Memo Bodemadvies DCMR potentiële locaties zwembad en atletiekbaan
Tekst van het document
Parallelweg 1
Gemeente Vlaardingen T.a.v. de heer M. Vis Michiel.Vis@vlaardingen.nl
Postbus 843 3100 AV Schiedam T 010 – 246 80 00 E info@dcmr.nl W www.dcmr.nl
Ons kenmerk
Uw kenmerk
2521286_5951817
Datum
16 mei 2024
Contact
Afdeling
Bijlagen
info@dcmr.nl
Reguleren Advies en Omgeving
-
Onderwerp
Bodemadvies potentiele locaties zwembad/atletiekbaan/paardenweide te Vlaardingen
Geachte heer Vis, Hierbij ontvangt u de reactie van DCMR Milieudienst Rijnmond op uw vraag om bodemadvies te geven over een viertal locaties; Locatie 3: huidige locatie atletiekbaan Locatie 5: langs de vaart Locatie 8: huidige locatie gemeentedepot en Modelvliegvereniging Locatie 11: huidige paardenweide Toelichting Hieronder is voor deze drie locaties op basis van beschikbare informatie op hoofdlijnen aangegeven wat de te verwachten bodemkwaliteit is en wat de eisen en consequenties zijn ten aanzien van de (bouw)ontwikkelingen (op en in de bodem). Locatie 3: huidige locatie atletiekbaan Bodemfunctie volgens Nota Bodembeheer: natuur Deze locatie is geregistreerd bij locatiecode AA062200394 Deze locatie betreft de voormalige huisvuilstort (locatie c) waar nu de atletiekbaan is gevestigd. In 2015 is voor deze locatie een beschikking opgesteld (evaluatieverslag en nazorgplan). Op basis van de informatie moet rekening gehouden worden met een sterke (rest)verontreiniging onder de leeflaag/isolatielaag (vanaf circa 1,0/1,5 m-mv). Hiervoor is een nazorgplan opgesteld.
Er gelden de volgende zorg- en of gebruiksbeperkingen: - In stand houden van de aangebrachte leeflaag - Graafwerkzaamheden op de locatie moeten vooraf gemeld worden bij het bevoegd gezag onder overlegging van een saneringsplan - Voornemen tot het onttrekken van grondwater op of in de omgeving van de locatie dient ook vooraf gemeld te worden. Blad 1 van 5
Ons kenmerk
2521286_5951817
-
Bij herinrichting, verandering van het gebruik van een deel van de locatie of het aanvragen van een bouwvergunning moet de geschiktheid worden heroverwogen. Een aanvullende sanering kan nodig zijn. Voor een aanvullende sanering is een saneringsplan nodig, dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.
Ten aanzien van de atletiekbaan moet rekening gehouden worden met een isolatielaag bestaande uit teruggeplaatste grond van de stort en bouwstoffen (zoab, lava, schuimbeton). Mogelijk zijn er voor de verwijdering van deze bouwstoffen partijkeuringen noodzakelijk. Onder de isolatielaag van 1,3 m-mv is de oorspronkelijke huisvuilstort nog aanwezig.
Locatie 5: langs de vaart Bodemfunctie volgens Nota Bodembeheer: deels wonen en deels natuur Deze locatie is geregistreerd bij meerdere locatiecodes AA062200394, AA062200778 (depot Partycentrum), AA062202552 AA062200778 (depot Partycentrum): Onderzoeken bekend periode 1995-2001. Puinpad aanwezig dat niet is onderzocht. Onderdeel van stortplaats, depotlocatie voor zand en schone grond. De locatie heeft geen beschikking, geen saneringsplan en geen BUS-meldingen. AA062202552: Deze locatie heeft vooral betrekking op de Vlaardingervaart, de kade en de waterkering (dijklichaam). Er wordt verwacht dat mogelijk een deel van locatie 5 hoort bij de voormalige huisvuilstort (locatie c) waar nu de atletiekbaan is gevestigd. In 2015 is voor deze locatie een beschikking opgesteld (evaluatieverslag en nazorgplan). Er moet rekening gehouden worden met een sterke (rest)verontreiniging onder de leeflaag/isolatielaag (vanaf circa 1,0/1,5 m-mv). Hiervoor is een nazorgplan opgesteld. Er gelden zorg- en of gebruiksbeperkingen, zie hiervoor locatie 3. Voor het overige deel van locatie 5 wordt verwacht dat de grond en het grondwater licht verontreinigd zijn.
Locatie 8: huidige locatie gemeentedepot Bodemfunctie volgens Nota Bodembeheer: natuur Deze locatie is geregistreerd bij locatiecode AA062200781 Binnen locatie 8 liggen de deellocaties A en B. Locatie A is de gemeentewerf en locatie B de voormalige gemeentelijke opslagplaats (baggerdepot). De monitoringsonderzoeken die in het archief van DCMR aanwezig zijn, betreffen hoofdzakelijk locatie C (locatie 3 AA062200394). Er is enige overlap. In 2010 is een eindsituatie-bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van locatie B de voormalige gemeentelijke opslagplaats (baggerdepot). Aanleiding was de ontmanteling van het depot. Alleen de bodemkwaliteit van de bovenlaag die is aangebracht op afdekfolie is onderzocht. Die bovenlaag was niet verontreinigd. Ten tijde van het nulsituatie-onderzoek was er nog geen afdekfolie. Het vermoeden is dat tussentijds het bestaande maaiveld is afgedekt met folie met daarop grond (0,4 – 1,0 m-mv) . Hierbij moet rekening gehouden worden dat onder het folie sterk verontreinigde grond met puin en mogelijk asbest aanwezig is. Die onderliggende laag maakt
Blad 2 van 5
Ons kenmerk
2521286_5951817
mogelijk nog deel uit van de vuilstort van de periode 1975-1991. Zowel locatie A en B zijn uitgezonderd van de beschikking de huisvuilstort (locatie C), TC 15-39-007. De locatie heeft geen beschikking, geen saneringsplan en geen BUS-meldingen.
Locatie 11: huidige paardenweide Bodemfunctie volgens Nota Bodembeheer: landbouw Deze locatie is geregistreerd bij locatiecode AA062200452 Er zijn vier onderzoeken bekend waarvan er drie digitaal beschikbaar zijn. Eén onderzoek moet in het archief van de gemeente aanwezig zijn. Het laatste onderzoek is in 2007 uitgevoerd. De onderzoeken hebben betrekking op het toepassen van grond (opvullen gaten weiland) en een lekkage huisvuilwater. Op basis van de informatie wordt verwacht dat de bodem licht tot matig verontreinigd is en het grondwater licht tot sterk verontreinigd. Er is in het grondwater een sterke verontreiniging met minerale olie aangetoond. Nader onderzoek is noodzakelijk. