CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2023

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp 20235.767 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

De raad van de gemeente Vlaardingen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 8 november 2022; gelet op artikel 2.9, 2.10, 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 23 oktober 2022, overwegende dat: - de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; - het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdige zelf ligt; - het koersdocument MVS Jeugdmodel richtinggevend is voor de wijze waarop hulp en ondersteuning wordt geboden aan jeugdigen en hun ouders; - het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: a. de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen; b. de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; c. de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; d. de bestrijding van de ten onrechte ontvangen individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, alsmede oneigenlijk en onrechtmatig gebruik van de wet; e.

de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van de jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; - het wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociaal netwerk; BESLUIT vast te stellen de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2023. HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVING Artikel 1. Begripsomschrijving 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvrager: de jeugdige of zijn ouders die de individuele voorziening met een pgb willen inkopen bij een jeugdhulpaanbieder of iemand uit het sociaal netwerk; b. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks of met een verwijzing van een jeugdhulpprofessional toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; c. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet; d. buddy: iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige of zijn ouders die de jeugdig en zijn ouders ondersteunt bij het hulpverleningstraject; e.

cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; f. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de wet; g. individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 3; h. jeugdhulpvervoer: vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid van de wet; i. jeugdige: jeugdige tot 18 jaar (of tot 23 jaar bij verlengde jeugdhulp). Onder jeugdige wordt tevens verstaan: zijn wettelijke vertegenwoordiger; j. jeugdprofessional: persoon die beroepsmatig jeugdhulp biedt;

k.

kinderopvang: opvang van kinderen in een groep door pedagogische medewerkers of gastouderopvang. Onder kinderopvang vallen ook de buitenschoolse opvang, peutersopvang en voorschoolse educatie; l. melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid; m. NZa: Nederlandse Zorgautoriteit; n. ondersteuningsplan: het plan waarin de hulpvraag en de benodigde hulp en ondersteuning in aard en omvang is opgenomen en dat door de jeugdige en/of zijn ouders én de jeugdhulpprofessional wordt ondertekend; o. ouders: gezaghebbende ouder of wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige; p. persoonsgebonden budget (pgb): het pgb als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders dat hem in staat stelt de jeugdhulp te betrekken bij derden; q. sociaal netwerk: groep mensen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, collega’s en vrienden; r. wet: Jeugdwet; s. wijkteam: team bestaande uit professionals die zorg en ondersteuning bieden aan alle inwoners van Vlaardingen en die, in opdracht van het college, de toeleiding verzorgen naar algemene en individuele voorzieningen. 2.

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet of de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK 2 ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel 2. Algemene voorzieningen Onder de algemene voorzieningen voor jeugdigen vallen voorzieningen binnen de sociale basisinfrastructuur zoals: a. kinderopvang; b. jeugdgezondheidszorg; c. praktijkondersteuning jeugd bij huisarts; d. ondersteuning en basishulp, die wordt geboden door het Wijkteam. HOOFDSTUK 3 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel 3. Individuele voorzieningen Onder de individuele voorzieningen voor jeugdigen vallen: a. specialistische jeugdhulp, die aangeboden wordt door een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder; b. specialistische jeugdhulp, die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht; c. gesloten jeugdhulp; d. vervoersvoorziening naar en van een locatie waar jeugdhulp wordt geboden. HOOFDSTUK 4 TOEGANG TOT DE JEUGDHULP VIA DE HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medische specialist of jeugdarts 1.

Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college dit vast in een beschikking.

