CConstaterende datVlieland
Koppel je AI →
Document · PDF

11 Bijlage Oost-Vlieland - Oostelijke eilandlodges camping Stortemelk.pdf

Raadsvergadering 28 februari 2022, gemeente VlielandBij agendapunt: Voorontwerpbestemmingsplan Oost-Vlieland - Oostelijke eilandlodges camping Stortemelk24.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

11

5.2. Vogels Door De Leeuw en Bongers (2003) is in 2003 een broedvogelinventarisatie uitgevoerd van het plangebied en het bosgebied in de directe omgeving. Het gebied is ook door SOVON geïnventariseerd in 2013 (SOVON, 2013). Tevens is het plangebied nogmaals in 2021 onderzocht. Vastgesteld is dat het plangebied zelf arm aan broedvogels is. Alleen algemene en niet kwetsbare soorten komen voor. De meeste broedvogels zijn aangetroffen in die delen van het bosperceel waar een goed ontwikkelde struiklaag aanwezig is. Aangetroffen soorten zijn houtduif (1 paar), winterkoning (2 paar), merel (1 paar), tjiftjaf (1 paar), zwartkop (2 paar), koolmees (1 paar), heggenmus (1 paar), grote bonte specht (1 paar) en vink (2 paar). In de structuurrijke percelen ten zuidoosten van de hoofdtoegangsweg zijn uitsluitend zangvogelsoorten aangetroffen, met name winterkoning (4 paar), roodborst (1 paar), tuinfluiter (1 paar), zwartkop (2 paar), fitis (2 paar), tjiftjaf (1 paar), houtduif (2 paar), pimpelmees (1 paar), koolmees (2 paar), boomkruiper (1 paar) en vink (1 paar). Op grotere afstand van het plangebied zijn broedgevallen vastgesteld van sperwer (1 paar), buizerd (2 paar), havik (1 paar) en houtsnip (1 paar). Zeldzame en kwetsbare soorten zijn niet aangetroffen binnen een afstand van 300 meter van het plangebied.

Een inventarisatie van roofvogelnesten in 2017 toont aan dat in de percelen direct ten zuidoosten van het de hoofdtoegang naar camping Stortemelk op 2 plaatsen nesten zijn aangetroffen van de havik en buizerd. Daarnaast zijn op iets grotere afstand van het plangebied twee nesten gevonden van de buizerd en één van de sperwer. De nesten liggen op een afstand van minimaal 200 meter van het plangebied. Het open duingebied in de omgeving van het plangebied is arm aan broedvogels. Het meest talrijk in open duin is de graspieper. Verder zijn in de struwelen van duindoorn aangetroffen fazant, ekster, fitis, winterkoning, grasmus, braamsluiper, kneu en roodborsttapuit. Er zijn recent (na 2000) geen broedgevallen van de tapuit vastgesteld in dit duingebied. Broedgevallen van blauwe kiekendief, bruine kiekendief, velduil, lepelaar, porseleinhoen, eider, kluut, dwergstern, strandplevier, bontbekplevier en kleine mantelmeeuw komen in de directe en ruime omgeving van het plangebied niet voor. Ze zijn binnen afstand van twee kilometer van het plangebied niet vastgesteld. 5.3. Reptielen en Amfibieën. In het duingebied ten noorden van het plangebied komt een populatie voor van de zandhagedis (Lacerta agilis). Het betreft hier een Habitatrichtlijn 4 soort die echter geen deel uitmaakt van de instandhoudingsdoelen van Natura2000- gebied Duinen Vlieland.

De soort maakt deel uit van de lijst van op basis van internationale afspraken beschermde soorten, en geldt als strikt beschermd. Het plangebied zelf betreft een besloten gebied met bos en is als leefgebied voor de zandhagedis niet geschikt. De soort komt er niet voor. In de omgeving van het plangebied ontbreken vochtige duinvalleien. Er is daarom geen populatie aanwezig van de rugstreeppad (Bufo calamita), eveneens een strikt beschermde soort, die niet tot de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied behoort, Wel is de rugstreeppad aangetroffen in een bosvijver ten zuidwesten van het plangebied (Klaas Douwesvijver) op 200 meter afstand van het plangebied. In deze vijver is ook de kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) aangetroffen. Overige soorten reptielen en amfibieën komen in en in de omgeving van het plangebied niet voor. 5.4. Ongewervelden Er zijn geen populaties vastgesteld van soorten ongewervelden van de Habitatrichtlijn of van soorten die beschermd zijn door de Wnb. Er zijn geen kolonies van de kale of behaarde rode bosmier aangetroffen. 5.5. Zoogdieren. Voorkomende soorten zoogdieren in en in de omgeving van het plangebied zijn konijn, egel, bosmuis, huismuis, bosspitsmuis en bruine rat. Het betreft allen soorten van de Provinciale lijst van soorten waarvoor op voorhand vrijstelling van de wet geldt. Er komen geen populaties voor van soorten vleermuizen.

12

6.

De effecten van de uitvoering van het plan op de beschermde natuurwaarden. 6.1. Natura2000. 6.1.1.

Algemeen.

Bij het vaststellen van de begrenzing van Natura2000-gebied Duinen Vlieland is het bos van Vlieland onderdeel geworden van het Natura2000-gebied. Een deel van het bos is echter buiten de grenzen van het Natura2000-gebied gehouden. Het betreft de percelen tussen de Kampweg en de bebouwing van het dorp, noordwaarts tot aan camping Stortemelk. Ook de camping maakt geen deel uit van het Natura2000-gebied. Het perceel, waarop de plaatsing van de lodges gepland is, maakt zelf geen deel uit van het Natura2000-gebied. Een analyse van de effecten van de activiteiten op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Vlieland is aangaande het perceel zelf niet nodig. Wel is het van belang in het kader van externe werking in kaart te brengen of er sprake is van een uitstraling van de activiteiten naar het Natura2000-gebied toe met mogelijk significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. Dit rapport beoordeelt die mogelijke effecten van externe werking. Aangegeven is al dat de Natura2000-gebieden Noordzeekustzone en Waddenzee op een dermate grote afstand van het plangebied liggen dat een toetsing van effecten op de instandhoudingsdoelen van deze Natura2000-gebieden niet nodig is. Binnen Natura2000 zijn drie typen te toetsen plannen gedefinieerd. Het gaat daarbij om Projecten, Andere handelingen en (Ruimtelijke) Plannen.

Onder Projecten wordt onder meer verstaan plannen die een blijvend effect hebben op de ruimtelijke ordening van het plangebied. Te denken valt daarbij aan de bouw van huizen, de aanleg van wegen e.d. Onder Andere handelingen vallen plannen die te maken hebben met het gebruik van de terreinen, maar die geen blijvende verandering in de ruimtelijke ordening veroorzaken. Het gaat dan onder andere om het gebruik van natuurgebieden voor buitensporten, theater e.d. Sinds enkele jaren is het verplicht ook ruimtelijke plannen die door diverse overheden of beleidsorganisaties worden opgesteld te toetsen aan de eisen van Natura2000. Het betreft dan onder meer bestemmingsplannen, beheersplannen e.d. Het hier beoordeelde bestemmingsplan valt onder de categorie Ruimtelijke plannen. Het tot uitvoering brengen van het plan, dat wil zeggen het plaatsen van de lodges, valt echter in de categorie Projecten. Dit betekent dat een uitgebreide toetsing, waarbij o.a. ook de cumulatieve effecten in kaart moeten worden gebracht, nodig is. 6.1.2.

Habitatrichtlijn typen.

Het bosgebied van het plangebied zelf en aangrenzend aan het plangebied maakt geen deel uit van Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Het bosgedeelte ten zuiden van de hoofdtoegang naar de camping direct aangrenzend zuidelijk van het plangebied is wel een deel van het Natura2000-gebied. Binnen dit bosgebied is aan een aantal percelen met structuurrijk loofhout het habitattype H2180A – Atlantische duinbossen (droog) toegekend. Het betreft dan bossen met een vegetatie van zomereik en zachte berk. Bospercelen met een aanplant van naaldhout maken geen deel uit van een habitattype. De vegetatie van het duingebied ten noorden van het plangebied maakt geen deel van het Natura2000gebied, en is derhalve niet toe te rekenen naar een habitattype. In hoofdstuk 5 is aangegeven dat in het open duingebied tussen camping Stortemelk en Duinkersoord, en in de vallei ten zuidoosten van Stortemelk enige habitattypen zijn toegekend. Het gaat dan om: - H2120 – Witte duinen - H2130A – Grijze duinen (kalkrijk) - H2130B – Grijze duinen (kalkarm) - H2140B – Duinen met kraaiheide (droog) - H2150 – Duinen met struikhei - H2190C – Duinvalleien (ontkalkt) Beide gebieden liggen op een afstand van meer dan 300 meter van het plangebied. Deze afstand is dermate groot dat enig effect van de uitvoering van het plan op deze habitattypen is uitgesloten.

13

Effecten van de uitvoering van het plan op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen – Vlieland moeten wat betreft de typen worden beoordeeld met betrekking tot mogelijk significant negatieve effecten op oppervlak en kwaliteit van het hier aangegeven habitattype H2180A. De overige typen komen op een dermate grote afstand van het plangebied voor, dat een significant negatief effect op deze habitattypen is uitgesloten. Van belang is derhalve uitsluitend het habitattype H2180A. 6.1.3.

Habitatrichtlijn soorten.

De enige soort die deel uitmaakt van de instandhoudingsdoelen van Natura2000- gebied Duinen – Vlieland is de groenknolorchis (Liparis loeselii). De soort komt op Vlieland uitsluitend voor op de Vliehors en in de Kroon’s Polders, op een tiental kilometers afstand van het plangebied. Een significant negatief effect van uitvoering van het plan op de groenknolorchis is op basis van de grote afstand tussen het plangebied en de groeiplaatsen uitgesloten. Zandhagedis en rugstreeppad zijn door de Habitatrichtlijn 4 beschermde soorten die geen deel uitmaken van de instandhoudingsdoelen van Natura2000- gebied Duinen – Vlieland. Een analyse van het effect van de uitvoering van het plan op de populatie van deze soorten in het kader van de Habitatrichtlijn is niet nodig. Wel zijn beide soorten strikt beschermd door de Wnb (zie hierna). Geconcludeerd wordt dat binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied geen Habitatrichtlijnsoorten voorkomen die deel uitmaken van de instandhoudingsdoelen van het Natura2000- gebied. Significant negatieve effecten op soorten zijn uitgesloten. 6.1.4.

