handelingsperspectief meer beperkt.
Aanbeveling 5: Conform de ambitie binnen water en bodem sturend om de reserveringszones rondom waterkeringen te actualiseren wordt dan ook aanbevolen om dit zowel voor de waterkeringen als het meegroeien van duinen en voorlanden vast te leggen. Dit vergt een samenspel tussen waterbeheerder, terreinbeheerder en gemeente. De waterbeheerder en terreinbeheerder zullen in kaart moeten brengen wat het benodigde ruimtebeslag is gegeven een wijze van uitvoering. De interactie tussen gemeente, terreinbeheerder en Rijkswaterstaat c.q. waterschap vindt plaats over de mogelijke wijze van uitvoering van deze maatregelen, zeker als er ruimtelijke impact is. De uiteindelijke reserveringszones zullen in de ruimtelijke plannen van waterschap, gemeente en wellicht provincie vastgelegd moeten worden. Aanbeveling 6: Bepaal eisen en verantwoordelijkheden voor (onderhoud) van beschermingswerken in buitendijks gebied. Waar de beschermingswerken in buitendijks gebied niet onder verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat of het waterschap vallen ligt het in de rede dat de gemeente hiertoe, in samenwerking met deze overheden en de beheerders/eigenaren, de mogelijkheden onderzoekt. In het buitendijks gebied op Vlieland liggen ook waterkeringen die worden beheerd door de gemeente, er liggen ook keringen waarvan niet bekend is wie deze onderhoudt. Verder zijn de overige aandachtspunten opgesteld:
De beschikbaarheid en kwaliteit van de buitendijkse overstromingsscenario’s is een aandachtspunt. De beschikbaarheid gaat over het ontbreken van voldoende extreme scenario’s en scenario’s voor het zichtjaar 2100. Op dit moment is klimaatverandering vertaald in een impact op de kans van voorkomen en een toeslag op de waterdiepte van gebieden die reeds overstromingen. De impact van veranderende overstromingspatronen (toename van de omvang van het overstroomde gebied) is niet in kaart gebracht. Voor de buitendijkse gebieden is verder de ruimtelijke resolutie van de waterdieptekaarten, de duiding van de sterkte van niet primaire keringen van belang en de correcte begrenzing van deze gebieden. Vanaf 2024 is voorzien dat informatie over overstromingen van buitendijkse gebieden door Rijkwaterstaat wordt geactualiseerd in het kader van de Europese Hoogwaterrichtlijn. Aanbevolen wordt dan in meer detail te kijken naar de benoemde aandachtspunten en de nieuwe scenario’s over te nemen.
Een tweede aandachtspunt is de definitie van vitale en kwetsbare objecten. Er bestaat nog geen eenduidige lijst van definities en een duidelijke bron waarin deze objecten (correct) zijn opgenomen. De lijst die nu is samengesteld is gebaseerd op het KRO bestand van de
PR4634.20 • januari 2024
57
veiligheidsregio's, de BAG en open data van energieleveranciers. Deze lijst is aangevuld op basis van een beheerdersoordeel. Het kan niet met zekerheid worden gezegd dat de huidige lijst compleet en correct is. Zo is bijvoorbeeld in de BAG van appartementen in een meerlaags complex niet bekend welke vloerhoogte de bouwlagen boven de begane grond hebben. Voor dit onderzoek is dat niet erg omdat gekeken is naar de huidige objecten met name met als doel om een beeld te vormen van consequenties van een ambitieniveau. Bij de uitwerking gaat het vooral om nieuwe ontwikkelingen waarbij op dat moment gekeken kan worden naar de ambities en ontwerprandvoorwaarden. Het verdient wel aanbeveling om een eenduidige lijst op te stellen die ook wordt beheerd en wordt ontsloten zodat die zowel voor ruimtelijk beleid als voor crisisbeheersing kan worden gebruikt.
PR4634.20 • januari 2024
58
Bijlagen
PR4634.20 • januari 2024
59
A Meegroeien De natuurlijke kust kan meegroeien met de zeespiegelstijging (Wegman et al., 202120). Dit zorgt op een natuurlijke manier voor het vergroten van de waterveiligheid. In Nederland groeit de zandige kust aan door suppleties. Openingen hoog in de duinenrij kunnen het proces van aanzanding en daarmee meegroeien van de duinenrij versnellen, deze openingen noemen we kerven. Kerven zorgen voor het doorstuiven van zand van het strand in de duinen. Kerven ontstaan soms ‘vanzelf’ bij een storm maar kunnen ook aangelegd worden. Aan de Waddenzeezijde van de Waddeneilanden waar het slibgehalte hoog is kan geen grootschalige verstuiving plaatsvinden. Maar de gebieden die onderwater staan bij hoogwater (voorlanden/kwelders) kunnen door het bezinken van slib ook meegroeien. Dit meegroeien van voorlanden kan ongeveer tot springtij hoogte plaatsvinden. Daar waar natuurlijke hoogtes het binnendringen van zeewater bij normale vloeden verhinderen zal het achterland niet op natuurlijke wijze kunnen meegroeien. Meegroeien van de kust bestaande uit natuurlijke materialen gaat ‘vanzelf’. Echter, dit meegroeien kan wel gestimuleerd worden óf verhinderd. Het stimuleren kan door bijvoorbeeld kerven/ stuifkuilen aan te leggen of in het geval van voorlanden/kwelders deze regelmatig onder te laten lopen en het slib te laten bezinken. Obstakels verhinderen vaak het meegroeien van een gebied.