HOOFDSTUK 5 TOEGANG TOT DE JEUGDHULP VIA HET COLLEGE Artikel 5. Melding hulpvraag 1. Jeugdigen of hun ouders die hun woonplaats hebben in de gemeente kunnen een hulpvraag melden bij het college. 2. De huisarts, jeugdarts, medische specialist of gezinsspecialist kunnen in samenspraak met de jeugdige en hun ouders tevens een hulpvraag melden bij het college. 3. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk binnen twee weken, tenzij de melding direct kan worden afgehandeld. Artikel 6. Afspraak voor gesprek over de hulpvraag 1. Het college verzamelt in overleg met de jeugdige of zijn ouders de noodzakelijke en toegankelijke informatie over de jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig, maar uiterlijk binnen zes weken, een afspraak voor een gesprek. 2. De jeugdige of zijn ouders verstrekken alle overige gegevens die noodzakelijk zijn voor het onderzoek als genoemd in artikel 7 en waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken. 3. Het college stelt de identiteit van de jeugdige of zijn ouders vast aan de hand van het BSN. 4. Het college wijst de jeugdige en zijn ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 5. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders over de mogelijkheid om gedurende het gehele traject ondersteund te worden door een ‘buddy’. 6.

In overleg met de jeugdige of zijn ouders kan worden afgezien van het gesprek. 7. In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Artikel 7. Het onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken en voor zover nodig: a. de behoefte, persoonskernmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verlenen; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijk ondersteuning of werk en inkomen; h.

hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging in de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouders; i. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over hun rechten en plichten, de vervolgprocedure en de noodzaak om persoonsgegevens te verwerken. 3. Van het gesprek wordt een verslag op hoofdlijnen gemaakt en overhandigd aan de jeugdige of zijn ouders. Artikel 8. Het ondersteuningsplan 1. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in het vorige artikel vast in een ondersteuningsplan dat door de jeugdige of zijn ouders én de jeugdprofessional wordt ondertekend. 2. In het ondersteuningsplan wordt tevens opgenomen: a. de te behalen doelen en resultaten en de verwachte duur van de hulp of ondersteuning;

3. 4. 5. 6.

b. het moment en de wijze waarop de resultaten van de ingezette hulp of ondersteuning worden besproken met de jeugdige en/of zijn ouders en de betrokken jeugdhulpprofessional(s); c. eventuele opmerkingen en/of aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders; en d. de contactgegevens van de persoon die de casusregie over de hulp of ondersteuning heeft; e. de ‘buddy’ die de jeugdige tijdens het gehele traject ondersteunt. Het ondersteuningsplan wordt, voor zover noodzakelijk voor de uitvoering en evaluatie van de jeugdhulp, door de jeugdige of zijn ouders gedeeld met de betrokken jeugdhulpprofessional(s) met inachtneming van de geldende privacyregels. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de mogelijkheid om een beschikking jeugdhulp te ontvangen waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Wanneer de jeugdige of zijn ouders geen beschikking wensen wordt dit in het ondersteuningsplan vastgelegd. Het college verstrekt altijd een beschikking jeugdhulp wanneer de jeugdige of zijn ouders met een persoonsgebonden budget de hulp of ondersteuning zelf willen inkopen bij een jeugdhulpaanbieder of iemand uit het sociaal netwerk. Een beschikking als bedoeld in het vierde en vijfde lid wordt binnen twee weken na de ondertekening van het ondersteuningsplan verstrekt.

Artikel 9. Familiegroepsplan Het college stelt de jeugdige of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1. van de wet op te stellen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. HOOFDSTUK 6 INDIVIDUELE VOORZIENING Artikel 10. Criteria voor het toekennen van een individuele voorziening 1. De Jeugdige of zijn ouders komen voor een individuele voorziening in aanmerking voor zover: a. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, ook met steun vanuit het sociaal netwerk, ontoereikend zijn om de opgroei- en opvoedingsprobleem, psychische problemen en stoornissen waarvoor de voorziening wordt gevraagd het hoofd te bieden; b. de jeugdige of zijn ouders geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden door gebruik te maken van een andere voorziening of een algemene voorziening. 2. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in ieder geval geacht toereikend te zijn, indien naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht dat ouders die hulp of ondersteuning aan hun kind bieden. 3.