Vogelrichtlijn.

De volgende soorten van de Vogelrichtlijn maken deel uit van de instandhoudingsdoelen van Natura2000gebied Duinen – Vlieland: Broedvogels: - Lepelaar - Bruine kiekendief - Blauwe kiekendief - Porseleinhoen - Kluut - Tapuit Trekvogels en overwinteraars. - Aalscholver - Pijlstaart - Slobeend - Eider - Tureluur - Kleine mantelmeeuw - Tapuit. Het duingebied in de directe omgeving van het plangebied is in beginsel geschikt als broedgebied voor de tapuit. Uit recente broedvogelinventarisaties is gebleken dat er na 2000 geen broedgevallen van de tapuit zijn vastgesteld. De soort komt dan ook momenteel niet voor en een significant negatief effect op de populatie bij uitvoering van het plan is dan ook uitgesloten. Benadrukt wordt daarbij dat het bosgebied waar de lodges worden geplaatst geen broedgebied is van deze aan open duinterreinen gebonden soort. De overige soorten zijn in recente tijd niet als broedvogel binnen een afstand van twee kilometer van het plangebied vastgesteld. Een significant negatief effect op de populaties van deze soorten is uitgesloten. Aanvullend kan nog worden opgemerkt dat het broeden van strandplevier, bontbekplevier en dwergstern op het Noordzeestrand van Vlieland ter hoogte van Stortemelk recent niet bekend is. De soorten maken deel uit van de instandhoudingsdoelen van Natura2000- gebied Noordzeekustzone en Natura2000-gebied

14

Waddenzee, waartoe het Noordzeestrand gerekend wordt. Een significant negatief effect op de populaties van deze soorten op Vlieland door uitvoering van het plan is uitgesloten. Het plangebied en de omgeving ervan heeft geen bijzondere betekenis voor trekvogels. Samengevat wordt gesteld dat geen enkel significant negatief effect op de populaties van de soorten van de Vogelrichtlijn bij uitvoering van het plan zal gaan optreden. 6.1.5.

De instandhoudingsdoelen van Natura 2000- gebied Duinen –Vlieland en de Wet Natuurbescherming.

Een belangrijke vraag is of en in hoeverre de uitvoering van het plan leidt tot onaanvaardbare significant negatieve effecten op een van de instandhoudingsdoelen van Natura2000- gebied Duinen Vlieland. Indien dergelijke effecten optreden is de uitvoering van het plan in beginsel strijdig met de Wet Natuurbescherming, en is sprake van vergunningsplicht. Mede met inachtneming van het bovenstaande kunnen de volgende conclusies worden getrokken. - Het plangebied zelf maakt geen deel uit van Natura2000- gebied Duinen – Vlieland. Omdat het beschermingsregime van de wetgeving alleen van toepassing is binnen de grenzen van het Natura2000- gebied behoeven effecten van uitvoering van het plan op het plangebied zelf niet nader te worden overwogen. - Wel is in kaart gebracht of bij de uitvoering van het plan uitstraling naar het Natura2000-gebied ontstaat, waardoor effecten kunnen optreden op beschermde natuur binnen het Natura2000-gebied (externe werking). - Van de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen-Vlieland speelt uitsluitend habitattype H2180A – Atlantische duinbossen (droog) – een rol. - Voor zover sprake is van externe werking, uitstraling van de uitvoering van het plan naar het Natura2000-gebied, wordt uitgegaan van het standpunt dat effecten alleen merkbaar kunnen zijn in de directe omgeving van het plangebied.

Significant negatieve effecten op natuurwaarden op grotere afstand van het plangebied kunnen worden uitgesloten. - Uit bovenstaande blijkt dat met betrekking tot het voorkomen van soorten van de Habitatrichtlijn en soorten van de Vogelrichtlijn geen significant negatieve effecten te verwachten zijn daar binnen een afstand van een kilometer van het plangebied geen van de aangegeven soorten voorkomen. - De uitvoering van het plan, de plaatsing van de lodges, beperkt zich tot het aangegeven perceel. Gebruik van de percelen ten zuidoosten van de hoofdtoegangsweg naar het kampeerterrein, waar Habitattype H2180A voorkomt, maakt geen onderdeel uit van het plan. Ook worden hier geen ruimtelijke ingrepen gepleegd. Als zodanig treedt geen enkel effect op met betrekking tot het hier aanwezige Habitattype H2180A. - De lodges bieden na plaatsing gedurende het jaar ruimte aan maximaal 96 recreanten. Deze 96 bedden worden echter geruild met bedden die op camping Stortemelk zelf worden opgeheven. In het reguliere verhuurseizoen in het zomerhalfjaar treedt dan geen toename van het aantal recreanten op. De lodges kunnen echter ook in de winter worden verhuurd. In het winterhalfjaar zal is dan sprake van een toename van het aantal recreanten met maximaal 96 personen in vergelijking met de huidige situatie. Deze recreanten zullen tijdens hun verblijf de Natura2000-gebieden incidenteel bezoeken.

