Overzicht van wijzigingen
Tekst van het document
4.
Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele beperking, de veiligheid van de route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk om een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen. Derde lid In het derde lid is opgenomen wanneer een vergoeding voor een begeleider kan worden verstrekt. Dat is wanneer: - de leerling jonger dan negen jaar niet zelfstandig kan reizen; of - de leerling van negen jaar of ouder vanwege zijn handicap niet zelfstandig kan reizen.
Vierde lid Als een begeleider meer dan één leerling begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor
14
5.
aanmerking.
bekostiging in aanmerking.
Het college verstrekt geen vergoeding op basis van de kosten van openbaar vervoer of de fiets voor een leerling die het voortgezet onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs bezoekt en die zelfstandig met het openbaar vervoer of fiets kan reizen.
Vijfde lid Volgens artikel 4, het vierde lid, van de Wec en artikel 4, eerste lid, van de Wvo komen leerlingen slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Voor de duidelijkheid is dit expliciet in de verordening opgenomen.
Artikel 15. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, indien:
a.
aanspraak bestaat op grond van artikel 14 en de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is;
Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden toegekend. Deze uitzonderingen zijn in het eerste lid genoemd. Voor de onderdelen a en b geldt dat er aanspraak moet bestaan op grond van artikel 14. Eerste lid, onderdeel a: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel, zo oordeelde de Raad van state. Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning – school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis bekostiging op basis van openbaar vervoer. De reistijd wordt gedefinieerd als: de tijdsduur tussen het vertrek van de woning en de aankomst op school, volgens de reisplanner OV, www.9292ov.nl.
b.
aanspraak bestaat op grond van artikel 14 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of
Eerste lid, onderdeel b: Begeleiding van de leerling in het openbaar onderwijs is niet mogelijk De ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te tonen dat het onmogelijk is om hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) vervoeren van hun kinderen, wanneer dit nodig is. Bij de behandeling van het wetsvoorstel passend onderwijs in de Tweede Kamer op 15 maart 2012 is een amendement van de leden Dijkgraaf en Ferrier aangenomen en overgenomen. Dit amendement heeft betrekking op de positie van de ouders inzake het Leerlingenvervoer. In de toelichting staat: De positie van de ouders inzake Leerlingenvervoer mag door de invoering van passend onderwijs niet verzwakken. Niet alleen moet het aanbod passend zijn voor de leerling, maar ook moet de inzet die van de ouders wordt gevraagd redelijk zijn. Van ouders mag uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van het Leerlingenvervoer illusoir wordt. In artikel 4 van de Wpo. Wvo en Wec is dit als volgt verankerd: De regeling houdt rekening met de van ouders redelijkerwijs te vergen inzet en voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is.
c.
de leerling, naar het oordeel van het college, vanwege zijn handicap, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer of fiets gebruik te maken.
Eerste lid, onderdeel c: Leerling kan door zijn handicap niet van het openbaar vervoer gebruik maken Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer. De vraag hierbij is niet of de leerling een handicap heeft maar of hij vanwege zijn handicap niet in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.
15
2.
3.
Onder ‘ernstige benadeling van het gezin’ als genoemd in het eerste lid aanhef en onder b wordt verstaan: a. de ouders kunnen aantoonbaar niet langer het werk uitoefenen of een (voltijds)opleiding volgen als zij zorg moeten dragen voor de begeleiding van hun kind naar school. Dit moeten zij aantonen met een werkgeversverklaring of inschrijfbewijs van de school; b. er is sprake van een éénoudergezin – of vergelijkbare situatie – waar nog een ander kind jonger dan 9 jaar naar school moet worden gebracht op hetzelfde tijdstip; c. de reisduur van de begeleiding neemt meer dan vier uur per dag in beslag; of d. de begeleiding kan om andere dan de hiervoor genoemde redenen in redelijkheid niet van ouders worden verwacht. Dit moet worden aangetoond met een verklaring van een deskundige. Het college kan op verzoek van de ouders een BSO of opvangadres als woning aanmerken indien: sprake is van een vast patroon, dat wil zeggen, één vast adres alsook op vaste dagen in de week; de BSO of het opvangadres “op de route is gelegen” en niet leidt tot een langere reistijd; en er geen meerkosten aan verbonden zijn, tenzij ouders de meerkosten aan het college vergoeden.