Een individuele voorziening wordt niet eerder verstrekt dan nadat het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 8 is ondertekend. Alleen in bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken. 4. Een individuele voorziening wordt verstrekt in de vorm van zorg in natura of een pgb. HOOFDSTUK 7

PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 11. Criteria pgb 1. Het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb is voorbehouden aan het college. 2. Een jeugdige of zijn ouders komen slechts voor een pgb in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8.1.1 van de wet en de criteria als genoemd in artikel 10 en in dit artikel. 3. De jeugdige of zijn ouders dienen, nadat zij hebben aangegeven de individuele voorziening in de vorm van een pgb te willen ontvangen, gebruik te maken van een door het college vastgestelde pgb-formulier. 4. Het pgb-formulier moet volledig worden ingevuld en een budgetplan bevatten waarin is aangegeven hoe het pgb wordt besteed en welke resultaten met de in te kopen zorg worden beoogd. Het pgb-formulier is onderdeel van het ondersteuningsplan.

5. De aanvrager moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen terzake en in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Hiervoor gelden de volgende criteria: a. de aanvrager heeft aantoonbaar inzicht in de problemen waarvoor het pgb wordt ingezet en met welke ondersteuning de problemen kunnen worden weggenomen of verminderd; b. de aanvrager is in staat te kiezen voor een zorgaanbieder die een passend en op de zorg afgestemd zorgaanbod kan doen; c. de aanvrager is in staat een overeenkomst aan te gaan met een zorgaanbieder; d. de aanvrager is in staat de zorgverlener daar waar nodig aanwijzingen te geven en aan te sturen; en e. de aanvrager is in staat een deugdelijke administratie bij te houden. 6. De jeugdige of zijn ouders kunnen bij het doen van de aanvraag en het budgethouderschap worden ondersteund door iemand uit het sociaal netwerk, een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp. 7. Om vast te stellen of de aanvrager voldoende gemotiveerd heeft dat de door de gemeente ingekochte voorzieningen in natura niet passend zijn, zoals bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid onder b van de wet, moet de aanvrager aantonen dat hij zich voldoende georiënteerd heeft op de voorzieningen in natura.

De reden van het niet passend zijn, kunnen onder meer gelegen zijn in het feit dat: a. de benodigde ondersteuning niet goed vooraf is in te plannen; b. de benodigde ondersteuning op ongebruikelijke tijden geleverd moet worden; c. de benodigde ondersteuning op veel korte momenten per dag moet worden geboden; d. de benodigde ondersteuning op verschillende locaties geleverd moet worden; e. het noodzakelijk is om 24-uurs ondersteuning op afroep te organiseren; f. het door de aard van de beperking noodzakelijk is dat de hulp door een vaste hulpverlener wordt geboden, of g. de voorzieningen in natura niet passen bij de eigen levens- of geloofsovertuiging. 8. De aanvrager dient, conform artikel 8.1.1, tweede lid onder c van de wet, aan te tonen dat de in te kopen zorg van goede kwaliteit is, zodat de gestelde doelen en te bereiken resultaten in het ondersteuningsplan kunnen worden gerealiseerd. 9. De jeugdhulpaanbieder, waarbij de aanvrager de zorg wil inkopen, dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.1.1 tot en met 4.1.9 van de wet. 10. Indien de hulp wordt betrokken van iemand uit het sociaal netwerk, die niet behoort tot de eerste graad van bloedverwantschap, is in ieder geval een VOG vereist die niet ouder is dan drie maanden. 11. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit het pgb: a. kosten voor bemiddeling; b.

kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 12. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het pgb. Artikel 12. Aanvullende criteria pgb sociaal netwerk 1. De jeugdige aan wie een pgb is verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, mits: a. dit niet leidt tot overbelasting van deze persoon; b. deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger van de pgb heeft uitgeoefend bij diens beslissing; c. de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; d. de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen achttien jaar of ouder is; e. de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen in totaliteit niet meer dan 40 uur per week werkzaam is op basis van een pgb. 2. De jeugdige aan wie een pgb is verstrekt, kan alleen jeugdhulp betrekken van een persoon die tot het sociaal netwerk behoort voor begeleiding, persoonlijke verzorging en logeren. 3. De inzet van jeugdhulp door een persoon die tot het sociaal netwerk behoort is slechts mogelijk indien: a.

