10 Bijlage 2 Vast te stellen bestemmingsplan Oosterseveld.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Chw Bestemmingsplan Oosterseveld Vlieland
DATUM IMRO IDN
23-09-2021 NL.IMRO.0096.20181658-VA01
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20181658
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
6 Inleiding
7
1.1
Wat is een omgevingsplan?
7
1.2
Waarom een CHW bestemmingsplan?
7
1.3
Wat is het plangebied?
8
1.4
Wat is het karakter van het CHW bestemmingsplan?
8
1.5
Welke plannen worden vervangen?
9
1.6
Wat is het beleidskader?
9
Hoofdstuk 2
Ambities en uitgangspunten voor dit CHW bestemmingsplan
10
Hoofdstuk 3
Beleidskader
12
3.1
Europees beleid
12
3.2
Rijksbeleid
13
3.3
Provinciaal beleid
14
3.4
Gemeentelijk beleid
16
Hoofdstuk 4
Participatie
18
Hoofdstuk 5
Milieu- en omgevingsaspecten
20
5.1
Vormvrije mer-beoordeling
20
5.2
Geluid
20
5.3
Bedrijven en milieuzonering
21
5.4
Bodem
23
5.5
Luchtkwaliteit
23
5.6
Ecologie
24
5.7
Archeologie
24
5.8
Cultuurhistorie
25
5.9
Water
25
5.10
Externe veiligheid
27
5.11
Kabels en leidingen
28
5.12
Licht
29
Juridische toelichting
30
Inleiding
30
Hoofdstuk 6 6.1
6.2
Systematiek regels
30
6.3
Verbeelding
31
6.4
Planregels
32
Uitvoerbaarheid
58
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
58
7.2
Economische uitvoerbaarheid
58
Hoofdstuk 7
Bijlagen Toelichting
61
Bijlage 1
Watertoets
63
Bijlage 2
Antwoordnota overleg en inspraak
67
Vaststellingsbesluit
91
Regels
93
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
94
Artikel 1
Begrippen
94
Artikel 2
Wijze van meten
102
Doelen
103
Doel CHW bestemmingsplan
103
Activiteiten
104
Artikel 4
Activiteiten met betrekking tot de bruikbaarheid en het aanzien van wegen
104
Artikel 5
Activiteiten met betrekking tot geluid en geur
105
Artikel 6
Activiteiten met betrekking tot het houden van dieren
107
Artikel 7
Activiteiten met betrekking tot het stoken van vuur
109
Artikel 8
Activiteiten met betrekking tot het verstrooien van as
110
Artikel 9
Activiteiten met betrekking tot het vellen van houtopstanden
111
Artikel 10
Activiteiten met betrekking tot natuur
112
Artikel 11
Activiteiten met betrekking tot parkeren
113
Artikel 12
Activiteiten met betrekking tot reclameuitingen
115
Artikel 13
Activiteiten met betrekking tot venten en standplaatsen
116
Artikel 14
Activiteiten met betrekking tot verkeer en verlichting
117
Artikel 15
Benutten van de fysieke leefomgeving
118
Artikel 16
Bouwactiviteiten
123
Artikel 17
Werken en werkzaamheden
128
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Beheer en onderhoud
129
Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen
129
Procesregels
130
Artikel 19
Structureel overleg
130
Artikel 20
Procedure- en beoordelingsregels bij afwijkingen
131
Overgangsrecht
132
Artikel 21
Overgangsrecht
132
Hoofdstuk 7
Slotbepalingen
133
Artikel 18
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Bijlagen Regels Bijlage 1 Verbeelding
135 Bomen inspectielijst 2021
137 149
Toelichting
6/150
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Wat is een omgevingsplan?
De gemeente Vlieland wil het geldende bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Oosterseveld en het naastgelegen havengebied actualiseren. De gemeente Vlieland kiest ervoor om, in plaats van een 'gewoon' bestemmingsplan, een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op te stellen. Aanleiding voor dit plan zijn mogelijke toekomstige ontwikkelingen op het bedrijventerrein en de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2022. De gemeente heeft de ambitie om nu al met het nieuwe instrument omgevingsplan te oefenen. Dit doet de gemeente niet alleen, maar samen met de inwoners en ondernemers van Vlieland, stakeholders en ketenpartners (zoals provincie, het waterschap, Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en de FUMO). De Omgevingswet geldt nu nog niet, daarom is het plan nog geen echt omgevingsplan, maar een variant tussen het bestemmingsplan en het omgevingsplan in. We noemen dit plan daarom, vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet, een pilot-omgevingsplan (in de teksten hierna CHW bestemmingsplan genoemd). Het is feitelijk gezien een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte waarmee op een aantal aspecten van de huidige wet- en regelgeving kan worden afgeweken.
1.2
Waarom een CHW bestemmingsplan?
Met het opstellen van een CHW bestemmingsplan wordt ingespeeld op een grote aanpassing van de huidige wet- en regelgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening en milieu. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking. De gemeente Vlieland heeft zich aangemeld als pilotgemeente om vooruit te kunnen lopen op deze nieuwe wetgeving. De ervaringen die tijdens de pilot worden opgedaan, kunnen dienen als oefening voor het opstellen van het gemeente dekkend omgevingsplan dat de gemeente in de jaren na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied moet opstellen. De reikwijdte van het CHW bestemmingsplan is breder dan die van het bestemmingsplan. Met het CHW bestemmingsplan kunnen regels worden gesteld voor alle activiteiten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Dit begrip omvat alles wat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving bepaalt. Dus ook aspecten als duurzaamheid, gezondheid, welstand, landschap, milieu, veiligheid en cultureel erfgoed. Een aantal van deze aspecten worden nu nog in aparte gemeentelijke verordeningen en de welstandsnota geregeld. Met een CHW bestemmingsplan kan beter worden ingespeeld op actuele maatschappelijke vraagstukken op Vlieland omdat het de bredere sociaal-economische doelstellingen verbindt aan de fysieke leefomgeving.