Artikel 16. Vergoeding van de kosten op basis van het eigen vervoer 1. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een kilometervergoeding op basis van de hoogte van de belastingvrije kilometervergoeding voor reiskosten over de kortste afstand tussen de woning en de school. Voor het bepalen van de afstand wordt uitgegaan van de kortste route berekend op basis van de ANWBrouteplanner, www.anwb.nl. 3. Er wordt geen vergoeding verstrekt voor het vervoer tussen de middag. 4. Ouders die meer dan één leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, ontvangen de vergoeding zoals bedoeld in het tweede lid, voor slechts één leerling. 5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen een vergoeding ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt. Artikel 17.
Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening die goedkoper is dan de kosten van het vervoer waarop op grond van deze verordening aanspraak kan worden gemaakt. Artikel 18. 1.
2.
Vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie Met inachtneming van artikel 4 kent het college een vervoersvoorziening aan de ouders toe voor het weekeinde- en vakantievervoer van de leerling die, met het oog op het volgen van voor de leerling passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Vervoer in de weekeinden als bedoeld in het vorige lid
Tweede lid In het tweede lid is opgenomen wat onder ‘ernstige benadeling’ ,als bedoeld in het vorige lid, onder b, wordt verstaan en hoe dit aangetoond moet worden.
Derde lid In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om op verzoek van de ouders een BSO of opvangadres als woning aan te merken. Gebleken is dat door deze mogelijkheid een bijdrage kan worden geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van ouders.
Als de ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een taxi(busje) dat toch al rijdt. Een ander belangrijke reden kan zijn dat vergoeding van het vervoer door de ouders bijdraagt aan de zelfredzaamheid van de leerling en/of de ouders. Als ouders toestemming krijgen om de leerling zelf te vervoeren, dan wordt een vergoeding per kilometer verstrekt. De vergoeding geldt voor de auto en wordt niet per leerling verstrekt. Wanneer ouders meerdere kinderen vervoeren wordt dus slechts de vergoeding voor één leerling verstrekt. Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.
Dit artikel biedt de mogelijkheid om maatwerk te leveren aan ouders en de meest passende voorziening te verstrekken waarmee de zelfredzaamheid van de leerling wordt vergroot.
Artikel 4, lid 6, Wec geeft aan in de verordening bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In Titel 4 wordt hier invulling aan gegeven. Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.
16
3.
wordt niet toegekend voor de weekeinden die vallen binnen de schoolvakanties. Vakantievervoer van de leerling als bedoeld in het eerste lid wordt slechts toegekend voor zover de vakanties voorkomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of pleeggezin verblijft deze voorziening.
Artikel 19. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 27.900 wordt slechts een vergoeding verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 5 bepaalde afstand te boven gaan. 2. In geval het college in plaats van een vergoeding toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 5 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.900. 3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OVbetaalmogelijkheid voor de in artikel 5 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.
Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4. Het bedrag van € 27.900 genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2023 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.900. 5. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die vanwege hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. 6. Wanneer de aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door een voogdijinstelling die als ‘ouder’ kan worden aangemerkt, geldt geen drempelbedrag omdat zij geen natuurlijk persoon zijn en derhalve geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben.
Artikel 4, lid 7, Wpo biedt gemeenten de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week. Kilometergrens Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de verordening is dat zes kilometer. Doelgroep Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt.
Een uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun structurele beperking op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden. Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening. Aan ouders van leerlingen die een school voor speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de Wec deze mogelijkheid niet biedt. Het drempelbedrag is ook niet van toepassing wanneer de leerling vanwege zijn handicap niet zelfstandig kan reizen (lid 5). Inkomen Onder inkomen moet worden verstaan: het inkomensgegeven, als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar. De inkomensgrens voor het drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4, lid 7, Wpo. Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Dat betekent dat voor schooljaar 2022/2023 de inkomensgegevens van peiljaar 2020 relevant zijn. Hoogte drempelbedrag
17
Voor de hoogte van het drempelbedrag is de gemeente gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens (= zes kilometer) te overbruggen. Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied. Het drempelbedrag geldt voor ieder kind van het gezin. Wanneer aan meerdere kinderen van een gezin een vervoersvoorziening is toegekend, en daarbij het inkomen van de ouders relatief laag is, kan het drempelbedrag een grote financiële belasting betekenen. In dat geval kan het college op grond van de hardheidsclausule besluiten dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer per gezin geheven wordt.