dit leidt tot aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning;

b. dit aantoonbaar doelmatiger is dan de ondersteuning geboden door een jeugdhulpaanbieder, niet zijn een persoon uit het sociaal netwerk; en c. de persoon uit het sociaal netwerk die de jeugdhulp biedt, in staat is om de aan de pgb verbonden beheertaken met voldoende afstand en kritisch te vervullen. 4. Een pgb voor logeren bij iemand die behoort tot het sociaal netwerk is alleen mogelijk: a. ter ontlasting van de verzorgende ouder(s); b. wanneer dit in belangrijke mate bijdraagt aan het vergroten van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders; en c. als daarmee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp kan worden voorkomen of verminderd. Artikel 13. Hoogte pgb 1. Het pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopste voorziening in natura die past bij wat de jeugdige of zijn ouders nodig hebben. 2. Het pgb is gebaseerd op een tarief per eenheid (uur, dagdeel of etmaal). Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven: instellingstarief, het zelfstandige zonder personeel (zzp)-tarief en het informeel tarief. 3. Van een instellingstarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e graad van de jeugdige: a.

personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007); en b. die een kopie van een geanonimiseerde arbeidsovereenkomst kunnen overleggen waaruit blijkt welke cao wordt toegepast. Het dient daarbij te gaan om een voor de betreffende sector relevante cao die aangemeld is bij de directie UAW van het Ministerie van SZW; en c. die een SKJ of BIG registratie kunnen overleggen indien van toepassing. Indien een registratie niet van toepassing is, dan wordt een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs verstrekt van de beoogde hulpverlener en een VOG die bij aanvang van de hulp niet ouder is dan 12 maanden. 4. Van een zzp-tarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e graad van de jeugdige: a. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het pgb uit te voren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregister 2007); en b. die een SKJ of BIG registratie kunnen overleggen indien van toepassing.

Indien een registratie niet van toepassing is, dan wordt een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs verstrekt van de beoogde hulpverlener en een VOG die bij aanvang van de hulp niet ouder is dan 12 maanden. 5. Indien de jeugdhulp wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk is altijd sprake van een informeel tarief, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken. 6. Indien de beschreven documenten in het derde en vierde lid, niet worden overgelegd, is ten alle tijden sprake van een informeel tarief. 7. De hoogte van de tarieven per eenheid en onderscheiden soort zijn opgenomen in Bijlage 1. Een lager tarief wordt toegekend indien uit het budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 8. Indien de kosten van de met het pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dan de in het vorige lid bedoelde tarief, wordt het pgb voor het deel dat het tarief overstijgt, conform artikel 8.1.1, vierde lid onder a van de wet, geweigerd. De aanvrager betaalt in dat geval de meerkosten zelf aan de SVB. 9. Jaarlijks worden op 1 januari de tarieven die zijn opgenomen in Bijlage 1 geïndexeerd conform het indexeringspercentage van de NZa. 10. Het tarief op basis waarvan het pgb is berekend blijft in stand voor de duur van de beschikking. HOOFDSTUK 8

JEUGDHULPVERVOER

Artikel 14. Criteria jeugdhulpvervoer 1. Uitgangspunt is dat de jeugdige of zijn ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden.

2. Indien de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van zijn ouders ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen, kan een vervoersvoorziening worden verstrekt. 3. Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders worden de (financiële) draagkracht en belastbaarheid van de ouders én de mogelijkheden en bereidheid van iemand uit het sociaal netwerk om de jeugdige te vervoeren, meegewogen. 4. Als aan de voorwaarden voor het vervoer is voldaan, wordt beoordeeld welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is. 5. De volgende vervoersmogelijkheden zijn in volgorde van afweging mogelijk: a. vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder; b. kilometervergoeding op basis van de hoogte van de belastingvrije kilometervergoeding voor reiskosten; c. een vergoeding voor openbaar vervoer voor de jeugdige en een volwassen begeleider op basis van de kosten van een maand- of jaarabonnement; d. taxivervoer als een vervoersvoorziening als genoemd bij a tot en met c niet mogelijk is of indien dit goedkoper is. 6. Wanneer een jeugdige een vervoersvoorziening ontvangt, kan de vervoersvoorziening worden verstrekt in combinatie met een training ‘zelfstandig leren reizen’. 7.