Het opstellen van een CHW bestemmingsplan is voor de gemeentelijke organisatie een mooie kans om zich voor te bereiden op de komst van de Omgevingswet en om na invoering van deze wet daadwerkelijk de kansen van deze wet te benutten. Een ander voordeel van een CHW bestemmingsplan is ook dat de regelgeving minder versnipperd is over verschillende bestemmingsplannen en verordeningen, zodat er één gemeentelijk instrument voor de fysieke leefomgeving van Oosterseveld geldt. Samengevat is het CHW bestemmingsplan een vernieuwend plan waarin de mogelijkheden die de Omgevingswet straks gaat bieden zo optimaal mogelijk worden benut. Het vernieuwende karakter komt vooral
7/150
tot uiting in de verbrede reikwijdte en de digitale opzet van het plan. In hoofdstuk 2 wordt verder uitgelegd waarin het CHW bestemmingsplan verschilt van een 'gewoon' bestemmingsplan. De Crisis- en Herstelwet en in het verlengde daarvan het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte wordt opgesteld. Pilotgemeenten mogen van een aantal wettelijke regelingen afwijken en sorteren hiermee voor op het instrument CHW bestemmingsplan.
1.3
Wat is het plangebied?
Het CHW bestemmingsplan wordt vastgesteld voor het bedrijventerrein Oosterseveld en het naastgelegen havengebied. De grens volgt daarbij in hoofdzaak de grens van het voorheen geldende bestemmingsplan. De volgende figuur geeft het plangebied van het CHW bestemmingsplan weer.
Figuur: plangebied CHW bestemmingsplan Oosterseveld
1.4
Wat is het karakter van het CHW bestemmingsplan?
Het nieuwe CHW bestemmingsplan heeft in hoofdzaak een tweeledig karakter. Ten eerste is het CHW bestemmingsplan beheersgericht en wordt de ruimtelijk-functionele structuur vastgelegd voor bestaande functies en op de bestaande situatie. Verleende vergunningen worden verwerkt in het CHW bestemmingsplan. Het CHW bestemmingsplan vormt echter geen statisch geheel, maar speelt ook zoveel mogelijk in op (mogelijke) nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op het bedrijventerrein en in het havengebied. Hierover is van gedachten gewisseld met de gemeenteraad en de ondernemers (zie hoofdstuk 4). Dit heeft er vooral toe geleid dat er om duidelijkheid is gevraagd. Meerdere ongewenste functies zijn om die reden vastgelegd zodat daarover
8/150
geen discussie kan ontstaan. Voorts is het bedrijventerrein recent volledig uitgegeven, zodat er de komende periode enkel op perceelsniveau ontwikkelingen worden voorzien. Er zijn met name enkele wenselijke ontwikkelingen geuit. Die zijn vervolgens als ontwikkelruimte in het plan opgenomen.
1.5
Welke plannen worden vervangen?
Ter plaatse van het bedrijventerrein Oosterseveld en het naastgelegen havengebied is in de huidige situatie sprake van één bestemmingplan: Bestemmingsplan Oosterseveld, vastgesteld op 2 januari 2006 De gemeente Vlieland kiest er nu voor om voor het bedrijventerrein en naastgelegen havengebied en een klein deel van de Waddenzee één nieuw CHW bestemmingsplan op te stellen. Hiermee worden meerdere regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving op elkaar afgestemd.
1.6
Wat is het beleidskader?
Vanuit diverse overheidslagen is beleid geformuleerd. Deze beleidskaders en de daarin opgenomen randvoorwaarden bepalen mede de beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij het opstellen van het CHW bestemmingsplan voor Oosterseveld. In hoofdstuk 3 Beleidskader is een overzicht gegeven van het landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid dat relevant is voor het CHW bestemmingsplan Oosterseveld.
9/150
Hoofdstuk 2
Ambities en uitgangspunten voor dit CHW bestemmingsplan
Ten behoeve van het Chw bestemmingsplan Oosterseveld zijn een aantal doelen en ambities opgesteld die worden nagestreefd met dit plan. Deze doelen en ambities zijn hieronder opgesomd en gemotiveerd. Het waarborgen van de veiligheid, waaronder het langzaam verkeer op de wegen In het Chw bestemmingsplan Oosterseveld wordt in het algemeen getracht een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te creëren door middel van het planologische regime. In de praktijk gaat het wat betreft het langzaam verkeer op de wegen vooral om fietsers die via het bedrijventerrein de jachthaven willen bereiken en het strand en de strandtent die ten noorden van het plangebied zijn gelegen. Zij moeten zich veilig over het bedrijventerrein kunnen verplaatsen. Hier is in de regeling van dit plan op ingespeeld door regels op te nemen ten aanzien van het plaatsen van voorwerpen op of aan de openbare weg. Het is namelijk verboden de weg of een weggedeelte zo te gebruiken dat dit gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg. Ook mag aan de zijde van de weg geen buitenopslag plaatsvinden. Verder zijn op het bedrijventerrein risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven niet toegestaan. Op deze manier wordt een veilige omgeving nagestreefd. Daar komt bij dat dit gebruik van wegen door fietsers al heel lang bestaat, zodat iedereen hieraan is gewend.
Enerzijds is er altijd het gevaar van de combinatie van langzaam verkeer met snel verkeer, maar anderzijds is de aanwezigheid van langzaam verkeer juist een oorzaak voor voorzichtiger rijden. Door het als doel te formuleren, blijft het telkens punt van aandacht. Het beschermen van de gezondheid, het milieu en de landschappelijke en natuurlijke waarden Zoals hierboven benoemd is het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit het primaire doel voor het nieuwe bestemmingsplan. Daarom is in de regeling opgenomen dat er geen activiteiten binnen het plangebied mogen worden uitgeoefend die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van burgers. Verder is het bedrijventerrein ingedeeld naar de milieuzonering nieuwe stijl, waarmee geluids- en geuroverlast voor omliggende woningen wordt uitgesloten. Daarnaast zijn er regels op genomen met betrekking tot het gebruik en het bouwen in en in relatie tot de omliggende natuurgronden. Deze regels zijn er op gericht de natuurlijke en landschappelijke waarden te beschermen. Het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed Waddenzee In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen ten aanzien van het gebruik, het bouwen en het behoud van het Waddengebied (inclusief Waddenzee).
Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die afbreuk kunnen doen aan de waarde van de Waddenzee, omdat het slechts een actualisatie van de bestaande regeling betreft. Bij nieuwe ontwikkelingen zal dit doel ook telkens aan de orde komen. De regels zijn zoveel mogelijk afgestemd op het Beheerplan Waddenzee. De kwaliteit en het gebruik van bouwwerken en onbebouwde ruimte, waarbij het bedrijventerrein een eiland eigen karakter moet behouden In het plangebied liggen geen onbebouwde gronden voor nieuwe ontwikkelingen. Het plan is vooral gericht op het vastleggen van de bestaande situatie, alsmede wordt er ruimte geboden aan de bestaande bedrijven om zich te handhaven. De bestaande overige voorzieningen, die met name op het jachthaventerrein aanwezig zijn, blijven ook behouden. Er is nadrukkelijk de wens uitgesproken om met dit bedrijventerrein niet te streven naar
10/150
een terrein waarop straks niet meer gewerkt kan worden en waar de schoonheid en kwaliteit hoger worden gewaardeerd dan de bedrijvigheid waarvoor dit terrein in eerste aanleg is bedoeld. Er moet gewerkt kunnen worden. En dat werken moet voor het eiland herkenbaar blijven. In de eerste plaats betekent dat er vooral eilandeigen bedrijvigheid gevestigd is. Veel ondernemers uit het dorp hebben ook een locatie op het bedrijventerrein voor opslag. Daarnaast is er de bedrijvigheid die nodig is voor bouw-, reparatie- en aanlegwerkzaamheden op het eiland. Ook is er de seizoensgebonden opslag direct gerelateerd aan de recreatie. En tot slot komt er ook bedrijvigheid voor die elders niet zo snel een plek op een bedrijventerrein krijgt, zoals de manege, fietsverhuurbedrijven en een dierenartsenpraktijk. Voor Vlieland zijn dat, vanwege het ontbreken van goede locaties elders, wel logische vestigingen, waardoor het terrein ook zijn eigen karakter krijgt. Het bedrijventerrein is daarmee een verzameling van bedrijven, die allemaal met elkaar het bedrijventerrein bepalen. Vanwege de relatie met het eiland en het toerisme heeft dat een eilandeigen karakter en uitstraling en dat mag het ook zo uitstralen, met alle nuances die elders in deze toelichting daarover worden gesteld. Bij nieuwe ontwikkelingen zal hier voortdurend rekening mee worden gehouden.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Dit doel wordt met name geborgd door een gedegen milieuzonering op het bedrijventerrein te laten gelden en de verzameling van activiteiten goed op elkaar af te stemmen. Daardoor is ter plaatse een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te garanderen, met name ook ter plaatse van bedrijfshindergevoelige objecten. Verder wordt de bestaande verdeling van functies gehandhaafd door werkingsgebieden op te nemen op de verbeelding van het plan. Het beheer van infrastructuur en watersystemen Ten behoeve van de bereikbaarheid en de veiligheid is hier voortdurend aandacht voor nodig. Dit beheer ligt vooral bij de gemeente zelf en het Wetterskip. Bij beide instanties is daar voldoende aandacht voor. Bovendien zijn de lijnen kort en moet een structureel overleg ook telkens het podium bieden om hierover met elkaar in gesprek te blijven. Bij ontwikkelingen zullen de veiligheid en bereikbaarheid telkens in ogenschouw worden genomen. Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen ten aanzien van de openbare buitenruimte, met name voor de openbare wegen. Zoals eerder vermeld gebruiken veel burgers de openbare weg door het bedrijventerrein om recreatieve functies te bereiken.
Door bijvoorbeeld parkeren op de weg en buitenopslag aan de wegzijde niet toe te staan blijven de wegen vrij begaanbaar. Het versterken van de groenstructuur ter bevordering van biodiversiteit en klimaatadaptatie Er zijn in het verleden al meerdere pogingen gedaan om het bedrijventerrein een groener aanzien te geven. Dat is, met name vanwege de ondergrond, minder eenvoudig dan het lijkt. Desalniettemin is de wens uitgesproken om daar waar het mogelijk is te kijken op welke wijze meer groen het aanzien van het terrein wat kan verbeteren en waar dat tegelijkertijd ook bevordering van de biodiversiteit met zich mee kan brengen. Meer groen en minder verharding is ook in het kader van de klimaatadaptatie een goede ontwikkeling. De gemeente zal daar een actieve rol in spelen om dit doel ook gestalte te geven. Structureel overleg kan daar ook in bijdragen.
11/150
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Europees beleid
Verdrag van Malta Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet maakt onderdeel uit van de Erfgoedwet. De kern van de Wamz is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De Wamz verplicht gemeenten bij het opstellen van plannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het CHW bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door een omgevingsvergunning verplicht te stellen voor uitvoering van (diepe) grondwerkzaamheden. In paragraaf 5.7 Archeologie wordt hier nader op ingegaan. Natura 2000 De lidstaten van de Europese Unie hebben zich verplicht om tot een samenhangend Europees ecologisch netwerk van natuurgebieden te komen, zodat een soort ecologische hoofdstructuur op Europese schaal, genaamd 'Natura 2000', wordt gerealiseerd. Afspraken waarmee dit bereikt moet worden, zijn onder meer vastgelegd in de EG-Vogelrichtlijn en de EG-Habitatrichtlijn. Zowel de Vogel- als de Habitatrichtlijn streven naar soort- en gebiedsbescherming. Zij zijn in principe niet rechtstreeks bindend voor de burger.
Daartoe moet eerst doorvertaling vinden naar omgevingsplannen, of (voor natuurgebieden) de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) is de Nederlandse uitwerking van het internationale beleid, zoals dat is vastgesteld in de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per 1 oktober 2005 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. Vanaf dat moment heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Inmiddels is dit over gegaan in de Wet natuurbescherming. Provincies zijn in hoofdzaak het bevoegd gezag bij het verlenen van een vergunning. In deze wet wordt uitgegaan van twee typen gebieden: de beschermde natuurmonumenten (voormalige beschermde natuurmonumenten en Staatsnatuurmonumenten die buiten de Natura 2000- gebieden liggen); de Natura 2000-gebieden. Het uitvoeringsinstrument voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in Nederland betreft de Wet natuurbescherming. Hierin zijn de voorgaande Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebieden betreffen de Natura 2000-gebieden 'Waddenzee' en 'Duinen Vlieland' die direct grenzen aan het plangebied.
