Nota bodembeheer 2016-2026
Tekst van het document
Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteit gelden de toepassingseisen van het omliggende gebied (zie § 4.20).
4.14.2
Provinciaal beschermde gebieden Op het grondgebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn archeologie en cultuurhistorie enNatuurnetwerk Nederland (voormalige EHS). Voor een actueel beeld van de ligging van deze gebieden wordt verwezen naar de website van de provincie Zuid-Holland (www.zuid-holland.nl). De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten aanzien van de werkzaamheden. Bij grondwerkzaamheden binnen beschermingsgebieden wordt het provinciale beleid gevolgd.
4.15
Verspreiden onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit)
4.15.1
Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktelichaam Voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Rijkswaterstaat (rijkswateren) of het Hoogheemraadschap van Delfland (overige wateren) het bevoegd gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met Rijkswaterstaat (https://www.rijkswaterstaat.nl) of het Hoogheemraadschap van Delfland (https://www.hhdelfland.nl/).
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
33 / 56
4.15.2
Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.1. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’. <Ontvangstplicht> Verspreiden over Vrij toepasbaar aangrenzend perceel
Achtergrondwaarden (AW2000)
Niet verspreidbaar over aangrenzend perceel
Maximale Waarden verspreiden over aangrenzende percelen en interventiewaarde droge bodem
Figuur 4.1. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.
Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: • Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht. • De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid. • Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. • De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen: • De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen. • De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren. • De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld. • De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing.
Verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel en tijdelijke opslag in weilanddepot Voor het verspreiden van baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35, onder f, Besluit) gelden dezelfde toepassingswaarden als voor andere vormen van toepassen van baggerspecie op de landbodem boven het grondwaterniveau (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56). Ook dan komt het uitgangspunt van
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
34 / 56
stand-still namelijk niet in het geding. Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen. Wel wordt aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang niet-representatieve verontreiniging als gevolg van een lokale bron (puntbron). Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren. Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast. Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om ook op PFAS te analyseren. Dit is niet nodig als de waterbeheerder, in afstemming met de DCMR, heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in haar beheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen.
Voor het toepassen van baggerspecie uit watergangen op de kant is het in het kader van de dubbele toets die normaal gesproken voor toepassen op de landbodem geldt, niet nodig om de bodemkwaliteit vast te stellen. Dit heeft geen toegevoegde waarde omdat de uitkomsten voor het mogen toepassen geen relevante informatie opleveren. Het uitgangspunt is namelijk dat de baggerspecie als afgespoelde grond weer op de landboden kan worden toegepast zonder dat dit tot verslechtering leidt. Het voorgaande komt overeen met de huidige praktijk bij het onderhoud van watergangen door waterschappen waarbij periodiek baggerspecie op de kant wordt gezet. Deze praktijk kan dus doorgang vinden. 4.16
Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodemverontreinigende activiteiten Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is voor bodembedreigende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving, in tegenstelling tot het Activiteitenbesluit, geen nulsituatie-onderzoek meer verplicht. Het nulsituatie-onderzoek bij de start van een activiteit is geen milieubeschermende maatregel, maar een grondslag voor een eindsituatie-onderzoek. Hiermee kan het bevoegd gezag toetsen of door de bodembedreigende activiteit verontreiniging heeft plaatsgevonden. Als de gemeente heeft voorgeschreven dat een nulsituatie-onderzoek verplicht is, dan moet dit worden uitgevoerd. Ook kan op vrijwillige basis een nulsituatie-onderzoek worden uitgevoerd, ter ondersteuning van het (later uit te voeren) eindsituatie-onderzoek. Het eindsituatie-onderzoek is verplicht. Het eindsituatie-onderzoek hangt samen met de beëindiging van de activiteit. Per activiteit wordt aangegeven of bij beëindiging een eindsituatie-onderzoek nodig is.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
35 / 56
Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan de 80percentielwaarde20 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4, kolom 80P). Voor activiteiten waarop de Europese Richtlijn industriële emissies het milieubeschermingsbeginsel van "Integrated Pollution Prevention and Control" (IPPC) van toepassing is, blijft volgens de Europese Richtlijn industriële emissies (art. 22) het nulsituatie-onderzoek wel verplicht. Het bevoegd gezag moet deze opnemen in de omgevingsvergunning. De bodemkwaliteitskaart(en) zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatieonderzoek worden gebruikt. 4.17
Voorkomen verspreiden invasieve exoten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde invasieve exoten (flora) een steeds belangrijkere rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. De uitheemse Japanse duizendknoop brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeenten de verspreiding van deze invasieve exoten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen stellen dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van invasieve exoten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[30] opgesteld.
Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een invasieve exoot (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een invasieve exoot (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/.
20
80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
36 / 56
4.18
Geldigheidsduur van een uitgevoerd onderzoek De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740[31] of en het BRL 1000 – protocol 1001[32] stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen beschouwen de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. Bij een al uitgevoerd onderzoek moet de initiatiefnemer aan de DCMR (namens de gemeenten) aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: • of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; • of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; • qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; • in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Stelt de DCMR (namens de gemeenten) vast dat de onderzoeksresultaten hun actualiteitswaarde hebben verloren, dan kan, met instemming van de DCMR, nog worden overwogen om de verouderde onderzoeksgegevens met een indicatief/beperkt onderzoek te verifiëren of aan te vullen.
Een volledig nieuw onderzoek volgens de BRL 1000 – protocol 1001, de NEN 5740 of NEN 5707 is dan niet nodig. Bij twijfel beslist de DCMR of het bewijsmiddel gebruikt mag worden.
4.19
Uitgevoerde partijkeuring of specifiek onderzoek van de NEN 5740 en gebruik ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) of een specifiek onderzoek van de NEN 574021 is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (zie § 6.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart.
4.20
Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een uitgevoerd onderzoek volgens de NEN 5740 of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) kan blijken dat de kwaliteit van de ontvangende bodem waarin de locatie is gelegen slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis.
21
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
37 / 56
4.21
Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en gebruik ontgravingskaart Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd maar geen specifieke onderzoeksstrategie (zie § 4.19), bijvoorbeeld ter plaatse van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie, geldt het volgende: Binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeenten vinden het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen staan het daarom toe dat, als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de gehalten van de stoffen voldoen aan de 80-percentielwaarde22 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4, kolom 80P), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt.
Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de 80-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de DCMR.
4.22
Toepassen grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast (zie § 6.2.1). De grond moet vanwege opkwellend brak grondwater aanvullend op chloride worden onderzocht (zie § 4.23).
4.23
Toepassen chloride-houdende grond en baggerspecie op en in de landbodem (bodemlaag 0-2 m-mv) Gezien de ligging van het bodembeheergebied aan de Noordzee, het Haringvliet, het Grevelingenmeer, de Maasmond en opkwellend brak grondwater is de vrijkomende grond die wordt toegepast soms belast met zout, waaronder chloriden. De vrijkomende grond dieper dan 2 meter beneden het maaiveld en afkomstig uit gemeenten rondom deze wateren moet vanwege opkwellend brak grondwater aanvullend op chloride worden onderzocht. Chloriden komen van nature voor in de bodem, verspreiden zich makkelijk in de bodem en zijn nauwelijks giftig voor mens en dier. Te veel chloride in de bodem heeft nadelige 22
80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De benoemde percentielwaarden worden aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ is gelegen, wordt de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
38 / 56
invloeden op planten en gewassen23 (onder meer verminderde groei en sterfte van (delen van) de plant of gewas). Om de bodem ter plaatse van (toekomstige) gewasteelt te beschermen voor een te hoog gehalte aan chloride stellen de gemeenten een maximaal gehalten vast voor verschillende bodemgebruikstypen (zie tabel 4.4). Deze chloridegehalten zijn gebaseerd op een eerder opgestelde notitie van de DCMR24. Tabel 4.4: Maximale gehalten chloride in toe te passen grond/baggerspecie bij verschillende bodemgebruikstypen Bodemgebruikstype Natuur, Landbouw en Wonen Industrie met zoutgevoelige bomen in groenzones
Maximaal gehalte aan chloride (in mg/kg ds) 200
- Industrie zonder zoutgevoelige bomen in groenzones - Graslanden waar (melk)vee graast en/of gras wordt geoogst als
500
veevoer
4.24
Nieuw onderkende verontreinigingsbronnen Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen, nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht, et cetera. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling van het in deze nota bodembeheer geformuleerde grondstromenbeleid.
