bijlage 1. Integrale Waterveiligheidsstrategie - Vlieland def
Tekst van het document
Integrale waterveiligheid strategie Waddeneilanden Vlieland
Opdrachtgever
Gemeentes Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Samenwerkingsverband Waddeneilanden
Integrale waterveiligheid strategie Waddeneilanden Vlieland Eindrapport
Auteurs B. Kolen C. Wegman B. Strijker
PR4634.20 januari 2024
Managementsamenvatting De Waddeneilanden zijn uniek in Nederland. In geval van een (dreigende) overstroming kan de verbinding met het vasteland enige tijd wegvallen. De herstelperiode kan lang duren, zeker als er schaarste is aan middelen en er andere delen van Nederland ook zijn getroffen. In het Deltaprogramma 2021 is opgenomen dat een integrale waterveiligheidsstrategie wordt opgesteld voor ieder Waddeneiland voor hoogwater en overstromingen op basis van de principes van meerlaagsveiligheid. De focus bij de uitwerking van de waterveiligheidsstrategie voor de Waddeneilanden ligt op de ruimtelijke inrichting, waarbij het huidige preventiebeleid uitgangspunt is. In geval van een overstroming zijn de eilanden enige tijd op zichzelf aangewezen, waarbij ook het vooraf verlaten van het eiland erg lastig is. Bij de normering van waterkeringen is er rekening mee gehouden dat niemand voorafgaand aan de dijkdoorbraak de eilanden kan verlaten (een evacuatiefractie van 0%). Met de ruimtelijke planvorming ligt de focus op de leefbaarheid, de vitale functies en het herstel na een overstroming. Een meer robuuste inrichting en het hebben van schuilmogelijkheden leidt tot minder afhankelijkheid van het vasteland en minder beroep op de crisisbeheersing in het geval van overstroming. In het onderzoek zijn verschillende ambitieniveaus beschouwd voor het ruimtelijk beleid.
Het ruimtelijk beleid draagt bij aan snellere terugkeer naar een normale(re) situatie na een overstroming. Het ruimtelijk beleid heeft ook impact op de crisisbeheersing, hoe robuuster de inrichting op de Waddeneilanden hoe groter de leefbaarheid bij rampen en hoe kleiner de opgave bij hulpverlening. Drie mogelijke ambities zijn geformuleerd, uitgaande van de maximale waterdieptes die kunnen optreden bij extreme situaties.
Ambitie 1: Schuilen en overleven;
Ambitie 2: Schuilen, overleven en basis voor herstel vitale infrastructuur;
Ambitie 3: Schuilen, overleven en basis voor herstel vitale infrastructuur ++.
Een nog ambitieuzere optie om de impact aan alle bebouwing te voorkomen is theoretisch mogelijk maar bestempeld als onhaalbaar en dan ook niet verder uitgewerkt. Het ambitieniveau zelf is een keuze voor bestuurders die primair ligt bij de gemeente zelf. Om de impact van deze keuzes inzichtelijk te maken is in kaart gebracht wat de consequenties zijn voor de huidige objecten die nu op het eiland liggen. Hierbij is gekeken naar de schuilmogelijkheden op het eiland en de impact op verschillende objecten (zie onderstaande tabel) en het binnendijks en buitendijks gebied. Er zijn 3 zichtjaren uitgewerkt: de huidige situatie, 2050 en 2100. Hierbij is rekening gehouden met versterkingen van primaire waterkeringen en de gevolgen van orde 1 meter zeespiegelstijging in 2100 (dat komt overeen met de tijdlijn extreem in kennisprogramma zeespiegelstijging). Voor binnendijkse gebieden is gekeken naar de maximale waterdiepte bij verwachte en extreme overstromingen, ook is gekeken naar de waterdiepte in de eindsituatie waarbij weer water onder vrij verval terug naar zee is gestroomd. Voor buitendijks gebied is gekeken naar de overstromingskaarten die zijn opgesteld voor terugkeertijden van 10 tot 10.000 jaar. Voor buitendijkse gebieden is ook gekeken naar de ontwikkeling van afslagprofielen bij extreme stormen omdat deze ook groter kunnen worden door zeespiegelstijging.
Om het ambitieniveau te realiseren zijn maatregelen nodig. Het uitgangspunt is hierbij dat deze worden genomen op het moment van nieuwbouw of grotere vervangingsopgave bij deze objecten.
Mogelijke ingrepen zijn de locatiekeuze, het ontwerp en de inrichting op een locatie en lokale beschermingsmaatregelen. Als deze ruimtelijke en lokale maatregelen niet voorzien of zeer kostbaar zijn, kan ook worden gekeken naar meer beschermingsmaatregelen voor grotere gebieden (zowel binnendijks als buitendijks). Voor sommige objecten of processen kan het zinvol zijn om ook nu al maatregelen te nemen. Het gaat dan vooral om organisatorische maatregelen, gericht op rampenplannen en snel herstel. Denk hierbij aan evacuatie van kwetsbare mensen, informatie over schuilplaatsen voor bewoners en toeristen, veiligstellen van het hulpverleningsmateriaal op het eiland (inclusief benodigd materiaal loonbedrijven). Er zijn in het onderzoek geen objecten geïdentificeerd waarvoor het risico nu al te hoog is en waarvoor nu al fysieke ruimtelijke maatregelen noodzakelijk zijn, echter dit oordeel is vooral een politiek maatschappelijke keuze en is niet aan de onderzoekers. Om deze maatregelen in de toekomst te kunnen nemen is er ruimte nodig. De vraag is hoeveel ruimte reserveren wenselijk is, deze keuze voor het zichtjaar is hierbij van belang, ook omdat zeespiegelstijging hierna nog zal doorgaan, maar ook omdat het onzeker is hoe de toekomst en de maatschappij er over meer dan 100 jaar uitziet.
Het reserveren van ruimte kan ook nodig zijn om natuurlijke oplossingen te stimuleren om bijvoorbeeld de duinen sneller mee te laten groeien. In het onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken: 1.
De impact van zeespiegelstijging is duidelijk anders voor het binnendijks en buitendijks gebied. Voor het binnendijkse gebied zorgen de waterkeringen voor een ondergrens in de kans van voorkomen van overstromingen. Voor het buitendijks gebied betekent zeespiegelstijging dat overstromingen vaker voorkomen, tenzij het gebied meegroeit met de zeespiegel of dat waterkerende elementen ook worden versterkt.
2.
Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. Van de ruim 1600 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming. In deze schatting is ervan uitgegaan dat tijdens het seizoen waarin er dijkdoorbraken mogelijk zijn er vrijwel geen mensen kamperen.
3.
Voor vitale en kwetsbare objecten kunnen voorzieningen worden getroffen om de kwetsbaarheid te verkleinen zodat sneller herstel kan plaatsen. Als criterium is hierbij een extreme overstroming gekozen omdat het ruimtelijk beleid aanvullend is op de bescherming door waterkering en om de leefbaarheid snel te herstellen, wetende dat het vaste land mogelijk ook is getroffen. Het aantal objecten (en stakeholders) waarop de 3 verschillende ambitieniveaus in kaart zijn gebracht neemt toe naarmate de ambitie hoger ligt. In onderstaande tabel is het aantal kwetsbare objecten opgenomen per ambitieniveau.
4.
Om de waterkeringen en buitendijks gebied op orde te houden is er wel ruimte nodig, die groter wordt naarmate de zeespiegel stijgt.
VLIELAND Aantal objecten
BINNENDIJKS O.b.v. maximale waterstand (en na een overstroming)
Aantal objecten
BUITENDIJKS O.b.v. maximale waterstand bij 1/10.000 gebeurtenis
31 0
AMBITIE 1 Heden 2100 0 (0) 0 (0) 0 (0) 0 (0)
0 1
Heden 0 1
2100 0 1
ONDERSTEUNING LEVENSMIDDELEN
7 3
5 (0) 3 (0)
20 1
18 1
20 1
WATERHUISHOUDING DRINKWATER ENERGIE VEILIGHEID ICT&TELECOM
47 17 23 2 2
5 (1) 3 (0) AMBITIE 2 6 (0) 6 (2) 0 (0) 0 (0) 6 (0) 7 (0) 0 (0) 0 (1) 0 (0) 0 (0) AMBITIE 3
25 6 6 1 0
23 2 5 1 0
24 2 5 1 0
0 (0) 1 (0) 0 (0)
1 0 6
0 0 6
0 0 6
SECTOR
NIET ZELFREDZAMEN AANLANDPUNT HULPDIENSTEN EN
LANDBOUW, TUINBOUW EN VISSERIJ GEZONDHEID INFRASTRUCTUUR
2 2 6
0 (0) 0 (0) 0 (0)
Aantal objecten in huidige situatie en 2100 dat kwetsbaar is voor overstromingen in de huidige situatie en in 2100 bij een extreme overstroming. Voor primaire waterkeringen is onderscheid gemaakt in de maximale waterstand tijdens de overstroming en enkele dagen na de overstroming als het water vrij heeft kunnen afstromen. Voor buitendijks gebied is uitgegaan van het extreemste scenario wat het meest vergelijkbaar is met de binnendijkse situatie.