Aan de doelen die gesteld zijn in hoofdstuk 2 van de regels van dit Chw bestemmingsplan liggen de volgende ambities ten grondslag: het beschermen van de gezondheid, het milieu en de landschappelijke en natuurlijke waarden; het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed Waddenzee. De Wet natuurbescherming gaat via de aanvullingswet Natuur op in de Omgevingswet. Voor dit CHW
12/150
bestemmingsplan geldt de Wet natuurbescherming nog al kader. In paragraaf 5.6 'Ecologie' is nader omschreven hoe hiermee in het plan om wordt gegaan. Door deze doelen bij het plan te stellen is het plan in overeenstemming met het Europese beleid op het gebied van natuurbescherming.
3.2
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden.. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. IN de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkelingen in het plangebied raken geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro
13/150
stelt niet alleen regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR, maar stelt ook regels die in omgevingsplannen moeten worden opgenomen. De nationale belangen die voor dit plan van belang zijn, zijn: Kustfundament. Waddenzee en waddengebied. Kustfundament In het plan wordt met dit nationaal belang rekening gehouden door de gronden die deel uitmaken van een beschermingszone te voorzien beschermende regels. Er worden verder geen nieuwe bouwmogelijkheden op onbebouwde gronden in het CHW bestemmingsplan geboden. Daarmee wordt ook geen afbreuk gedaan aan de instandhouding of versterking van het kustfundament, dan wel de veiligheid, onderhoud of mogelijkheden voor versterking van de primaire waterkering. Waddenzee en waddengebied Het Chw bestemmingsplan maakt geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden mogelijk in die zin dat er nog onbebouwde gronden zijn waar nieuwe bebouwing kan worden opgericht, waardoor er geen significante gevolgen zijn voor de landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten. Wel kan bestaande bebouwing vernieuwd worden of worden uitgebreid. Dat vindt alles plaats binnen de grenzen van het bestaande, dicht bebouwde terrein. Door geen afbreuk te doen aan beide nationale belangen is het plan in overeenstemming met het Rijksbeleid.
Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een CHW bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking Met dit CHW bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er wordt een nieuwe regeling getroffen voor het bestaande bedrijventerrein en directe omgeving. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking en is toetsing niet noodzakelijk.
3.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Provincie Fryslân 2020 In de Omgevingsvisie werkt de provincie haar ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De Omgevingsvisie geeft de komende jaren richting aan de activiteiten van de provincie. De Omgevingsvisie
14/150
is een blauwdruk voor hoe Fryslân erbij ligt over tien, twintig tot dertig jaar. Er staan negen principes die riching geven bij het maken van keuzes. Deze principes worden altijd in samenhang toegepast. Het gaat om de volgende principes: 1. Zuinig ruimtegebruik: De Friese ruimte doelmatig benutten, onder andere door verschillende vormen van ruimtegebruik te combineren; 2. Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis: Nieuwe ontwikkelingen bouwen voort op bestaande omgevingskwaliteiten. Aandacht voor eigenheid en identiteit; 3. Koppelen van ambities: Plannen en projecten dragen bij aan meerdere ambities: Plannen en projecten dragen bij aan meerdere ambities. Dit kan door opgaven met elkaar te verweven, slimme combinaties te maken en koppelkansen te benutten; 4. Gezondheid en veilig: De provincie neemt gezondheid en veiligheid mee in plannen en zoekt actief hoe ze kan bijdragen aan een gezonde, prettige leefomgeving. De milieukwaliteit moet minimaal aan de wettelijke normen voldoen; 5. Rolbewust: De provincie kiest haar rol tijdig en in samenspraak met partners en inwoners; 6. Decentraal wat kan: De provincie neemt verantwoordelijkheid voor belangen die de hele provincie raken en voor wettelijk provinciale taken; 7. Ja, mits: Met een open houding uitgaan van wat mogelijk is. Beleid is flexibel en biedt ruimte voor maatwerk per gebied; 8.
Aansluiting zoeken: De provincie sluit aan bij wat er al in de samenleving gebeurd e tuigt niet iets nieuws op als er al initiatieven bestaan die aan dezelfde doelen bijdragen; 9. Sturen op proces, ruimer op inhoud: De provincie geeft haar doelen aan en stuur op het proces om daar te komen. Procesregels worden vastgelegd in de omgevingsverordening. In dit geval gaat het om een actualiserend plan die de bestaande situatie vastlegt. Er vindt in hoofdzaak een beleidsneutrale omzetting van beleid en regels plaats zoals die nu ook al in het plangebied gelden. Daarnaast wordt met het plan wel vooruitgelopen op de aanstaande Omgevingswet en heeft het plan tot doel en ambitie om te functioneren in het verlengde van de bovengenoemde negen principes. Concrete nieuwe ontwikkelingen maakt het bestemmingsplan, behalve ondergeschikte ontwikkelingen op perceelsniveau, niet mogelijk. Er is dan ook geen strijd met het provinciaal beleid zoals verwoord in de omgevingsvisie. Verordening Romte Fryslân 2014 De Verordening Romte Fryslân 2014 (vastgesteld op 25 juni 2014) stelt regels aan ruimtelijke plannen en projecten. Volgens de begrenzing tussen het landelijk gebied en het bestaand stedelijk gebied ligt het bedrijventerrein binnen bestaand stedelijk gebied. De haven en omringende gronden vallen hier echter buiten.
