CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

Gemeenteraad 1 april 2021, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Rekenkamerrapport Samenwerking (passend) onderwijs en jeugdhulp18.364 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1 alinea's met “aangelegenheden”: 338

De uitvoering is belegd bij Stichting Zorg voor Onderwijs, waaronder het Steunpunt Onderwijs en het Steunpunt Jongeren vallen. Het Steunpunt Onderwijs heeft onder andere Oos’en in dienst die onderdeel zijn van de ondersteuningsteams op vo-scholen. Het Steunpunt Jongeren richt zich op het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. 10 De gezinsspecialisten die op de v(s)o-scholen werken zijn voor het overgrote deel in dienst van Minters. In Schiedam zijn de gezinsspecialisten een onderdeel van de WijkOndersteuningsTeams (WOT). In Vlaardingen stuurt Minters de wijkteams ook aan. Organisatie van de jeugdhulp De jeugdhulp voor jongeren uit Schiedam of Vlaardingen wordt uitgevoerd door meer dan 30 partijen in deze of andere gemeenten.11 Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen partijen die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering bieden. Partijen die jeugdhulp bieden, richten zich o.a. op basis of specialistische ggz. Deze zorg wordt ingezet wanneer hulp door de gezinsspecialist, het wijkteam of de POH-GGZ niet voldoende is. Jeugdhulporganisaties richten zich geregeld op een specifieke doelgroep of hebben specialisaties, zoals de zorg voor jeugd met een beperking of ernstige enkelvoudige dyslexie. Financiering Het passend onderwijs (via samenwerkingsverbanden) en vroegtijdig schoolverlaten (via RMC-taken) worden vanuit de Rijksoverheid gefinancierd.

De financiering van de jeugdhulp is gedecentraliseerd. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben de specialistische jeugdhulp regionaal ingekocht: Schiedam en Vlaardingen hebben jeugdhulp deels met 15 andere gemeenten via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR) jeugdhulp ingekocht, en deels in MVS-verband. Daarnaast worden voorliggende vormen van zorg lokaal ingekocht, zoals de inzet van wijkteams en de gezinsspecialisten.

3.2

Aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt

Zowel in Schiedam als in Vlaardingen staan grofweg 4000 leerlingen ingeschreven in het voortgezet onderwijs.

8 Het proces van ondersteuning op school en andere jeugdhulp is in kaart gebracht en vastgelegd in een routekaart en

informatieblad. Dit zal uiterlijk begin 2021 gepubliceerd worden. De gemeente is nu in overleg met betrokkenen, zoals het samenwerkingsverband, over de financiering. De laatste stap is het structureren van het aanbod en tegelijkertijd ruimte hebben voor maatwerk. 9 Een startkwalificatie is een diploma op minimaal havo, vwo of mbo-niveau 2 opleiding. Voor meer informatie over de leer- en kwalificatieplicht zie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/vsv/minder-voortijdig-schoolverlaters 10 Voor meer informatie zie: https://www.steunpuntonderwijsenjongeren.nl/ 11 Aantallen zijn uit 2018. Verkregen uit Aanbieders jeugdhulp Schiedam, Vlaardingen, Maassluis 2018 van https://zel.nl/wp-content/uploads/2018/01/Aanbieders-jeugdhulp-Schiedam-Vlaardingen-Maassluis-2018.pdf op 0710-2020 RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

28 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Van deze leerlingen staat ongeveer 90% ingeschreven op het vo, ongeveer 4% op het v(s)o en 4% zit op het praktijkonderwijs. Daarnaast staan jongeren wonend in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen ingeschreven bij diverse mbo’s. De grootste groep gaat naar het Albeda en Zadkine in Rotterdam. Ook gaat een substantiële groep naar het Lentiz in Vlaardingen12. In vergelijking met de gemiddelde cijfers van Nederland wordt in Schiedam en Vlaardingen procentueel gezien minder van jeugdhulp gebruik gemaakt door jongeren tot 18 jaar (zie tabel 1). Qua type jeugdhulp is er vooral sprake van ambulante hulp op locatie van een jeugdzorgaanbieder. De jongeren die in een jeugdzorgtraject zitten, hebben vaker te maken met jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het percentage jeugdhulp uitgevoerd door een wijk- of buurtteam ligt relatief laag in zowel Schiedam als Vlaardingen. De gemeente Vlaardingen geeft hiervoor als verklaring dat in de geboden ondersteuning door het wijkteam geen onderscheid wordt gemaakt tussen basisondersteuning en jeugdhulp.

Jeugdhulp uitgevoerd door het wijkteam wordt daarom niet als dusdanig geregistreerd en komt daardoor niet in de cijfers van het CBS terug.13 Het SCP heeft een statistisch model ontwikkeld waarbij op wijkniveau voorspelling wordt gedaan over het verwacht gebruik van jeugdhulp, op basis van verschillende kenmerken zoals de sociaaleconomische status van gezinnen. Zowel in gemeente Schiedam als Vlaardingen ligt het gerapporteerde gebruik van jeugdhulp zonder verblijf ongeveer 2% lager dan het verwachte gebruik 14. Tabel 1: Aantallen en percentages jeugdhulp voor jongeren tot 18 jaar per type jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen en gemiddeld in Nederland.15 Schiedam Vlaardingen Nederland Totaal jeugdhulp A 1.225 (6,3%) 1.340 (7,5%) 430.670 (9,7%) Jeugdhulp zonder verblijf Uitgevoerd door wijk-of buurtteam Niet uitgevoerd door wijk- of buurtteam Ambulante hulp op locatie aanbieder Jeugdhulp met verblijf

1.075 (5,5%) 15 (0,1%)

1.205 (6,8%) 25 (0,1%)

404.980 (9,1%) 79.435 (1,8%)

1.065 (5,4%)

1.190 (6,7%)

354.740 (8,0%)

900 (4,6%)

1.030 (5,8%)

293.985 (6,6%)

180 (0,9%)

185 (1,0%)

42.975 (1,0%)

A Jongeren kunnen verschillende typen jeugdhulp ontvangen. Daardoor tellen de aantallen voor de verschillende typen niet

op tot het totale aantal jongeren met jeugdhulp. De percentages geven aan hoeveel jongeren relatief gezien dit type jeugdhulp ontvangen in beide gemeenten en in Nederland.

Overeenkomstig met het gemiddelde in Nederland, ontvangen vooral jongeren in het vso jeugdhulp (zie tabel 2). De percentages zijn substantieel lager in het vo en het mbo. Het is voor ons onbekend welke jeugdhulpaanbieders de hulpverlening bieden. Uit overleg met Kenniscentrum MVS bleek dat er geen mogelijkheden waren om de jeugdhulp- en onderwijsgegevens met elkaar te koppelen.

12 Uitgebreide informatie kan via DUO gevonden worden, in bijlage A staat een samenvatting. 13 De cijfers van het CBS laten zien dat het percentage jeugdigen dat jeugdhulp vanuit een wijkteam krijgt, in zowel

Schiedam als Vlaardingen tegen de nul aan zit. Landelijk ligt dit percentage een stuk hoger. Het niet bij het CBS registreren van jeugdhulp door het wijkteams is dan ook naar alle waarschijnlijkheid de reden dat het totale jeugdhulppercentage in Schiedam en Vlaardingen beduidend onder het landelijk gemiddelde ligt. 14 Het dashboard van het SCP is te vinden op: https://digitaal.scp.nl/jeugdhulp-in-de-wijk/ 15 De meest recente data die beschikbaar was bij het CBS bij het ophalen van de gegevens, zijn de voorlopige cijfers over 2019. Voor meer gedetailleerde uitsplitsingen van type jeugdhulp zie: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84134NED/table?ts=1601291017293 RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

29 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Tabel 2: Percentages leerlingen die jeugdhulp ontvangen naar schooltype, in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen en gemiddeld in Nederland.16 Schiedam Vlaardingen Nederland Vo 8 9 11 Vso 41 45 61 Mbo 6 7 8 Totaal (0-18) 6,3 7,5 9,7 Aantal leerlingen dat ondersteuning krijgt binnen scholen Leerlingen kunnen ook ondersteuning krijgen binnen de school van de onderwijsondersteuningsspecialist (Oos) van het samenwerkingsverband als ze een aanvullende onderwijs ondersteuningsbehoefte hebben. Deze leerlingen worden besproken in de ondersteuningsteams bestaande uit een zorgcoördinator vanuit school, Oos en de gezinsspecialist. In 2019 werden 84 leerlingen uit Schiedam en 81 leerlingen uit Vlaardingen besproken in een ondersteuningsteam. Bij ongeveer de helft van deze leerlingen werd besloten tot de inzet van de Oos. Daarnaast kunnen leerlingen een langdurige vorm van ondersteuning nodig hebben. Vanuit de 3 MVSgemeenten17 hadden 1640 leerlingen een dergelijk onderwijsarrangement, zoals leerwegondersteuning, praktijkonderwijs, InZicht en extra ondersteuning cluster 3 en 4 (Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord, Jaarverslag 2019). Een schatting, gebaseerd op de naar inwonertal evenredige verdeling van deze leerlingen over de drie gemeenten, leert dat circa 16% van alle v(s)o-leerlingen in Schiedam en Vlaardingen extra ondersteuning krijgt.

Het aantal leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften is niet te vergelijken met de cijfers van samenwerkingsverbanden in andere gemeenten. Samenwerkingsverbanden mogen namelijk zelf bepalen wat onder basisondersteuning valt op hun scholen, en wat onder extra ondersteuning. In bijlage A staan meer specifieke data en verantwoording van de cijfers bij deze onderzoeksvraag.

3.3

De samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs in Schiedam en Vlaardingen

De vormgeving van de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs In de gemeenten Schiedam en Vlaardingen vindt enige afstemming plaats tussen onderwijs en jeugdhulp, door middel van verschillende overlegstructuren die hieronder staan toegelicht. Deze afstemming is voornamelijk voorbereidend op toekomstig beleid. De afstemming die de gemeente organiseert is meestal niet met onderwijs en jeugdhulp gezamenlijk. Wanneer onderwijs- en jeugdhulporganisaties met elkaar afstemmen, zijn dit voornamelijk professionals die op casusniveau contact hebben. De gemeente heeft uiteenlopende overlegstructuren gecreëerd om de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp te creëren of te verbeteren. De belangrijkste overlegstructuren zijn de volgende: - REA: Regionaal Educatieve Agenda. In dit overleg zijn afgevaardigden van de MVS-gemeenten, de samenwerkingsbanden po en vo en schoolbestuurders van po, vo, so, vso en mbo aanwezig. Het overleg vindt drie keer per jaar plaats en is niet wettelijk verplicht. - LEA: Lokaal Educatieve Agenda. Dit overleg is wettelijk verplicht om eenmaal per jaar te organiseren. Het wordt per gemeente georganiseerd. In dit overleg zijn afgevaardigden van de specifieke gemeenten, het samenwerkingsband en schoolbestuurders aanwezig. - OOGO: Op Overeenstemming Gericht Overleg.

Er is een OOGO passend onderwijs (minimaal eenmaal per jaar) waarin de samenwerkingsverbanden (po en vo), wethouders en beleidsadviseurs samen komen, onder andere om het ondersteuningsplan te bespreken. Ook is er een OOGO jeugd waar de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden bespreekt. Deze overleggen kunnen ook gecombineerd worden. Naast deze overlegstructuren zijn er werkgroepen en kerngroepen waarin afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp ter sprake komt. Ook is de wethouder van Vlaardingen deelnemer van de stuurgroep transformatie namens het algemeen bestuur van de ‘Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond’. Daarin wordt de transformatie van de jeugdhulp en de aansluiting op het onderwijs besproken. Verder hebben de 16 De gegevens zijn afkomstig van: https://monitoraoj.nl/jeugdzorggebruik-en-onderwijs/# 17 In deze cijfers is geen onderscheid gemaakt tussen de MVS-gemeenten.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

30 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen onderwijsondersteuningsspecialisten meerdere keren per jaar overleg met de gezinsspecialisten. Dergelijke overlegstructuren leveren bouwstenen op voor het verbeteren van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Er wordt momenteel veel over het verbeteren van de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp gepraat. In het kader van de herijking van de jeugdhulp zijn onderwijs- en jeugdhulporganisaties en de gemeenten verschillende keren bij elkaar gekomen 18. Tot op heden zijn er in het herijkingsproces nauwelijks afspraken gemaakt over de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp. De gemeenten willen dit met de herijking van de jeugdhulp en bovengenoemde overlegstructuren verder vorm te geven. Daarnaast is de ‘Ontwikkelagenda jeugdhulp en passend onderwijs’ opgesteld door po- en vo-scholen, samenwerkingsverbanden en de MVS-gemeenten. De uitwerking van deze agenda vindt plaats in uiteenlopende werkgroepen die hier relevante partijen bij betrekken. In de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zijn enkele organisaties betrokken bij het maken van afspraken over de afstemming tussen onderwijs en jeugdhulp, namelijk: - Het samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord overlegt met de gemeente over het ondersteuningsplan. Daarnaast hebben zij geregeld overleg waarin ook de afstemming met de jeugdhulp ter sprake komt.

- Welzijnsorganisatie Minters is vanuit de gemeenten aangewezen om de gezinsspecialist op de v(s)o-scholen te leveren. De gemeenten hebben met Minters afspraken gemaakt over het aantal uren dat zij een gezinsspecialist leveren bij een onderwijslocatie en over de taken die de gezinsspecialist uitvoert. De gezinsspecialisten zijn voor scholen de schakel naar de wijkteams. - V(s)o-scholen maken met gemeenten afspraken over de inzet van de gezinsspecialisten van Minters. Op deze manier zijn scholen ook betrokken bij het maken van afspraken over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. - Op mbo Lentiz is een gezinsspecialist die gefinancierd wordt door de gemeente Schiedam. Ook zijn er op diverse locaties schoolverpleegkundigen aanwezig (Op weg naar een effectievere ondersteuning en hulpverlening voor Rijnmondse Mbo-studenten, 2017). Daarnaast hebben mbo’s zelf afspraken gemaakt met jeugdhulporganisaties, o.a. Enver, over de inzet van schoolmaatschappelijk werkers. Modellen voor samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs In heel Nederland vindt samenwerking plaats tussen jeugdhulp en onderwijs, of worden pogingen ondernomen om deze samenwerking vorm te geven. Van der Grinten et al. (2018) hebben op basis van een inventarisatie hiervan vier modellen onderscheiden waarop de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp georganiseerd is.

- In het schottenmodel werken onderwijs en jeugdhulp los van elkaar en zijn de financiën en verantwoordelijkheden gescheiden. - In het ketenmodel is sprake van geschakelde verantwoordelijkheden voor de afzonderlijke actoren die elkaar in een vaste volgorde opvolgen, waarbij de nadruk ligt op het versterken van de overgang tussen de actoren, zoals bijvoorbeeld de keten wijkteam - specialistische hulp. - In het netwerkmodel wordt steeds per hulpdoel bij een casus besloten met welke partijen een verbinding aan wordt gegaan. - In het integrale model ten slotte, zijn er multidisciplinaire teams met een eigen budget die zelf hulp en ondersteuning in kunnen zetten. We constateren dat er in Schiedam en Vlaardingen sprake is van een ketenmodel. Er is in de gemeenten sprake van geschakelde verantwoordelijkheden voor de afzonderlijke actoren. Deze actoren volgen elkaar in vaste volgorde op. Een mogelijke route is dat in het voortgezet onderwijs eerst preventieve jeugdhulp wordt geboden door de gezinsspecialist. Wanneer dit niet voldoende is volgt ondersteuning vanuit het wijkteam. Als meer ondersteuning nodig is, kan een jongere specialistische jeugdhulp krijgen van één of meerdere aanbieders 19.

18 De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben een extern adviesbureau opdracht gegeven voor de fases gericht

op visievorming en speerpunten voor het MVS-model. Dit gedeelte is afgerond. In de Herijking inkoop jeugdhulp in de MVS-gemeenten staan de verdere stappen en tijdsplanning weergegeven. 19 In de regio Rijnmond wordt gewerkt met arrangementen waarbij het doel centraal staat en niet het type jeugdhulp, zoals basis of specialistische GGZ. Voor meer informatie zie: https://www.jeugdhulprijnmond.nl/werkwijze/resultaatgericht-werken/ RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

31 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

4

Afspraken over de samenwerking onderwijs en jeugdhulp en de rol van de gemeenten daarbij

In dit hoofdstuk gaan we in op de afspraken die binnen de gemeenten zijn gemaakt over de samenwerking tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp. Het gaat hierbij in norm 2a om afspraken over de vormgeving en doelstellingen van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. In norm 2b gaat het om afspraken over de manier waarop de gemeenten sturen op de samenwerking bij het bieden van passende en integrale hulp aan leerlingen en hun ouders. Norm 2a. Binnen de gemeentelijke organisaties van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen bestaan afspraken over de vormgeving en de doelstellingen van samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Binnen de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zijn er vrijwel geen afspraken over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De afspraken die er wel zijn, hebben de vorm van ambities en strategische doelstellingen. Concrete en meetbare doelen van de samenwerking ontbreken. De rollen van de twee sectoren en de richtlijnen voor informatie-uitwisseling zijn onduidelijk. Ook over de financiering van de ondersteuning aan jongeren ontbreken concrete afspraken, anders dan dat ondersteuning op school en in de klas wordt betaald vanuit de onderwijsbudgetten en hulp buiten de school voor rekening valt van jeugdhulpbudgetten. Indicatoren voor norm 2a De afspraken voldoen aan de volgende criteria: 1.

Ze zijn concreet en meetbaar over de doelen van de samenwerking. 2. Ze maken duidelijk welke partijen een rol vervullen in de samenwerking, wat ieders rol is, en wie de leiding heeft over de samenwerking in de praktijk(netwerken). 3. Ze maken duidelijk hoe de betrokken partijen informatie met elkaar uit kunnen wisselen, en hoe om te gaan met het uitwisselen van privacygevoelige informatie. 4. Ze maken duidelijk wie wat betaalt, in het bijzonder als het gaat om de investeringen van de gemeente en het onderwijs. 5. Ze maken duidelijk hoe de samenwerking wordt geëvalueerd en op basis daarvan eventueel wordt bijgesteld. 6. De afspraken zijn bij alle betrokken partijen bekend.

Mate waarin eraan wordt voldaan +/-

-

+/-

Onderbouwing Indicator 1 Er zijn volgens alle geïnterviewden - dus de wethouders, de beleidsadviseurs, de managers van de onderwijsen jeugdhulporganisaties en de onderwijs- en jeugdhulpprofessionals - binnen de gemeentelijke organisaties nog geen concrete en meetbare doelen opgesteld voor wat de samenwerking moet opleveren. Wel zijn er tussen de gemeenten en individuele organisaties afspraken die te maken hebben met de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Hier komen we op terug onder norm 2b over de afspraken over hoe de gemeenten sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Indicator 2 De ambities die de gemeenten hebben opgesteld voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp zijn in beperkte mate vertaald naar plannen hierover. De MVS-gemeenten20 gaan een routekaart en informatieblad uitbrengen waarop staat wie welke rol vervult in de ondersteuning op school en wanneer de school dient door te verwijzen naar het wijkteam of andere jeugdhulp. 21 De beleidsadviseurs van de gemeente Schiedam beogen dat met het informatieblad de managers en professionals in de onderwijs- en de jeugdhulpsector meer begrip voor elkaars rol en positie krijgen en vaker en sneller met elkaar gaan samenwerken.

20 Dit gebeurt vanuit de metrolijn onderwijszorgarrangementen waarvan de gemeente Schiedam de trekker is. 21 De inhoud hiervan is afgerond. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen (en Maassluis) zijn van plan dit voor het nieuwe

jaar uit te brengen. RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

32 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Indicator 3 Er zijn geen duidelijke afspraken over het delen van informatie over jongeren tussen jeugdhulporganisaties en onderwijsinstellingen. Ook zijn de mogelijkheden voor informatie-uitwisseling niet voor iedereen duidelijk. Meerdere geïnterviewden vertelden dat zij vanwege privacywetgeving geen informatie mogen delen, terwijl anderen aangeven dat er meer mag dan men denkt. Indicator 4 In algemene zin is vanuit de Jeugdwet en de Wet Passend Onderwijs vastgelegd welke hulp vanuit onderwijsbudgetten wordt betaald en welke hulp vanuit de lokale jeugdhulpbudgetten. Bij ondersteuning op school of in de klas komen de benodigde financiën uit het onderwijsbudget. Bij ondersteuning aan de jongere voor bijvoorbeeld onderliggende ggz-problematiek komen de benodigde middelen vanuit de gemeente. De scheiding tussen hulp op school en hulp bij onderliggende problemen of hulp in het gezin is in de praktijk in Schiedam en Vlaardingen echter veel minder duidelijk dan op papier.22 Daarnaast financieren de gemeenten de gezinsspecialisten op vo-scholen. De gemeente Vlaardingen geeft aan dat ze vanuit bestaande budgetten, flexibele budgetten wil creëren om ervoor te zorgen dat onduidelijkheden over de verantwoordelijkheid van het onderwijs of de gemeente geen oplossing in de weg staan (Herijking beleid sociaal domein Gemeente Vlaardingen).

Indicator 5 Er zijn geen afspraken over de evaluatie van de samenwerking. Er is wel een evaluatie geweest van de ondersteuningsteams binnen de MVS-gemeenten (Samenwerking ondersteuningsteams Maassluis, Schiedam, Vlaardingen, oktober 2019). Indicator 6 Bij de meeste betrokkenen is veel onduidelijk over de afspraken. Bestuurders van de jeugdhulp- en onderwijsorganisaties geven aan dat er geen afspraken zijn binnen of met de gemeenten over de samenwerking. Het is voor iedereen wel bekend wat de rol van de gezinsspecialist is en welke afspraken daarover zijn. Norm 2b: De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben vastgelegd hoe zij sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp bij het bieden van passende en integrale hulp aan leerlingen en hun ouders. Binnen de gemeenten Schiedam en Vlaardingen zijn er geen concrete afspraken zijn over hoe de gemeenten sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Wat wel gezien kan worden als een vorm van sturing is de financiering van de gezinsspecialisten op de scholen. Door de inzet van gezinsspecialisten, is er een verbinding tussen het onderwijs en de wijkteams. De gezinsspecialisten komen op scholen, hebben wekelijks overleg met een vertegenwoordiger van een school en het samenwerkingsverband (in het ondersteuningsteams) en zijn onderdeel van dezelfde organisatie als de wijkteams.

De gemeenten zien hun rol in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp ook niet als sturend, maar meer als faciliterend en ondersteunend waar nodig. In Schiedam is één beleidsadviseur verantwoordelijk voor de aansluiting jeugd en onderwijs. In Vlaardingen zijn aparte teams, maar sluiten beleidsambtenaren aan bij overleggen. Indicatoren voor norm 2b De afspraken over de sturing voldoen aan de volgende criteria: 7. Er zijn concrete en meetbare afspraken geformuleerd over hoe de gemeente de samenwerking tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties aanstuurt/faciliteert. 8. De afspraken over de sturing van de gemeente zijn schriftelijk vastgelegd en voor alle betrokkenen toegankelijk. 9. Bij de gemeente is iemand verantwoordelijk voor het aansturen en faciliteren van de samenwerking, en het is voor alle betrokkenen duidelijk wie dit is.

Mate waarin eraan wordt voldaan +/-

+/-

22 Uit de evaluatie passend onderwijs blijkt dit landelijk een probleem te zijn (Ledoux & Waslander, 2020).

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

33 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Onderbouwing Indicator 7 De beleidsdocumenten en interviews tonen geen concrete en meetbare afspraken over de aansturing of facilitering van samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De gemeenten hebben wel afspraken hebben met Minters over de inzet van gezinsspecialisten op de vo-scholen in Vlaardingen en Schiedam. De gezinsspecialisten worden geleverd door Minters, die een grote rol hebben in de wijkteams in de gemeenten, hierdoor kunnen zij gemakkelijk verbinding leggen met de wijkteams en eventuele inzet van jeugdhulp vanuit het wijkteam organiseren. Indicator 8 De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben niets op papier vastgelegd over hoe zij sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De afspraken zijn dan ook niet toegankelijk. De gemeenten hebben (grotendeels via de GRJR) contracten afgesloten met jeugdhulpaanbieders over het leveren van jeugdhulp waarin ook afspraken staan die betrekking hebben over aansluiting bij betrokken partners. In de interviews zijn deze afspraken niet ter sprake gekomen, dus we concluderen dat ze niet op het netvlies van de betrokkenen staan. Indicator 9 In de gemeente Schiedam is één beleidsadviseur verantwoordelijk voor de aansluiting onderwijs en jeugdhulp.

In Vlaardingen zijn er aparte teams voor onderwijs en jeugd, maar sluiten beleidsambtenaren aan bij overleggen met onderwijs- en jeugdhulporganisaties. Beleidsadviseurs vinden dat ze in de samenwerking vooral een faciliterende rol hebben, en deze uit zich hoofdzakelijk in het organiseren van sectorale overlegstructuren, zoals het REA, het LEA en de strategische agenda onderwijs. Kenmerkend voor deze overlegstructuren is dat deze contact en overleg faciliteren tussen partijen uit de eigen sector en maar heel beperkt partijen uit beide sectoren met elkaar in contact brengen.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

34 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

5

De uitvoering en doelmatigheid van de samenwerking

In dit hoofdstuk gaan we in op de manier waarop de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten is ingebed in het beleid en het werk van het gemeentebestuur en de ambtenaren (norm 3a) en op het niveau van de organisaties (norm 3b). Bij norm 3c beschrijven we in hoeverre de uitvoering van de samenwerking doelmatig is vormgegeven op het niveau van de professionals. In hoeverre de uitvoering van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten overeenkomt met de gemaakte afspraken, komt aan bod bij norm 3d. Tot slot gaan we bij norm 3e in op de mate waarin de geïnterviewden ervaren dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp leidt tot passende en integrale hulp aan kinderen en gezinnen in de gemeenten. Norm 3a: De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam is binnen de gemeentelijke organisaties - op bestuurlijk en op ambtelijk niveau - zo vormgegeven dat het is ingebed in het beleid en het werk van het gemeentebestuur en de ambtenaren. De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is geen direct onderwerp van gesprek in het college en de gemeenteraad. Het onderwerp wordt wel genoemd in diverse beleidsstukken die hier besproken worden. De wethouders van beide gemeenten hebben zowel onderwijs als jeugdhulp in hun portefeuille.

Schiedam heeft een team ‘Onderwijs en jeugd’ waarin beleidsambtenaren van beide onderwerpen vertegenwoordigd zijn. In Vlaardingen zijn er aparte teams, maar sluiten beleidsambtenaren aan bij overleggen met onderwijs- en jeugdhulporganisaties en zijn overlegstructuren waar ze elkaar tegenkomen.

10. De samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is onderwerp van gesprek in het college en in de gemeenteraad. 11. In de beleidsplannen van zowel het jeugd- als het onderwijsbeleid is aandacht voor de samenwerking. 12. Er vindt regelmatig afstemming plaats over de samenwerking tussen de betrokken ambtenaren van verschillende beleidsafdelingen

Mate waarin eraan wordt voldaan + +

Onderbouwing Indicator 10 In Schiedam was de samenwerking tot aan de herijking geen direct onderwerp van gesprek in de gemeenteraad en het college. Maar het onderwerp wordt wel aangestipt in (zomer)nota’s en jaarverslagen die besproken worden in de gemeenteraad. De samenwerking is geen onderwerp in het college, maar wel bij het strategisch agenda overleg. In Vlaardingen is een soortgelijk beeld, namelijk dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp terugkomt in stukken, zoals de herijking en onderwijsvisie, die door de gemeenteraad en het college besproken worden23. Indicator 11 De gemeenten hebben veel ambities om de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp te verbeteren, zoals blijkt uit de gesprekken en documenten (bijvoorbeeld ‘Ambitie aansluiting jeugdhulp en onderwijs, versie 21 maart 2020’; Strategische agenda onderwijs 2020-2024 Gemeente Schiedam, januari 2020; ‘Onderwijsvisie Vlaardingen 2020-2025. Rapportage, 2020’). Ook zijn ze trajecten gestart, zoals de Herijking Inkoop Jeugdhulp MVS-gemeenten, waarin de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp een bouwsteen is die verder uitgewerkt gaat worden. Indicator 12 De wethouders van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben beiden onderwijs en jeugdhulp in hun portefeuille. Dat is een bewuste keuze geweest om de verbinding te zoeken en gemakkelijker te kunnen

23 In de gemeente Vlaardingen en Schiedam is op 6 oktober een rapportage over het inverdieneffect van het jeugdmodel,

die onderdeel uitmaakt van een Raadsvoorstel, vastgesteld door het college en dit wordt medio november in de gemeenteraad besproken.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

35 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen handelen. In de vorige colleges was dit niet het geval. De gemeente Schiedam heeft een team ‘Onderwijs en jeugd’ waar beleidsmedewerkers betrokken bij beiden thema’s onder vallen. Daarnaast is er een beleidsmedewerker die zich bezighoudt met de verbinding tussen beide domeinen. Zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau zijn er zes wekelijks overleggen waar de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp besproken kunnen wordt. In Vlaardingen zijn beleidsmedewerkers onderdeel van verschillende teams, maar betrekken beleidsadviseurs van beide domeinen elkaar actief. Bij de vormgeving van de onderwijsagenda worden beleidsadviseurs van jeugdhulp betrokken en vice versa. Ook komen de teamleiders van onderwijs en jeugd in MT-overleggen. Onder het REA-overleg is een ambtelijke kerngroep, die maandelijks overlegd met de directeuren van de samenwerkingsverbanden, daarin sluiten ambtenaren van onderwijs en jeugd aan. Norm 3b. Op het niveau van de organisaties - tussen de onderwijsinstellingen en jeugdhulporganisaties op bestuurlijk en strategisch niveau - is de samenwerking zo vormgegeven dat het is ingebed in het beleid en het werk van de organisaties. De mate waarin de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is ingebed in het beleid van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties in Schiedam en Vlaardingen verschilt sterk tussen de organisaties.

Een belangrijke constatering daarbij is dat daar waar de samenwerking is ingebed binnen de organisaties het gaat over samenwerking tussen het onderwijs en de meer preventieve jeugdhulp. Voor de samenwerking tussen het onderwijs en de specialistische jeugdhulp is vrijwel geen aandacht binnen zowel het onderwijs als de jeugdhulp. Indicatoren voor norm 3b

13. In beleidsplannen van de organisaties is aandacht voor de samenwerking. 14. De bestuurders/managers van de onderwijsinstellingen en jeugdhulporganisaties zorgen ervoor dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp een gespreksonderwerp in hun organisaties is. 15. Tussen de bestuurders en/of managers van de onderwijsinstellingen en jeugdhulporganisaties vindt regelmatig afstemming plaats over bijvoorbeeld:

Mate waarin eraan wordt voldaan +/+/-

-

- de onderwijszorgarrangementen - de aanpak van thuiszitters - de toegang tot gespecialiseerde jeugdhulp - de flexibiliteit die de inkoopafspraken bieden om de jeugdhulp aan te laten sluiten op hulpvragen vanuit het onderwijs - de betrokkenheid van het onderwijs bij de inkoop van jeugdhulp door gemeenten - de wachttijden en wachtlijsten

16. De organisaties hebben afspraken gemaakt over de onderlinge samenwerking. De afspraken voldoen onder andere aan de volgende criteria:

-

- Ze maken duidelijk wie in de praktijk(netwerken) de leiding heeft over de samenwerking. - Ze maken duidelijk op welke manier de betrokken partijen informatie met elkaar uitwisselen, in het bijzonder als het gaat om privacygevoelige informatie. - Ze maken duidelijk bij wie de casusregie is belegd. - Ze maken duidelijk hoe de samenwerking wordt geëvalueerd en op basis daarvan eventueel wordt bijgesteld.

Onderbouwing Indicator 13 In het beleid van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties is op één organisatie na weinig aandacht voor de onderlinge samenwerking. In de beleidsplannen van de instellingen voor v(s)o is aandacht voor de samenwerking via de inzet van de gezinsspecialist, het komt aan bod wanneer leerplicht ingeschakeld wordt en voor de zorgadviesteams. Mbo’s hebben enige aandacht voor de samenwerking met jeugdhulp in hun plannen. Zij kopen zelf inzet van jeugdhulpverlening in. Het gaat binnen de onderwijsinstellingen vrijwel altijd over de samenwerking met de meer preventieve jeugdhulp, zoals de gezinsspecialisten, leerplicht, de wijkteams of jongerenwerk.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

36 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Indicator 14 De ondersteuningsteams binnen de vo-scholen, waarin de zorgcoördinator en de gezinsspecialist samenkomen en de gezinsspecialist vervolgens verbinding kan leggen met een wijkteam, zorgen ervoor dat bij deze scholen de samenwerking met jeugdhulp structureel een onderwerp van gesprek is. Doordat de gezinsspecialisten van de vo-scholen van dezelfde organisatie deel uitmaken als de organisatie die het wijkteam organiseert, is de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs structureel onderwerp van gesprek. Ook een jeugdhulporganisatie die laagdrempelige hulp verzorgt heeft uitgebreid aandacht voor de samenwerking met het onderwijs. Voor de samenwerking tussen het onderwijs en de specialistische jeugdhulp, zoals de geestelijke gezondheidszorg, is vrijwel geen aandacht in de beleidsplannen van zowel de onderwijs- als de jeugdhulporganisaties. Indicator 15 Er vindt geen afstemming plaats tussen bestuurders van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties over de onderwerpen zoals beschreven bij de indicator. Indicator 16 Minters maakt elk jaar afspraken met scholen voor voortgezet onderwijs in Schiedam en Vlaardingen, waarbij specifieke aandacht is voor de manier waarop samenwerking tussen de organisaties wordt vormgegeven 24.

Voor alle andere organisaties geldt dat er alleen afstemming plaatsvindt op casusniveau en dat de samenwerking niet is ingebed in de organisatie. Het maken van afspraken met de (specialistische) jeugdhulp wordt in de ervaring van bestuurders/managers van onderwijsorganisaties bemoeilijkt door het grote aantal jeugdhulpaanbieders. Specialistische jeugdhulpaanbieders geven hetzelfde aan: er zijn te veel onderwijsorganisaties om contact mee te houden. Bovendien is terugkoppeling volgens jeugdhulpaanbieders niet altijd nodig, omdat de jeugdhulp losstaat van de schoolgang en scholen niet van de specifieke hulpverlening op de hoogte hoeven te zijn. Illustratief voor de onduidelijkheid over informatie-uitwisseling is dat de betrokken professionals niet weten welke privacyregels gelden en daardoor voor de meest veilige optie kiezen: helemaal geen informatie delen. In een van de groepsinterviews werd duidelijk dat sommigen denken te weten dat er niets uitgewisseld mag worden met andere professionals zonder toestemming van de ouders. Terwijl anderen aangeven dat er meer mag dan vaak wordt gedacht. In het algemeen regelt de Jeugdwet dat uitwisseling van cliëntgegevens tussen organisaties alleen mogelijk is met instemming van ouders en/of jeugdige (afhankelijk van de leeftijd). Daarnaast is het mogelijk om casuīstiek anoniem te bespreken.

De casus mag daarbij niet herleidbaar zijn naar kind of gezin. Tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties zijn volgens onderwijs- en jeugdhulpprofessionals geen afspraken over wie in welke situatie de casusregie voert en hoe de informatie-uitwisseling plaatsvindt. Dit speelt voornamelijk bij de complexe casussen waarbij allerlei organisaties een rol hebben, zoals school, specialistische jeugdhulp en leerplicht. Bij eenvoudige casussen is veel duidelijker dat de gezinsspecialist, de schoolmaatschappelijk werker (op het Albeda) of het wijkteam de regie heeft. Over de samenwerking vindt enige evaluatie plaats. Minters en de jeugdverpleegkundigen evalueren de samenwerking met scholen. Er vindt soms evaluatie plaats op casusniveau, maar hier zijn geen afspraken over. Norm 3c. De uitvoering van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam is doelmatig vormgegeven op het niveau van de professionals. De mate waarin de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam in de praktijk doelmatig is vormgegeven, verschilt per organisatie, en zelfs per professional of per casus (zie ook Herijking inkoop jeugdhulp in de MVS-gemeenten). Het valt daarbij op dat professionals uit beide sectoren soms meer en soms juist minder van de ‘ander’ verwachten.

Dit is een signaal dat er onduidelijkheid bestaat over ieders rol in de samenwerking. Daarnaast bestaat er op casusniveau onduidelijkheid wie de regie heeft wanneer uiteenlopende partijen (waaronder onderwijs- en jeugdhulporganisaties) een rol hebben bij de jongere of het gezin.

24 Jeugdhulpverpleegkundigen vanuit het CJG werken deels school gebonden en stemmen jaarlijks met de scholen en

leerrecht af wat de verwachtingen van elkaar zijn. CJG Rijnmond biedt jeugdgezondheidszorg en meer preventieve opvoedondersteuning en beschouwd zichzelf niet als jeugdhulporganisatie. RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

37 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Bij lichte problematiek die binnen de school of in het wijkteam kan worden opgelost, levert dit geen problemen op. Juist bij de complexe casussen, waarin verschillende organisaties een rol hebben vanwege meervoudige problematiek bij de jongere of het gezin, ontstaat discussie over wie waarvoor verantwoordelijk is. In sommige gevallen heeft dit ertoe geleid dat jongeren maanden moesten wachten tot zij de hulp kregen die zij nodig hadden. Indicatoren voor norm 3c Mate waarin eraan wordt voldaan 17. De taken en verantwoordelijkheden in de uitvoeringspraktijk zijn helder voor de betrokken professionals. 18. De professionals weten welke partijen betrokken zijn bij de samenwerking, wat de rol is van iedere partij en wie de leiding heeft over de samenwerking in de praktijk(netwerken). 19. Er is een communicatiestructuur die eventuele verschillen tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp in bijvoorbeeld werkwijzen, culturen, werktijden en privacyregels overbrugt. 20. De betrokken professionals spreken elkaar met enige regelmaat face-to-face. +/21. De betrokken professionals evalueren met enige regelmaat met elkaar hoe de samenwerking verloopt en of de samenwerking bijdraagt aan het bereiken van de doelen. 22. Er is een cultuur waarin de professionals uit onderwijs en jeugdhulp elkaar ge+/makkelijk kunnen aanspreken. 23.