De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 8. HOOFDSTUK 9

HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 15. Herziening, intrekking of terugvordering 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; c. de individuele voorziening niet meer toereikend is; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening; of e. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening en het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb terugvorderen. 4.

Een besluit tot het verstrekken van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verstrekt. Artikel 16. Oneigenlijk en onrechtmatig gebruik 1. Het college wijst een toezichthouder aan die, al dan niet steekproefsgewijs onderzoekt of er sprake is van oneigenlijk of onrechtmatig gebruik van een verstrekte individuele voorziening in de vorm van een pgb. 2. De jeugdige en zijn ouders verstrekken de toezichthouder alle medewerking en informatie die benodigd is voor het onderzoek als bedoeld in het vorige lid. 3. Indien uit het onderzoek, als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat er sprake is van oneigenlijk of onrechtmatig gebruik van het pgb, kan het college de beslissing een pgb te verstrekken met terugwerkende kracht intrekken en het pgb terugvorderen. 4. Indien uit het onderzoek, als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat er sprake is van een strafbaar feit doet het college daarvan aangifte bij de politie.

Artikel 17. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie de pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid onder a, d of e van de wet. 2. Indien de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, detentie of het buitenland kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit de pgb voor de duur van de opname, detentie of verblijf in het buitenland. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

HOOFDSTUK 10

AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN

Artikel 18. Afstemming met gezondheidszorg 1. Het college maakt afspraken met de huisartsen en de zorgverzekeraars over de aansluiting tussen de overige voorzieningen en de huisartsenzorg, waaronder de praktijkondersteuning. 2. Het college maakt afspraken met de huisartsen, jeugdartsen en de medisch specialisten over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder e van de wet en artikel 4 van deze verordening, plaatsvindt. 3. Het college maakt afspraken met de huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten over de wijze waarop de verwijzing naar een individuele voorziening bekrachtigd kan worden in een beschikking jeugdhulp. 4. Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het centraal indicatieorgaan zorg (CIZ) over hoe de continuïteit van de persoonlijke verzorging, geestelijke gezondheidzorg en gehandicaptenzorg wordt gegarandeerd voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van achttien jaar bereiken en daarmee vallen onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg. Artikel 19. Afstemming met gecertificeerde instellingen 1.

Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp op basis van het besluit van de gecertificeerde instelling ten behoeve van een kinderbeschermingsmaatregel conform artikel 3.5, eerste lid van de wet of ter uitvoering van jeugdreclassering conform artikel 2.4, tweede lid, onder b van de wet. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instelling over: a. het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid van de wet; b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt; d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige of zijn ouders. 3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5, derde lid van de wet. Artikel 20. Afstemming met het justitiedomein 1.

Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instelling, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële instellingen over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onder b van de wet. 2. Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken als bedoeld in het eerste lid op in het protocol als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid van de wet.

Artikel 21. Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang tot de overige en individuele voorzieningen en stelt in regioverband beleid op ten aanzien van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Artikel 22. Afstemming met voorschoolse voorzieningen Het college maakt afspraken met de instellingen voor kinderopvang over: a. de afstemming tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de voorschoolse voorzieningen; b. de afstemming, voor zover en indien noodzakelijk, bij het toekennen van individuele voorzieningen voor jeugdigen en hun ouders; c. de terugkoppeling van de voortgang en resultaten van de individueel voorzieningen; d. de gezamenlijke zorgarrangementen en de toegang hiertoe. Artikel 23. Afstemming met onderwijs 1. Het college maakt afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs en de schoolbesturen speciaal onderwijs clusters 1 en 2 over: a. de afstemming tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2, leerplicht en het onderwijs en de onderwijsvoorzieningen op scholen; b. de afstemming, voor zover en indien noodzakelijk, bij het toekennen van individuele voorzieningen voor leerlingen en hun ouders; c. de terugkoppeling over de voortgang en resultaten van de individuele voorzieningen; d. de gezamenlijke onderwijszorgarrangementen en de toegang hiertoe. 2.

Het college en de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs leggen de afspraken als bedoeld in het eerste lid, vast in een protocol of overeenkomst. Artikel 24. Afstemming met Wmo-voorzieningen 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de voorzieningen voor jeugdigen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3. Het college draagt zorg voor de continuïteit van onder haar verantwoordelijkheid vallende zorg wanneer de jeugdige de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Artikel 25. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en (re-integratie)voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Participatiewet, waaronder leerwerktrajecten. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouder, op grond van de Participatiewet, waaronder aanvullend minimabeleid. HOOFDSTUK 11 WAARBORGING VERHOUDING PRIJS-KWALITEIT Artikel 26.

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs – kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel.

HOOFDSTUK 12 VERTROUWENSPERSOON, KLACHTEN, INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 27. Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijk vertrouwenspersoon. Artikel 28. Klachtenregeling Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken die voldoet aan de eisen van paragraaf 4.2.a van de wet en artikel 12 van het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind. Artikel 29. Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt cliënten en/of vertegenwoordigers van cliëntengroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen van het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALINGEN Artikel 30.

Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen. Artikel 31. Evaluatie Deze verordening, als mede de nadere regels die op grond van artikel 30 zijn vastgesteld, worden eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Artikel 32. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen tegen gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de artikelen 10 t/m 14, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 33. Inwerkingtreding en intrekking oude verordening Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2020. Artikel 34. Overgangsbepalingen 1. Een jeugdige of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2020 en de daarop gebaseerde regels, voor de duur van de beschikking. 2. Aanvragen voor een individuele voorziening in de vorm van een pgb of vervoersvoorziening waarop op 31 december 2022 nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3. Hulpvragen die zijn gedaan na 1 januari 2023 worden afgehandeld krachtens deze verordening. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad op 15 december 2022, De griffier,

De voorzitter,

Drs. J. Mimpen

drs. B. Wijbenga – van Nieuwenhuizen

BIJLAGE 1

PGB-tarieven

Het pgb wordt bepaald op basis van de door de jeugdige of zijn ouders met ouderlijk gezag en medewerker van het wijkteam opgestelde begroting. Onderstaande tarieven zijn daarbij de maximale tarieven waarop een pgb wordt berekend en die binnen het pgb gedeclareerd mogen worden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Indien de werkelijke kosten van de voorziening lager liggen dan de in de bijlage genoemde tarieven, worden de werkelijke kosten in de vorm van een pgb toegekend. Ondersteuning inkopen die duurder is dan de onderstaande tarieven is toegestaan: in dat geval dient de cliënt zelf het verschil tussen het ingekochte tarief en het maximum tarief bij te betalen aan de SVB. Zorgcategorie Ambulante begeleiding individueel Ambulante begeleiding groep Persoonlijke verzorging Basis jeugd GGZ Gespecialiseerde Jeugd GGZ Kortdurend verblijf

Eenheid uur dagdeel uur uur uur etmaal

Instellingstarief 59 53 53 83 106 227

zzp tarief 48 43 43 68 87 -

informeel tarief 20 20 20 50 (maximaal 2,5 uur)

De instellings- en zelfstandige zonder personeel (zzp)-tarieven zijn vastgesteld op basis van normatieve berekeningen: dat zijn toepasbare cao, plus opslagen, zoals bedoeld in de Algemene maatregelen van Bestuur (AmvB) reële prijzen. De afslag voor het zzp-tarief in verband met lagere overhead is vastgesteld op 17%. Het informele tarief is gebaseerd op het tarief bij de Wet langdurige zorg voor niet-professionals. Het tarief voor kortdurend verblijf in het sociale netwerk is gebaseerd op het historisch uit de Algemenen Wet Bijzondere Ziektekosten. Het wettelijk minimumloon is de ondergrens. De in deze verordening genoemde bedragen zijn, voor zover van toepassing, inclusief btw. De in deze verordening opgenomen tarieven zijn bruto. Dat betekent dat hierin alle kosten besloten zijn, waaronder eventuele werkgeverslasten op het moment dat belanghebbende een overeenkomst in loondienst aangaat met de hulpverlener(s) in het kader van werkgever voor personeel aan huis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12028859/1