4.25
Mogelijkheden toepassen grond zonder voorafgaand kwaliteitsonderzoek Op basis van het Besluit en de Regeling en de gehanteerde Rotterdamse toetsingsnormen (hoofdstuk 2 en § 4.3) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 5 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Vanwege de verschillende bodemfuncties in een aantal bodemkwaliteitszones, verschillen ook de toepassingseisen (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toepassingskaart’). Om te beoordelen of een grondtoepassing is toegestaan, wordt de ontgravingskwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die is vastgesteld voor de ontvangende bodem. Als de kwaliteit van de toe te passen grond vergelijkbaar of beter is dan de toepassingseis, dan kan de grond worden toegepast (zie ook bijlage 1, kopje ‘Toetsing toepassen grond’). Dus grond met de ontgravingskwaliteit ‘Wonen’ mag worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Grond met de ontgravingskwaliteit ‘Industrie’ mag alleen worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Industrie’ (zie ook hoofdstuk 5).
23
Met name: sier-/fruitbomen, bolgewassen, snij-/sierbloemen, groenten.
24
Notitie Onderbouwing normering Bbk/Rbk voor chloride in grond (Nota ABB, bijlage C), DCMR, 22 april 2010.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
39 / 56
5
Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel De bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen voor locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Als aan deze basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: • De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ (rood op de ontgravingskaarten van kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 4).
• De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ (licht bruin/oranje op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk licht bruin/oranje en rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 4). • De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw’ (geel op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Landbouw’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk geel, licht bruin/oranje en rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 4). Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (zie § 4.18 en § 4.19). Als uit een onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem beter of slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijke gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (zie § 4.18 en § 4.20).
Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de gehalten voldoen aan de 80-percentielwaarden25 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4), mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (zie § 4.18 en § 4.21). Grond van binnen het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (zie § 4.2) moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 4 25
80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De benoemde percentielwaarden worden aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ is gelegen, wordt de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
40 / 56
en § 4.4) én de gedefinieerde toepassingseisen voor PFAS-verbindingen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56). Grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (zie § 4.2), moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (kaarten met de generieke toepassingseisen zijn in een apart document[23] opgenomen) én de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 25/56). Uitzondering hierop zijn de moes- en volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen waar voor zware metalen, PCB, PAK en minerale olie strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit gelden. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (zie § 4.4.2).
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
41 / 56
6
Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet
6.1
Historisch onderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of locaties onderdeel uitmaken van een geldige bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, Arbeidsomstandighedenwet en -besluit en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of • er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). • de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit). Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of • sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag in het kader van de Wet bodembescherming.
In dat geval moet minimaal een BUS-melding en -evaluatie worden ingediend; • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit); • de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit). Het historisch onderzoek moet worden uitgevoerd met behulp van het vragenformulier historische gegevens (zie bijlage 7). Dit formulier moet volledig worden ingevuld. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het BRL 2000 – protocol 2001[33] met een ministeriële erkenning.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
42 / 56
De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- en toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het omliggende terrein tot een maximum van 25 meter. Onderdeel van het historisch onderzoek is een rapportage van het digitale archief van de DCMR die de gegevens van de gemeente beheert: http://dcmr.gisinternet.nl/. Ook moet aandacht worden besteed aan: • informatie van (voormalige) terreineigenaren over (voormalige) bodembedreigende activiteiten zoals bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten en (ondergrondse) tanks; • de kans op het voor komen van PFAS-verbindingen, waaronder PFOA en PFOS en GenX26; • of de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit; zie ook § 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); • of de ontgravings- en toepassingslocatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. Is dat niet zo, dan moet de kwaliteit van de toe te passen grond én van de ontvangende bodem worden vastgesteld (zie § 4.14.1 en § 6.2); • of het grondverzet plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (zie § 4.14) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (zie § 2.1.6 van bijlage 2).
Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen én de locatie onderdeel uitmaakt van een geldige bodemkwaliteitskaart, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond (zie hoofdstuk 5). Als historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. In § 4.18 is nader ingegaan op al uitgevoerde bodemonderzoeken en de bruikbaarheid van onderzoeksresultaten. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen lokale bron (puntbron) aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, dammen en kavelpaden, elektriciteitsmasten, huiskavels van boerderijen (boerenerf), bodembedreigende activiteiten of een locatie die in het Kadaster is geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking ‘Ernstig’).