Als de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst. Structurele daling van het inkomen Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de hardheidsclausule. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer dienen. Pleegouders Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt. Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Volgens een uitspraak van de ABRvS is het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag in rekening gebracht kan worden. Wanneer de aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door een voogdijinstelling kan geen drempelbedrag in rekening worden gebracht omdat een instelling niet als ouders wordt aangemerkt in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting.
Invordering drempelbedrag Wanneer de ouders aanspraak maken op aangepast vervoer dienen de ouders het drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Wanneer de ouders in gebreke blijven, vervalt de aanspraak en wordt het vervoer stopgezet. Artikel 20. Financiële draagkracht 1. Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde vergoeding verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2. In geval het college in plaats van een vergoeding toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid
Artikel 4, lid 11, Wpo biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer is dan 20 kilometer. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders. Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele beperking op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige beperking niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht. De verschuldigde bijdragen worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4, Wpo.
18
en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Inkomen in euro’s 0 – 36.900 36.900 – 43.650 43.650 – 50.400 50.400 – 56.700 56.700 – 64.800 64.800 – 71.100 71.000 en verder voor elke 5.000 extra 4.
5.
6.
Eigen bijdragen in euro’s 0 145 630 1.170 1.715 2.300 550 erbij
Zie ook de toelichting bij artikel 19 onder ‘Structurele daling van het inkomen’, ‘Pleegouders’ en ‘Invordering drempelbedrag’. Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage Wanneer de ouders op grond van dit artikel een draagkrachtafhankelijke bijdrage (per gezin) moeten betalen die nihil is of lager is dan het drempelbedrag als bedoeld in artikel 19, wordt bij de ouders het drempelbedrag (per kind) in rekening gebracht. Een drempelbedrag en een inkomensafhankelijke bijdrage worden niet cumulatief bij de ouders in rekening gebracht.
De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van schooljaar 2023 – 2024 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzicht van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van schooljaar 2023 – 2024 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande schooljaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun beperking op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige beperking niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Paragraaf 5. Herziening, opschorting en intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening Artikel 21. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.
Eerste lid Ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening zo snel mogelijk door te geven aan het college. Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere: wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing; verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); wijziging van het adres van de school; wijziging van de schooltijden; verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer; wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen.
2.
Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe.
Tweede lid Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte vervoersvoorziening in, en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd (zie de artikelen 19 en 20). Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele bekostiging. Een wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de
19
ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de bekostiging aanpassen. 3.
Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststellen, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening direct en wordt de ten onrechte genoten bekostiging teruggevorderd, dan wel verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoervoorziening.
Derde lid Het college kan, zonder dat ouders of meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte bekostiging is verstrekt. Het derde lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:165).
4.
Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als het college vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening of opgenomen in het besluit op de aanvraag; b. een vervoersvoorziening is verstrekt op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; d. sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling of de ouders gedurende het verblijf in het aangepast vervoer of tijdens het ophalen en afzetten van de leerling; of e. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer.
Vierde lid Deze bepaling biedt de mogelijkheid om een besluit te herzien, op te schorten dan wel in te trekken.
Vierde lid aanhef en onder d en e Een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, kan het college de toegang tot dit vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig en inzittenden in gevaar brengt. Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling of ouder zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer.
Paragraaf 6. Slotbepalingen Artikel 22. Evaluatie Deze verordening wordt jaarlijks geëvalueerd.
Artikel 23. Afwijken van bepalingen Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van artikel 2, zevende lid, artikel 4 en de artikelen 10 tot en met 16 in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Dit artikel regelt dat het college eenmaal per jaar de verordening evalueert.
In dit artikel is bepaald dat het college ten gunste van de ouders kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, lid 12, Wpo, artikel 4, lid 10, Wec en artikel 4, lid 7, Wvo. De hardheidsclausule heeft tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren.
20
Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken. Ter voorkoming van – ongewenste – precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben. De hardheidsclausule kan niet worden gehanteerd om van bepalingen in de wet af te wijken. Artikel 24. Inwerkingtreding en intrekking oude verordening Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening Leerlingen- en Jeugdhulpvervoer Vlaardingen 2020.
Artikel 25. Overgangsbepaling 1. De Verordening Leerlingen- en Jeugdhulpvervoer gemeente Vlaardingen 2020 blijft van toepassing op vervoersvoorzieningen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn toegekend. 2. Aanvragen die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend of aanvragen waarop nog geen besluit is genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, vallen onder de werking van deze verordening.