In zoverre sprake is van een toename van de betredingsdruk van natuurgebieden door de aanwezigheid van meer recreanten dan voorheen als gevolg van de plaatsing van de lodges, zullen de effecten het sterkst merkbaar zijn op het perceel zelf zijnde geen deel van een Natura2000-gebied. In het bosgebied ten zuidoosten van het plangebied zal geen sprake zijn van een dermate intensieve toename van de betredingsdruk dat daardoor verslechtering van de kwaliteit van de instandhoudingsdoelen (dat wil zeggen habitattype H2180A) ontstaat. Recreanten zullen voornamelijk gebruik maken van openbare paden en slechts incidenteel Natura2000-gebieden buiten de paden betreden. De vegetatiestructuur van de percelen die tot habitattype H2180A behoren verandert daarbij niet. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen als gevolg van een toename van het aantal recreanten is uitgesloten. - Cumulatieve effecten. De uitvoering van het plan draagt niet bij aan significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied, en doet dat derhalve ook niet in cumulatie met mogelijke andere projecten.

15

Samengevat wordt de conclusie getrokken dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de Habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn of de Vogelrichtlijn in het Natura2000-gebied Duinen – Vlieland in de omgeving van het plangebied als gevolg van de uitvoering van het plan. De aanvraag van een vergunning van de Wet Natuurbescherming bij de provincie Fryslân is niet nodig. Evenmin is het nodig een Passende Beoordeling van het plan te doen opstellen. 6.2. Wet Natuurbescherming, het soortenbeschermingsaspect. De soortenbescherming maakt sinds 1 januari 2017 deel uit van de Wet Natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds soorten die op basis van internationale afspraken beschermd zijn, de zogenaamde strikt beschermde soorten, en anderzijds de overige soorten. Indien door de uitvoering van een project negatieve effecten op de strikt beschermde soorten niet kunnen worden uitgesloten is sprake van ontheffingsplicht. Er dient dan een ontheffing van de wet te worden aangevraagd bij de Provincie Fryslân, waarbij dient te worden overwogen hoe de negatieve effecten kunnen worden verminderd of voorkomen. Voor de overige soorten geldt de zorgplicht. Bij de uitvoering van het plan moet ervoor worden gezorgd dat er geen blijvende verslechtering van de staat van instandhouding van de populaties optreedt.

Voor een aantal algemene soorten, gemeld op de Provinciale vrijstellingslijst, geldt op voorhand vrijstelling mits de uitvoering van het plan geen verslechtering betekent van de goede staat van instandhouding van de populaties van de soorten in Nederland in het algemeen. Op Vlieland voorkomende strikt beschermde soorten zijn zandhagedis, rugstreeppad, vleermuizen (laatvlieger, gewone dwergvleermuis) en groenknolorchis. Geen van deze soorten komt op of in de omgeving van het plangebied voor. Enkele soorten zijn daarnaast beschermd tegen gevolgen van menselijk handelen (plukken, uitsteken, wegvangen e.d.). Van deze soorten komt op Vlieland voor dennenorchis, kommavlinder, duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder. Deze soorten komen niet voor op en in de directe omgeving van het plangebied. 6.2.1.

Plantensoorten.

Er komen op en in de omgeving van het plangebied geen soorten voor die strikt beschermd zijn door de Wet Natuurbescherming. Voor alle plantensoorten in en rond het plangebied geldt de zorgplicht. Dit betekent dat de plaatsing van de lodges en het gebruik ervan er niet toe mag leiden dat populaties van soorten zodanig achteruitgaan dat sprake is van een blijvende verslechtering van de staat van instandhouding van de populaties. Binnen het plangebied en de direct aangrenzende percelen komen alleen algemene en niet kwetsbare plantensoorten voor, soorten derhalve met een goede staat van instandhouding. De uitvoering van het plan zal hooguit locaal effect op de vegetatie hebben. Als gevolg daarvan zullen enkele voorkomende plantensoorten in geringe mate achteruitgaan. Er is echter geen sprake van verslechtering van de staat van instandhouding van de populaties. Daar staat tegenover dat de inrichting van het terrein naast de plaatsing van de lodges ook een verbetering van de bosstructuur en de biodiversiteit beoogt. Als gevolg daarvan mag worden verwacht dat de uitvoering van het plan ook een aantal nu niet voorkomende plantensoorten kansen biedt. De groeiplaatsen van ronde zonnedauw in de vallei ten zuidoosten van Camping Stortemelk moeten als kwetsbaar worden beschouwd.

Ze liggen echter op een dermate grote afstand van het plangebied (>400 meter), dat enig effect van de uitvoering van het plan op de populatie van deze soort op grond van de grote afstand is uitgesloten. 6.2.2.

Vogels.

Voor alle soorten broedvogels geldt de zorgplicht. In § 5.2. is aangegeven welke soorten in en in de omgeving van het plangebied voorkomen. Zie ook tabel 2 in de bijlage van dit rapport. 6.2.3.

Reptielen en amfibieën.

In het duingebied in de omgeving van het plangebied komt een populatie voor van de zandhagedis, een strikt beschermde soort. De soort ontbreekt in en in de directe omgeving van het plangebied. Het bosgebied maakt geen deel uit van het leefgebied van de zandhagedis.

16

Een populatie van de rugstreeppad ontbreekt in en in de omgeving van het plangebied. Ook andere soorten reptielen en amfibieën ontbreken. De populatie van rugstreeppad en kleine watersalamander in de Klaas Douwesvijver komt op een dermate grote afstand van het plangebied voor dat enig effect van de uitvoering van het plan op de populatie is uitgesloten. 6.2.4.

Zoogdieren.