De professionals beschikken over de kennis over elkaars sector die nodig is om doeltreffend samen te kunnen werken en snappen en respecteren de mogelijkheden en onmogelijkheden in de andere sector. Onderbouwing Indicator 17 De professionals en de managers vanuit het onderwijs en de jeugdhulp weten wat de taken en verantwoordelijkheden zijn van beide sectoren, zoals deze wettelijk en financieel zijn vastgelegd. In de praktijk blijken de beelden over ieders taken en verantwoordelijkheden echter veel diffuser dan op papier. Een voorbeeld hiervan dat in de interviews werd genoemd is dat een deel van de onderwijsprofessionals en -managers ervaren dat zij vormen van (lichte) hulpverlening kunnen bieden. Een deel van de jeugdhulpverleners ziet het bieden van lichte ondersteuning echter als een taak voor de jeugdhulp. Aan de andere kant zijn er ook jeugdhulpverleners die van mening zijn dat scholen wel zelf lichte ondersteuning kan bieden waardoor zij in sommige situaties minder snel de jeugdhulp in hoeven te schakelen. Bijvoorbeeld als het gaat om het inzetten van een adhd-aanpak, zonder dat de diagnose daadwerkelijk is gesteld. Een ander voorbeeld van de van elkaar verschillende beelden over ieders taken en verantwoordelijkheden heeft betrekking op wie het intakegesprek voert.

De meeste hulpverleners vertelden dit echt als een taak van de hulpverlening te zien, omdat zij anders niet goed kunnen inschatten welke hulp nodig en passend is. Onderwijsprofessionals vertelden echter dat zij ervaren dat jeugdhulpprofessionals onnodig opnieuw met een jongere een volledig intakegesprek voeren, terwijl op school ook al een deel van de intake of een diagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Vanwege de onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden vertelden vertegenwoordigers van zowel de onderwijsinstellingen als de jeugdhulporganisaties dat ze veel waarde hechten aan jeugdhulp in de school. Leerlingen (en ouders) zouden volgens hen hiermee in een voor hen vertrouwde omgeving hulp kunnen ontvangen, waardoor de stap voor ouders en jongeren om met jeugdhulp te starten kleiner is dan dat ze met hun kind naar een wijkteam of specialistische hulpverlener moeten gaan. Indicator 18 De professionals en managers van onderwijs- en jeugdhulporganisaties zijn tevreden over de rol die de gezinsspecialist vervult in de samenwerking. Docenten weten de gezinsspecialist over het algemeen goed te vinden als zij vragen hebben over een leerling. Andersom zijn ook de jeugdprofessionals positief over de inbreng van de gezinsspecialist in de school. De samenwerking rond preventieve en relatief eenvoudige hulp lijkt hiermee in de praktijk goed te verlopen.

Dit is anders bij de meer complexe hulpvragen. Als de stap naar specialistische

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

38 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen jeugdhulp gezet moet worden, is het voor de professionals vaak onduidelijk wie de casusregie heeft en wil of kan pakken. De mate waarin de samenwerking doelmatig is vormgegeven is dan sterk persoonsafhankelijk. Indicator 19 Bij professionals en managers van onderwijs- en jeugdhulporganisaties zijn er de nodige irritaties zijn over de communicatie tussen de onderwijs- en jeugdhulporganisaties, in het bijzonder waar het gaat om specialistische jeugdhulp. In de ervaring van de onderwijsprofessionals zijn jeugdhulpverleners beperkt bereikbaar en brengen ze scholen niet op de hoogte van het verloop van de hulpverlening. Ook vanuit de gezinsspecialist verwachten ze soms meer terugkoppeling over de ingezette jeugdhulpverlening. Andersom ervaren veel jeugdhulpprofessionals een te hoog verwachtingspatroon vanuit scholen. Zij geven aan dat zij simpelweg onvoldoende tijd hebben om over iedere casus met scholen contact te houden. Daarnaast denken veel jeugdhulpverleners dat ze geen informatie over het hulptraject met scholen mogen delen vanwege privacyregels. Volgens een geïnterviewde onderwijsbestuurder interpreteert iedereen de wet op privacy op een andere manier, wordt er veel angst gezaaid, en is het persoonsafhankelijk of er informatie gedeeld wordt.

Het valt op dat de mate waarin en welke informatie wordt gedeeld per professional en per casus verschilt. De punten waarover irritatie is rondom de communicatie tussen het onderwijs en de specialistische jeugdhulp illustreren de onduidelijkheid over hoe de samenwerking in de praktijk vormgegeven kan en mag worden. Indicator 20 De zorgcoördinator, Oos en gezinsspecialist spreken elkaar regelmatig face-to-face in het ondersteuningsteam. Daarnaast spreekt de gezinsspecialist regelmatig de andere jeugdhulpprofessionals in het wijkteam. Verder is er alleen afstemming op casusniveau. In de groepsinterviews met de professionals bleek dat de jeugdhulpprofessionals en de onderwijsprofessionals elkaar nog niet kenden. We merkten bijvoorbeeld dat ze tijdens de groepsinterviews nieuwe inzichten kregen over elkaars perspectief op de onderlinge samenwerking en ook de mogelijkheden die de professionals vanuit de eigen organisatie hebben om de samenwerking aan te gaan. Deze observatie onderstreept het belang van persoonlijke contacten tussen de professionals uit beide sectoren. Het vergroot het onderlinge begrip en daarmee vaak ook de motivatie om samen aan de slag te gaan met een casus. Indicator 21 Evaluatie vindt plaats op casusniveau, afhankelijk van de casus en de betrokken professional. Er vindt verder geen evaluatie plaats over de samenwerking.

Indicator 22 De mate waarin men elkaar aanspreekt op wat wel en niet goed gaat is sterk persoonsafhankelijk. Indicator 23 Onderwijs- en jeugdhulpprofessionals vertelden beiden dat ze beperkt kennis hebben over de andere sector. Dit is een mogelijke verklaring voor de hierboven beschreven onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden van de onderwijs- en de jeugdhulpsector bij het samen bieden van passende en integrale hulp. De professionals geven aan dat de onbekendheid met de andere sector ertoe leidt dat verwijzingen niet goed gaan en dat als gevolg hiervan jongeren weer naar een andere jeugdhulporganisatie moeten als bij de intake blijkt dat de op dat moment betrokken jeugdhulporganisatie niet de hulp kan bieden die nodig is. Als dit gebeurt komt de jongere opnieuw op een wachtlijst terecht. Een ander voorbeeld is dat in de ervaring van de jeugdhulpprofessionals niet alle onderwijsprofessionals en -managers begrijpen dat (a) de jeugdhulp alleen een hulptraject kan starten als ouders hier toestemming voor geven of (b) een bezoek door de hulpverlener aan het onderwijs niet past binnen het budget dat zij voor de hulpverlening ontvangen. Norm 3d. De uitvoering van de samenwerking tussen de domeinen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Vlaardingen en Schiedam komt overeen met de gemaakte afspraken. Deze norm kent geen indicatoren.