Als de ontgravings- en/of toepassingslocatie nabij het spoor is gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locatie in eigendom is van ProRail of NS-Vastgoed.
26
GenX: HFPO-DA (2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluoropropoxy)propaanzuur (FRD903) en het ammoniumzout ammonium 2,3,3,3-tetrafluor-2(heptafluorpropoxy)propanoaat (FRD-902) die vrijkomen bij het GenX proces. Een vervangende technologie als vervanging van PFOA om coatings (fluorpolymeren) te maken.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
43 / 56
6.2
Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem
6.2.1
Onderzoek toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: • ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; • afkomstig is uit een gebied dat is uitgesloten van de eigen of geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (gespecificeerd in de betreffende rapportage); de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld moet aanvullend op chloride worden onderzocht (zie § 4.22 en § 4.23); • op de ontgravingslocatie een bodemverontreiniging door een lokale bron (puntbron) is vastgesteld; • afkomstig is uit een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 4.12 zijn beschreven; • onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, bodemvreemde materialen, kleur, geur; zie § 4.5 en § 4.6); • afkomstig is van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (zie § 4.2). • wordt toegepast op moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen of op onverharde kinderspeelplaatsen (zie § 4.4.2); • al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 4.18 en § 4.19 of § 4.20. De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL 1000 – protocol 1001 of een specifiek onderzoek van de NEN 574027 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft.
Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het BRL 2000 – protocol 2018[34]. Indicatief bodemonderzoek vrijkomende onderhoudsgrond afkomstig van onverharde (spoor)bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Als (spoor)bermgrond met de bodemfunctie ‘Industrie’ weer wordt toegepast in onverharde (spoor)berm met de bodemfunctie ‘Industrie’ moet voorafgaand aan de toepassing een indicatief bodemonderzoek conform een passende onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Bij de (spoor)bermgrond wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte en een de diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte. Ten aanzien de eventueel te onderscheiden partijen grond in de onverharde (spoor)wegbermen sluiten de gemeenten aan bij de nadere toelichting hierover in het BRL 1000 – protocol 1001.
De grondmonsters moeten worden geanalyseerd op het standaard NEN 5740 stoffenpakket én PFAS-verbindingen (Advieslijst Bodem+; GenX hoeft niet te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is).
27
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
44 / 56
Aanvullend onderzoek van eerder onderzochte partijen grond Partijen grond die al eerder conform het Besluit zijn gekeurd, maar nog niet zijn onderzocht op PFAS-verbindingen, moeten alsnog worden onderzocht op deze stofgroep. De gemeenten bieden in die situatie de initiatiefnemer de mogelijkheid om dit onderzoek met een verminderde onderzoeksinspanning uit te voeren: de partijkeuring mag bestaan uit een bemonsteringsinspanning van 2x6 grepen (a-select) en 2x grondanalyses op PFASverbindingen (Advieslijst Bodem+; GenX hoeft niet te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 1000 – protocol 1001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. 6.2.2
Onderzoek ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als: • de toepassingslocatie is gelegen in een gebied dat is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2); • op de toepassingslocatie mogelijk een bodemverontreiniging door een lokale bron (puntbron) is vastgesteld; • al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 4.18. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 574028 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft.
28
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: ONV, ONV-GR, ONB,TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
45 / 56
7
Procedures
7.1
Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet Voorafgaand aan het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (zie § 6.1). De resultaten van het historisch onderzoek (locatie van ontgraven bij tijdelijke uitname, ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (zie § 7.2) worden ingeleverd. In onderstaande paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet.
7.2
Melden tijdelijk opslaan en toepassen van grond
7.2.1
Algemeen De melding van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen (zoals sloten en plassen) en de door de Keur beschreven beschermingszones, is dat het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor rijkswateren is dat Rijkswaterstaat. De gemeente is op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijnen mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit.
Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook § 1.5 en § 1.6). In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
46 / 56
7.2.2
Toepassen van grond De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van: • de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; • het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; • het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; • het toepassen van schone grond in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. De DCMR kan namens gemeenten Maassluis en Vlaardingen, en ondanks de ontheffing van de meldplicht, wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie.
