10 Bijlage 2 Vast te stellen bestemmingsplan Oosterseveld.pdf
Tekst van het document
Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken, dat onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.
46/150
Artikel 13 Activiteiten met betrekking tot reclameuitingen 6.4.2.3.10 Dit artikel is in overeenstemming gebracht met hetgeen in conform de Welstandsnota is toegestaan met betrekking tot reclameuitingen op het bedrijventerrein. Vanuit een goede omgevingskwaliteit is het niet wenselijk om overmatige toepassing van reclameuitingen toe te staan op het bedrijventerrein. Daarom is per bedrijf of instelling ten hoogste één naamaanduiding of één reclamezuil toegestaan die in verhouding moet staan tot de grootte van het pand. ook is per pand één vlakke gevelreclame per wand, grenzend aan de openbare weg, toegestaan. Reclameuitingen zijn verder uitsluitend op de bedrijfspercelen zelf toegestaan en moet in harmonie zijn met de architectuur van het gebouw. Er mafg ook geen afbreuk worden gedaan aan het straat- of bebouwingsbeeld en de kwaliteit van de openbare ruimte. Daarmee is lichtreclame, neonreclame, bewegende reclame en daglicht reflecterende reclame uitgesloten. 6.4.2.3.11 Artikel 14 Activiteiten met betrekking tot venten en standplaatsen Op basis van dit artikel is het venten toegelaten tenzij de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. Een vergunning is vereist voor het venten op het strand. De terminologie sluit aan bij de Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder valt het aloude motief van verkeersveiligheid.
Er is geen vergunning, met uitzondering van het strand, aan de orde, omdat venten (vrijwel) geen overlast e.d. oplevert. Er is dan geen goede reden waarom een vergunningstelsel nog noodzakelijk en proportioneel is. Overlast kan ook achteraf worden aangepakt. Het risico van achteraf controleren wordt niet veel groter geacht dan van het vooraf vaststellen van de voorwaarden die vaak dezelfde zijn. Volgens de Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen proportioneel als een controle achteraf onvoldoende is. De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag gelden overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van goederen. Volgens het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden aan de vrijheid van venten indien sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Het Hof bepaalde in de eerste plaats dat de regel niet discriminatoir mag zijn ten opzichte van de dienstverlener en verder dat moet worden nagegaan of de betrokken maatregel gerechtvaardigd is door een doelstelling van algemeen belang in de zin die de rechtspraak van het Hof aan dit begrip geeft of door een van de in artikel 30 EG genoemde doelstellingen, en of die maatregel evenredig is aan deze doelstelling. Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen er eisen worden gesteld aan dienstverleners die tijdelijk in Nederland hun diensten aanbieden het belang van de openbare veiligheid.
In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke gevallen sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven. Dergelijke beleidsregels moeten bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels moeten voldoen aan criteria van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens de Richtlijn vallen onder de definitie van eisen die gesteld kunnen worden: elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke een bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. De regels willen voorkomen dat burgers op zondag of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters. In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren.
47/150
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als door een venter dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor venters die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen waarop de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is. 6.4.2.3.12 Artikel 15 Activiteiten met betrekking tot verkeer en verlichting De uitzondering heeft betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.
In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. 6.4.2.3.13
Artikel 16 Benutten van de fysieke leefomgeving
Algemeen 15.1 Onder Algemeen zijn enkele regels gebracht die voor het hele plangebied van toepassing zijn. Om gebruikers in het plangebied de mogelijkheid te bieden om individueel verduurzamingsmaatregelen te treffen dan wel om duurzame energie te winnen, is het benutten van de ruimte hiervoor specifiek toegelaten. Dat betekent in beginsel dat die maatregelen binnen de gegeven bouwregels moeten plaatsvinden. Er is een bevoegdheid aan de regels toegevoegd op grond waarvan met een afwijking van de bouwregels kan worden afgeweken. Tot maximaal 10% mag van de gegeven maatvoeringen worden afgeweken om duurzaamheidsmaatregelen te realiseren, mocht dat noodzakelijk zijn. Dat kan dus ook boven op een dak tot een bouwhoogte van maximaal 8,80 m. Als voorwaarde is wel gesteld dat dit geen afbreuk mag doen aan het aanzien van het bedrijventerrein. Voorkomen moet worden dat iedereen hier op een eigen wijze gebruik van maakt zodat een rommelig en onrustig beeld ontstaat. Door de toelaatbaarheid aan een afwijking te verbinden, kan het college hier op toe zien. Daarnaast zijn enkele activiteiten zonder meer verboden in het hele gebied. Het gaat daarbij om verblijfsrecreatie en evenementen. Die zijn ook onder de algemene regels gebracht. Verboden activiteiten die
48/150
voor delen van het gebied gelden, zijn aan die specifieke werkingsgebieden gekoppeld. Bedrijventerrein 15.2 Algemeen Het doel is om het bedrijventerrein te behouden voor bedrijven die nodig zijn voor Vlieland. Dat is vooral de bedrijvigheid die zich hier de afgelopen periode heeft gevestigd. Daarin vindt een langzame transitie plaats, waarbij de aard van de bedrijvigheid redelijk consistent blijft: deels een industrieel karakter en anderdeels opslagruimte van en voor bedrijven. Nieuwe ontwikkelingen moeten in beginsel geen afbreuk doen aan dit bestaande karakter van het bedrijventerrein. Wel is het bedrijventerrein een plek waar onder andere ook een manege aanwezig is, waar een restaurant aan grenst, waar een bierbrouwerij met proeverij is gevestigd en waar veel burgers en recreanten zich bewegen van en naar het strand. Er is dus veel levendigheid op het bedrijventerrein. Die levendigheid biedt zowel kansen als bedreigingen. De veiligheid van het langzaam verkeer staat onder druk, maar de aanwezigheid van het langzaam verkeer biedt ook kansen voor ontwikkelingen. Bovendien is dat verkeer er en dat zal niet veranderen. Het is daarmee een duidelijk bestaand kenmerk van het terrein dat als zodanig aanwezig is en blijft. Er is geen noodzaak dit anders te gaan inrichten.
De regels voor bedrijven zien op activiteiten die plaatsvinden op het daadwerkelijke bedrijventerrein en hebben geen betrekking op de bedrijven die daarbuiten liggen, zoals de jachthaven, de heliplaats en de rioolwaterzuivering. Het betreft hier een bestaand bedrijventerrein dat zeer recent volledig is uitgegeven binnen de reikwijdte van de mogelijkheden die het bestemmingsplan Oosterseveld van 2006 bood. Dat betekent dat er een volledig uitgegeven en afgerond bedrijventerrein aanwezig is met bestaande bedrijvigheid waarin een transitiemogelijkeden zitten in verandering van gebruik van bestaande percelen. De regels zijn om die reden in eerste instantie gericht op het vastleggen en toelaten van de bestaande bedrijvigheid en de mogelijkheden zoals die golden onder de werking van het bestemmingsplan van 2006. Met de ondernemers en andere partijen is gesproken over de toekomst van het terrein, de verwachte ontwikkelingen en de wensen die er spelen. Ook is hen gevraagd welke ontwikkelingen het plan zou moeten faciliteren en vooral ook welke niet. Daarmee is getracht om voor de komende periode een helder kader vast te leggen waarin staat wat wel en niet is toegelaten. Het kan zijn dat de Omgevingsvisie voor het hele eiland in de nabije toekomst nog tot gewijzigde keuzes leidt bij het maken van het Omgevingsplan voor het hele eiland, waarvan Oosterseveld deel zal uit gaan maken.