We beschrijven in hoeverre de samenwerking in de praktijk overeenkomt met de daarover gemaakte afspraken, zoals beschreven onder norm 2a en 2b. De gemeenten hebben met Minters concrete afspraken gemaakt over welke rol Minters vervult in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp, namelijk het leveren van gezinsspecialisten op v(s)o-scholen. Deze afspraken worden uitgevoerd zoals beoogd. Daarmee wordt aan de norm voldaan.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

39 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Norm 3e. De betrokken actoren ervaren dat de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de gemeenten Schiedam en Vlaardingen leidt tot passende en integrale hulp aan kinderen en gezinnen. Op alle niveaus in zowel het onderwijsdomein als in de jeugdhulp geven betrokkenen dezelfde definitie over wat passende en integrale hulp is en over het belang van samenwerking daarbij. Daar waar de professionals uit deze domeinen met elkaar samenwerken om lichte hulpvragen van jongeren te ondersteunen, hebben zij de ervaring dat ze over het algemeen passende en integrale hulp kunnen bieden. Als het gaat om complexe hulpvragen van jongeren ervaren professionals niet altijd dat ze passende en integrale hulp kunnen leveren, mede doordat de samenwerking niet soepel verloopt. Indicatoren voor norm 3e

24. Binnen de domeinen onderwijs en jeugdhulp heerst op alle niveaus (gemeente, strategisch niveau bij de organisatie en de uitvoerende professionals) hetzelfde beeld over wat passende en integrale hulp is en over het belang ervan. 25. De betrokken professionals ervaren dat zij door de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp nog beter passende en integrale hulp kunnen leveren.

Mate waarin eraan wordt voldaan +

+/-

Onderbouwing Indicator 24 De gemeentebestuurders, de beleidsadviseurs van de gemeente, de managers bij de jeugdhulp- en onderwijsinstellingen en de jeugdhulp- en onderwijsprofessionals hebben allemaal hetzelfde beeld hebben over wat passende en integrale hulp is. Ook vinden zij het allemaal belangrijk dat de jeugd in Schiedam en Vlaardingen passende en integrale hulp krijgt, en zien zij een duidelijke meerwaarde van de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp om passende en integrale hulp te kunnen bieden. Bovendien streven alle door ons geïnterviewde professionals hetzelfde doel na, namelijk een positieve ontwikkeling van de jongeren in Vlaardingen en Schiedam (zie ook ‘Samenwerking ondersteuningsteams Maassluis, Schiedam, Vlaardingen, oktober 2019’). Indicator 25 In de ervaring van de geïnterviewde jeugdhulp- en onderwijsprofessionals voldoet de huidige samenwerking op casusniveau om passende en integrale hulp te verlenen bij lichte hulpvragen. In dit kader noemt vrijwel iedereen de inzet van de gezinsspecialist als een belangrijke succesfactor. Op het moment dat onderwijsprofessionals samen met de gezinsspecialist signaleren dat de hulpvraag complexer is of wordt en/of als er specialistische jeugdhulp nodig is, wordt het samen bieden van integrale en passende hulp echter moeilijk.

Zowel de onderwijs- en jeugdhulpprofessionals vertelden dat dit vooral wordt veroorzaakt door praktische belemmeringen, die in veel gevallen te maken hebben met rolonduidelijkheid in de samenwerking. Dit speelt vooral bij complexe hulpvragen die vanuit de school worden aangedragen 25 of casussen waarbij de jeugdhulpprofessional constateert dat er ook ondersteuning binnen de school nodig is. Dan is het onduidelijk wie de regie heeft en uit welk ‘potje’ de hulp wordt gefinancierd. Dit heeft nogal eens als gevolg dat het maanden duurt voordat een jongere de ondersteuning krijgt die hij of zij nodig heeft. Wanneer een jongere wordt doorverwezen naar de specialistische jeugdhulp speelt ook dat er sprake is van lange wachtlijsten. Ook hierdoor duurt het regelmatig maanden tot passende ondersteuning geboden wordt. Of het door de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs mogelijk is om passende hulp te bieden, verschilt tussen het voortgezet (speciaal) onderwijs en het mbo. In het voortgezet (speciaal) onderwijs is de samenwerking sterk afhankelijk van de inzet van de zorgcoördinator, de gezinsspecialist en jeugdverpleegkundige. Het mbo werkt nauwelijks samen met jeugdhulporganisaties.

Enkele van de geïnterviewde professionals vanuit het mbo zouden wel graag meer samenwerken met de jeugdhulp omdat ze denken dat dit kan helpen bij het geven van passende hulp aan studenten die dit nodig hebben.

25 Onderwijs kan niet rechtstreeks doorverwijzen naar specialistische jeugdhulp, dit gebeurt via het wijkteam.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

40 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

6

Sturing van de gemeenten

In dit hoofdstuk is de mate van sturing door de gemeenten beschreven. Bij norm 4a beschrijven we of er sturing op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp plaatsvindt. Norm 4b gaat in op de mate waarin de sturing overeenkomt met de gemaakte afspraken. De mate waarin onderwijs- en jeugdhulporganisaties sturing ervaren op de afstemming tussen het onderwijs en de jeugdhulp komt aan bod bij norm 4c. Tot slot beschrijven we bij norm 4d welke sturingsstrategieën de gemeenten gebruiken om passende en integrale hulp te creëren. Sturing is een breed begrip en kan op verschillende manieren plaatsvinden. In dit onderzoek hebben we een aantal indicatoren in het normenkader opgenomen op basis van de literatuur over intersectorale samenwerking (e.g. Koelen et al., 2012; Bryson et al., 2016) en de landelijke evaluatie passend onderwijs (Van der Grinten et al. 2018). We hebben de gemeentelijke sturing op de samenwerking tussen het onderwijs en jeugdhulporganisaties op deze indicatoren beoordeeld. Norm 4a. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen sturen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. De gemeenten Schiedam en Vlaardingen hebben veel ambities en plannen voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. We stellen echter vast dat de gemeenten beperkt sturen op deze samenwerking. Een vorm van sturing die beide gemeenten toepassen is dat ze overlegstructuren faciliteren.

De overleggen zijn over het algemeen apart voor het onderwijs of jeugdhulpdomein, terwijl er nog geen gezamenlijke overlegstructuren zijn. Wel blijken de gemeenten in de sectorale overleggen steeds meer aandacht te besteden aan de samenwerking. Indicatoren voor norm 4a

26. De managers van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties hebben bij de gemeente een vaste contactpersoon die gaat over de samenwerking. 27. De gemeente stuurt op de samenwerking door de ervaren belemmeringen en drempels tijdens de samenwerking weg te nemen. 28. De gemeente stuurt op de samenwerking door contacten tussen onderwijs- en jeugdhulporganisaties te stimuleren en faciliteren op zowel strategisch niveau als in de praktijk. 29. Scholen en jeugdhulporganisaties zijn transparant richting de gemeente, waardoor de gemeente haar taak als faciliterende en ondersteunende partij kan uitvoeren.

Mate waarin eraan wordt voldaan +/+/-

+/-

Onderbouwing Indicator 26 Sommige bestuurders van een onderwijs- of jeugdhulporganisatie hebben een vaste contactpersoon bij de gemeente. Anderen vertelden geen vaste contactpersoon te hebben. Indicator 27 De gemeente neemt geen belemmeringen of drempels weg die in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp aanwezig zijn. De belemmeringen en drempels die bestuurders en professionals ervaren zijn o.a. onduidelijk over de casusregie en wachtlijsten. De gemeente Schiedam geeft aan het ook niet als haar directe rol te zien belemmeringen of drempels weg te nemen. Wel is er de doorbraaktafel van de gemeente, waar casussen die zijn vastgelopen, besproken kunnen worden. In de gemeente Vlaardingen is er ook een opschaalroute, waarbij een ambtenaar kan worden ingeschakeld als een casus vastloopt. Als er sturing plaatsvindt, is dit op casusniveau en niet structureel. Indicator 28 De gemeenten tonen initiatief door bijeenkomsten te organiseren, zoals het REA, LEA en in het kader van de strategische agenda onderwijs en de herijking MVS. Door de herijking ervaren bestuurders en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties meer sturing dan voorheen. Het is mede daardoor voor RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

41 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen bestuurders/managers en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties duidelijk dat de gemeenten de ambitie hebben de samenwerking te verbeteren. Maar, zoals reeds eerder benoemd blijven de bijeenkomsten sectorale aangelegenheden. Indicator 29 De bestuurders van de onderwijs- en jeugdhulporganisaties zeggen transparant te zijn over de samenwerking richting de gemeenten. Door de beperkte mate van sturing op de samenwerking vanuit de gemeenten, geven sommige bestuurders echter aan dat zij niet weten waar zij transparant over zouden moeten zijn. In de ervaring van de beleidsadviseurs van de gemeenten verschilt het ook per school en per jeugdhulporganisatie hoe transparant ze zijn. Bij de minder transparante organisaties is het voor de gemeenten mogelijk moeilijker om te sturen op intersectorale samenwerking. Norm 4b. De sturing van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp komt overeen met de gemaakte afspraken. Deze norm kent geen indicatoren. Duidelijke afspraken over hoe de gemeenten sturen op de samenwerking tussen jeugdhulp en onderwijs ontbreken, daardoor is het niet mogelijk om uitspraken te doen over deze norm. Onder norm 3b is wel te lezen dat de gemeenten met Minters afspraken hebben over de rol die hun gezinsspecialisten vervullen in de samenwerking.