Op basis van deze conclusies zijn de volgende aanbevelingen opgesteld: 1.
Over evacuatie en schuilen: Zorg dat bewoners en toeristen bekend (kunnen) zijn met mogelijke schuillocaties en wat van hen verwacht wordt om enkele dagen te overleven. Voor de uitwerking van dit handelingsperspectief is risico- en crisiscommunicatie het vertrekpunt. Aanbevolen wordt dat de veiligheidsregio hiervoor een strategie opstelt op basis van de uitwerking van rampenplannen (waarin ook de mogelijkheden om vooraf het eiland te verlaten nog worden gemaximaliseerd). Aanbevolen wordt ook de eilandgemeentes en recreatiebedrijven bij de uitvoering te betrekken omdat deze daadwerkelijk het contact hebben met de inwoners en toeristen.
2.
De eisen aan objecten bij nieuwbouw en vervangingsopgave: De gemeente wordt geadviseerd het ambitieniveau vast te stellen waarbij het gaat om de kaders die gelden voor verschillende functies en objecten bij nieuwe ontwikkelingen en renovatie. Het vastgestelde ambitieniveau zal in omgevingsplannen moeten worden verankerd zodat er duidelijkheid is voor alle stakeholders.
3.
Het verdient aanbeveling om de typering van vitale objecten eenduidig vast te stellen in omgevingsplannen van de gemeente en de lijst met deze objecten ook te beheren en onderhouden en hierover afspraken te maken met de veiligheidsregio en waterbeheerders.
4.
Actuele risico’s: De gemeente wordt geadviseerd om op basis van de opgedane inzichten te bepalen of er nu al objecten of netwerken acute aandacht vragen. In eerste instantie wordt geadviseerd hiervoor objectgerichte rampenplannen op te stellen, als deze het risico nog niet afdekken zijn mogelijke fysieke maatregelen noodzakelijk.
1 Het gaat hierbij om 11 woon eenheden verdeeld over 3 objecten.
5.
Ruimtelijke reserveringen: Conform de ambities binnen water en bodem sturend wordt geadviseerd om de reserveringszones rondom primaire waterkeringen te actualiseren, maar ook het ruimte reserveren voor het meegroeien van duinen en voorlanden vast te leggen en versterkingen van kades en keringen in buitendijks gebied.
6.
Bescherming buitendijks gebied: Bepaal eisen en verantwoordelijkheden voor (onderhoud) van beschermingswerken in buitendijks gebied. Waar de beschermingswerken in buitendijks gebied niet onder verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat of het waterschap vallen ligt het in de rede dat de gemeente hiertoe, in samenwerking met deze overheden en de beheerders/eigenaren, de mogelijkheden onderzoekt. In het buitendijks gebied op Vlieland liggen ook waterkeringen die worden beheerd door de gemeente, er liggen ook keringen waarvan niet bekend is wie deze onderhoudt.
Verder zijn de overige aandachtspunten opgesteld:
De beschikbaarheid en kwaliteit van de buitendijkse overstromingsscenario’s is een aandachtspunt. De huidige kaarten kunnen worden verbeterd door beter rekening te houden met ongereguleerde kerende elementen.
Eenduidigheid over de definities van vitale en kwetsbare objecten is wenselijk. Er bestaat nu geen landelijke lijst over welke objecten als vitaal of kwetsbaar worden gezien. Hierdoor kan het mogelijk zijn dat de indeling, zoals nu gehanteerd op de eilanden, afwijkt van andere regio’s.
Het toegankelijk maken en houden van de informatie voor beleidsmakers in de uitvoering is een aandachtspunt, dit vereist ook dat de basisdata (als het BAG) uniform en actueel is.
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doelstelling
1
1.3
Aanpak en begeleiding van de werkzaamheden
1
1.4
Uitgangspunten
2
1.5
Afkortingen
3
1.6
Leeswijzer
3
2
Ambitieniveaus voor meerlaagsveiligheid
4
2.1
Inleiding
4
2.2
Meerlaagsveiligheid strategie voor de Waddeneilanden
4
2.3
Ruimtelijk beleid gericht op gevolgverkleining
6
2.4
Ambitieniveaus ruimtelijk beleid voor (vitale en kwetsbare) objecten
6
2.5
Relatie met water en bodem sturend
15
2.6
Natuurlijke processen met impact op de ruimtevraag
19
2.7
Afwegingskader voor de te kiezen ambitie
23
3
Beschermd gebied door primaire waterkeringen
25
3.1
Inleiding
25
3.2
Overstroombaar gebied
26
3.3
Eisen aan objecten bij verschillende ambitieniveaus
27
3.4
Ruimtebeslag voor versterken van waterkeringen
31
3.5
Maatregelen
32
4
Buitendijks gebied
34
4.1
Inleiding
34
4.2
Overstroombaar gebied
34
4.3
Eisen aan objecten bij verschillende ambitieniveaus
36
4.4
Afslagprofielen
40
4.5
Maatregelen
49
5
Synthese en aanbevelingen
51
5.1
Synthese
51
5.2
Conclusies en aanbevelingen
54
Bijlagen
59
Meegroeien
61
A
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In het Deltaprogramma 2021 is opgenomen dat een integrale waterveiligheidsstrategie wordt opgesteld voor ieder Waddeneiland voor hoogwater en overstromingen (kortweg waterveiligheid). Deltaprogramma 2021 Voor ieder Waddeneiland wordt een integrale waterveiligheidsstrategie opgesteld. Hierbij wordt ook het lange termijn-kustbeheer betrokken. De integrale strategieën betreffen de waterveiligheid (primaire waterkeringen met zandsuppletie, dynamisch kustbeheer, kwelderontwikkeling, innovatieve dijkconcepten), een klimaat adaptieve en water robuuste ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing. Ook is er aandacht voor ‘slimme combinaties’, de toename van de kans op een overstroming en de risico’s voor infrastructuur in buitendijkse gebieden. Het streven is om voor 2025 de integrale strategie per eiland te hebben vastgesteld. Bij een versnelde zeespiegelstijging kunnen de risico’s in de buitendijkse gebieden een knelpunt worden. Mogelijk zullen dan verdergaande maatregelen nodig zijn.
Het uiteindelijke doel zoals geformuleerd in het Deltaprogramma is om per Waddeneiland een integrale waterveiligheidsstrategie op te stellen. De aanleiding voor deze integrale waterveiligheidsstrategie volgt uit de normering van primaire waterkeringen waarbij is aangenomen dat niemand (zowel inwoners als toeristen) voorafgaand aan de overstroming het eiland kan verlaten2. Deze integrale waterveiligheidsstrategie heeft tot doel om de leefbaarheid en het herstel na een overstroming te vergroten en te bespoedigen, deze strategie wordt opgesteld voor hoogwater en overstromingen op basis van de principes van meerlaagsveiligheid. Om deze strategie op te kunnen stellen is eerst een pilot uitgevoerd voor een binnendijks (pilot Ameland) en buitendijks (pilot Vlieland) gebied.
1.2
Doelstelling
Het doel van studie is om voor Vlieland de ruimtelijke consequenties van verschillende ambitieniveaus voor een waterveiligheidsstrategie op de Waddeneilanden uit te werken. Deze ambities zijn een aanvulling op de wettelijke bescherming door primaire waterkeringen en kustlijnzorg en kunnen een invulling zijn van de uitwerking van enkele aspecten van water en bodem sturend. Op basis van deze inzichten in de consequenties kunnen dan keuzes worden gemaakt over het ambitieniveau waarna dat praktisch in beleid en regelgeving kan worden vertaald (deze keuzes en het uitwerken van beleid vallen buiten de scope van dit onderzoek).
1.3
Aanpak en begeleiding van de werkzaamheden
De werkzaamheden zijn voor alle Waddeneilanden uitgevoerd in opdracht van de Gemeente Vlieland.