In artikel 1 is opgenomen dat in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied geen nieuwe bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden mogen worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. In dit plan is hier ook geen sprake van, waarmee dit voldoet aan de regeling uit artikel 1. In artikel 4 is opgenomen dat in een ruimtelijk plan voor een 'overige kern' de volgende bedrijven en kantoren niet zijn toegestaan: een kantoor met een grotere vloeroppervlakte dan 600 m²; een bedrijf in de milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1, 4.2, 5.1, 5.2, 5.3 of 6;
15/150
een bedrijf met een kavelomvang groter dan 2.500 m²; een voorziening met een bovenlokaal, regionaal of bovenregionaal verzorgingsgebied. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze randvoorwaarden uit de provinciale verordening. Luchthavenregeling helihaven 2020 Met betrekking tot de helihaven die in het plangebied aanwezig is, is door de provincie Fryslân een luchthavenregeling afgegeven in 2020. Daarin is op hoofdlijnen een aantal zaken geregeld. De regeling ten aanzien van de helihaven in dit bestemmingsplan is afgestemd op deze afgegeven luchthavenregeling. Daarmee is dit plan in overeenstemming met hetgeen destijds door de provincie is vastgesteld.
3.4
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Vlieland 2020 Met de structuurvisie kan de gemeente Vlieland een actieve rol spelen bij ontwikkelingen en projecten op het eiland. De structuurvisie geeft het perspectief van de gemeente weer waarmee landelijke en provinciale wetgeving en procedures worden beoordeeld. De Structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkelingen en de hoofdzaken van het uit te voeren ruimtelijk beleid. In de structuurvisie wordt op verschillende thema's ingegaan. In dit bestemmingsplan zullen uitsluitend de relevante thema's voor dit bestemmingsplan worden behandeld. Werken Op Vlieland zijn ruim 400 personen werkzaam, waarvan 70 % actief is in de commerciële dienstverlening zoals horeca en aanverwante bedrijvigheid, handel en reparatie, bouwnijverheid, en zakelijke dienstverlening. De bedrijvigheid bevindt zich in het dorp en op het bedrijventerrein. Op het bedrijventerrein Oosterseveld zijn ruim 30 bedrijven gevestigd. Voornamelijk in de transport en nijverheidsbranche. Ook staan op het bedrijventerrein loodsen voor opslag van bedrijven uit de dorpskern en de recreatieve bedrijven. Het gerenoveerde bedrijventerrein ligt achter de jachthaven, die nog niet zo lang geleden is voorzien van een nieuw havengebouw inclusief horeca-, winkel- supermarkt-, havenkantoor en sanitaire voorzieningen.
Velerlei activiteiten zoals fietsenverhuur en botenopslag- en spuitplaats vinden ter plekke plaats. Er is vooral sprake van een monocultuur in bedrijvigheid gericht op recreatie en toerisme, maar die bedrijvigheid wordt afgewisseld met een manege, een dierenartenpraktijk en een bierbrouwerij. Recreatie en toerisme Vlieland heeft circa twaalfhonderd inwoners die het hele jaar door op het eiland verblijven. Daarnaast wordt het eiland jaarlijks door zo'n 240.000 badgasten bezocht. De piek ligt in juli en augustus en de meeste mensen zijn afkomstig uit Nederland. De jachthaven vervult een belangrijke rol in het verblijfsrecreatieve aanbod. Vlieland heeft in totaal 7.288 toeristische slaapplaatsen ter beschikking in de sfeer van verblijfsaccommodaties. Ook de jachthaven vervult hierin een rol met ongeveer 80.000 persoonsovernachtingen per jaar. Wonen Het wonen op het eiland vindt geconcentreerd plaats in het dorp. Buiten het dorps zijn slechts op enkele locaties woningen aanwezig. Dit zijn (voormalige) bedrijfswoningen van Staatsbosbeheer en gebouwen van
16/150
Rijkswaterstaat en betreffen ook de woningen die binnen het plangebied staan. Op Vlieland is al jaren de trend zichtbaar van een druk op de woningvoorraad. Meer over het aspect wonen is uiteengezet in de woonvisie van Vlieland. Toetsing Het bestemmingsplan actualiseert de bestaande regeling voor het bedrijventerrein en de jachthaven. De functies die reeds aanwezig zijn, blijven behouden. Daarmee wordt ook in de nieuwe situatie ruimte geboden voor de functies die in de structuurvisie worden omschreven. Woonvisie Vlieland Als gevolg van de 'Woningmarktanalyse Friese Waddeneilanden' zijn er drie concrete aanleidingen die ertoe hebben geleid een woonvisie voor Vlieland op te zetten. Ten eerste was de woningmarkt van Vlieland niet goed in beeld. Ten tweede wilde de gemeente prestatieafspraken maken met woningcorporatie Friesland en ten derde de aandacht voor de ontwikkellocaties 'voormalige basisschool De Zeester' en 'woonzorgcentrum Uiterton'. Inmiddels is de herontwikkeling van De Zeester afgerond en is de uitvoering van De Uiterton als zorgwijk in volle gang. Ook heeft de gemeente de woningmarkt onderzocht ten behoeve van de Woonvisie en is deze nu goed in beeld. Op dit moment is er een tekort aan aanbod in woningen en zijn er wachtrijen van mensen die sociaal en/of economisch aan het eiland verbonden zijn.
Volgend jaar gaat de gemeente de Woonvisie actualiseren in een programma Wonen. De woningmarktanalyse zal in dat nieuwe programma worden meegenomen. Het aantal toeristen dat Vlieland bezoekt groeit al jaren. Het seizoen wordt langer en er is sprake van een kwaliteitsslag in het aanbod van horeca, recreatie en winkelvoorzieningen. Dit gaat hand in hand met de komst van een publiek met meer bestedingsbereidheid en hogere kwaliteitseisen. Dat leidt tot meer en andere werkgelegenheid. Er zijn meer jaarrond functies op het eiland bijgekomen. Met het oog op de leefbaarheid en economie is het van groot belang om voor deze groeiende groep werknemers te voorzien in goede woonruimte en ze zo te binden aan het eiland. Toetsing Binnen het plangebied blijven de bestaande woningen behouden. Omdat woningbouw zich verder concentreert in de dorpskern wordt geen ruimte geboden voor nieuwe reguliere woningen. Wel wordt op het bedrijventerrein middels een afwijking ruimte geboden voor het verblijf van personeel dat tijdelijk op het eiland aanwezig is om hier arbeid te verrichten. In de woonvisie word gestel dat goede personeelshuisvestingsmogelijkheden op het eiland moeten worden geboden. Door middels een afwijking het verblijf van personeel mogelijk te maken op het bedrijventerrein wordt hierop ingespeeld, zonder dat dit extra ruimte in beslag neemt.