Alle soorten zoogdieren in en in de omgeving van het plangebied maken deel uit van de Provinciale lijst van soorten waarvoor op voorhand vrijstelling geldt, mits het plan niet leidt tot een blijvende verslechtering van de staat van instandhouding van de populaties van deze soorten in Nederland. Daar van een blijvende verslechtering als gevolg van de uitvoering van het plan geen sprake is, geldt ook hier voor deze soorten vrijstelling. Er komen in het plangebied en de omgeving ervan geen populaties voor van soorten vleermuizen. 6.2.5.

Ongewervelden.

Er komen in en in de omgeving van het plangebied geen soorten voor die beschermd zijn door de Wnb. 6.2.6. -

-

-

-

-

Overwegingen.

Strikt beschermde soorten. Er komen in het plangebied en in de directe omgeving geen strikt beschermde soorten voor. Vrijstelling. Voor soorten van de Provinciale vrijstellingslijst geldt op voorhand vrijstelling van de Wnb. Effectbeoordeling. In het kader van de zorgplicht is het alleen nodig effecten op broedvogels in kaart te brengen. Overige kwetsbare soorten waarvoor de zorgplicht van belang is komen binnen of in de directe omgeving van het plangebied niet voor. Zorgplicht. Met betrekking tot de vogels geldt vrijstelling van de wet indien wordt voldaan aan de zorgplicht. Van belang daarbij is dat na uitvoering van het plan in het plangebied ruimte overblijft als broedgebied voor de broedvogels. Bij de inrichting van het plangebied dient daarmee rekening te worden gehouden. Als onderdeel van het plan wordt het bosgebied waarin de lodges worden geplaatst zodanig ingericht dat voldoende ruimte overblijft als broedgebied voor de vogels. Door verbetering van de randbeplanting en de bosstructuur mag worden verwacht dat het plangebied geschikter wordt als broedgebied voor een aantal soorten zangvogels. Wat betreft de geschiktheid van het perceel als broedgebied is sprake van verbetering. Benadrukt wordt ook dat alle voorkomende broedvogels in Nederland algemeen zijn en veel voorkomen in de omgeving van menselijke bewoning.

De uitvoering van het plan leidt niet tot een blijvende verslechtering van de staat van instandhouding van de populaties van de betreffende soorten. Er is in dit opzicht geen strijdigheid met de zorgplicht. Beschermde nesten. De Wnb beschermt van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond. Geen van de genoemde soorten broedt binnen het perceel zelf of in de directe aangrenzende percelen. De nesten van roofvogels in de omgeving liggen in percelen waar geen activiteiten worden ontplooid t.b.v. het plan. Zorgvuldig handelen. In het kader van zorgvuldig handelen is het niet toegestaan broedvogels in het broedseizoen te verstoren. Binnen het perceel en in de directe omgeving ervan wordt door een aantal niet kwetsbare broedvogels gebroed. Het gaat daarbij om vogelsoorten die niet sterk verstoringsgevoelig zijn. Van belang is dat voorafgaand aan de werkzaamheden t.b.v. de plaatsing van de lodges (bij plaatsing tijdens het broedseizoen) wordt gecontroleerd of er vogels broeden, en de werkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat verstoring van broedvogels wordt voorkomen. Omdat op voorhand niet is te voorspellen waar de vogels gaan broeden is het van belang dit in de loop van april ter plaatse te controleren. Indien het perceel op voorhand is gecontroleerd op het voorkomen van broedvogels wordt voldaan aan het beginsel van zorgvuldig handelen.

Verstoring van broedvogels kan ook worden voorkomen door de lodges te plaatsen buiten het broedseizoen (september tot 15 maart). Externe werking. Op ruime afstand van het plangebied (meer dan 300 meter) wordt gebroed door kwetsbare broedvogels. Het gaat dan met name om buizerd, sperwer, havik en houtsnip. De werkzaamheden t.b.v de plaatsing van de lodges vinden op voldoende afstand van de broedlocaties af, zodanig dat deze door de activiteiten niet worden verstoord. Effecten op de nestlocaties door uitstraling van de werkzaamheden in het plangebied naar de broedlocaties is uitgesloten.

17

-

7.

Cumulatieve effecten. Er wordt in de directe omgeving van het plangebied niet tezelfdertijd uitvoering gegeven aan andere plannen. Er is geen sprake van cumulatieve effecten. Ontheffingsplicht. Geadviseerd wordt te voorkomen dat broedvogels tijdens het broeden worden verstoord. Indien verstoring van broedvogels kan worden uitgesloten is geen sprake van strijdigheid met de Wet Natuurbescherming en is de aanvraag van een ontheffing bij de Provincie Fryslân niet nodig. Indien verstoring niet kan worden uitgesloten is de aanvraag van een ontheffing verplicht.

Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur.

Het bosperceel waarin de lodges worden geplaatst, maakt deel uit van gebied dat behoort tot het netwerk. De aangrenzende camping Stortemelk is dat, behoudens de gebouwen op het kampeerterrein, eveneens. Indien sprake is van een blijvende verandering van de ruimtelijke ordening van het terrein als gevolg van de uitvoering van het plan, waarbij oppervlak natuurgebied verloren gaat of waarbij sprake is van verlies aan kwaliteit van natuur en landschap, is sprake van strijdigheid met de regelgeving van de NNN, en dient het verlies te worden gecompenseerd. De lodges zelf worden in het bos geplaatst, maar zijn in beginsel verplaatsbaar. De lodges worden zo geplaatst dat het wezenlijke karakter van het bosperceel niet wordt aangetast. Ook sluit de plaatsing van de lodges in ruimtelijke zin aan bij de inrichting van het bosperceel ten westen en noorden van het plangebied, waar ook lodges zijn geplaatst, en bij de aangrenzende camping Stortemelk. Er is dan geen sprake van een aantasting van het wezenlijke karakter van het landschap. Ook is geen sprake van verlies aan natuurkwaliteit. De conclusie is derhalve dat de plaatsing van de lodges niet strijdig is met de regelgeving van de NNN, en compensatie niet nodig is.

18

8.

Conclusies.

Met betrekking tot Natura2000 en de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen – Vlieland kunnen de volgende conclusies worden getrokken: -

-

-

Het plangebied zelf valt buiten het Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Bij de uitvoering van het plan, is het beschermingsregime van de wetgeving in het plangebied zelf niet van toepassing. De effecten van de uitvoering van het plan op de instandhoudingsdoelen zijn alleen in kaart gebracht in de omgeving van het plangebied, tot op 500 meter afstand van het plangebied. Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen op grotere afstand is uitgesloten. De uitvoering van het plan heeft geen significant negatief effect tot gevolg op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied binnen een afstand van 500 meter van het plangebied. Er zijn geen significant negatieve effecten te verwachten op habitattype H2180A – Atlantische duinbossen (droog) in de ruime omgeving. Andere instandhoudingsdoelen komen binnen 500 meter van het plangebied van het plangebied niet voor. De uitvoering van het plan is niet strijdig met de Wet Natuurbescherming. De aanvraag van een vergunning bij de Provincie Fryslân is niet nodig. Evenmin is het nodig een Passende Beoordeling te doen opstellen.

Met betrekking tot het soortenbeschermingsaspect van de Wet Natuurbescherming wordt het volgende geconcludeerd: -

-

-

Binnen het plangebied komen geen strikt beschermde soorten voor. Met betrekking tot de overige soorten en de broedvogels wordt voldaan aan het beginsel van zorgplicht. Er is geen sprake van een blijvende verslechtering van de staat van instandhouding van populaties door het plaatsen van de lodges of het toekomstig gebruik ervan. In het kader van zorgvuldig handelen wordt aangegeven dat voorafgaand aan de uitvoering van het plan in samenwerking met Staatsbosbeheer het plangebied moet worden onderzocht op het voorkomen van broedvogels. Het plan dient zodanig te worden uitgevoerd dat verstoring van broedende vogels wordt voorkomen. Verstoring van nesten van broedende roofvogels en houtsnip in de ruime omgeving van het plangebied is uitgesloten. Er is geen sprake van cumulatieve effecten. Bij uitvoering van het plan kan worden voldaan aan de voorwaarden van zorgplicht. Indien verstoring van broedvogels kan worden uitgesloten wordt voldaan aan het beginsel van zorgvuldig handelen. Als het plan kan worden gerealiseerd zodanig dat het zich voordoen van overtredingen van de Wet Natuurbescherming aangaande het soortenbeschermingsaspect op voorhand kan worden uitgesloten is de aanvraag van een ontheffing van de wet niet nodig. Indien verstoring van broedvogels niet kan worden uitgesloten is de aanvraag van een ontheffing van de wet verplicht.

Natuur Netwerk Nederland (NNN). - De plaatsing van de lodges is niet strijdig met de NNN-regelgeving. Compensatie voor verlies aan natuuroppervlak of –kwaliteit is niet nodig.

19

9.

Literatuur

Altenburg & Wymenga, 2014. Vegetatiekartering van de duinen van Vlieland. Veenwouden. Aptroot A., et.al., 1998. Bedreigde en kwetsbare korstmossen in Nederland; basisrapport met voorstellen voor de Rode Lijst. Buxbaumiella 44. Beenen, R, 1998. Soortsbeschermingsplan Rugstreeppad. Provincie Utrecht, Utrecht. Buro Bakker, 2007. Vegetatiekartering van de terreinen van Staatsbosbeheer op Vlieland 2006 – 2007. Buro Bakker adviesburo voor ecologie, Assen. Dillerop, 2013. Scan/ecologische beoordeling, uitbreiding kampeerterrein Vlieland. Dillerop Natuuradvies. Dijksen, L.J. & B.J.Koks ,2001. Broedvogelmonitoring in het Nederlandse Waddengebied in 2000. Monitoringrapport 2001/09. SOVON, Beek-Ubbergen. Hustings F., C.van Turnhout, R.L.Vogel en M.van der Weide, 1997. Aantalsontwikkelingen van karakteristieke broedvogels op de Nederlandse Waddeneilanden. – In: T.M.van der Have en E.R.Osieck (red.). Aantalsontwikkelingen en beheersmaatregelen voor karakteristieke vogels van het Waddengebied. Technisch Rapport 18. Vogelbescherming Nederland, Zeist 49 – 114. Hustings, F en J.W.Vergeer, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels, 1998 – 2000. Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum, KNNV Uitgeverij, EIS-Nederland, Leiden. Janssen J.A.M. en J.H.J.Schaminée, 2003. Habitattypen. Europese natuur in Nederland. KNNV-uitgeverij Utrecht. Janssen J.A.M. en J.H.J. Schaminée, 2004.