2 In de modellering van de risico’s is een evacuatiefractie van 0 aangenomen.
PR4634.20 • januari 2024
1
De werkzaamheden zijn begeleid door een werkgroep met hierin alle eilandgemeenten, de Veiligheidsregio Fryslân en Noord-Holland Noord, het Samenwerkingsverband De Waddeneilanden, de provincie Fryslân en Noord-Holland en het Wetterskip Fryslân en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). De studie is gefinancierd door het Deltaprogramma Waddengebied. De verschillende objecten die in kaart zijn gebracht, de buitendijkse overstromingen en de concept rapportage zijn per eiland bilateraal besproken en vastgesteld. De aanpak zoals toegepast in dit onderzoek is ontwikkeld en getest in een pilot voorafgaand aan deze studie. De studie is uitgevoerd in samenwerking met alle Waddeneilanden. Voor ieder Waddeneiland is een vergelijkbaar rapport geschreven. Op basis van het inzicht in de consequenties van mogelijke ambitieniveaus kan een keuze worden gemaakt voor het ambitieniveau van de integrale waterveiligheidsstrategie en mogelijke maatregelen. De uitwerking in de studie biedt ook informatie die gebruikt kan worden voor toekomstige ruimtelijke vraagstukken bij de implementatie van het beleid.
1.4
Uitgangspunten
Bij de uitvoering van de studie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Voor de informatie over objecten is uitgegaan van de Kernregistratie Objecten (KRO) en beschikbaar gesteld door de veiligheidsregio. De maandelijks geactualiseerde kaartlaag is een verzameling van objecten uit diverse landelijke registraties in één kaartbeeld. De kaartlaag bevat gegevens van registraties zoals BAG, BRT, WOZ, Handelsregister, RRGS en LRKP. Dit bestand is door de gemeente gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld.
Er is gekeken naar 3 zichtjaren, de huidige situatie, 2050 en 2100. Voor de eisen voor nieuwe objecten is het zichtjaar 2100 gebruikt als referentiesituatie gezien de levensduur van deze nieuwbouw.
Er is uitgegaan van 1,21 m zeespiegelstijging in 2100. Dit komt overeen met W+ uit de KNMI 2014 klimaatscenario’s, dit scenario wordt ook vaak gebruikt voor het ontwerpen van waterkeringen. In 2023 zijn door het KNMI de nieuwe inzichten van de klimaatscenario’s gepresenteerd, deze nieuwe inzichten komen voor hetzelfde emissiescenario vrijwel overeen met die van 2014. Het scenario is ook vergelijkbaar met de tijdlijn extreem zoals kennisprogramma zeespiegelstijging deze hanteert. Deze scenario’s zijn de bovenkant van de gehanteerde hoekpunten maar houden geen rekening met mogelijke versnelling door smelten van de poolkap op Antarctica.
Voor de terugkeertijden van extreme waterstanden op de Waddenzee en Noordzee is uitgegaan van Hydra-NL en Riskeer (voor de duinen).
Voor de overstromingsscenario’s is uitgegaan van Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO). Deze database wordt door Rijkswaterstaat onderhouden en is gebaseerd op informatie over kansen en gevolgen van overstromingen aangeleverd door waterschappen en provincies. De zeespiegelstijging in 2050 en 2100 is vertaald naar een toeslag van de waterstanden op reeds overstroomde gebieden, gebieden die nieuw overstromen zijn hierdoor niet in kaart gebracht maar vermoedelijk beperkt in omvang.
Wanneer een object als getroffen moet worden aangemerkt, is lastig te definiëren. Uiteindelijk gaat het erom dat het object zijn functie niet verder kan uitoefenen (verlies van functie) als gevolg van water dat in/tegen het object staat. De waterdiepte waarbij een object zijn functie verliest kan enorm variëren. In deze studie beschouwen we een object als getroffen wanneer er meer dan 20cm water staat op de plek van het object.
PR4634.20 • januari 2024
2
Hiermee wordt dus rekening gehouden met een iets hoger vloerpeil van veel gebouwen, aanwezigheid van drempels en dat veel kritieke infrastructuur vaak op pootjes staat (bijv. vanwege bluswater). Er zijn verschillende ambitieniveaus bepaald op basis van de vitale sectoren die door het Deltaprogramma worden onderscheiden (zie https://klimaatadaptatienederland.nl/kennisdossiers/).
1.5
Afkortingen
BAG
Basisregistratie Adressen en Gebouwen
BRT
Basisregistratie Topografie
EU-ROR
De Europese Richtlijn Overstromingsrisico's
KNMI
Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut
KRO
Kernregistratie Objecten
LIR
Lokaal Individueel Risico
LIWO
Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen
LRKP
Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen
MKBA
Maatschappelijke Kosten-BatenAnalyse
RRGS
Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen
WOZ
Waardering Onroerende Zaken
1.6
Leeswijzer
De aanleiding voor de studie is beschreven in hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 is beschreven wat we onder de strategie van meerlaagsveiligheid voor de Waddeneilanden verstaan en hoe vervolgens verschillende ambitieniveaus zijn geformuleerd. De toepassing voor het binnendijks gebied is beschreven in hoofdstuk 3, de toepassing voor het buitendijks gebied in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de synthese en de aanbeveling voor een vervolg. Er is een apart Excel bestand met informatie over de beschouwde objecten en wat maatgevende waterstanden zijn. Dit Excel bestand is apart beschikbaar bij alle eilanden, ook kan de informatie online worden ontsloten via een digitale viewer.
PR4634.20 • januari 2024
3
2
Ambitieniveaus voor meerlaagsveiligheid
2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de meerlaagsveiligheid-benadering geschetst en hoe deze kan worden ingevuld voor de waterveiligheidsstrategie. De focus ligt hierbij op de ruimtelijke ontwikkeling en de leefbaarheid na een overstroming. De impact (en benodigde inspanning) van het ruimtelijk beleid is afhankelijk van de gestelde ambities. In dit hoofdstuk zijn de mogelijke ambitieniveaus geschetst die samen met de werkgroep zijn uitgewerkt.
2.2
Meerlaagsveiligheid strategie voor de Waddeneilanden
Het Nederlandse overstromingsbeleid is gebaseerd op een risicobenadering. Er zijn verschillende typen maatregelen mogelijk om de kans op een overstroming of de gevolgen van een overstroming te verkleinen. Het geheel wordt ook wel aangeduid met de term meerlaagsveiligheid, waarbij drie lagen worden onderscheiden: 1.
Preventie: Deze laag bestaat eruit dat de primaire waterkeringen op sterkte worden gebracht en gehouden zodat ze voldoen aan de eisen aan de Waterwet3. Het onderhoud aan waterkeringen en de uitvoering van zandsuppleties worden door het waterschap en Rijkswaterstaat uitgevoerd.
2.
Ruimtelijke inrichting: Dit betreft alle ruimtelijke ontwikkelingen, zowel binnen- als buitendijks. Door in het ruimtelijk beleid rekening te houden met het overstromingsrisico kan de kwetsbaarheid van Vlieland worden verkleind. Het gaat hierbij om de locatiekeuze van nieuwe ontwikkelingen (of verplaatsingen van objecten), en het ontwerp en de inrichting. Naast de gemeenten spelen ook andere publieke en private partijen als objectof landeigenaar hierbij een rol, omdat die verantwoordelijk zijn voor hun eigen objecten (of assets) of een rol hebben in ruimtelijk beleid. Bij de ruimtelijke ontwikkelingen horen ook reserveringszones. Deze zones zijn erop gericht op ruimte vrij te houden van ontwikkelingen om toekomstige knelpunten voor dijkversterkingen te voorkomen of verkleinen.
3.
Crisisbeheersing: Dit betreft het zoveel mogelijk voorkomen van schade en slachtoffers in geval van een dreigende overstroming. De crisisbeheersing richt zich op het opvangen van de mensen (inwoners en toeristen) op de Waddeneilanden zelf (0% evacuatiefractie). Dit betreft met name de veiligheidsregio, waarin ook weer de lokale overheden betrokken zijn. Het is natuurlijk mogelijk dat vooraf nog mensen het eiland verlaten, hier is echter niet vanuit gegaan.
3 Per 1 januari 2024 de Omgevingswet; zie https://iplo.nl/thema/water/waterveiligheid/
PR4634.20 • januari 2024
4
In 2017 zijn de nieuwe normen voor waterkeringen vastgesteld. Deze normen zijn gebaseerd op twee principes waarbij voor de Waddeneilanden verondersteld is dat niemand kan evacueren naar het vasteland voorafgaand aan de overstroming: 1.