Die wijzigingen zullen dan worden meegenomen. Een belangrijk uitgangspunt voor het bedrijventerrein is dat het 'eiland eigen' moet blijven. Daarvoor bestaat geen definitie, maar belangrijk is dat er functies uitgeoefend kunnen worden die nodig zijn voor het eiland. Daarnaast mag het qua uitstraling ook een eigen karakter hebben, waarbij een zekere mate van rommeligheid en bedrijvigheid passend bij hetgeen op het eiland gebeurt, aanvaardbaar is. Dat alles wel binnen zekere grenzen. Die grenzen zijn in de regels gesteld. Opslag en aanzien van het terrein Een te grote rommeligheid is al jaren een storend fenomeen. Daarover wordt al veel gesproken en worden gezamenlijke acties ondernomen. Vanuit de ondernemers is wel de wens uitgesproken dat de gemeente daarin
49/150
een rol blijft spelen en dat de verantwoordelijkheid daarvoor niet op de ondernemers zelf afgeschoven kan worden. Er zijn enkele regels opgenomen die zien op het gebruik van gronden langs de wegen en vóór de naar de weg gekeerde zijden van de bedrijfsgebouwen. Deze regels zien op het voorkomen van permanente opslag op die plekken. De regels moeten het kader bieden voor de handhaving van een aanvaardbaar aanzien van het terrein. Onder de werking van het bestemmingsplan Oosterseveld 2006 was het bedrijventerrein een welstandsvrij gebied. Vanuit een meerderheid van de ondernemers is de wens uitgesproken om niet alsnog welstandsregels in het plan op te nemen. Het aanzien van het terrein en het 'eiland eigen' karakter is in de bestaande situatie redelijk verzorgd en vraagt niet om nadere regels. Ook als visitekaartje bij de aankomst van de boot geeft het terrein geen negatief beeld. Het gebruik c.q het benutten van de percelen Zoals gezegd is in eerste aanleg gezorgd dat het huidige bedrijfsmatige karakter van het bedrijventerrein is vastgelegd, waarbij de bijzonderheden, zoals de aanwezigheid van de manege, specifiek zijn geregeld. Vanuit de participatie is gebleken dat er een duidelijk oordeel bestaat over een aantal voorzieningen die niet toelaatbaar worden geacht op het bedrijventerrein. Op Vlieland kan veel gebruik niet los worden gezien van het dorp.
Om het karakter en de leefbaarheid van het dorp te behouden, zijn meerdere voorzieningen niet wenselijk op het bedrijventerrein omdat die beter een plek kunnen krijgen in het dorp of in aansluiting op voorzieningen in de nabijheid van het dorp. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om voorzieningen ten behoeve van sport, buitenactiviteiten, zorg, onderwijs, cultuur, verblijfsrecreatie, en andere maatschappelijke en sociaal-culturele voorzieningen. Om die reden worden ook zelfstandige winkels en horeca niet passend geacht op het bedrijventerrein. Al deze voorzieningen zijn dan ook verboden, zodat duidelijk is dat daarvoor geen plaats is op het bedrijventerrein. Minder duidelijkheid bestaat er over functies als ondergeschikte detailhandel, zelfstandige kantoren en wonen. Sommige ondernemers willen helemaal geen detailhandel op het bedrijventerrein. Als er verkoop plaats moet vinden, dan moet dat vanuit een locatie in het dorp. Meerdere ondernemers zien geen bezwaren in het ondergeschikt verkopen van materialen direct vanuit het bedrijfsgebouw. In de regels is een mogelijkheid geboden voor ondergeschikte detailhandel. Die mogelijkheid bestond ook al onder de werking van het bestemmingsplan uit 2006. Dat houdt in de eerste plaats in dat binnen de bedrijfsgebouwen geen specifieke winkel-/verkoopruimtes ingericht mogen worden.
Verkoop is alleen toegelaten vanuit het bedrijfsgebouw zelf en het moet gaan om producten die direct en/of logischerwijs gerelateerd zijn aan het bedrijfsproces van het bedrijf zelf. Ten aanzien van ondergeschikte, ofwel ondersteunende horeca speelt ook het een en ander op het bedrijventerrein. Het bedrijventerrein is in eerste instantie een plaats voor bedrijfsuitoefening en niet voor horeca. De regeling ten aanzien hiervan laat dan ook geen ruimte voor horecapunten waar dranken en maaltijden worden verstrekt. Toch wordt een vorm van ondersteunende horeca daarentegen wel toegestaan. Voor een bedrijf als de lokale bierbrouwerij is het van belang dat bij rondleidingen proeverijen er producten genuttigd kunnen worden. Daarom wordt ondersteunende horeca toegestaan, om in geval van dergelijke activiteiten (rondleidingen, proeverijen) de mogelijkheid te geven tot het nuttigen van (fris)dranken. Tegen zelfstandige kantoren bestaat niet veel weerstand, mede ook omdat de verwachting is dat die er niet snel zullen komen. Toch bestaat de wens wel om de mogelijkheid op te nemen, omdat dit ook in heel ondergeschikte
50/150
vorm ondernemers de kans kan bieden iets op Vlieland te beginnen en daarmee nieuwe bedrijvigheid naar Vlieland te trekken. Wat het verblijf van personeel betreft, is duidelijk dat er geen woonwijk moet en mag ontstaan. Ook de bouw van woonhuizen of vrijstaande bedrijfswoningen op het bedrijventerrein is niet wenselijk. Wonen moet in principe in het dorp plaatsvinden. Wel is er een aanzienlijk deel van de ondernemers die verblijf van personeel wenselijk vindt, omdat daar een duidelijk tekort aan is en er op dit moment in het dorp woonruimte wordt opgeofferd om personeel kwijt te kunnen. Dat gaat vervolgens ten koste van beschikbare woonruimte en de leefbaarheid van het dorp. De wens om personeel onder te brengen op het bedrijventerrein ontstaat omdat er in het dorp een te kort aan ruimte is. Uitgangspunt blijft en moet zijn dat het wonen plaatsvindt in het dorp, ook van personeel. In dit plan wordt verblijf van personeel mogelijk gemaakt dat tijdelijk, dat is gedurende een aantal maanden binnen een jaar, op het eiland aanwezig is. Het gaat hier duidelijk niet om het creëren van permanente woonruimte voor vast personeel. Dat betekent ook dat er geen sprake is van bedrijfswoningen of woonruimte ten behoeve van permanente bewoning. Daarvoor moet woonruimte in het dorp gezocht worden.
Duidelijk is dat dit vraagstuk niet los kan worden gezien van ontwikkelingen in het dorp en een algehele visie op Vlieland in zijn geheel. In de Omgevingsvisie zal dit onderwerp dan ook nog nadrukkelijk aan de orde komen. Dit CHW bestemmingsplan gaat aan de Omgevingsvisie vooraf. Het plan biedt de mogelijkheid om vooreerst tijdelijk te voorzien in een redelijk urgente behoefte die er bestaat en waarvoor op korte termijn geen goed alternatief voorhanden is. Als uit de Omgevingsvisie blijkt dat in de nabije toekomst oplossingen voor huisvesting in het dorp gevonden en gerealiseerd kunnen worden, vervalt de noodzaak van verblijf op het bedrijventerrein. In het Omgevingsplan voor het gehele eiland, dat volgt op de visie en waarin Oosterseveld opnieuw een plek krijgt, kan dan de mogelijkheid van verblijf van personeel weer komen te vervallen. Dan inmiddels bestaande situaties kunnen worden voorzien van een overgangsrecht op grond waarvan uiteindelijk weer gekomen wordt tot een terrein waar niet verbleven mag worden. Kortom, in het voorliggende plan is een mogelijkheid geboden om onder voorwaarden personeel ten behoeve van de bedrijvigheid op het terrein onder te brengen.
Die voorwaarden zijn dat het alleen om personeel mag gaan dat werkzaam is binnen het bedrijf zelf, dat de gebruiksoppervlakte van het verblijf niet meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bedrijfsgebouw waarin het verblijf plaatsvindt en dat het verblijf inpandig in bestaande bedrijfsgebouwen plaats moet vinden. Er mag ten hoogste één personeelsverblijf per bedrijf worden gevestigd, zodat niet bij één bedrijf met meerdere bedrijfsgebouwen meerdere personeelsruimtes worden gerealiseerd en er alsnog op een perceel een grote hoeveelheid personeel kan verblijven. Het verblijf van personeel wordt in de gemeentelijke milieuregels gezien als onderdeel van de inrichting en als zodanig wordt het niet gezien als een milieugevoelige functie. Wel moet het verblijf aan alle minimale bouwtechnische en gebruikseisen voldoen en moet er voor wat betreft geluid een aanvaardbaar binnenniveau aanwezig zijn waarbinnen goed en veilig verbleven kan worden. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om de vergunning ten aanzien van het verblijf van personeel in te trekken indien de personeelshuisvesting leidt tot structurele overlast door de bewoners. In dat geval dient ook de inrichting tot bewoning van (het deel van) de bedrijfsloods weer ongedaan gemaakt te worden.
Wonen 15.3 De activiteiten ten behoeve van het wonen zijn gericht op het behoud van de woonpercelen, zoals die in de zuidoostelijke punt van het plangebied zijn gelegen. De mogelijkheden zijn afgestemd op de mogelijkheden die
51/150
voor alle woonhuizen op het eiland gelden. In de woonbestemming is onderscheid gemaakt tussen het hoofdgebouw, zijnde het woonhuis, en de bijbehorende bouwwerken. De bijbehorende bouwwerken mogen niet voor bewoning worden ingericht. Daaronder worden ook voorzieningen verstaan die deels ten dienste van de bewoning staan, zoals sanitaire ruimtes of verblijfsruimtes. De regels zijn afgestemd op de situatie zoals die zich ter plaatse voordoet. Het gebruik is gericht op het wonen. Kleinschalige bedrijvigheid ondergeschikt aan het wonen mag worden uitgeoefend. Een verblijfsrecreatief gebruik van de woonhuizen is niet toegestaan. Ook is het niet toegestaan om meer dan één woning in het woonhuis onder te brengen. Het wonen moet in beginsel in het dorp plaatsvinden, maar omdat hier sprake is van een bestaande situatie, is de situatie vastgelegd. Uitgangspunt is evenwel om hier grenzend aan het bedrijventerrein en de jachthaven geen verdere verruiming van de woonfunctie mogelijk te maken. Vanwege de bijzondere ligging van de woonhuizen in een kwetsbare omgeving is een regel opgenomen op grond waarvan niet meer dan 10% van het woonperceel, buiten de bebouwing, verhard mag worden. Deze regel dient naast het behoud van een passende groene inrichting van de woonpercelen, ook een klimaatbestendige omgeving.
Recreatiewoning 15.4 Er is aan de westzijde van het bedrijventerrein een huis aanwezig dat recreatief wordt bewoond. Het gebruik van het huis is afgestemd op het feitelijk aanwezige verblijfsrecreatieve gebruik. Vanwege de bijzondere ligging aan de rand van het bosgebied in een kwetsbare omgeving is een regel opgenomen op grond waarvan niet meer dan 10% van het bebouwde perceel, buiten de bebouwing, verhard mag worden. Deze regel dient naast het behoud van een passende groene inrichting van het perceel, ook een klimaatbestendige omgeving. Jachthaven 15.5 De jachthaven is bedoeld als haven voor vaartuigen die Vlieland kortstondig aandoen. Het is niet de bedoeling om er een woon- of verblijfshaven van te maken. Het bewonen van vaartuigen voor een langere periode is niet toegelaten. Eén bestaande boot die permanent wordt bewoond, is vanwege de historisch zo gegroeide situatie, een persoonsgebonden overgangsrecht toegekend. Dat betekent dat de huidige bewoner de bewoning voort mag zetten. Op het moment dat die bewoning door de huidige bewoner wordt beëindigd, vervalt het recht op bewoning. Bij de jachthaven is een voorzieningengebouw aanwezig met een winkel, een restaurant en een bedrijfsruimte ten behoeve van de jachthaven. Deze functies zijn op de bestaande situatie vastgelegd. Uitbreiding daarvan is buiten de omvang van de bestaande bebouwing niet toegelaten.
Het bestaande gebouw is uitgangspunt voor de maximaal toelaatbare bebouwing bij de jachthaven. Het huisvesten van personeel is toegelaten. Het gaat daarbij om huisvesting uitsluitend in het havengebouw en uitsluitend voor personeel werkzaam ten behoeve van het havengebouw en de jachthaven. Om te zorgen dat dit een ondergeschikte functie blijft, mag niet meer dan 20% van de oppervlakte van het havengebouw voor bewoning worden benut. Helihaven 15.6
52/150
Het gebouw op de helihaven is deels in gebruik genomen als ambulancepost en ten behoeve van patiëntenvervoer. Deze nieuwe functie is met dit plan toegelaten. Dit gebruik is afkomstig van de Uiterton, waar het na sloop en de realisatie van een zorgbuurt een nieuwe plek is toegekend. In het gebouw is overnachtingsmogelijkheid voor personeel toegelaten. Het is niet de bedoeling dat die plekken voor permanente bewoning worden ingericht. Waterzuiveringsinstallatie 15.7 De rioolwaterzuivering is een bestaande functie die de komende jaren naar verwachting in ongewijzigde staat aanwezig blijft. De regels zijn afgestemd op de bestaande situatie en zijn enkel gericht op het functioneren van de zuiveringsinstallatie als zodanig. Verduurzaming is toegelaten als daarvoor binnen bepaalde afmetingen bouwwerken nodig zijn. Verkeer 15.8 Het verblijfsgebied betreft de verharde gronden rondom de jachthaven. Deze gronden worden benut door personen om te verblijven en voor activiteiten van langzaam verkeer. Zo wordt de ontsluiting van de jachthaven en het havengebouw voorzien. Bebouwing dient hier uitsluitend ten behoeve van het verblijfsgebied. Zowel het havenplein met daarop o.a. het speeltoestel en de werkhaven zijn in het bestemmingsplan aangegeven als verblijfsgebied. De wens is om het havenplein en de werkhaven van elkaar te scheiden.