17/150
Hoofdstuk 4
Participatie
In januari 2018 is een eerste visie voor Oosterseveld opgesteld, waarbij middels een tweetal avonden input van inwoners en ondernemers is gevraagd over een viertal onderwerpen: functieverbreding, verkeer en vervoer, uitstraling en erfpacht. Omdat toen de erfpachtdiscussie nog in volle gang was, lag de focus vooral op het eerst oplossen van die discussie alvorens verder na te denken over de toekomst van Oosterseveld. Inmiddels is de erfpachtkwestie in een rustiger vaarwater terecht gekomen en zijn de resterende gronden op het bedrijventerrein volledig uitgegeven. De uitkomsten uit die eerste visie zijn meegenomen in het vervolgtraject, waarbij de volledige reikwijdte van het CHW bestemmingsplan nu verder is onderzocht. In 2019 is door de gemeente een begin gemaakt met het opstellen van een Omgevingsvisie. Daarbij is zowel intern als extern gekeken wat er allemaal aan informatie beschikbaar is. De afgelopen periode zijn meerdere beleidsstukken opgesteld waarbij is geparticipeerd, zijn er onderzoeken uitgevoerd en zijn enquêtes uitgezet. Dat heeft allemaal bruikbare informatie opgeleverd, die nog relevant is voor de Omgevingsvisie. Daarnaast spreekt de gemeente voortdurend met inwoners en instanties, zodat de gemeente goed op de hoogte is van wat er gaande is en welke ontwikkelingen er op Vlieland af zitten te komen.
Omdat de Omgevingsvisie om een integrale visie vraagt en er thema's relevant worden, die mogelijk tot dusver onderbelicht zijn of niet in verband zijn gebracht met andere thema's, is gekeken met welke personen en instanties het interessant is om een gesprek te voeren. Dit heeft ertoe geleid dat ruim 20 gesprekken zijn gevoerd, waarbij enerzijds over de Omgevingsvisie is gesproken, maar waarbij de gesprekken tevens zijn benut om informatie, meningen, suggesties, enz. over Oosterseveld in te winnen. Al deze informatie heeft met betrekking tot Oosterseveld en de verschillende thema's enerzijds tot duidelijke denkrichtingen geleid, anderzijds gaf de informatie aanleiding om meerdere denkrichtingen vast te leggen. In onderstaande figuur is aangegeven welke vragen centraal stonden en welke thema's onder meer aan de orde zijn geweest.
18/150
Vervolgens zijn de uitkomsten van de gesprekken en de denkrichtingen per thema op 24 september 2019 voorgelegd aan de raad. De raad heeft over de verschillende thema's en denkrichtingen duidelijke keuzes gemaakt voor de inrichting van dit CHW bestemmingsplan. De raad heeft vervolgens gevraagd om eenzelfde avond ook met de ondernemers te organiseren. Die avond heeft op 6 januari 2020 plaatsgevonden. De wensen die vanuit de ondernemers specifiek nog zijn geuit en waarvoor die avond een meerderheid leek te bestaan, zijn meegenomen in het plan. Een concept van het bestemmingsplan is vervolgens opnieuw aan de raadsleden voorgelegd. Op 21 en 28 september 2020 is met raadsleden over het concept gesproken en zijn duidelijke keuzes gemaakt over de aspecten die wel en niet binnen de reikwijdte van het bestemmingsplan aanvaardbaar zijn geacht. Ondertussen is het ook de bedoeling dat veel milieuregelgeving naar de gemeente toe komt en dat het regelen van bedrijven op een nieuwe manier wordt voorgesteld. In dit CHW bestemmingsplan wordt volgen we die milieuzonering nieuwe stijl gevolgd. Daarover is een bijeenkomst georganiseerd samen met de FUMO, waarbij het systeem is uitgelegd en waarbij inhoudelijk over het systeem is nagedacht. Het conceptbestemmingsplan is vervolgens ter beoordeling aan de FUMO voorgelegd. De FUMO heeft een advies gegeven en dat advies is in het voorontwerp verwerkt.
Het concept-bestemmingsplan is eveneens voorgelegd aan de provincie. Het concept is op ambtelijk niveau met de provincie besproken. Opmerkingen die de provincie op voorhand al heeft geuit met betrekking tot het concept, hebben geleid tot enkele aanpassingen in het voorontwerp. Tot slot is er in het voorjaar van 2020 een digitale enquête uitgezet. Deze enquête focust zich voornamelijk op de Omgevingsvisie, maar enkele aspecten hebben ook relevantie voor het bedrijventerrein. De resultaten zijn met de raad besproken en waar relevant verwerkt in dit bestemmingsplan.
19/150
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Vormvrije mer-beoordeling
Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het Omgevingsplan plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-CHW bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het CHW bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In dit geval worden de bestaande mogelijkheden van het bedrijventerrein Oosterseveld geregeld. Er is geen sprake van nieuwe ontwikkelmogelijkheden buiten de grenzen van het bestaande bedrijventerrein. Daarom kan gesteld worden dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de mer. Een mer-beoordelingsnotitie is om die reden ook niet noodzakelijk.
5.2
Geluid
Toetsingskader Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen.