Dit kan gezien worden als een vorm van sturing. De afspraken hierover worden uitgevoerd zoals beoogd. Het mbo koopt zelf jeugdhulp in. Hierdoor heeft de gemeente weinig zicht op de samenwerking tussen mbo-instellingen en de jeugdhulp en heeft de gemeente ook geen mogelijkheden om hierop te sturen. Norm 4c. Hoe ervaren de bestuurders, managers en professionals bij de onderwijs- en jeugdhulporganisaties de sturing van de gemeente op de afstemming tussen het onderwijs en de jeugdhulp? Deze norm kent geen indicatoren. Onderwijs- en jeugdhulpprofessionals en bestuurders en managers van onderwijs- en jeugdhulpinstellingen ervaren (vrijwel) geen sturing van de gemeenten op de onderlinge samenwerking. Enkele geïnterviewden vertellen wel te ervaren dat zowel de gemeente Schiedam als de gemeente Vlaardingen bezig zijn om het thema op de kaart te zetten. Bijvoorbeeld in de eerdergenoemde overlegstructuren, werkgroepen en het herijkingstraject. Norm 4d. De gemeenten gebruiken sturingsstrategieën om vanuit de domeinen onderwijs en jeugdhulp de betrokken actoren te faciliteren om gezamenlijk passende en integrale hulp te bieden aan leerlingen en hun ouders. De gemeenten gebruiken vrijwel geen sturingsstrategieën om samenwerking te faciliteren om passende en integrale hulp vorm te geven. Dit is ook de ervaring van alle onderwijs- en jeugdhulporganisaties.

De gemeenten hebben er met de gezinsspecialisten wel voor gezorgd dat de laagdrempelige hulp aansluit bij de scholen en een verbinding is met de wijkteams. Sturing op een goede afstemming en samenwerking tussen het onderwijs en de gespecialiseerde jeugdhulp voor het aanpakken van complexere problematiek ontbreekt echter. Indicatoren voor norm 4d

30. De gemeente stimuleert partijen uit onderwijs en jeugdhulp om een gezamenlijk doel voor het bieden van passende en integrale hulp op te stellen 31. De gemeente zorgt ervoor dat de hulpverlening op elkaar aansluit en dat er zo min mogelijke wachttijden zijn tussen verschillende vormen van zorg. 32. De gemeente stimuleert en faciliteert de onderwijs- en jeugdhulporganisaties om met kinderen en ouders samen te zoeken naar de zorg die bij hun past. 33. De gemeente stimuleert onderwijs- en jeugdhulporganisaties om bij leerlingen de problemen op meerdere gebieden, zoals school, thuis en vrije tijd, aan te pakken.

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

Mate waarin eraan wordt voldaan +/-

42 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen Onderbouwing Indicator 30 De bestuurders en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties ervaren – op één organisatie na – niet dat de gemeenten hen op dit moment stimuleren om een gezamenlijk doel op te stellen voor het bieden van passende en integrale hulp. Dit ondanks de ambities en plannen voor de samenwerking die terug te vinden zijn in de strategische agenda onderwijs en de herijking MVS. Onder de bestuurders/managers en professionals in de domeinen onderwijs en jeugdhulp leeft de hoop dat deze ambities en plannen uiteindelijk zullen leiden tot duidelijkere kaders en afspraken over de samenwerking. Indicator 31 De gemeente heeft gezinsspecialisten ingezet op scholen. Deze laagdrempelige zorg sluit goed op het onderwijs aan en kan vrijwel direct ingezet worden. Er is vanuit de gemeente geen sturing op de aansluiting tussen wijkteams en gespecialiseerde jeugdhulp. Er zijn lange wachtlijsten bij gespecialiseerde jeugdhulp (meestal maanden), net als in veel andere gemeenten 26. Met de huidige overschrijdingen van het jeugdhulp budget en de tekorten van personeel in de jeugdhulp is het de vraag of het realistisch is dat wachtlijsten sterk af kunnen nemen. Indicator 32 De meeste bestuurders en professionals ervaren niet dat gemeenten het gezamenlijk op zoek gaan naar de beste zorg stimuleren.

Medewerkers van wijkteams gaan met ouders en jongeren in gesprek over hun hulpvraag en op basis daarvan op zoek naar passende ondersteuning. Volgens zowel verschillende bestuurders als professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties weten jongeren en ouders niet altijd wat hun hulpvraag is of kunnen zij deze niet zelf formuleren. Het gevolg kan zijn dat de jeugdhulp stopt, terwijl de problematiek volgens professionals nog steeds speelt. Indicator 33 Het aanpakken van problemen op meerdere gebieden (zoals school, thuis en vrije tijd) wordt volgens bestuurders en professionals van onderwijs- en jeugdhulporganisaties nauwelijks gestimuleerd. Sinds kort is Yets aanwezig op een deel van de v(s)o-scholen, waarmee dit wel wordt gestimuleerd. Zij zetten coaches om kwetsbare jongeren te ondersteunen in hun ontwikkeling en uitval te voorkomen.27

26 Bijvoorbeeld bij de gemeente Amsterdam (Van Rooijen & Strating, 2020). 27 Https://www.yetsfoundation.nl/

RKC | Rapport Jeugdhulp en passend onderwijs

43 van 46

Rekenkamercommissie Schiedam-Vlaardingen

7

Referenties

Bryson, J. M., Crosby, B. C., & Stone, M. M. (2006). The design and implementation of cross-sector collaborations: Propositions from the literature. Public Administration Review, 66(SUPPL. 1), 44-55. Friele, R. D., Bruning, M.R., Bastiaanssen, I. L. W., Boer, R. de, Bucx, A. J. E. H., Groot, J.F. de, Pehlivan, T., Rutjes, L., Sondeijker, F., Yperen, T. A. van, & Hageraats, R. (2018). Eerste Evaluatie Jeugdwet. Den Haag: ZonMw. Grinten, M. van der, Walraven, M., Kooij, D., Bomhof, M., Smeets, E., & Ledoux, G. (2018). Landelijke inventarisatie aansluiting onderwijs en jeugdhulp 2018. Utrecht/Nijmegen/Amsterdam: Oberon/KBA Nijmegen/Kohnstamm Instituut. Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (2018). Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd: Toezicht bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering Signalement Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd: Jeugdbeschermingsketen in gevaar. Utrecht: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Kalverboer, M. (2018, 19 april). Position paper betreffende de evaluatie van de Jeugdwet [brief van de kinderombudsvrouw]. Koelen, M. A., Vaandrager, L., & Wagemakers, A. (2012). The healthy alliances (HALL) framework: Prerequisites for success. Family Practice, 29(SUPPL. 1), i132-i138. Ledoux, G. & Waslander, S., m.m.v. Eimers, T. (2002). Evaluatie passend onderwijs. Eindrapport Mei 2020.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9926423/1