De werkhaven is nu openbare weg met op- en overslag van goederen met zwaar verkeer. Parkeren is niet geregeld en in het hoogseizoen gebeurt het dat het op mooie stranddagen als een grote parkeerplaats wordt gebruikt met daaromheen en ertussen spelende kinderen. Dat past niet in een werkhaven. Er moeten passende verkeersmaatregelen worden getroffen, die ook gehandhaafd kunnen worden. Waterbouwkundige werken 15.9 Rondom de jachthaven is een dijk aangelegd die de jachthaven beschermd tegen golfslag. Deze dijk heeft verder geen watekerende functie. Deze gronden zijn aangemerkt als waterbouwkundige werken en zijn bedenkt met steen en gras. Er kan op gewandeld en verbleven worden door personen. Wat betreft bebouwing staan er enkele geleidingsbakens. Verder zijn deze gronden onbebouwd en is bebouwing ook niet van belang. Invliegfunnel 15.10 Activiteiten die het veilig landen van een helicopter schaden zijn geen vlottende activiteiten. Het gaat om activiteiten die gedurende kortere of langere periode de gronden benutten en die op het moment dat een helicopter moet landen of op moet stijgen niet eenvoudig en snel zijn te verwijderen. Zeedefensie 15.11 De gronden in het plangebied die een waterkerende functie hebben in de vorm van de duinen in de zeereep zijn aangewezen voor Zeedefensie.
Dit betekent dat in de afweging van eventuele activiteiten op die gronden het belang van de zeewerende functie voorop staat. Daarmee vindt afstemming plaats op het beleid van Rijkswaterstaat. Waterkering 15.12 De waterkering betreft hier de kade en de dijk langs de haven. De gronden zijn primair bedoeld voor
53/150
waterkering en als laad- en loswal. Alle activiteiten die schade brengen aan de waterkerende functie zijn verboden. Natuur 15.13 Enkele kleine randgebiedjes en een klein deel van de Waddenzee zijn als natuur aangemerkt. Daarbij is de Waddenzee speciaal aangeduid, omdat daar enkele specifieke regels ter bescherming van de waarden van het gebied gelden. De activiteiten zijn afgestemd op het feitelijk, bestaande gebruik, waarbij voorts voor alle overige activiteiten geldt dat de bescherming van de natuur voorop staat. 6.4.2.3.14 Artikel 17 Bouwactiviteiten Nutsvoorzieningen 16.1 Omdat nutsvoorzieningen binnen het hele plangebied en gerelateerd aan alle aanwezige activiteiten denkbaar zijn, is een algemene regel opgenomen op grond waarvan kleine gebouwtjes ten behoeve van nutsvoorzieningen, waaronder bijvoorbeeld ook de peilschaalstations, gebouwd kunnen worden. Bedrijven 16.2 De bouwregels voor de bedrijfsgebouwen zijn afgestemd op de principes die in eerdere plannen zijn bepaald, zoals de maximale bouwhoogte van 8 m en het niet meer bebouwen van een perceel dan 80%. Wel is de uiteindelijke inrichting van het bedrijventerrein zodanig, dat er aanleiding is geweest om een aantal regels niet weer terug te laten komen, zoals de afstand tot de perceelgrens. De regels zijn daarmee in aanzienlijke mate versoberd.
In afwijking van eerdere plannen is een mogelijkheid geboden om tot maximaal 10% van die afmetingen af te mogen wijken als die extra ruimte nodig is om maatregelen ter verduurzaming van de bedrijfsgebouwen te treffen. Dat moet kwalitatief wel op een passende manier gebeuren om te voorkomen dat er rommelig en onrustig bebouwingsbeeld ontstaat. Dit is in een algemene afwijking ondergebracht, omdat dit op meerdere bouwwerken van toepassing is (zie 16.14). Wonen 16.3 Een woonhuis moet ter plaatse van het bestaande woonhuis worden gebouwd. Dat hoeft niet exact op dezelfde locatie, omdat de vorm of de oppervlakte van het woonhuis kan worden gewijzigd. De bedoeling is dat het woonhuis niet achter op het perceel wordt gebouwd. Het is wenselijk het bestaande beeld te bewaren en de woonhuizen te situeren ter plekke van het bestaande woonhuis. De oppervlakte van een woonhuis mag ten hoogste 150 m² bedragen. De bouwhoogte is bepaald op 8 m, waarbij de algemene afwijking (16.14) ook hier van toepassing is. De woonhuizen moeten zijn voorzien van een kap. Bijbehorende bouwwerken mogen het straatbeeld niet bepalen en moeten daarom achter de naar de weg gekeerde gevel van een woonhuis worden gebouwd. Gezamenlijk mag de oppervlakte niet meer dan 60 m² bedragen.
Bijbehorende bouwwerken zijn bouwwerken die bij een hoofdgebouw, zijnde het woonhuis, behoren en dienen om die reden ondergeschikt te zijn aan het woonhuis. Dat geldt zowel qua afmetingen als qua gebruik. Vanwege de bijzondere omgeving en ten behoeve van klimaatbestendigheid is vastgelegd dat ten hoogste 10% van de gronden buiten de gebouwen verhard mag zijn. Recreatiewoning 16.5 De bouwregels voor de recreatiewoning zijn afgestemd op de meest recente bouwregels voor
54/150
recreatiewoningen op het recreatiewoningenterrein. In afwijking daarvan wordt hier niet met het kwaliteitsdocument gewerkt, maar wordt de bouwruimte meteen bij recht toegekend, omdat er hier sprake is van een solitaire recreatiewoningen in een gebied waar het benutten van die ruimte passend wordt geacht. Havengebouw 16.6 De bouwregels voor het havengebied zijn afgestemd op de regels die hiervoor golden. Dat betekent dat het gebouw niet groter mag worden dan 800 m² en vanwege de ligging niet hoger dan 7 m. De afwijking van 16.14 is hier van toepassing. In deze oppervlakte moet ook de ruimte worden benut die nodig is voor het onderhoud en het beheer van de jachthaven. Het havengebouw moet ter plaatse van het bestaande havengebouw worden gebouwd. Dat hoeft niet exact op dezelfde locatie, omdat de vorm of de oppervlakte van het havengebouw kan worden gewijzigd, maar het is wenselijk het bestaande beeld te bewaren en het havengebouw te situeren ter plekke van het bestaande gebouw. Jachthaven 16.7 Binnen de jachthaven mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Alle benodigde ruimte moet in het havengebouw worden gevonden. Binnen de jachthaven mogen alleen andere bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de jachthaven zelf, zoals afscheidingen, steigers, en dergelijke.
Helihaven 16.8 Het gebouw bij de helihaven is onlangs verbouwd ten behoeve van het nieuwe gebruik als ambulancepost. De bouwregels zijn hierop afgestemd. De afwijking van 16.14 is hier van toepassing. Het gebouw moet ter plaatse van het bestaande gebouw worden gebouwd. Dat hoeft niet exact op dezelfde locatie, omdat de vorm of de oppervlakte van het gebouw kan worden gewijzigd, maar het is wenselijk het bestaande beeld te bewaren en het gebouw te situeren ter plekke van het bestaande gebouw. Waterzuiveringsinstallatie 16.9 De bouwregels voor de waterzuiveringsinstallatie zijn afgestemd op de regels die hiervoor golden. Dat betekent dat er gezamenlijk niet meer dan 700 m² aan gebouwen gebouwd mag worden met een bouwhoogte die niet hoger is dan 7 m. De afwijking van 16.14 is hier van toepassing. Helicopterlandingsplaats 16.10 Rondom de landingsplaats mag een afscheiding geplaatst worden. De invliegfunnel ziet op de aanvliegroute van helikopters van en naar de helihaven en dient daarmee de vliegveiligheid van de aanvliegroute te garanderen. Dit heeft tot gevolg dat een getrapte hoogtebeperking voor andere bouwwerken is opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat andere bouwwerken dan wel boten/vaartuigen met masten de aanvliegende/vertrekkende helikopters van en naar de helihaven hinderen. In overleg met de gebruiker van de landingsplaats kan hiervan worden afgeweken.
Natuur 16.11 Het duingebied rondom het bedrijventerrein en het deel van de Waddenzee ten zuiden van het bedrijventerrein maken deel uit van het totale natuurgebied van Vlieland en is daarom als natuur aangemerkt. De activiteiten zijn volledig gericht op de instandhouding en/of verhoging van de aan de gronden toegekende landschappelijke,
55/150
natuurwetenschappelijke en/of historische waarden. In verband met het behoud van deze waarden mogen op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. Andere bouwwerken mogen uitsluitend ten behoeve van de toegelaten activiteiten worden opgericht. 6.4.2.3.15 Artikel 18 Werken en werkzaamheden Voor het behoud van de kwaliteit van de natuurgronden en het functioneren van de waterkering is een vergunningenstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in de gebieden aangewezen voor natuur, waterkering en Waddenzee. Al deze genoemde werken en werkzaamheden zijn in beginsel passend binnen de activiteiten die op de gronden zijn toegelaten, maar omdat de gevolgen van de ingrepen niet op voorhand kunnen worden ingeschat en de gevolgen dus ook behoorlijke inbreuk kunnen doen op de beschermde waarden van de gronden, is een vergunning vereist die getoetst kan worden aan de benoemde waarden. Een vergunning wordt in beginsel verleend, maar het kan zijn dat de waarden dermate onevenredig worden geschaad, dat de vergunning moet worden geweigerd. Die bevoegdheid is aan het college en moet per geval worden beoordeeld. Normale onderhoudswerkzaamheden of werkzaamheden die zien op het beheer van de gronden zijn niet vergunningplichtig. Het gaat daarbij veelal om regelmatig terugkerende activiteiten voor het onderhoud en beheer van de gronden.
6.4.2.4 Hoofdstuk 4 Beheer en onderhoud Deze bepalingen lopen vooruit op de zorgplicht die in zijn algemeenheid in de Omgevingswet is opgenomen. Een ieder is verantwoordelijk voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en voor een goede omgevingskwaliteit. Als mensen zich daar niets aan gelegen laten liggen, kan de gemeente daartegen optreden. In eerste instantie gaat de gemeente er vanuit dat dit met het structureel overleg opgepakt kan worden en dat dit ieders verantwoordelijkheid wordt. Gezamenlijk moet dan kunnen worden voorkomen dat handhavend opgetreden moet worden. Dit artikel is dan met name ook bedoeld als vangnet en excessenregeling als er in alle redelijkheid geen oplossing voor een overtreding gevonden kan worden. 6.4.2.5 Hoofdstuk 5 Procesregels Het is de intentie om met name het onderhoud en beheer, het aanzien van het terrein, mogelijke problemen die zich voordoen, het specifieke gebruik en de toelaatbare activiteiten en ontwikkelingen in gezamenlijk overleg te bespreken en van daaruit de benodigde vervolgstappen te zetten. Dit overleg moet regulier plaatsvinden, in ieder geval eenmaal per jaar, maar vaker als daar behoefte aan is. De gemeente wil haar allesbepalende en regisserende rol hier zoveel mogelijk loslaten en kijken in hoeverre er meer in gezamenlijkheid over het gebied besloten kan worden.
Dit reguliere overleg kan er ook toe leiden dat de regels mettertijd worden aangepast. Daarnaast kent het plan enkele afwijkingen van de basisregels. Ten behoeve van de toepassing van die afwijkingsbevoegdheid zijn enkele procesregels opgenomen. De gemeente wil daarmee het proces versnellen en teleurstellingen voorkomen, maar ook de verantwoordelijkheid meer bij de initiatiefnemer neerleggen. In het plan zijn die regels alleen gekoppeld aan afwijkingen, omdat de gemeente het van belang vindt om daar juist een goede afweging te kunnen maken met inachtneming van alle kenbare belangen. Dit wil de gemeente met deze specifieke regel op voorhand kenbaar maken. In de Omgevingswet wordt in alle gevallen, dus ook bij vergunningen waarvoor geen afwijking nodig is, van initiatiefnemers gevraagd om aan te geven in hoeverre er overleg is geweest met belanghebbenden. De gemeente heeft ervoor gekozen dit niet als indieningsvereiste in
56/150
het plan op te nemen, maar hiervoor specifiek participatiebeleid op te stellen dat in alle gevallen van toepassing is en waarbij per geval maatwerk kan worden gevraagd. 6.4.2.6 Hoofdstuk 6 en 7 Overgangsrecht en Slotbepaling Het overgangsrecht en de naam van het CHW bestemmingsplan zijn opgenomen in dit hoofdstuk.
57/150
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een project. Wat dat betreft wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak en overleg Het plan is met veel participatie tot stand gekomen. Al hetgeen is ingebracht, is gewogen en al of niet in het plan verwerkt. In de toelichting op dit plan is daarover het nodige gezegd en geschreven. Vervolgens volgt de gemeente voor het bestemmingsplan de binnen de gemeente gebruikelijk procedure om te komen tot vaststelling van het plan. Het plan is vanaf 8 februari 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen voor inspraak en overleg. Dit heeft 3 inspraakreacties en 4 overlegreacties opgeleverd. Alle reacties zijn beoordeeld, waarbij is nagegaan óf en hóe het plan bijgesteld moet worden. Dit is uiteengezet in de antwoordnota die is opgenomen als bijlage. Zienswijze Het ontwerp CHW bestemmingsplan heeft vanaf maandag 5 juli 2021 tot en met maandag 16 augustus 2021 ter visie gelegen (zes weken) ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn 4 zienswijzen ingediend, waarvan 1 te laat is ingediend en niet-ontvankelijk is. Verder is van de provincie buiten de formele zienswijzeprocedure om ook nog een e-mail ontvangen met een tweetal opmerkingen. De zienswijzen en opmerkingen van de provincie hebben geleid tot een aantal aanpassingen ten opzichte van het ter inzage gelegen ontwerp. Ook zijn nog een aantal ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.
De aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn in het vaststellingsbesluit aangegeven. Vaststelling Zoals hiervor is aangegeven, is het CHW bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het CHW bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De initiatiefnemers hebben aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is. Kostenverhaal
58/150
Kostenverhaal is een wettelijke plicht als er een bouwplan ligt dat voldoet aan de criteria in artikel 6.2.1 Bro. Naast de criteria ten aanzien van de omvang van het bouwplan dient tevens sprake te zijn van een nieuwe bestemming, die op basis van het voormalige bestemmingsplan niet mogelijk is, waardoor de betreffende grondeigenaar in principe een mogelijkheid heeft gekregen tot waardevermeerdering van zijn/haar perceel. In dit CHW bestemmingsplan met verbrede reikwijdte worden geen nieuwe bouwmogelijkheden en ook geen nieuwe bestemmingen geboden. Indien op basis van het CHW bestemmingsplan de verwachting is dat er geen bouwplannen ingediend zullen gaan worden kan de gemeente verklaren dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Omdat er geen nieuwe bouwmogelijkheden worden geboden, is er geen sprake van kostenverhaal. De gemeente hoeft daarmee niet te verklaren dat de kosten anderszins zijn verzekerd. Indien verder de verwachting is dat de gemeente geen kosten voor aanpassingen in de openbare ruimte behoeft te maken, kan de gemeente eveneens verklaren dat kostenverhaal anderszins verzekerd is. Toetssteen voor de gemeente daarbij is de kostensoortenlijst in artikel 6.2.4/6.2.5 Bro waarin in een limitatieve lijst de door de gemeente te verhalen kosten staan vermeld. Het gebied is volledig ingericht en ontwikkeld.
De verwachting is gerechtvaardigd dat de gemeente geen kosten hoeft te maken voor de aanpassingen in de openbare ruimte. Mochten die kosten in de loop van de planperiode alsnog gemaakt moeten worden, dan is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Op het moment dat er wel bouwplannen ingediend kunnen worden op basis van het CHW bestemmingsplan en de gemeente meer dan € 10.000,- aan kosten in de openbare ruimte of voor plankosten maakt dan is er een plicht tot kostenverhaal. Deze nieuwe bouwmogelijkheden zijn er niet, dus is er geen plicht tot kostenverhaal. Voor het CHW bestemmingsplan is duidelijk dat er geen sprake is van nieuwe planologisch mogelijk gemaakte bouwmogelijkheden. De gemeente hoeft niet te verklaren dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Kostenverhaal hoeft in dit CHW bestemmingsplan niet te worden opgenomen.
59/150
60/150
Bijlagen Toelichting
61/150
62/150
Bijlage 1
63/150
Watertoets
datum 16-3-2020 dossiercode 20200316-2-22741 Wateradvies geen waterschapsbelang Project: Chw bestemmingsplan Oosterseveld Gemeente: Vlieland Aanvrager: Stephan Latuputty Organisatie: Rho Adviseurs Geachte heer/mevrouw Stephan Latuputty, Voor het plan Chw bestemmingsplan Oosterseveld heeft u een watertoets aangevraagd op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens die u heeft opgegeven is bepaald dat het plan geen invloed heeft op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de procedure geen waterschapsbelang worden gevolgd voor de watertoets. Dit betekent dat u verder geen contact hoeft op te nemen met Wetterskip Fryslân. Deze uitkomst kunt u opnemen in de ruimtelijke onderbouwing van het plan. Mochten er desondanks vragen zijn, dan kunt u contact opnemen via onderstaande contactgegevens. Toename verharding Wij willen u verzoeken om in de waterparagraaf de volgende passage op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.
Gebied
Stedelijk (>200 m²)
Landelijk (>1.500 m²)
Boezem
5%
5%
Polder
10%
10%
Vrij afstromend
Maatwerk mogelijk
Maatwerk mogelijk
Toelichting tabel ● 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; ● de algemene regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; ● maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater.
Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Meer informatie hierover is te vinden op De Friese klimaatatlas : www.frieseklimaatatlas.nl
Procedure Via www.dewatertoets.nlhebben wij uw watertoets als een melding ontvangen. Wij archiveren deze melding. De watertoets is hiermee voor Wetterskip Fryslân afgerond. Privacyverklaring Wetterskip Fryslân verwerkt uw naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres en kadastrale gegevens om uw aanvraag te behandelen. De grondslag van de verwerking van deze gegevens zijn taken in het algemeen belang die in het Besluit Ruimtelijke Ordening aan het waterschap zijn opgedragen. Wij hebben gegevens van u ontvangen en verdere gegevens zullen wij opvragen uit het kadaster en ons geografische informatie systeem. Uw gegevens worden na afronding van uw aanvraag permanent bewaard. U heeft recht op inzage, een kopie, rectificatie, wissing, beperking, bezwaar en het indienen van een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Een verzoek daartoe kunt u doen via privacy@wetterskipfryslan.nl. Nadere informatie over de verwerking van uw gegevens en uw rechten vindt u op https://www.wetterskipfryslan.nl/over-de-site/privacyverklaring
Met vriendelijke groet,
Wetterskip Fryslân Postbus 36 8900 AA Leeuwarden T 058 292 2222 E info@wetterskipfryslan.nl
www.dewatertoets.nl
66/150
Bijlage 2
67/150
Antwoordnota overleg en inspraak
ANTWOORDNOTA OVERLEG EN INSPRAAK BESTEMMINGSPLAN OOSTERSEVELD
Concept 30 maart 2021
1. Inleiding Het gemeentebestuur van Vlieland maakt het Chw bestemmingsplan Oosterseveld. Het plan is in voorontwerp op 8 februari 2021 in de inspraak en het wettelijk vooroverleg gebracht. Vanaf 8 februari 2021 zijn ingezetenen, belanghebbenden en vooroverlegpartners in de gelegenheid gesteld gedurende 6 weken op het plan te reageren. Dit heeft 3 inspraak- en 4 vooroverlegreacties opgeleverd. Alle reacties zijn beoordeeld, waarbij is nagegaan óf en hóe het plan bijgesteld moet worden. Deze antwoordnota is het eindresultaat en wordt vastgesteld door het college. Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de reacties van instanties en organisaties, die in het kader van het overleg hebben gereageerd. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de inspraakreacties. Per persoon, instantie of organisatie zijn de reacties afzonderlijk beantwoord. Daarbij is aangegeven of en op welke wijze het plan zal worden aangepast. De naar voren gebrachte punten zijn in deze antwoordnota samengevat. Bij de gemeente zijn de volledige reacties in te zien, zodat waar nodig ook op de integrale tekst in de reacties kan worden teruggevallen. In hoofdstuk 4 staan de ambtelijke aanpassingen vermeld.
2. Overleg In het kader van het wettelijk verplichte overleg is de kennisgeving van de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan opgestuurd naar 9 overlegpartners met het verzoek om het plan te beoordelen en eventueel een reactie in te dienen. Van .. instanties zijn schriftelijke reacties ontvangen. De ontvangen reacties met inhoudelijke opmerkingen worden hierna beoordeeld.
2.1.
Ministerie van Defensie
Overlegreactie De reactie heeft met name betrekking op de regels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen betreffende de uitvoering van vliegbewegingen boven het plangebied. In artikel 5.4 van de regels wordt gesteld dat verboden is “het vliegen met sportvliegtuigen, reclamevliegtuigen, ultra lichte vliegtuigen, zweefvliegtuigen, helikopter, luchtballonnen, drones en delta's” . Nog afgezien van de vraag of het juridisch mogelijk is om in een bestemmingsplan dan wel een pilotomgevingsplan deze beperkingen te regelen, is het bezwaarlijk dit artikel van toepassing te verklaren op vliegbewegingen met helikopters. Strikte toepassing van dit artikel zou er immers toe kunnen leiden dat het starten en landen met helikopters op de binnen het plangebied gelegen helikopterlandingsplaats onmogelijk zou worden. De helikopterlandingsplaats is op 19 juli 2019 in eigendom overgegaan van het Ministerie van Defensie naar de gemeente Vlieland. Vervolgens is op 8 juli 2020 de civiele luchthavenregeling van kracht geworden waarna de militaire luchthavenregeling is beëindigd. Daarmee is een definitief einde gekomen aan het militaire hoofdgebruik van deze landingsplaats. De landingsplaats wordt in hoofdzaak gebruikt voor de uitvoering van civiele medische vluchten.