Iedereen moet kunnen rekenen op dezelfde minimale bescherming: het basisbeschermingsniveau, uitgedrukt in Lokaal Individueel Risico (LIR).
2.
Waar de gevolgen van een overstroming zeer groot zijn, is een kleinere overstromingskans passend, op basis van het groepsrisico en een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA).
Deze normen staan in deze uitwerking van de meerlaagsveiligheid niet ter discussie. Waterkeringen worden versterkt indien nodig zodat deze aan de eisen blijven voldoen. Hetzelfde geldt voor de kustlijnzorg. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de kustlijnzorg en het onderhouden van de kustlijn. Als gevolg hiervan kan het nodig zijn om suppleties uit te voeren. Het buitendijks gebied wordt niet beschermd door primaire waterkeringen. Wel zijn er soms waterkeringen aangelegd waarbij onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor deze versterkingen. Hier nemen de risico’s toe in het buitendijks gebied door zeespiegelstijging. Zeespiegelstijging heeft ook effect op de voorlanden vanwege sedimentatie. Het ruimtelijk beleid (nieuwbouw, herstructurering) heeft tot doel om de impact van een overstroming te verkleinen, en de zelfredzaamheid te vergroten. Omdat ervanuit wordt gegaan dat niemand de eilanden voorafgaand of direct na een overstroming kan verlaten staat de leefbaarheid centraal. Het gaat hierbij niet om het te allen tijde continueren van het leven zoals we dat nu kennen. Het gaat er wel om dat mensen op het eiland tijdens en direct na een overstroming voor zichzelf kunnen zorgen en kunnen overleven. Na verloop van tijd is het natuurlijk wel weer mogelijk om de eilanden te verlaten maar zal het water ook weer wat gezakt zijn als de stormopzet is afgenomen.
Het gaat er ook om, dat het herstel naar een normale situatie wordt bespoedigd. Het waterbewustzijn (en kennis van het handelingsperspectief) is van belang voor de crisisbeheersing. Het waterbewustzijn kan worden beïnvloed door campagnes en communicatie, het waterbewustzijn kan ook worden versterkt door in de ruimtelijke omgeving duidelijk de relatie met water aan te geven. Het waterbewustzijn is dan een inherent onderdeel van laag 2 en laag 3. De crisisbeheersing is erop gericht om de gevolgen of impact te verkleinen als het misgaat. Het ruimtelijk beleid kan er ook op gericht zijn om ruimte te behouden (of creëren) voor toekomstige ingrepen in het watersysteem. Denk hierbij aan ruimte voor waterkeringen omdat zeespiegelstijging ook na de gekozen zichtjaren doorgaat. Door ruimte vrij te houden kan het amoveren van toekomstige bebouwing worden voorkomen, of kan zo gebouwd worden dat het makkelijk aanpasbaar of verplaatsbaar is. De lagen van meerlaagsveiligheid hebben een relatie. Als de preventie beter is komen overstromingen minder vaak voor en zou de noodzaak om maatregelen te nemen in laag 2 en wellicht 3 kleiner worden. De kans op een overstroming staat echter niet ter discussie al is dat wettelijk en theoretisch mogelijk. Ook laag 2 en laag 3 hebben onderlinge afhankelijkheid.
Huidige kwetsbaarheden voor vitale en kwetsbare infrastructuur, en de bestaande ruimtelijke inrichting, zijn bepalend voor het handelingsperspectief en de leefbaarheid tijdens of in de herstelfase na een hoogwater of overstroming. Door het in de toekomst verkleinen van deze kwetsbaarheden door middel van ruimtelijk beleid neemt het handelingsperspectief toe en zal sneller de leefbaarheid weer zijn verbeterd. Daarentegen zal het altijd zo zijn dat er een risico is omdat een kans van nul niet reëel is en er altijd gevolgen zijn.
PR4634.20 • januari 2024
5
2.3
Ruimtelijk beleid gericht op gevolgverkleining
De meerlaagsveiligheid strategie voor de Waddeneilanden richt zich op de ruimtelijke omgeving (laag 2), en indirect op crisisbeheersing (laag 3). Door de ruimtelijke omgeving minder kwetsbaar te maken neemt het beroep op de crisisbeheersing af, en neemt het herstelvermogen op de eilanden toe. De vraag is echter wat de ambities zijn met het ruimtelijke beleid, met andere woorden op hoeveel objecten en gebieden is dit van toepassing? Kosten en gevolgreductie moeten hier tegen elkaar worden afgewogen. In deze paragraaf zijn 4 mogelijke ambities beschreven ten aanzien van ruimtelijk beleid voor objecten. Vervolgens is ook ingegaan op de ruimtelijke impact van (en voor) natuurlijke processen. Omdat de buitendijkse gebieden onderdeel zijn van de identiteit van de Waddeneilanden is naast de bescherming van vitale objecten en andere gebouwen ook van belang zicht te hebben op hoe deze buitendijkse gebieden zich ontwikkelen en wat de impact is op de bescherming van de vitale objecten.
2.4
Ambitieniveaus ruimtelijk beleid voor (vitale en kwetsbare) objecten
2.4.1
Inleiding
Binnen het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie zijn de vitale en kwetsbare functies gedefinieerd4, het gaat hierbij om de volgende functies: -
Energie: elektriciteit, aardgas, olie;
-
Telecom/ICT: basisvoorzieningen voor communicatie t.b.v. respons bij een overstroming, publiek netwerk;
-
Waterketen: drinkwater, afvalwater;
-
Gezondheid;
-
Keren en beheren oppervlaktewater: gemalen;
-
Transport: hoofdinfrastructuur;
-
Chemisch en Nucleair: chemie, nucleair, Infectueuze stoffen/Genetisch gemodificeerde organismen.
Deze functies zijn niet concreet ingevuld met een lijst van objecten die hieronder vallen. Bijvoorbeeld voor elektriciteit kan het voor de Waddeneilanden gaan om de stations voor aansluiting op het landelijke net, maar ook om onderstations voor de aansluiting van individuele woningen op het net. Functies als wonen, werken, recreatie en natuur zijn ook niet benoemd, maar hier zouden vanuit ruimtelijke adaptatie wel eisen aan gesteld kunnen worden. Deze vallen echter buiten de scope omdat deze ambitie niet realistisch wordt geacht. In Tabel 1 is het aantal objecten op het eiland opgenomen per sector. In deze studie is uitgegaan van de kernregistratie objecten (KRO) zoals deze beschikbaar is bij de veiligheidsregio’s. Deze dataset is een verzameling van objecten uit diverse landelijke registraties zoals BAG, BRT, WOZ, Handelsregister, RRGS en LRKP. Dit bestand aan objecten is tijdens de pilots nog aangevuld met objecten op basis van een beheerdersoordeel. Hiermee is er een complete dataset die de basis is voor de uitwerking van het ruimtelijk beleid. Deze dataset is vervolgens gekoppeld aan de ruimtelijke ambities.
4 https://klimaatadaptatienederland.nl/kennisdossiers/vitale-kwetsbare-functies/
PR4634.20 • januari 2024
6
SECTOR GEBOUWDE OMGEVING EN RUIMTELIJKE ORDENING RECREATIE EN TOERISME NIET ZELFREDZAMEN5 AANLANDPUNT HULPDIENSTEN EN ONDERSTEUNING LEVENSMIDDELEN WATERHUISHOUDING DRINKWATER ENERGIE VEILIGHEID ICT&TELECOM LANDBOUW, TUINBOUW EN VISSERIJ GEZONDHEID INFRASTRUCTUUR
AANTAL OBJECTEN OP VLIELAND
984 466 3 0 7 3 47 17 23 2 2 2 2 5
Tabel 1 Aantal objecten per sector op Vlieland.
2.4.2
Verschillende ambitieniveaus en scenario’s
Er is onderscheid gemaakt in 4 niveaus van de ruimtelijke ambities waarbij de leefbaarheid op de Waddeneilanden centraal staat. We gaan er hierbij vanuit dat bewoners en toeristen voorafgaand, tijdens en direct na een overstroming de Waddeneilanden niet kunnen verlaten en op de eilanden moeten overleven. Na verloop van tijd kunnen mogelijk wel mensen het eiland verlaten indien men dat wil. Belangrijk is om hierbij te beseffen dat de voorbereidingstijd bij een dijkdoorbraak wellicht kort kan zijn, maar dat deze nooit geheel onverwacht zal zijn. Bij een dijkdoorbraak zal altijd sprake zijn van een zeer zware storm waarbij op de eilanden zelf de impact al voelbaar zal zijn (bijv. door tijdelijk stopzetten van de veerverbinding). Hierdoor is het ook mogelijk op de eilanden al voorbereidingsmaatregelen te nemen. De ambities richten zich alle op nieuwbouw en grootschalige renovatie van de (vitale en kwetsbare) objecten die vallen onder de scope van het ambitieniveau. Het is dus niet het doel om bestaande bouw aan te passen, maar pas ingrepen te plegen als er vanuit andere doelstellingen ingrepen worden gepleegd. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om al eerder maatregelen te nemen als de risico’s sterk toenemen of als risico’s nu al ontoelaatbaar worden geacht.