20/150
Toetsing Met dit voornemen worden geen geluidhindergevoelige objecten gerealiseerd, dan wel mogelijk gemaakt. De geluidsgevoelige objecten binnen het plangebied betreffen bestaande woningen. Daarom is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Bovendien betreft Vlieland een autoluw eiland, waar weinig verkeersbewegingen plaatsvinden. Wegverkeerslawaai speelt om deze reden nauwelijks een rol van betekenis op het eiland. Er kan dan ook vanuit worden gegaan dat zich op geen enkele weg in en rond het plangebied de situatie voordoet waarbij de 50 dB(A) op meer dan 10 meter uit de as van de dichtstbijzijnde rijstrook zal komen te liggen, waarmee ter plaatse van de woningen geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaats zal vinden. Ten aanzien van luchtvaart wordt de bestaande helihaven en het bestaande gebruik hiervan in dit bestemmingsplan gecontinueerd. De huidige situatie ten aanzien van luchtvaartlawaai verandert hiermee niet. Dit is tevens vastgelegd in de vergunning, die is verleend op basis van de luchthavenregeling, voor het gebruik van deze helihaven. Omdat geen veranderingen optreden is geen onderzoek ten aanzien van luchtvaartlawaai noodzakelijk.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet wordt in dit CHW bestemmingsplan gebruik gemaakt van een nieuwe wijze van hoe kan worden omgegaan met bedrijvigheid in ruimtelijke plannen. Dit is op basis van het rapport 'Milieuzonering nieuwe stijl' van de VNG. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. Deze regels en normen worden gesteld in het belang van een goede ruimtelijke ordening / een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, ten behoeve van een optimaal en doelmatig grondgebruik. Het gaat hierbij om regels in het CHW bestemmingsplan die vanuit dit belang naast de bestaande milieuregelgeving gelden. Deze nieuwe voorbeeldaanpak maakt het mogelijk om een passend ruimtelijk kader te creëren voor de inpassing van bedrijven op bedrijventerreinen en in gemengd gebied met wonen. Er wordt hierbij geen gebruik meer gemaakt van milieucategorieën zoals nu het geval is. Bij de milieuzonering nieuwe stijl is gewerkt met een nieuw toedelingsprincipe voor bedrijfsmatige activiteiten. Bij dit toedelingsprincipe wordt per bedrijfsmatige activiteit een gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit.
Toepassing van dit toedelingsprincipe in het CHW bestemmingsplan leidt tot milieunormen die niet primair worden gesteld vanuit het belang van de bescherming van het milieu, maar vanuit een ruimtelijk belang, om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Er wordt gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Benadrukt wordt dat deze ruimtelijke milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. De normen op grond van het Activiteitenbesluit en een eventuele omgevingsvergunning milieu blijven dan ook zelfstandig van kracht. Dat betekent dat beide voorschriften naast elkaar gelden, ook als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Activiteitenbesluit komt te vervallen. De voorschriften van het Activiteitenbesluit gaan dan op in de Bruidsschat en blijven op die manier nog van kracht tot het moment waarop de gemeente die regels opneemt in het gemeentelijk omgevingsplan.
21/150
Gebruiksruimte Het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor de milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het bestemmingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt voor bedrijventerreinen: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. Hoe groter deze afstand, hoe meer gebruiksruimte de bedrijven op een bedrijventerrein krijgen in het nieuwe bestemmingsplan. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Dus ieder bedrijf krijgt zijn eigen gebruiksruimte. Hierbij is de hoeveelheid gebruiksruimte afhankelijk van de zone van het bedrijventerrein waarin het bedrijf ligt. Per zone wordt een standaard gebruiksruimte per bedrijf toegekend. Een volledige uitleg en overzicht van de verschillende zones is weergegeven in de publicatie 'Milieuzonering nieuwe stijl' van het VNG. Die systematiek geldt niet voor de bedrijven die gelegen zijn buiten het bedrijventerrein , zoals de rioolwaterzuivering, de helihaven en de jachthaven.
Die bedrijvigheid is zodanig specifiek , en gelegen op een plek die zich niet leent voor vrije uitwisselbaarheid met andere bedrijvigheid, dat om die reden de activiteiten daar heel specifiek zijn vastgelegd. Toetsing In dit Chw bestemmingsplan wordt de milieuzonering nieuwe stijl, als hierboven beschreven, toegepast. De 'oude' vorm van milieuzonering wordt hiermee losgelaten. Dit gebeurt in het kader van experimenteren met de aanstaande Omgevingswet, waarvoor Chw bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte bedoeld zijn. In de huidige systematiek is het bedrijventerrein ingedeeld op basis van milieucategorieën. Hier zijn bedrijven uit milieucategorie 1, 2 en 3 en enkele nader genoemde zwaardere bedrijven toegestaan. In de nieuwe planologische regeling worden deze milieucategorieën losgelaten en wordt een bepaalde mate van gebruiksruimte per bedrijf toegestaan. Dit is in de regels opgenomen. Ter plaatse van het plangebied wordt uitsluitend ruimte geboden aan bedrijven uit zone 1 en 2 voor zowel geluid als geur. De zonering is opgesteld op basis van de bedrijfshindergevoelige objecten rondom het bedrijventerrein. Hierbij gaat het om de woningen die ten zuidoosten van het bedrijventerrein staan. Bedrijven dicht op deze woningen wordt minder gebruiksruimte geboden dan bedrijven die verder van de woningen af liggen.
Hiermee wordt ervoor gezorgd dat ter plaatse van de woningen een gezonde en veilige fysieke leefomgeving blijft behouden. Doordat geen sprake meer is van een indeling in milieucategorieën is het in theorie mogelijk dat ook bedrijven die in de huidige systematiek in hogere milieucategorieën vallen, zich kunnen vestigen op het bedrijventerrein wanneer zij binnen de geboden gebruiksruimte blijven. Omdat ook deze bedrijven zich echter aan de geboden gebruiksruimte en fysieke ruimte op het terrein moeten houden, zullen deze bedrijven qua aard en schaal relatief beperkt zijn en wordt alsnog voldaan aan een goede ruimtelijke ordening/ gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Het is bovendien niet te verwachten dat dergelijke bedrijven zich in het plangebied gaan vestigen, omdat de markt daarvoor op Vlieland veel te klein is. En als zich al een zwaarder bedrijf gaat vestigen, gaat dat naar de aard en schaal van Vlieland en gebeurt dat in een zo kleine omvang dat van een zwaarder bedrijf al geen sprake meer is. Er bevinden zich op dit moment uitsluitend 'Vlielandse' bedrijven op het bedrijventerrein en de insteek is dat dit eiland eigen karakter ook in de toekomst zo blijft.