Op grond van het gestelde in artikel 3.1 lid b en lid c van de luchthavenregeling kan nog medegebruik van de luchthaven plaatsvinden voor spoedeisende vluchten met maatschappelijk belang en overige niet-commerciële helikoptervluchten met toestemming van de exploitant. Incidenteel medegebruik door militaire helikopters dient in alle gevallen mogelijk te blijven. Deze militaire helikopters kunnen in voorkomend geval ook buiten het gebruik van het landingsterrein nog vliegbewegingen uitvoeren boven het plangebied. Om deze reden is het voor het Ministerie van Defensie bezwaarlijk indien in dit bestemmingsplan (en in navolging van dit plan in toekomstige andere bestemmingsplannen van de gemeente Vlieland) beperkingen worden opgelegd aan het overvliegen met militaire helikopters. Omdat dit vanuit het belang van de exploitant van de helilandingsplaats ook bezwaarlijk zal zijn voor het overvliegen met civiele helikopters wordt verzocht om artikel 5.4 op dit punt aan te passen. Reactie De regeling voor de vliegbewegingen komt uit de verordening die voor het Waddengebied van toepassing is. Deze regels hebben dus tot dusver naast het bestemmingsplan gewerkt. Omdat die regels gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, zijn deze nu in het CHW bestemmingsplan meegenomen.
De Luchthavenregeling zet de werking van het bestemmingsplan niet opzij (zie ABRvS 11-12-2013, ECLI:NL:RVS:2013:2391). Het bestemmingsplan mag vanuit ruimtelijk motief regels over vliegbewegingen bevatten, omdat de Luchthavenregeling niet de ruimtelijke indeling van een gebied beoogt. Desalniettemin is de regeling uit het bestemmingsplan gehaald. De verordening is van 1994 en door sommige andere Waddengemeenten al ingetrokken, omdat de hierin opgenomen regels inmiddels voldoende elders zijn geregeld, zoals in de Beheersverordening en in de luchtvaartregelgeving. De verordening had in Vlieland ook al ingetrokken kunnen worden. In ieder geval zullen alle regels die uit de verordening zijn overgeheveld naar dit bestemmingsplan, dat is artikel 5 e.a., worden verwijderd. Daarmee wordt dubbele regelgeving en/of strijdigheden met andere regelgeving voorkomen.
Voorstel Artikel 5 en bijbehorende teksten in de regels en de toelichting verwijderen.
2.2.
Stichting Aanloophaven Vlieland
Overlegreactie Het bestuur van de stichting ziet graag dat de zin met de verblijfsduur van maximaal 3 dagen wordt geschrapt. Die is niet te handhaven. Waarom zou iemand na drie dagen moeten vertrekken? Dit zou je ook niet willen bij hotels of camping. Verder staat er nog dat er twee boten permanent bewoond worden, dit is officieel maar één boot, namelijk de Regina. Ook is het havengebouw niet geschikt om personeel onder te brengen, er is geen 20% ruimte om personeel onder te brengen. Als dit zoals geschreven toegelaten moet worden, is dit een vrijbrief voor pachters om in hoeken en gaten personeel op te bergen. Wat de Stichting graag zou willen zien is dat er iets wordt opgenomen omtrent de werkhaven. Nu is de tekst in de toelichting zeer summier. In de overlegreactie wordt een uitgebreidere beschrijving gegeven, waarin ook om verkeersmaatregelen wordt gevraagd. Reactie De verblijfsduur van 3 dagen is nog een termijn die van oudsher telkens meelift in het plan, maar niet langer wenselijk wordt geacht. Het voorontwerp zal daarop worden aangepast. Bij het opstellen van het voorontwerpbestemmingsplan is gesproken over de woonsituatie op twee boten. Bij één van de twee boten heeft dit ten onrechte geleid tot opname in het bestemmingsplan. Hier is geen sprake van een toegelaten of een van oudsher ontstane woonsituatie.
De regeling voor het bewonen van die boot wordt uit het plan verwijderd. Een bestemmingsplan bevat toelatingsplanologie en verplicht nergens toe. Voor het havengebouw wordt personeelshuisvesting toegelaten. Dat betekent niet dat het ook gerealiseerd moet worden. Als dat nu niet kan, dan kan dat niet. Maar wellicht ontstaat er in de toekomst wel ergens ruimte en dan is de mogelijkheid aanwezig om hiermee iets te doen. Voorwaarde is daarbij altijd dat dat aan de minimale wettelijke eisen voor bewoning moet voldoen, dus personeel in hoeken en gaten opbergen, is volstrekt niet aan de orde. Komt die mogelijkheid er nooit, dan blijft deze planologische ruimte simpelweg onbenut. De tekst in de toelichting met betrekking tot de werkhaven zal worden uitgebreid. Met het bestemmingsplan kunnen geen verkeersmaatregelen worden getroffen. Deze vraag is bij de betreffende medewerker neergelegd. Voorstel De zinsneden met betrekking tot de 3 dagen worden uit het plan verwijderd. Tevens wordt de in 22.3. van de regels genoemde boot De Tijdstroom uit de regels en de bijbehorende toelichting verwijderd. De overlegreactie geeft voorts geen aanleiding tot aanpassing van het plan. De toelichting onder 16.8. zal als volgt worden aangevuld. Zowel het havenplein met daarop o.a. het speeltoestel en de werkhaven zijn in het bestemmingsplan aangegeven als verblijfsgebied.
De wens is om het havenplein en de werkhaven van elkaar te scheiden. De werkhaven is nu openbare weg met op- en overslag van goederen met zwaar verkeer. Parkeren is niet geregeld en in het hoogseizoen gebeurt het dat het op mooie stranddagen als een grote parkeerplaats wordt gebruikt met daaromheen en ertussen spelende kinderen. Dat past niet in een werkhaven. Er moeten passende verkeersmaatregelen worden getroffen, die ook gehandhaafd kunnen worden.
2.3.
Staatsbosbeheer
Overlegreactie Op 16 maart 2021 heeft er mondeling overleg plaatsgehad met een medewerker van Staatsbosbeheer over de reactie op het voorontwerpbestemmingsplan. Staatsbosbeheer vraagt aandacht voor de landschappelijke inpassing en vergroening van het terrein, de handhaving en het toezicht en de wens om tot een regulier overleg te komen met alle partijen. Daarnaast geeft Staatsbosbeheer aan dat de ruimte voor bewoning niet mag leiden tot nieuw ruimtebeslag en dat zij graag een groene buffer zouden willen zien aan de noordzijde van het terrein. Voor het toelaten van bewoning zou een kwaliteitsslag als wisselgeld wenselijk zijn. Aan de randen van het terrein zou iets gedaan kunnen worden om de biodiversiteit te versterken. Staatsbosbeheer vraagt tot slot of het mogelijk is om alleen economisch aan het eiland gebonden bedrijvigheid toe te laten. Reactie Er is inmiddels een start gemaakt met het overleg over vergroening van het terrein en het versterken van biodiversiteit. De vergroening is nadrukkelijk als een doel in het bestemmingsplan opgenomen. De gemeente wil Staatsbosbeheer daar graag bij gaan betrekken. De mogelijkheid tot regulier overleg, zoals in 6.4.2.5. van de toelichting op het bestemmingsplan is genoemd, zal worden onderzocht. Dat reguliere overleg is er al tussen gemeente en Staatsbosbeheer, met name ook over de handhaving en het toezicht.