De drie niveaus van ambities die we in deze studie uitwerken zijn opgenomen in Figuur 1 en Tabel 2, bij ambitie 1 is de benodigde inspanning het kleinst, bij ambitie 3 het grootst.
5 Het gaat hierbij om 11 woon eenheden verdeeld over 3 objecten.
PR4634.20 • januari 2024
7
Figuur 1 Conceptueel overzicht van hoe verschillende ambitieniveaus aanvullend zijn op elkaar.
AMBITIE 1: SCHUILEN EN OVERLEVEN
2: SCHUILEN, OVERLEVEN EN BASIS VOOR HERSTEL VITALE INFRASTRUCTUUR
3: SCHUILEN, OVERLEVEN EN BASIS VOOR HERSTEL VITALE INFRASTRUCTUUR ++
4: VOORKOMEN IMPACT AAN ALLE BEBOUWING
BLOOTSTELLING TIJDENS STORM EN DE EERSTE TWEE WEKEN Enkel gericht op schuilen en overleven tijdens de overstroming en voornamelijk in de eerste weken hierna. Schuilen, overleven, vitaal beschermen
Schuilen, overleven, vitaal beschermen++ Schuilen, overleven, alle vitale en kwetsbare objecten en woningen plus bedrijven beschermen zodat het leven kan doorgaan.
HERSTEL IN DE PERIODE HIERNA Tijdelijk zelfredzaam, grote afhankelijkheid van het vasteland Tijdelijk zelfredzaam, deels afhankelijk van het vasteland. Herstel kan lokaal al beginnen omdat de belangrijkste vitale functies zijn beschermd Tijdelijk zelfredzaam, gerichte afhankelijkheid vasteland. Herstel alle objecten kan lokaal al beginnen. Geen impact
Tabel 2: Ambities voor ruimtelijk beleid voor objecten
Voor de impact van de overstroming maken we onderscheid in de volgende scenario’s: 1.
De maximale waterdiepte die kan optreden bij een overstroming. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen doorbraken bij hogere belastingen dan waarop de waterkeringen zijn ontworpen en extreme condities. Er bestaan geen kaders voor wat onder klimaatrobuust wordt verstaan. In deze studie is gekozen voor extreme situaties van 1/100.000pj (ongeveer 100x extremer dan de norm van de waterkering) als uitgangspunt voor laag 2.
PR4634.20 • januari 2024
8
Hiervoor is gekozen omdat de eisen in laag 2 sowieso aanvullend moeten zijn op de overstromingen die kunnen optreden bij de toegestane kans op falen. Het ontwerpen van laag 2 op de situatie bij de norm biedt weinig additionele veiligheid omdat het maar de vraag is of de eerste toekomstige overstromingen exact aan deze condities voldoen gezien de onzekerheid in de natuur. Een extra argument voor het extreme scenario is dat de afhankelijkheid van het vasteland kleiner is als dat ook getroffen is. Voor objecten die buitendijks zijn gelegen, en waarbij de functie ook van belang is voor binnendijks gebied, wordt gekeken naar een blootstelling bij dezelfde terugkeertijd (100.000 jaar). Immers de objecten die buitendijks liggen hebben vaak ook een functie binnendijks. 2.
De waterdiepte na de overstroming in geval van de vloedperiode bij regulier getijde. Hierbij is er water over maaiveld weer terug naar zee gestroomd, maar door eb en vloed is er wel enige fluctuatie van de waterstand in het gebied. Overstromingen kunnen optreden totdat de waterkeringen zijn hersteld en het water is weggepompt of weggestroomd.
Daarnaast speelt ook de kans van voorkomen een rol. Voor door primaire waterkeringen beschermde binnendijkse gebieden zal de waterkering worden versterkt indien nodig. Voor buitendijkse gebieden is er geen garantie dat het huidige beschermingsniveau in stand wordt gehouden, deze kunnen dus vaker overstromen mits het duin en buitendijks gebied niet meegroeit. Soms liggen er keringen, duinen of hoge lijnelementen, die nu ook bescherming bieden voor achterliggende objecten. Het onderhoud van deze keringen is niet geborgd, er bestaan geen kaders en zowel Rijkwaterstaat als het waterschap hebben hierin geen rol. Voor de objecten in buitendijkse gebieden nemen we in deze studie aan dat gelijke eisen gesteld als aan de objecten binnendijks. Het kan een bestuurlijke keuze zijn om een lager beschermingsniveau te kiezen. Er zijn geen vastgestelde beschermingsniveaus buitendijks waar al eerder een keuze voor is gemaakt. Je kunt er voor kiezen te accepteren dat het huidige feitelijke beschermingsniveau daalt door zeespiegelstijging, of om dat niveau op peil te houden door de bestaande bescherming te versterken.
2.4.3
Ambitie 1: Schuilen en overleven.
Van belang is dat er voldoende droge en veilige plekken (verdiepingen) op de eilanden zijn zodat de bewoners kunnen schuilen en overleven. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in: -
Bewoners. Bewoners kunnen schuilen op een droge locatie buiten het overstroomd gebied, of een droge verdieping binnen bestaande bouw. Als vuistregel hanteren we dat 1 gezin in een woning 2 andere gezinnen zou moeten kunnen opvangen (tijdelijk). Dat betekent dat 1/3 deel van de woningen dan een droge verdieping zou moeten hebben. Als niet kan worden voldaan aan de eis van 1/3 deel van de woningen in een kern dan kan een publieke shelter een alternatief zijn, hierbij moet dan minimaal 4 m2 per persoon aanwezig zijn (zie PVE eisen aan een shelter6).
-
Niet zelfredzame mensen die zelfstandig wonen.
6 https://www.deltaprogramma.nl/binaries/deltacommissaris/documenten/publicaties/2019/09/01/programma-van-
eisen-schuillocaties-bij-ernstige-wateroverlast-enoverstromingen/eindrapport+PVE+Schuillocaties+inc+Programma+van+eisen.pdf
PR4634.20 • januari 2024
9
Gezien de cultuur op de Waddeneilanden wordt verondersteld dat deze mensen worden opgevangen in het sociaal netwerk van de (zelfredzame) bewoners en worden dus ook onder de zelfredzame beschouwd (evenals kinderen). -
Niet zelfredzame mensen die in een instelling wonen. Voor deze instelling wordt verondersteld dat hiervoor een evacuatieplan naar een andere plaats op het eiland beschikbaar is. Bij de uitwerking van evacuatie wordt deze groep apart beschouwd.
-
Toeristen. De vraag is hoeveel toeristen op de eilanden aanwezig zijn, ook deze toeristen zullen ergens een schuilplaats nodig hebben. We gaan ervan uit dat een overstroming in de storm periode zal plaatsvinden en niet in de zomer of het voorjaar. Dat betekent dat toeristen alleen verblijven in gebouwen. Daarnaast is de verwachting dat bij (verwacht) extreem weer mensen ook zullen annuleren of vertrekken vanwege de slechte weersverwachting. Desondanks wordt als uitgangspunt gehanteerd dat alle toeristen aanwezig zijn en ergens schuilen.
Om de overlevingskansen verder te vergroten is als onderdeel van deze ambitie ook voorzien dat: 1.
Objecten met levensmiddelen in kaart zijn gebracht, en er een plan is om de levensmiddelen naar een plek te brengen zodat deze beschikbaar zijn in de 2 weken na de overstromingen.
2.
Hulpverleningsmiddelen (politie, defensie, brandweer, ambulances/GHOR, KNRM en etc.) voorafgaand aan de overstroming op een droge en beschermde plaats worden gestald middels een voorbereid plan. Ook gemeentewerven en loodsen zijn opgenomen in dit overzicht omdat hier materiaal en middelen liggen die ingezet kunnen worden voor hulpverlening.
3.
Er beschermingsmaatregelen worden genomen om de continuïteit van crisiscentra en de aansluitpunten van de energievoorzieningen te waarborgen of snel te herstellen.
Er zijn geen voorzieningen voor aanlegplaatsen met boten of helikopters. De veronderstelling is dat dit ad hoc wordt geregeld. Verder wordt geaccepteerd dat de (vitale) functies uitvallen.
PR4634.20 • januari 2024
10
In Figuur 2 zijn de verschillende objecten, die bij ambitieniveau 1 horen, aangegeven.
Figuur 2 Locaties voor hulpverlening en ondersteuning, niet zelfredzamen, levensmiddelen en energie aanlandpunt die horen bij ambitie 1 op het hele eiland en ingezoomd op het Oostelijke deel.
2.4.4
Ambitie 2: Schuilen, overleven en basis voor herstel vitale infrastructuur
De ambitie is hierbij hoger dan in de vorige variant, het doel is dat alle vitale infrastructuur beschermd blijft zodat het eiland sneller kan herstellen. Het gaat hierbij niet om de continuïteit die moet worden behouden maar om een snellere opstart waarbij men minder afhankelijk is van het vasteland. Het gaat om: -
Continueren van functioneren hoofdinfrastructuur nutsvoorzieningen (drinkwater, waterhuishouding met stuwen en (riool)gemalen, gas, elektra en ICT). Het lokale netwerk kan wel uitvallen, maar bij het herstel kan men echter wel direct gebruik maken van de hoofdinfrastructuur.
PR4634.20 • januari 2024
11
-
Aanlegplaatsen voor schepen zijn beschikbaar voor hulp van het vasteland inclusief ontsluiting via doorgaande wegen over het eiland. Voor helikopters worden geen voorzieningen gemaakt, deze kunnen in de praktijk al op meerdere plaatsen landen.
-
Materiaal en materieel voor herstelwerkzaamheden en noodvoorzieningen worden veiliggesteld voor de overstroming (aannemers, gemeentewerf etc.). Indien nodig wordt een evacuatieplan opgesteld, voor buitendijkse gebieden bestaan deze soms al.
Figuur 3 Locaties die horen bij ambitie 2 (waterhuishouding, drinkwater, energie, veiligheid en ICT&Telecom) op het hele eiland en ingezoomd op het Oostelijke deel.
PR4634.20 • januari 2024
12
2.4.5
Ambitie 3: Schuilen, overleven en basis voor herstel vitale infrastructuur ++
Deze ambitie is weer ambitieuzer dan ambitie 2 door ook te kijken naar alle objecten binnen de genoemde sectoren behalve de objecten die horen bij recreatie, toerisme, woningen en andere bedrijven. Alle functies moeten dan gecontinueerd worden, voordat mensen terugkeren naar de woning (als deze watervrij is) zal de afvalwaterketen en elektriciteit weer moeten werken. Scholen en zorg moeten kunnen doorgaan, winkels etc. In de onderstaande figuur zijn de objecten ingetekend, de infrastructuur is beschreven in hoofdstuk 3.
Figuur 4 Locaties die horen bij ambitie 3 (Land- en Tuinbouw en Visserij, Gezondheid, Infrastructuur) op het hele eiland en ingezoomd op het Oostelijke deel.
PR4634.20 • januari 2024
13
2.4.6
Ambitie 4: Voorkomen impact aan alle bebouwing
Ambitie 4 is als niet realistisch beschouwd en daarom ook niet verder uitgewerkt. Dit ambitieniveau zou betekenen dat alle woningen en bedrijven, inclusief de kernen van de eilanden, een totaal ander karakter krijgen. Deze ambitie is niet realistisch gezien de opgave die het met zich meebrengt, dat de oplossing ook niet past op de identiteit van de Waddeneilanden en dat de waterkeringen al de basisveiligheid verzorgen.
2.4.7
Maatregelen
Om de objecten te beschermen (en de continuïteit van de functie te borgen) tegen overstromingen zijn maatregelen noodzakelijk, hierbij kan onderscheid worden gemaakt in de korte en lange termijn. In Tabel 3 is een overzicht opgenomen. In principe is het uitgangspunt dat deze maatregelen worden genomen in geval van groot onderhoud of nieuwbouw. Bij bestaande bouw wordt het risico in eerste instantie geaccepteerd, tenzij alsnog besloten is dat het onacceptabel is. Voor buitendijkse gebieden kan dat bijvoorbeeld mogelijk zijn als de zeespiegelstijging te snel gaat waarbij andere maatregelen niet voldoen. Op de korte termijn kunnen ook rampenplannen en continuïteitsplannen (gericht op continueren van een dienst bij uitval van een object) worden gemaakt, die ook in de toekomst nodig blijven. Het uitgangspunt is dat de preventie (primaire waterkeringen en suppleties) op orde is en wordt onderhouden. Indien de ruimtelijke opgave te groot is kan er ook voor worden gekozen om de waterkeringen te versterken om de faalkans te verkleinen. Vanuit risico optiek (kans x gevolg) kan dat een interessante investering zijn. Wel blijft het zo dat de gevolgen kunnen optreden, alleen minder vaak.
PR4634.20 • januari 2024
14
TYPE MAATREGEL
KORTE TERMIJN
LOCATIEKEUZE VAN ONTWIKKELINGEN
ONTWERP EN INRICHTING
Zodanig ontwikkelen dat er geen schade en uitval optreedt bij een bepaalde maatgevende waterstand voor een zichtjaar en klimaatscenario.
VAN OBJECTEN
RAMPENPLANNEN VAN VEILIGHEIDSREGIO EN ANDERE OVERHEDEN
CONTINUÏTEITSPLANNEN VAN BEDRIJVEN EN VITALE PARTNERS
LOKALE BESCHERMINGSMAATREGELEN
RESERVERINGSZONES RONDOM WATERKERINGEN
(AL OF NIET PRIMAIR)
LANGE TERMIJN (GEKOPPELD AAN NIEUWBOUW EN HERSTRUCTURERING) Ontwikkelen (nieuwbouw) op een andere locatie die niet of minder wordt blootgesteld aan overstromingen op basis van een zichtjaar en klimaatscenario.
Planvorming voor veilig stellen mens en materieel op basis van huidige risicobeeld, plannen voor snel herstel.
Actualiseren van deze plannen op basis van dan geldende risicobeeld (dijkversterkingen, ruimtelijke aanpassingen).
Planvorming voor continueren of snel herstellen van de diensten gegeven huidige risicobeeld. Lokale (tijdelijke) beschermingsmaatregelen om te voorkomen dat het object overstroomt. Denk hierbij aan vloedschotten en mobiele keringen.
Actualiseren van deze plannen op basis van dan geldende risicobeeld (dijkversterkingen, ruimtelijke aanpassingen)
Ruimte vrijhouden voor toekomstige dijkversterkingen of waarin aangepast gebouwd moet worden zodat het geen impact heeft op toekomstige versterkingen.
Tabel 3 Mogelijke maatregelen
2.5
Relatie met water en bodem sturend
De Rijksoverheid heeft het principe van water en bodem sturend uitgewerkt in de Kamerbrief van 22 november 2022. Daarin is de rol van water en bodem bij toekomstige besluitvorming over de ruimtelijke ordening uitgewerkt in 33 ‘structurerende keuzes’. Deze 33 keuzes gaan over zowel voldoende water, schoon water, over neerslag en overstromingen. In deze studie ligt de focus op overstromingen als gevolg van dijkdoorbraken of overstroming van buitendijkse gebieden door hoge zeestanden.
PR4634.20 • januari 2024
15
Figuur 5: Verschillende typen wateroverlast en overstromingen (1: Neerslag op objecten zelf 2: door hoge grondwaterstanden 3: Door beperkingen in het afvalwatersysteem 4: Door hoge waterstanden in sloten en beken 5: door doorbreken van regionale waterkeringen (deze zijn niet aanwezig op Vlieland) 6: door doorbreken van primaire wateringen (Noordzee en Waddenzee) en 7: in buitendijks gebied.
Voor deze studie zijn de volgende keuzes (de genoemde nummers komen overeen met de nummers in de kamerbrief van water en bodem sturend) van belang: Actualiseren van de reserveringszones (keuze nummer 11). Voorgesteld wordt om de reserveringszones rondom waterkeringen te actualiseren waarbij het gaat om dijken en duinen. Waar de beschermingswerken in buitendijks gebied niet onder verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat of het waterschap vallen ligt het in de rede dat de gemeente hiertoe, in samenwerking met deze overheden en de beheerders/eigenaren, de mogelijkheden onderzoekt. Deze actualisatie moet landen in de ruimtelijke plannen van gemeenten en provincies. In deze studie is dit vorm gegeven door voor harde waterkeringen te kijken naar het ruimtebeslag bij groene waterkeringen (dijken) op basis van de extreme zeespiegelstijging zoals onderzocht in het kennisprogramma zeespiegelstijging7. Voor de zachte waterkeringen is onderzoek gedaan naar afslagprofielen bij extreme belasting en is gekeken naar de huidige snelheid waarmee het duin meegroeit. Vervolgens zijn er varianten geschetst over mogelijke strategieën om de duinen en voorlanden sneller mee te laten groeien. Dit sneller meegroeien vraagt onder andere ook een groter ruimtebeslag.
Geen kustuitbreidingen (keuze nummer 14). Er zijn geen kustuitbreidingen gewenst om de zandbehoefte niet te vergroten. In deze studie gaan we uit van het in stand houden van de kustlijn en dat de benodigde suppleties worden uitgevoerd.
Risico’s voor overstromingen (keuze nummer 21) worden sturend bij de locatiekeuze en inrichting van de woningbouw met als doel geen nieuwbouw te realiseren op locaties waar in de toekomst problemen kunnen ontstaan. Vanuit het Rijk wordt een ruimtelijk afwegingskader ontwikkeld om structurerende keuze nummer 21 verder vorm te geven. Dit kader sluit aan op de ‘maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving8’ en geeft invulling aan de afwegingen rondom overstromingen en neerslag (en bodemdaling, maar dat is nu niet relevant). Dit kader wordt momenteel door het Rijk uitgewerkt met landelijke keuzes, het zal hierna door de provincies en regionale partijen verder regionaal uitgewerkt moeten worden.
7 https://www.deltaprogramma.nl/deltaprogramma/kennisontwikkeling-en-signalering/zeespiegelstijging 8 https://klimaatadaptatienederland.nl/hulpmiddelen/overzicht/maatlat-groene-klimaatadaptieve-gebouwde-omgeving/
PR4634.20 • januari 2024
16
Denk hierbij bijvoorbeeld aan reserveringszones voor waterberging maar ook aan andere criteria die lokaal van invloed zijn op ruimtelijke keuzes. Ook hoe en de mate waarin dit juridisch wordt geborgd is nog onderwerp van discussie. Voor overstromingen wordt binnen water en bodem sturend onderscheid gemaakt tussen: 1.
Handelingsperspectief om slachtoffers te voorkomen. Voor het handelingsperspectief om slachtoffers te voorkomen is gesteld dat bij nieuwe ontwikkelingen deze zo vorm gegeven moeten worden dat er schuilplaatsen (publieke shelters en voldoende droge verdiepingen in het overstroomd gebied) zijn indien preventieve evacuatie niet altijd mogelijk is. Voor de integrale waterveiligheidsstrategie is deze ambitie ambitieuzer ingevuld daar preventieve evacuatie van de eilanden naar de vaste wal vrijwel niet mogelijk is (voor de normering van waterkeringen is al uitgegaan van een evacuatiefractie van 0%). Wel is het mogelijk om op de eilanden zelf op een droge locatie te schuilen omdat de eilanden niet helemaal overstromen. De voorzieningen bij deze schuilgelegenheden zijn echter beperkt. Onderdeel van ambitieniveau 1 is dat er nu al voldoende schuilplaatsen zijn voor zowel inwoners als toeristen in de bestaande bouw, en dat er speciale aandacht is voor niet zelfredzamen en de leefbaarheid en herstel. Hier loop je vooruit op ambitieniveaus. Als criterium voor voldoende schuilplaatsen is gehanteerd dat gemiddeld een gezin twee andere gezinnen opvangt, dat is vertaald naar een wens dat minimaal 1/3 van de objecten een droge verdieping heeft.
2.
De kans op een bepaalde mate van blootstelling (en indirect dus schade). Voor de acceptabele kans op een bepaalde mate van blootstelling zijn de Waddeneilanden uniek. Veel van de kernen hebben nu ook al een overstromingsrisico dat geaccepteerd is. Dit risico wordt beheerst middels de waterkeringen. Het risico kan toenemen omdat de waterdiepte en het overstroomde gebied na een overstroming groter wordt, maar de kans van voorkomen blijft gelijk. Voor de gebieden achter de keringen is de combinatie van kans en gevolgen zodanig dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn conform de kaders van water en bodem sturend. Echter het risico is niet zo laag dat er geen afweging noodzakelijk is over de acceptatie van risico’s of extra maatregelen. Gezien de karakters van de eilanden, de beperkte nieuwbouw waar sprake van is, is geaccepteerd dat woningen kunnen overstromen achter primaire keringen. Voor reguliere woningen (ambitieniveau 4) worden dus geen extra maatregelen genomen als verhoogd aanleggen of wonen op palen. Wel kunnen bij de inrichting nog keuzes gemaakt worden om vloerpeilen te verhogen en bepaalde voorzieningen hoger in de woning te plaatsen. Deze worden gezien als no regret (en niet kostbaar) maar hebben alleen zin als de waterdiepte gering is. Voor andere functies (ambitieniveau 1 t/m 3) worden wel extra maatregelen genomen, deze functies hebben betrekking op de leefbaarheid.
Hoe hoog hier de lat ligt is onzeker en nog een bestuurlijke keuze. Het gaat hierbij om de afweging tussen de extra inspanning en kosten en de reductie van het risico met name uitgedrukt in een sneller herstel en de leefbaarheid. Met deze keuze wordt invulling gegeven aan comply or explain.
In de water en bodem brief wordt ook gesproken over het voorkomen van ontwikkelingen in buitendijkse gebieden, hierbij wordt specifiek verwezen naar het IJsselmeer en het gebied dat onder de Beleidslijn Grote Rivieren valt en uitzonderingslocaties.
PR4634.20 • januari 2024
17
Voor het IJsselmeer wordt verwezen naar de Barro richtlijn die ook (al) geldig is voor de Waddeneilanden. Alhoewel de kamerbrief over water en bodem sturend geen specifieke uitspraken bevat over veranderingen op het buitendijks gebied van de Waddeneilanden is het wel zinvol om de verwachte zeespiegelstijging mee te nemen bij keuzes over ontwikkelingen. De eisen aan de objecten kunnen dan ook niet los gezien worden van activiteiten om meegroeien te stimuleren (of objecten lokaal te beschermen). Ook kunnen objecten op een hoger peil worden ontwikkeld, waarbij na verloop van tijd het peil kan worden heroverwogen (bijv. bij nieuwe vergunningen of groot onderhoud). In deze studie is niet gekeken naar neerslag, droogte en hitte. Voor neerslag wordt opgemerkt dat eventuele ontwerpeisen voor overstromingen ook een positief effect hebben op de afname van de kwetsbaarheid bij neerslag. De waterdieptes als gevolg van neerslag zijn veel lager dan bij overstromingen. Voor nieuwe ontwikkelingen is ook de maatlat (zie Figuur 6) van toepassing wat ook voor de nieuwe woningen al vereist dat bij een waterdiepte van 20 cm bij omliggend maaiveld er geen schade optreedt.
Figuur 6: maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving9
9 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/03/23/kamerbrief-over-landelijke-maatlat-voor-een-
groene-klimaatadaptieve-gebouwde-omgeving
PR4634.20 • januari 2024
18
2.6
Natuurlijke processen met impact op de ruimtevraag
2.6.1
Inleiding
In paragraaf 2.4 lag de focus op de verschillende objecten en de eisen die hieraan gesteld kunnen worden. Hierbij is de veronderstelling dat voor primaire waterkeringen de huidige faalkans ‘wordt onderhouden’ met versterkingsprogramma’s en suppleties. Deze dijkversterkingen kunnen nodig zijn bij zowel harde als zachte waterkeringen. Voor de buitendijkse gebieden is het onderhoud van de bescherming door aanwezige keringen en duinen echter niet geborgd. In deze paragraaf kijken we naar de kansen om middels natuurlijke processen duinen en voorlanden te versterken, als (gedeeltelijk) alternatief voor de mechanische versterkingen van waterkeringen. Dit ‘natuurlijk’ meegroeien met de zeespiegel kan op zowel voorlanden (buitendijkse kwelders) als zeewaarts van en in het duingebied plaatsvinden. Doordat voorlanden en duinen meegroeien wordt de bescherming van objecten landwaarts van de duinen en voorlanden vergroot: de kans op het falen van de waterkering wordt verkleind en het effect bij een doorbraak wordt verkleind doordat minder water naar binnen kan stromen. Het meegroeien van voorlanden heeft echter alleen een effect op de mate van golfaanval, niet op de zeestand zelf. Voorlanden en duinen kunnen ‘vanzelf’ meegroeien met de zeespiegel maar de snelheid is afhankelijk van beschikbaar sediment en stromingen. Voorlanden doen dit als ze bij hoogwater onderwater komen te staan.
Het slib in het water bezinkt dan op het voorland waardoor het voorland ophoogt. Voor Vlieland geldt dit voor de kwelders op het Posthuiswad. Voor de oever van het Zuiderstrand is geen kwelder aanwezig, waardoor dit hier onder de huidige omstandigheden niet opgaat. De duinen groeien mee met de zeespiegel doordat wind over het strand waait en vanaf het strand het zand meeneemt de duinen in. Dit meegroeien kan in meer of mindere mate gestimuleerd worden.
Figuur 7 Hoe de bodemhoogte verandert bij meegroeien van voorlanden en duinen. In de linker figuur is aangegeven wat het effect is als de bodem in gelijke mate meestijgt met de zeespiegel wat een bovengrens is (illustratief).
Door middel van suppleties voor de Nederlandse kust zorgt Rijkswaterstaat voor voldoende zand om de kust veilig en op zijn plaats te houden (Kustlijnzorg). De waterschappen en Rijkswaterstaat zijn verantwoordelijk voor het beheer van de duinen die onderdeel zijn van de primaire keringen, voor de andere duinen is dat onderhoud niet geborgd. Openingen hoog in de duinenrij kunnen het proces van aanzanding en daarmee meegroeien van de duinenrij versnellen, deze openingen noemen we kerven. Kerven zorgen voor het doorstuiven van zand van het strand in de duinen. Zolang de kerven niet diep uitstuiven kan geen water naar binnen stromen.
PR4634.20 • januari 2024
19
Waar economische functies achter de kerven aanwezig zijn moet evenwel gewaarborgd worden dat kerven niet kunnen uitgroeien tot openingen waardoorheen water naar binnen kan stromen. Obstakels zoals strandtenten verhinderen juist het meegroeien van de duinen. Voor het meegroeien van voorlanden is het belangrijk dat deze regelmatig onderwater staan. Dit betekent dat deze voorlanden dus niet (voltijds) bruikbaar zijn voor landbouw bijvoorbeeld. Echter, meegroeien is goed voor de ecologie en het draagt bij aan standzekerheid en het verkleinen van golfaanval. Kerven trekken vaak veel recreatie aan (zie ‘de Kerf’ bij Schoorl, Figuur 8). Het stimuleren van meegroeien kan extra ruimtebeslag vereisen. Het kan negatieve effecten hebben op andere functies zoals recreatie als door grote hoeveelheden zand fietspaden onderstuiven of strandpaviljoens vol liggen met zand. Voor natuurlijk meegroeien is ook tijd nodig. Zaak is daarom om op tijd in te zetten op meegroeien van een gebied indien gewenst. We hebben 3 varianten onderscheiden voor het meegroeien die onderscheid maken in de mate van meegroeien en het ruimtebeslag:
Variant 1: Meegroeien zoals het nu gaat (business-as-usual);
Variant 2: Stimuleren meegroeien duinen en voorlanden;
Variant 3: Extra stimuleren meegroeien duinen en voorlanden.
Figuur 8 De Kerf bij Schoorl (foto: Ruud Wegman)
2.6.2
Variant 1: Meegroeien zoals het nu gaat
Een groot deel van de duinenkust van de Waddeneilanden groeit mee met de huidige zeespiegelstijging (Figuur 10), hiervoor worden ook veel suppleties aangebracht wat mogelijk moet worden geïntensiveerd als de zeespiegel sneller stijgt. Hierbij zou het ook kunnen dat het meegroeien minder snel gaat dan de zeespiegelstijging. Meegroeien van de duinen is de toename van het volume zand in de duinen (hoger dan NAP + 3.0 m) door het instuiven van zand waardoor de verhoging van het volume zand in het duingebied verdeeld over de breedte van het duin gelijk is of groter is dan de zeespiegelstijging (Figuur 9). Echter, de mate waarin het duin meegroeit verschilt per locatie afhankelijk van het aanbod van verstuifbaar zand (breedte strand en korreldiameter zand), ligging t.o.v. dominante windrichting en aanwezigheid van obstakels die zandverplaatsing tegenhouden (strandtenten, wilgenschermen, helmgras etc.). In het geval van voorlanden wordt het meegroeien bepaald door de frequentie van onderlopen, stroomsnelheid van het water bij onderlopen en de hoeveelheid en type sediment in de waterkolom.
PR4634.20 • januari 2024
20
Figuur 9 Duingroei in relatie tot zeespiegelstijging
In deze variant wordt meegroeien zoals het nu gaat op voorlanden en duinen gehandhaafd. Dit betekent dat op sommige plekken dynamisering van de zandige kust met veel verstuiving gestimuleerd wordt en op andere plekken het zand wordt vastgelegd door bijvoorbeeld helmgras. In deze laatste gebieden zal doormiddel van regulier onderhoud (‘bulldozeren’ van extra zand) de waterveiligheid op peil moeten worden gehouden in de toekomst. In het geval van voorlanden zullen de keringen achter de voorlanden mogelijk eerder of meer versterkt moeten worden om ook met zeespiegelstijging de waterveiligheid op peil te houden.
Figuur 10 Aanzanding van de duinen op de Waddeneilanden in de periode 1990-2021. Weergegeven is of het dwarsprofiel zoveel meegroeit dat het een zeespiegelstijging van 50 cm tot 2100 op kan vangen (zoals eerder is onderzocht in Wegman et al., 202110, https://dmmangrove.hkvservices.nl/blokkendoos-levende-kust/).
10 Wegman, C., Ouwerkerk, S. & Leenders, J.L. (2021) Duinen groeien mee met zeespiegel. Land+Water 4 p. 22-23
PR4634.20 • januari 2024
21
2.6.3
Variant 2: Stimuleren meegroeien duinen en voorlanden
In deze variant wordt het meegroeien van de kust gestimuleerd. Dit doen we door op plekken waar ruimte voor meegroeien is dit te stimuleren en het zandaanbod te vergroten met bijvoorbeeld suppleties. Dit zijn locaties waar meegroeien kan zonder andere functies negatief te beïnvloeden en in alle gevallen zonder dat de vereiste veiligheid in gevaar komt. Oftewel, locaties waar stuivend zand weinig invloed heeft (duinen) en/of waar land regelmatig onderwater gezet kan worden zonder dat dit het gebruik van het huidige gebruik van het land negatief beïnvloedt (voorlanden). Binnen deze variant valt dat alleen de positie en de vorm van obstakels aangepast kan worden indien nodig. Zo kan een strandtent bijvoorbeeld indien nodig op palen worden gezet dan wel periodiek een andere plek krijgen als dit het instuiven vanaf het strand bevordert maar mag de functie die een strandtent vervult niet verdwijnen. De exacte dimensionering hangt af van de gewenste meegroeisnelheid. Op de locaties waar niet voor meegroeien wordt gekozen zal nog steeds regulier onderhoud moeten plaatsvinden om de kust veilig te houden in de toekomst.
2.6.4
Variant 3: Extra stimuleren meegroeien duinen en voorlanden
Variant 3 is ambitieuzer dan de eerdere varianten omdat in dit geval vrijwel overal meegroeien wordt gestimuleerd. Als men voor deze variant kiest kan het zo zijn dat functies in het kustgebied zich moeten verplaatsen/aanpassen. Bijvoorbeeld als een hotel in de duinen de doorstuiving beperkt, wordt dit hotel verwijderd/verplaatst om doorstuiving te bevorderen. In het geval van meegroeien van de voorlanden wordt in deze variant in principe gekozen om voorlanden die zich lenen voor meegroeien daarvoor in te zetten. Uiteraard geldt hierbij dat dit niet ten koste mag gaan van de veiligheid. Ook als deze voorlanden nu gebruikt worden voor bijvoorbeeld landbouw en dit niet of in mindere mate kan na inzet voor meegroeien. Ook kan meegroeien over een grotere breedte gestimuleerd worden door niet alleen het gebied rondom de kerven te laten meegroeien maar het gehele duingebied. Hiervoor is het nodig dat ook achter de eerste duinenrij doorstuiving bewerkstelligd wordt en functies die hierachter liggen ruimte maken voor doorstuiving. Dit vereist dus maatregelen op verschillende plaatsen om het beoogde zandtransport te bereiken. In deze variant is minder regulier onderhoud nodig omdat in veel meegroeiende gebieden minder dijk- of duinversterking nodig is.