22/150
5.4
Bodem
Toetsingskader Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. Toetsing In het huidige bestemmingsplan zijn de gronden ter plaatse van het bedrijventerrein reeds bestemd voor bedrijfsfuncties. Eveneens zijn de gronden ter plaatse van bodemgevoelige functies ook in het geldende plan al bestemd voor bodemgevoelige functies. Het gaat hierbij met name om de woonfunctie in het zuidoosten van het plangebied. Daarnaast is een afwijking opgenomen om het verblijf van personeel mogelijk te maken. Hiermee kan een situatie ontstaan waarbij een verblijf op een verontreinigde locatie wordt aangevraagd. Omdat het bedrijventerrein al volledig is ingericht, is de verwachting gerechtvaardigd dat slechts sporadisch van de afwijking gebruik gemaakt gaat worden, omdat de investeringen fors zijn en het verblijf ziet op een tijdelijke situatie. Een bodemonderzoek op voorhand naar de kwaliteit van de bodem voert hiervoor te ver. Om die reden is bij de afwijkingsbevoegdheid aangegeven dat moet worden voldaan aan een goede milieusituatie, waaronder het aspect bodem begrepen moet worden.
Er wordt voorts vanuit gegaan dat de bodem reeds geschikt is bevonden voor het bestaande en tevens toekomstige gebruik.
5.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. In Fryslân zijn geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in Vlieland en omgeving sprake is van een zeer goede luchtkwaliteit. Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing Met dit project wordt de planologische regeling van het bestaande bedrijventerrein geactualiseerd. Er wordt geen uitbreiding mogelijk gemaakt. Slechts de milieuzonering van het bedrijventerrein wordt op een andere wijze geregeld en middels een afwijking wordt het verblijf van personeel toegestaan. Dit leidt niet direct tot een verslechtering in betekenende mate in luchtkwaliteit als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan. Daarom is nader onderzoek naar dit aspect niet noodzakelijk.
23/150
5.6
Ecologie
Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). De bescherming van gebieden en soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. 5.6.1 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt met een kleine strook deel uit van het Natura 2000-gebied Waddenzee. Het Natura 2000-gebied Duinen Vlieland grenst aan het plangebied. Omdat binnen het plangebied slechts de bestaande regeling wordt geactualiseerd, en er dus geen toename is van voorzieningen, kunnen effecten op de Natura 2000-gebieden voor wat betreft de gebruiksfase worden uitgesloten. De conclusie is dat het plan geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden heeft, door de aard en schaal van de plannen. Stikstofdepositie Omdat het nieuwe bestemmingsplan slechts voorziet in een actualisatie van de regels en er geen voornemens zijn voor nieuwe ontwikkelingen, kan er vanuit worden gegaan dat er geen sprake is van toenemende stikstofdepositie als gevolg van het gebruik.
Daarom is het niet noodzakelijk een stikstofdepositieberekening uit te voeren. Wanneer er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden binnen de geboden regeling in dit plan zal voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase een stikstofberekening worden uitgevoerd in het kader van de vergunningsaanvraag op basis van de Wnb. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied betreft het bestaande bedrijventerrein Oosterseveld, de zuidoost gelegen woningen en het bestaande haventerrein ten zuiden hiervan. Dit gebied maakt geen deel uit van NNN-gebied. Omdat geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt ten opzichte van de huidige situatie, die bijvoorbeeld meer ruimtebeslag nemen, is geen sprake van verlies aan oppervlak of kwaliteit binnen NNN-gebied door de uitvoering van het plan. De NNN-regelgeving is niet van toepassing. 5.6.2 Soortenbescherming Het bestemmingsplan voorziet in een actualisatie van de regelgeving voor het bestaande bedrijventerrein, de woningen en de jachthaven. Er wordt geen nieuw ruimtebeslag op de omgeving gelegd. Er is ook geen voornemen tot sloop van gebouwen of kap van bomen. Er worden geen verblijfplaatsen en/of foerageergebieden van beschermde soorten aangetast. De huidige situatie wordt in feite voortgezet. Daarom is het niet noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te voeren naar beschermde soorten.
5.7
Archeologie
Toetsingskader
24/150
Met betrekking tot dit aspect is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet van toepassing. De Omgevingswet (nog niet van kracht) vervangt de Monumentenwet voor het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving. Dit geldt ook voor de verordeningen, CHW bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Tot het van kracht worden van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Hier blijven ze ongewijzigd van toepassing, zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Toetsing In het geldende bestemmingsplan is geen beschermende regeling opgenomen ten aanzien van archeologische waarden in het plangebied. Ook uit beide advieskaarten va het FAMKE komt naar voren dat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Omdat er geen archeologische verwachtingswaarden in het plangebied zijn, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Om die reden is ook geen sprake van archeologische dubbelbestemmingen in het plangebied.
5.8
Cultuurhistorie
Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan beschreven moet worden hoe met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Volgens de gemeentelijke erfgoedvisie en -nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Fryslân beschreven zijn. Toetsing Vanuit de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden in het plangebied. Daarom is geen onderzoek noodzakelijk naar dit aspect en vormt cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.9
Water
Toetsingskader Deze 'waterparagraaf' bevat de wettelijk verankerde watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het CHW bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. In de Leidraad Watertoets van het Wetterskip staan de
25/150
uitgangspunten waarmee bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets in de thema's Veilig, Voldoende en Schoon. Toetsing Het voornemen is kenbaar gemaakt middels de digitale watertoets (ken merk: 20200316-2-22741). Hieruit blijkt dat voor het plan geen waterschapsbelang van toepassing is, omdat het slechts om een actualisatie gaat. Desondanks wordt in deze paragraaf op de belangrijkste wateraspecten kort ingegaan. Waterkwantiteit Het bestemmingsplan betreft een actualisatie van de huidige regelgeving. Er is geen sprake van nieuwe ontwikkelingen. Daarmee blijft ook de bestaande verharding in het plangebied onveranderd. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
In dit geval wordt gebruik gemaakt van de bestaande aansluitingen in het plangebied op de riolering. Het afstromend hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. tevens heeft Wetterskip Fryslân aangegeven dat er voldoende opslagcapaciteit is om een deel te infiltreren in de bodem. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Er worden in het plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Wanneer echter nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, bijvoorbeeld binnen de planologische mogelijkheden die het nieuwe plan biedt, zal hier in de uitvoering rekening mee worden gehouden. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen
26/150
mag worden. Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen kan de hoeveelheid verhard oppervlak toenemen met als gevolg en versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakte verharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graveen van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in de onderstaande tabel.
Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden aangevraagd. Gebied Boezem Polder Vrij afstromend