De gemaakte opmerkingen leiden niet tot aanpassing van het plan, maar zijn een reactie op de inhoud van het plan en nopen tot onderzoek en vervolgoverleg. Het toelaten van personeel leidt niet tot nieuw ruimtebeslag, simpelweg omdat die ruimte er niet is. De huisvesting moet in bestaande bebouwing gerealiseerd worden. De gemeente gaat er vanuit dat dat in de meeste gevallen automatisch ook tot een kwaliteitsslag zal leiden, maar vindt het te ver gaan om dat af te dwingen, omdat dat in beginsel los staat van de toelaatbaarheid van de bewoning. De buffer aan de noordzijde betreft grond van Staatsbosbeheer zelf. Staatsbosbeheer kan die buffer realiseren. Voorgesteld wordt dat mee te nemen in het overleg over de vergroening en het versterken van de biodiversiteit. Het enkel toelaten van economisch gebonden bedrijvigheid was in vorige plannen niet opgenomen. Publiekrechtelijk bestonden hiervoor geen regels. Het nu alsnog opnemen, zo dit in een bestemmingsplan mag en kan, ook gelet op de Dienstenrichtlijn en het recht op vrije vestiging, zal een planologische beperking betekenen, die de gemeente vooreerst niet via het bestemmingsplan op wil leggen. De gemeente gaat er vanuit dat bedrijven naar Vlieland komen als dat voor hun zin heeft en economisch rendabel is. Daarnaast is er ook de wens om meer diversiteit in het werkgelegenheidsaanbod te krijgen.
Wellicht is het omgevingsplan straks een instrument waarin dit wel op een of andere manier geregeld kan worden. Het is zinvol om in het kader van het omgevingsplan hier onderzoek naar te doen en er een discussie over te voeren en dan te kijken of het wenselijk is om hier in publiekrechtelijke zin iets mee te doen. Voorstel De overlegreactie geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.
2.4.
Provincie Fryslân
Overlegreactie algemeen In de toelichting wordt verwezen naar de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie. Beschreven wordt dat beide documenten nog niet gereed zijn en hier dan ook nog geen rekening mee is gehouden. De provincie merkt op dat de Omgevingsvisie inmiddels is vastgesteld. De visie gaat uit van 9 principes. Deze principes zijn vertaald in de Ontwerp Omgevingsverordening die sinds 1 maart 2021 ter inzage ligt.
Hoewel het plan voornamelijk conserverend is, ziet de provincie voor nu geen strijd met het beleid. Wel wijst de provincie erop dat bij ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de Omgevingsvisie. Voor nu is niet duidelijk hoe de 9 principes en uiteindelijk de regels van de Omgevingsverordening in het omgevingsplan verwerkt en/of toegepast zullen worden. De provincie verzoekt hier in de toelichting aandacht aan te besteden en indien nodig de regels hier op aan te passen. Voor nu maakt de provincie dan ook een voorbehoud voor het plan. Dit geldt ook voor de nu nog analoge plankaart. Reactie Het bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast. Er vindt in hoofdzaak een beleidsneutrale omzetting van beleid en regels plaats zoals die hier nu ook al gelden. Nieuwe ontwikkelingen maakt het bestemmingsplan, behalve ondergeschikte ontwikkelingen op perceelsniveau, niet mogelijk. Er is dan ook geen strijd met het provinciaal beleid, zoals verwoord in de Omgevingsvisie en de ontwerpomgevingsverordening. Het verder ingaan op dat provinciaal beleid heeft derhalve geen meerwaarde. De tekst met betrekking tot het provinciaal beleid zal wel geactualiseerd worden. De gemeente verwacht niet dat het bedrijventerrein en omgeving straks in het gemeentelijk omgevingsplan volstrekt anders geregeld zal gaan worden dan nu in dit bestemmingsplan is gedaan.
Voor dat gemeentebrede omgevingsplan zijn de principes en de verordening relevant, maar dat zal naar verwachting niet tot andere inzichten leiden voor Oosterseveld. Voorstel De toelichting met betrekking tot het provinciaal beleid actualiseren. Overlegreactie houtopstanden (cat.3, overige provinciale belangen) De houtopstanden worden geregeld in artikel 10 van het bestemmingsplan. Aangegeven wordt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op een door de gemeente vastgestelde bomenlijst. De vergunning kan worden geweigerd op grond van de natuurwaarden van de houtopstanden. De provincie vraagt zich af op welke wijze hier een koppeling ligt met de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden. Voor de kap van bomen kan, ook voor bomen die niet op de lijst staan, een kapmelding aan de orde zijn. Reactie De Wet natuurbescherming functioneert separaat aan het bestemmingsplan. Het is goed om hier met de provincie naar te kijken. De Omgevingswet is met name ook bedoeld om alle regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving bijeen te brengen om zodoende te voorkomen dat er dubbele regelgeving en meerdere vergunningen nodig zijn. Het is niet zinvol als provincie en gemeente dezelfde toets uitvoeren en mensen voor één en dezelfde activiteit twee vergunningen aan moeten vragen.
In de regels is vooreerst het gegeven dat aan de natuurwaarden wordt getoetst voldoende. Daarbij komt ook telkens de relatie met de Wet natuurbescherming in beeld. Wel zal in de toelichting nog worden aangegeven dat in geval er op grond van het bestemmingsplan geen vergunning nodig is, dat het nog wel zo kan zijn dat er voor het kappen van houtopstanden op grond van de wet natuurbescherming een melding bij de provincie moet worden gedaan. Voorstel De toelichting op vorenstaande aanpassen. Overlegreactie natuur (cat.3, overige provinciale belangen) In artikel 18 van het bestemmingsplan is voor diverse werkzaamheden binnen het werkingsgebied van Natuur, Waterkering en Waddenzee een omgevingsvergunning vereist. In dit kader zou gewezen moeten worden op de vereiste natuurtoets in het kader van de Wet natuurbescherming.
Reactie Hier geldt hetzelfde als onder de overlegreactie met betrekking tot de houtopstanden. Het is zinvol te kijken of dit beter op elkaar afgestemd kan worden. Voorstel De toelichting aanpassen. Overlegreactie reclame-uitingen (cat. 2, interpretatie verordening) Per bedrijf of instelling mag ten hoogste één reclame-uiting op een gebouw worden aangebracht. Daarbuiten is per bedrijf of instelling ten hoogste één vlaggenmast of andere reclame-uiting toegelaten. Dit laatste houdt mogelijk in dat reclame-uitingen (masten) ook buiten het bestaand stedelijk gebied kunnen neerstrijken. De Ontwerp Omgevingsverordening (en ook de nu nog geldende verordening) omvat regels met betrekking tot reclame-uitingen in het landelijk gebied. De regeling zou hierbij aansluiting moeten zoeken. Reactie Dit is een bestaande regeling die uit de APV nu deel uit gaat maken van het bestemmingsplan en straks het omgevingsplan. De regel geldt dus al geruime tijd, maar stond niet in een verordening die door de provincie getoetst werd. De regels geven de indruk meer toe te laten dan is bedoeld. Bedoeld is dat buiten het gebouw een vlaggenmast mag worden geplaatst. Die vlaggenmast moet wel op het eigen bedrijfsperceel worden geplaatst en niet buiten het bedrijventerrein. Het bedrijventerrein maakt deel uit van het bestaand stedelijk gebied.