Omdat meegroeien te beïnvloeden is, is het een beleidskeuze. Meegroeien kan negatieve effecten hebben op andere functies zoals recreatie als door grote hoeveelheden zand fietspaden onderstuiven of strandpaviljoens vol liggen met zand. Maar het heeft door het vergroten van het volume sediment in het profiel een gunstig effect (op termijn) op de waterveiligheid en regelmatig ook op de ecologie. Voor natuurlijk meegroeien is tijd nodig. Zaak is daarom om op tijd in te zetten op meegroeien van een gebied indien gewenst. Meegroeien door kerven Kerven zijn openingen in de eerste duinenrij waar de wind zand doorheen kan blazen. De wind botst vanuit zee vol op de eerste duinenrij, een opening in deze duinenrij zorgt ervoor dat het door de wind meegenomen zand van het strand de duinen in kan waaien. De zee zelf kan echter zelden door een kerf naar binnenstromen omdat de opening van kerven doorgaans rond de 6 m + NAP ligt. De waterveiligheid zal op termijn door kerven verbeteren; de extra toelevering van zand naar het duingebied zorgt ervoor dat de omringende paar honderd meter duingebied nabij de kerf kan meegroeien met zeespiegelstijging. Ook de natuur kan profiteren van kerven: de dynamiek en verspreiding van het kalkrijke zand over het gebied gaat veroudering en verzuring van het landschap tegen (PWN, 202221).
Kerven kunnen een middel zijn voor de doorvoer van zand en om het achterliggende gebied te laten groeien, maar er is natuurlijk wel zand nodig. Dit zand is nu ook al beschikbaar door suppleren, maar blijft vaak aan de zeezijde van het duingebied hangen. Duingebieden met kerven zijn, bij voldoende beschikbaarheid van zand, in staat een grotere mate van zeespiegelstijging op te vangen of deze in kortere tijd te compenseren dan duingebieden zonder kerven.
20 Wegman, C., Ouwerkerk, S. & Leenders, J.L. (2021) Duinen groeien mee met zeespiegel. Land+Water 4 p. 22-23 21 https://www.pwn.nl/kerven-de-zeereep-bij-castricum-aan-zee
PR4634.20 • januari 2024
61
Bijvoorbeeld als de relatieve zeespiegelstijging 1 m in 100 jaar bedraagt is het benodigd volume aanzanding in het gebied boven 3 m+NAP ongeveer 6 m3/m/jaar (bij een duinbreedte van 600 m dwars op de kust, Leenders et al., 201822). Het gemiddelde volume aanzanding langs de Nederlandse kust is 8,5 m3/m/jaar (Wegman et al., 202123). Uit volume analyses van de kerven die wij in een eerdere studie hebben onderzocht blijkt dat volumes aanzanding van 26,5 m3/m/jaar gehaald worden (aan de Hollandse kust). Dit betekent dat kerven in korte tijd een grote hoeveelheid zeespiegelstijging op kunnen vangen. Echter, hier zijn ook kanttekeningen bij te plaatsen. Bijvoorbeeld dat het zand niet perfect verdeeld zal worden over het achterliggende gebied, dat deze volumes aanzanding alleen in de groeifase van de kerven gehaald worden en dat voor het aanleggen van de kerf de top van het primaire duin afgegraven dient te worden waardoor tijdelijk minder hoogte aanwezig is in het primaire duin. Toch geven bovenstaande cijfers voldoende aanleiding om te zeggen dat kerven zorgen voor het versterken van de meegroeicapaciteit van de duinen met zeespiegelstijging. Voor het succesvol aanleggen van kerven moeten verschillende factoren in ogenschouw genomen worden. Zo is waterveiligheid een belangrijke factor.
Indien de waterveiligheid op een bepaalde locatie niet op orde is, is de aanleg van een kerf niet mogelijk. Vaak worden kerven aangelegd in brede stukken duingebied. Hierdoor is de impact van het maken van een opening in de eerste duinenrij minder groot. Soms wordt het grensprofiel naar achteren gelegd om de aanleg van een kerf mogelijk te maken (zoals bij De Kerf Schoorl en bij de Noordwestkern). Het is ook mogelijk om te garanderen dat het profiel van een kerf zelf veilig blijft, in deze gevallen is het grensprofiel gewoon aanwezig op de plek van de kerf. Het strandzand wordt het meest benut voor doorstuiving in de kerf als de aansluiting van de kerf op het strand goed is. Dit is het geval als de opening niet te hoog wordt gelegd (max 8 m + NAP), het strand tot aan de kerf een flauwe helling vertoont en zand zich door de kerf naar het achterland kan verplaatsen. Bij kerven bestaat een kleine kans dat de kerende hoogte in de langsrichting van het eiland door te veel uitstuiving wordt onderbroken. Hierop zal bij het toestaan van kerven regelmatig moeten worden gemonitord, en zo nodig zal moeten worden ingegrepen wanneer de kans op overstromen door te veel uitstuiven te groot wordt. Dit geldt vooral voor buitendijks gebied, waar geen achterliggende dijkring is die garandeert dat een vastgesteld overstromingsrisico niet wordt overschreden.
22 Leenders, J. L., Wegman, C., Bodde, W. & Verheijen, A. (2018) Inpassing veiligheidsontwerp Hondsbossche Duinen.
Building with Nature, EcoShape. 23 Wegman, C., Ouwerkerk, S. & Leenders, J.L. (2021) Duinen groeien mee met zeespiegel. Land+Water 4 p. 22-23
PR4634.20 • januari 2024
62
Hoofdkantoor HKV lijn in water BV Botter 11-29 8232 JN Lelystad 0320 294242 info@hkv.nl www.hkv.nl
Nevenvestigingen Informaticalaan 8 2628 ZD Delft Berkenweg 7 3818 LA Amersfoort