7.2.3
Tijdelijke opslag De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: • De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname. • De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. • De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. In tabel 7.1 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
47 / 56
Tabel 7.1: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Voorwaarden van het Besluit[1]
Vorm van tijdelijke opslag Maximale duur van de
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
-
Ja1)
opslag Kortdurende opslag
6 maanden
Tijdelijke opslag op landbodem
Kwaliteit moet voldoen 3 jaar
aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
Weilanddepot: tijdelijke
Alleen baggerspecie die
opslag van baggerspecie over
voldoet aan de normen
aangrenzend perceel
3 jaar
voor verspreiding over aangrenzende percelen
Opslag tijdelijke uitname
Looptijd van de werkzaamheden
1)
7.3
-
Ja1), met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Ja1), met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Nee
Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl
Registratie en archivering van meldingen De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) wordt door de DCMR en namens de gemeenten Maassluis en Vlaardingen bij binnenkomst geregistreerd en gearchiveerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing (zie ook § 1.5 en § 1.6). Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de DCMR namens de gemeenten Maassluis en Vlaardingen nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit.
7.4
Beoordeling van de melding De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeente wordt door de DCMR namens de gemeenten Maassluis en Vlaardingen beoordeeld. Bij de beoordeling van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond en de toepassingseis in deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt getoetst aan de bodemfunctieklassenkaart (kaartbijlage 1). Ten slotte kan andere wet- en regelgeving van invloed zijn (zie § 2.1.6 van bijlage 2) of kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
48 / 56
7.5
Transport van grond Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie ook § 7.7). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.
7.6
Repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. De gemeenten verplichten de initiatiefnemer om voor het werk een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de DCMR. Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct aan de DCMR worden gemeld.
7.7
Grondtransporten met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Als grond wordt getransporteerd met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer van het landelijke meldpunt bodemkwaliteit vermeld worden. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn die in het Besluit is erkend.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
49 / 56
8
Vrijstelling bodemonderzoek bij een omgevingsvergunningsaanvraag
8.1
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is het in het in artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geregeld dat deze niet eerder inwerking treedt nadat: • is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of • met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of • een BUS-melding is gedaan en de bijbehorende vijfdagentermijn of de vijfwekentermijn is verstreken. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen moet dus bodeminformatie worden verzameld. Als geen bodeminformatie bekend is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouw is geen bodemonderzoek nodig wanneer: • het een bouwwerk is wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; • het bouwwerk de grond niet raakt; • in het bouwwerk minder dan 2 uur per dag dezelfde mensen verblijven. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. In de bouwverordening is geregeld dat de gemeente vrijstelling kan verlenen van bodemonderzoek, onder voorwaarden kan hiervoor de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden.
8.2
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunning activiteit ruimtelijke planvorming In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane en/of toekomstige gebruiksfuncties. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond. Niet altijd is bij een bestemmingswijziging op voorhand een bodemonderzoek noodzakelijk. Wil men een klein bouwwerk bijvoorbeeld ten behoeve van nutsvoorzieningen realiseren? Of betreft het een verandering in gebruik waarbij er qua bodem geen (extra) risico's zijn voor het beoogde gebruik en/of uitvoerbaarheid van het plan? Dan is bodemonderzoek waarschijnlijk niet noodzakelijk. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de betreffende gemeente. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. De bodemkwaliteitskaart is een instrument om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
50 / 56
8.3
Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming De gemeenten Maassluis en Vlaardingen bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) ter plaatse van de locatie achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op betreffende locatie. De voorwaarden hiervoor zijn: • De locatie is niet gelegen in een door de provincie aangewezen beschermingsgebied (zie § 4.14.2). • De locatie is niet gelegen in een voor de bodemkwaliteitskaarten uitgesloten gebied. • Het uitgevoerde historisch onderzoek conform de NEN 5725[35] (aanleiding A ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’) of het volledig ingevulde vragenformulier (zie bijlage 7) heeft als resultaat dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt.
Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag voor de omgevingsvergunning (bouwen en ruimtelijke planvorming) geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de DCMR (Toezicht en Handhaving; voor de gemeenten) of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is erkend voor het BRL 2000 – protocol 2001. • Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouwen en ruimtelijke planvorming ter plaatse van grotere verharde oppervlaktes, moet het vooronderzoek uitsluitsel geven over de funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij het ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek. Wanneer een locatie (mogelijk) verdacht is maar aangetoond of gevalideerd kan worden dat deze verdenking niet leidt tot (het vermoeden van) een ernstig geval van bodemverontreiniging of tot beperkingen van de uitvoerbaarheid van het plan, dan is vervolgonderzoek niet noodzakelijk.
Bij (nog niet eerder of onvoldoende onderzochte) verdachte locaties en uitgesloten locaties en gebieden is normaliter een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) noodzakelijk, en indien van toepassing aangevuld met een verkennend onderzoekasbest (conform de NEN 5707). Vrijstelling kan alleen verleend worden als de randvoorwaarden in deze paragraaf zijn opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening. Het historisch onderzoek moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de betreffende gemeente worden ingediend waarin de locatie is gelegen en omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd. De DCMR beoordeelt het historisch onderzoek/vooronderzoek/verkennend bodemonderzoek of gebruik kan worden gemaakt van de vrijstellingsregeling.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
51 / 56
9
Mandateren bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders
9.1
Inleiding Voordat het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid van kracht kan worden, moet deze nota bodembeheer, conform artikel 44 van het Besluit, door de gemeenteraden van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen worden vastgesteld. Bij het vaststelling van deze nota bodembeheer stelt de gemeenteraad ook de bodemkwaliteitskaarten en de bodemfunctieklassenkaart vast. Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de gemeenteraad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid. Elke gemeenteraad besluit om een bij haar rustende bevoegdheid aan haar college van burgemeester en wethouders over te dragen (Hoofdstuk 10, Afdeling 10.1.1, van de Algemene wet bestuursrecht). Op deze manier kan de werkdruk van de gemeenteraad beheerst worden en kunnen besluiten die enkel uitvoerend van karakter zijn, worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Na het vaststellen van de nota bodembeheer is er alle reden om de gemeenteraad te ontlasten en een aantal uitvoerende besluiten te mandateren.
Het vaststellen van nieuw of gewijzigd gebiedsspecifiek beleid (Lokale Maximale Waarden of afwijkende percentages bijmenging bodemvreemd materiaal) kan conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit niet worden gemandateerd. In de onderstaande paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden de gemeenteraad bevoegdheden naar het college van burgemeester en wethouders heeft overgedragen.
9.2
Aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifieke beleid zoals in deze nota bodembeheer vastgelegd, is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart en de toepassingskaarten. De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel/gebied en heeft effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. Er worden vier functieklassen onderscheiden. Te weten ‘Industrie’, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ en ‘Natuur’, zie kaartbijlage 1. Op de toepassingskaarten wordt vastgelegd aan welke kwaliteitsklasse de toe te passen grond moet voldoen. De vaststelling van deze kaarten is bij het zogenoemde gebiedsspecifieke kader van het Besluit een bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad besluit haar bevoegdheid tot het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten, zoals opgenomen in deze nota bodembeheer, aan het college van burgemeester en wethouders te mandateren. Dit is alleen aan de orde na het vaststellen van een formele wijziging van de bestemming van een
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
52 / 56
gebied door de gemeenteraad c.q. het vaststellen van een wijziging van een bestemmingsplan. 9.3
Aanvullende bodeminformatie
9.3.1
Uitgesloten locaties en gebieden Een aantal locaties en gebieden zijn nu uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2) omdat deze locaties en gebieden onder een ander bevoegd gezag vallen, of door een andere organisatie worden beheerd en/of dat te weinig bodemgegevens beschikbaar zijn om een goede uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit. Als in de looptijd van de bodemkwaliteitskaart alsnog voldoende gegevens beschikbaar komen om deze gebieden te zoneren, mandateert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders deze gebieden desgewenst toe te voegen aan bodemkwaliteitskaart en het bodembeheergebied. Voorwaarde hierbij is dat de indeling van de bodemkwaliteitszones niet wijzigt.