Soorten van de Habitatrichtlijn. Europese Natuur in Nederland. KNNV-uitgeverij Utrecht. Koopman, J en W.Stouthamer, 2006. Flora van Vlieland. ongepubliceerd. Fryske Feriening foar Fjildbiology. Leeuw, de en Bongers, 2003. Ecologische beoordeling zoeklocatie eilandlodges kampeerterrein Stortemelk Vlieland. A&W-rapport 432. Altenburg & Wymenga, Veenwouden. Meijden, R.van der, B. Odé, C.L.G.Groen, J.P.M.Witte en D.Bal, 2000. Bedreigde en kwetsbare vaatplanten in Nederland. Basisrapport met voorstel voor de Rode Lijst. Gorteria, 26-4 (2000). Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV-uitgeverij, EIS-Nederland; Leiden. Ministerie LNV, 1991. Aanwijzingsbesluit van het gebied ‘Waddenzee’ als Speciale Beschermingszone, Nr. J.9115397, d.d. 8 november 1991. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, directie Natuurbeheer, Den Haag. Ministerie LNV, 2000. Aanwijzingsbesluit van het gebied ‘Waddeneilanden/ Noordzeekust, Breebaart’ als Speciale Beschermingszone, N/2000/320 d.d. 24 maart 2000. Ministerie van landbouw, Natuurbeheer en Visserij, directie Natuurbeheer, Den Haag. Ministerie van LNV, 2004a. Werken aan Natura 2000. Handreiking voor de bescherming van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Concept Ministerie van LNV, Den Haag. Ministerie van LNV, 2004b.

Besluit Rode Lijsten flora en fauna. Ministerie van LNV, Den Haag. Ministerie van LNV, 2009a. Aanwijzingsbesluit Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Ministerie van LNV, 2009b. Nota van toelichting van het Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Natuurcompendium, 2003. Natuur in cijfers. Rijksinstituut voor milieu en natuur. 2003 Provincie Fryslân, 2006. Streekplan Fryslân; “Om de kwaliteit van de romte”. Leeuwarden. Provincie Fryslân, 2016a. Verordening Wet natuurbescherming Fryslân, 2017. Provinciaal Blad Nr 6515, december 2016. Provincie Fryslân, 2016b. Besluit van gedeputeerde staten van Fryslân d.d. 27 september 2016 tot vaststelling van de Beleidsregel Wet natuurbescherming 2017. Provinciaal Blad Nr 6542, december 2016. Rho, 2021. Bestemmingsplan Oost-Vlieland Oostelijke eilandlodges Camping Stortemelk. Rho Adviseurs 20210685 SOVON 2014. Broedvogelinventarisatie duinen Vlieland in 2014. Sparrius, L. et.al., 2014. Basisrapport Rode Lijst Vaatplanten 2012 volgens Nederlandse en IUCN Criteria. FLORON-rapport 57, FLORON, Nijmegen. Westhoff, V. en M.F.van Oosten, 1991. De Plantengroei van de Waddeneilanden. KNNV-Utrecht. Zuiderwijk, A., 2001. Zoektocht naar zandhagedissen op Waddeneilanden. Meetnet reptielen, Nieuwsbrief 21: 13-14. Zumkehr, P.J., 2011. De uitbreiding van kampeerterrein Stortemelk op Vlieland; een ecologische beoordeling.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, Midsland Terschelling. Zumkehr, P.J., 2020. De plaatsing van 4 nieuwe lodges in het Oosterse bos nabij Camping Stortemelk, een ecologische effectanalyse van het plan. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, Midsland Terschelling.

20

10. Tabellen. 10.1. Habitattypen, soorten van de Habitatrichtlijn en soorten van de Vogelrichtlijn in de omgeving van het plangebied. Instandhoudingsdoelen Natura 2000 gebied Duinen - Vlieland voorkomen: soort of type komt in de omgeving van het plangebied wel of niet voor. effect: geen. Er is geen sprake van een significant negatief effect op het type .

Habitatrichtlijn typen H1310. Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp. H1330. Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae). H2120. Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”). H2130. * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (‘grijze duinen”) H2140. * Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum. H2150. * Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno – Ulicetea). H2160. Duinen met Hippophae rhamnoides. H2170. Duinen met Salix repens ssp argentea (Salicion arenariae). H2180. Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied. H2190. Vochtige duinvalleien Habitatrichtlijn soorten H 1930. Groenknolorchis (Liparis loeselii). Vogelrichtlijn Broedvogels: Lepelaar Bruine kiekendief Blauwe kiekendief Porseleinhoen Kluut Trekvogels en overwinteraars. Aalscholver Pijlstaart Slobeend Eider Tureluur Kleine mantelmeeuw Tapuit.

voorkomen niet niet niet niet niet niet niet niet wel niet

niet

niet niet niet niet niet

niet niet niet niet niet niet niet

21

effect

geen

Kaart 1. Ligging van het plangebied op Vlieland.