De verordening treedt in werking op 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de verordening Leerlingen- en Jeugdhulpvervoer 2020. De bepalingen omtrent het jeugdhulpvervoer zijn opgenomen in de Verordening Jeugdhulp Vlaardingen 2023.
Deze bepaling regelt welke verordening van toepassing is.
21
Wijzigingen ten opzichte van de Verordening Leerlingen- en Jeugdhulpvervoer 2020 De volgende wijzigingen zijn in de verordening doorgevoerd: 1. De structuur en indeling van de verordening zijn gewijzigd. De verordening is daardoor toegankelijker en leesbaarder geworden. 2. Er zijn tekstuele aanpassingen gedaan om de verordening leesbaarder te maken. 3. De bepalingen die betrekking hebben op het jeugdhulpvervoer zijn uit de verordening verwijderd en opgenomen in de verordening Jeugdhulp. 4. De verantwoordelijkheid van de ouders en het stimuleren van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling zijn nadrukkelijk in de verordening opgenomen. 5. In artikel 11 is opgenomen dat het college een tijdelijke vervoersvoorziening kan treffen voor telkens een periode van zes weken wanneer de leerling als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft. De mogelijkheid om de leerling een vervoersvoorziening te verstrekken is thans in de Verordening Leerlingen- en Jeugdhulpvervoer 2020 opgenomen om ervoor te zorgen dat deze leerlingen naar de school kunnen blijven gaan waar ze staan ingeschreven. Dit is geen verplichting op grond van de wet maar is opgenomen omdat de gemeente een bredere verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van jeugdigen die in de knel zitten. De bepaling in onderliggende verordening is verruimd door toevoeging van het woord ‘telkens’.
In de praktijk is namelijk gebleken dat de periode van maximaal zes weken te kort is. Vanwege bijv. wachtlijsten in de zorg, of duur van een onderzoek (door de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis) duurt het soms langer voordat (duidelijk is of) een kind weer naar huis kan terugkeren. Voor het welzijn van het kind is het niet goed om in deze situatie tweemaal in korte tijd van school te moeten veranderen. 6. Een aantal bepalingen zijn opgenomen over de wijze waarop het college bijv. de afstand, reistijd en hoogte van de bekostiging bepaalt. Ook is duidelijker weergegeven dat het aangepaste vervoer standaard op reguliere schooldagen en schooltijden plaatsvindt. 7. Ten aanzien van vervoer naar een stageadres is opgenomen dat hiervoor een afzonderlijke aanvraag moet worden ingediend. Tevens is opgenomen dat het stageadres binnen een straal van 20 kilometer van de woning en de school moet zijn gelegen. Het is niet altijd nodig om een vervoersvoorziening naar een stageadres te verstrekken als de leerling al voor Leerlingenvervoer naar school in aanmerking komt. Het stageadres kan namelijk dichter bij de woning liggen of beter toegankelijk zijn voor de leerling. Het is daarom belangrijk om hiervoor een aparte aanvraag te laten indienen. Dit biedt tevens de mogelijkheid aan ouders om tegen een eventuele afwijzing in bezwaar en beroep te gaan. 8.
De bedragen voor een vergoeding voor de fiets of eigen vervoer met de auto zijn opgenomen in de verordening. In de verordening Leerlingen- en Jeugdhulpvervoer werd nog verwezen naar de Reisregeling Binnenland maar die regeling is komen te vervallen. Voor de hoogte van de vergoeding is het advies van de VNG gevolgd. Voor ouders is nu duidelijker wat de hoogte van een vergoeding is. 9. De mogelijkheid om op verzoek van ouders een BSO of opvangadres als woning aan te merken is verruimd. De mogelijkheid om het begrip woning te verruimen was al opgenomen in de verordening. Het is geen wettelijke verplichting maar gebleken is dat het bij kan dragen aan de zelfredzaamheid van ouders. Voorwaarden zijn dat het om een vaste dag en vast adres gaat en dat er geen meerkosten aan verbonden zijn. In de onderliggende verordening is de mogelijkheid opgenomen dat wanneer er wel meerkosten zijn, het toch mogelijk is om aan het verzoek te voldoen mits de ouders de meerkosten aan de gemeente betalen. 22
10. De mogelijkheid om een andere passende vervoersvoorziening te treffen is verruimd. Deze bepaling maakt het mogelijk om maatwerk te bieden mits de kosten niet hoger zijn dan de kosten van de vervoersvoorziening waar op basis van de verordening aanspraak op kan worden gemaakt.
23