9.3.2
Resultaten bodemonderzoek op een verdachte locatie Van voor bodemverontreiniging verdachte locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. In de situatie dat er op een verdachte locatie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 is uitgevoerd, mandateert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders de verdachte locatie toe te voegen aan de bodemkwaliteitskaart en de omliggende bodemkwaliteitszone als de resultaten van het bodemonderzoek aangeven dat de grond voldoet aan de gebiedseigen kwaliteit. De gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als de 80-percentielwaarden29 van de betreffende bodemkwaliteitszone. Daarna kunnen de bodemkwaliteitskaarten worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op de locatie, mét het uitgevoerde bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel.
9.4
Acceptatie bodemkwaliteitskaart andere gemeente/gebieden als bewijsmiddel bij grondverzet De gemeenten Maassluis en Vlaardingen accepteren elkaars bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel bij het toepassen van grond, als ook de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Goeree-Overflakkee, Lansingerland, Nissewaard, Rotterdam en Schiedam. Een gemeente kan besluiten nog meer bodemkwaliteitskaarten te accepteren als bewijsmiddel bij het grondverzet. Hiermee worden de mogelijkheden vergroot om grond van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart nog niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, in de gemeente toe te passen. Het besluiten tot acceptatie van een bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel moet worden gedaan door de gemeenteraad. Dit besluit mandateert de gemeenteraad aan het college.
29
80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De benoemde percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ is gelegen, wordt de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
53 / 56
De acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten kan alleen onder de volgende voorwaarden als: • de bodemkwaliteitskaart en eventueel bijbehorende nota van het uitbreidingsgebied moet bestuurlijk zijn vastgesteld door de betreffende gemeenteraad (of gemandateerd/gedelegeerd college) of het college, het algemeen bestuur van een Waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; • de eventueel opgenomen Lokale Maximale Waarden (LMW) en (gewichts)percentage bodemvreemd materiaal voor de vastgestelde bodemkwaliteitszones mogen niet hoger zijn dan de LMW en het vastgestelde (gewichts)percentage zoals opgenomen in deze nota bodembeheer; • de bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; • de milieuhygiënische kwaliteit is uitgedrukt op klasseniveau, uitgezonderd PFASverbindingen; • de kwaliteitsklasse kan worden gebaseerd op de 80-percentielwaarden van de bodemkwaliteitszones; • de bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan 5 jaar. 9.5
Bestuurlijk vaststellen bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Zoals in § 1.4 al is aangegeven, wordt de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt vastgesteld of aanpassingen van de kaarten of één van beide kaarten noodzakelijk is. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn (zie artikel 4.3.5 van de Regeling). De gemeenteraad mandateert deze bestuurlijke vaststelling aan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke beleid.
9.6
Procedure Het voorgaande laat onverlet dat op de gedelegeerde besluiten de procedure voor vaststellingen door het college uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10) van toepassing is.
9.7
Rapportage gemandateerde bevoegdheden Elk college van burgemeester en wethouders rapporteert aan haar gemeenteraad als zij van de gemandateerde bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. Dit gebeurt in het kader van de actieve informatieplicht van een college van burgemeester en wethouders.
NOTA BODEMBEHEER 2016-2026 GEMEENTEN MAASSLUIS EN VLAARDINGEN | DOCUMENTCODE: 15M1058.RAP001.JS | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF| VERSIEDATUM: JUNI 2021
54 / 56
Bronvermeldingen [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14]
[15]
[16]
[17] [18] [19] [20]
Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007. Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen. Activiteitenbesluit, publicatie Staatsblad, nummer 415, 2007 en latere wijzigingen. Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, publicatie Staatsblad, nummer 570, 24 december 2009 en latere wijzigingen Wet ruimtelijke ordening, publicatie Staatsblad, nummer 15, 22 maart 2007 en latere wijzigingen. Waterwet, publicatie Staatsblad, nummer 489, 24 november en latere wijzigingen. Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009, inclusief update 1 januari 2014. Keur Delfland, Hoogheemraadschap van Delfland, 19 februari 2015. Wet milieubeheer, publicatie Staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, publicatie Staatsblad nr. 434, 28 september 2006, en latere wijzigingen. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, voormalig Ministerie van VROM en van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en latere wijzigingen. Nota Actief Bodem- en Baggerbeheer Rotterdam 2013, bestuurlijk vastgesteld 20 juni 2013.