22

Kaart 2. Het plangebied (binnen rode lijn). Ligging t.o.v. de Natura2000-gebieden en de voorkomende habitattypen. Rood: plangebied, locatie voor de plaatsing van de lodges. Rode cirkels: locatie eerder geplaatste lodges. Onderbroken zwarte lijn: grens met Natura2000-gebied Duinen Vlieland. Groen met A: Habitatttype H2180A – Atlantische duinbossen droog (gearceerd is zoekgebied) Groen met B: Habitattype H2180B – Atlantische duinbossen vochtig (gearceerd is zoekgebied) Geel: Habitattype H2120 – Witte duinen. Geel met B: Habitattype H2130B – Grijze duinen, kalkarm Lichtgroen met C: Habitattype H2190C – Vochtige duinvalleien, ontkalkt Oranje: Habitattype H2150 – Duinen met struikhei. Lichtbruin met B: Habitattype H2140B - Duinen met kraaiheide, droog Bron: DLG, 2015

23

Kaart 3. Kwetsbare soorten. Rode lijn: plangebied. H = nestlocatie Houtsnip HV = nestlocatie Havik S = nestlocatie Sperwer B = nestlocatie Buizerd (Bron: Staatsbosbeheer 2017). R = groeiplaats Ronde zonnedauw.

24

Situatieschets plaatsing lodges. De inrichting van het terrein betreft fase 3b. In roze aangegeven de bestaande bospaden. Tevens is de bestaande duingeomorfologie aangegeven. In het gebied van fase 3A in grijs de eerder geplaatste lodges.

25

Inrichtingsplan van het bosperceel. Aangegeven zijn de locaties van de verschillende vlonderlodges. De kleuren geven het type lodge aan. Ten noordwesten van de toegangsweg naar de camping b;ijft een zone van ca. 30 meter vrij van lodges. In oranje de twee clusters van 3 bostorentjes. In geel de lodges voor mindervaliden. In blauw de lodges met 1 bouwlaag, in groen de lodges met 2 bouwlagen.

26

Regels

94/108

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan Oost-Vlieland - Oostelijke eilandlodges camping Stortemelk met identificatienummer NL.IMRO.0096.20210685-CO01 van de gemeente Vlieland; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 afgraven en ophogen van de bodem: het verrichten van handelingen, waardoor de hoogteligging van een terrein of de bodem van een water (al dan niet tijdelijk) wordt verlaagd. Hieronder wordt niet begrepen: a. de werkzaamheden, die in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering worden verricht zoals (diep)ploegen en frezen; b. het maken van ondiepe (circa 1 meter) en weder te dichten sleuven en gaten voor het leggen van buizen, drainagebuizen en kabels; c.

het reguliere onderhoud aan watergangen (baggerwerkzaamheden); 1.6 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.7 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.8 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.9 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.10 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

95/108

1.11 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.12 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.13 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.14 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.15 kampeermiddel: a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde; één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.16 kap: een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt; 1.17 landschappelijke waarde: de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap, zoals aangegeven in de toelichting; 1.18 natuurlijke waarden: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna; 1.19 ondergronds: beneden het maaiveld; 1.20 peil: a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg; b.

voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw. 1.21 permanente bewoning: het permanent wonen en zijn hoofdverblijf hebben, zoals bedoeld in de Wet Basisregistratie Personen, hetgeen blijkt uit zowel een inschrijving in het bevolkingsregister als het daadwerkelijke gebruik van de woning; 1.22 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

96/108

1.23 recreatieve bewoning: de bewoning die plaatsvindt in het kader van de verblijfsrecreatie; 1.24 recreatiewoning: een gebouw dat naar aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning; 1.25 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.26 verblijfsrecreatie: een vorm van recreatie gericht op verblijf voor een bepaalde periode met tenminste één overnachting door personen die elders hun hoofdverblijf hebben.

97/108

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen (de buitenste verticale projectie van) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren), bovengrondse onderdelen vanaf 1,00 meter boven peil meegerekend;

98/108

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Bestemmingsregels

Natuur

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bosen natuurgronden; b. recreatiewoningen (eilandlodges), ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie recreatiewoningen (eilandlodges)'; c. een gebouw of overkapping ten dienste van bagagevoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: d. paden; e. nutsvoorzieningen; met de daarbijbehorende: f. erven en terreinen; g. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder vlonderterrassen; 3.2 Bouwregels 3.2.1 Recreatiewoningen (eilandlodges) Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels: a. het aantal recreatiewoningen mag ten hoogste 24 bedragen; b. er mogen maximaal 6 recreatiewoningen worden gebouwd waarvoor de volgende regels gelden: 1. de oppervlakte mag niet meer dan 30 m2 bedragen; 2. de bouwhoogte mag niet meer dan 9,50 m bedragen, gemeten vanaf de bovenkant van de onder 3 genoemde open constructie; 3. de eerste bouwlaag van het gebouw wordt geplaatst op een open constructie, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 3,00 m mag zijn; c. er mogen maximaal 12 recreatiewoningen worden gebouwd waarvoor de volgende regels gelden: 1. de oppervlakte mag niet meer dan 60 m2 bedragen; 2. de bouwhoogte mag niet meer dan 4,00 m bedragen; d.

er mogen maximaal 6 recreatiewoningen worden gebouwd waarvoor de volgende regels gelden: 1. de oppervlakte mag niet meer dan 50 m2 bedragen; 2. de bouwhoogte mag niet meer dan 6,50 m bedragen; e. de afstand tussen de recreatiewoningen onderling zal ten minste 7,50 m bedragen. 3.2.2 Overige gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van overige gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

99/108

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vlieland&id=f60ac107-9f78-4ab8-8b7f-4e7c7e8e107b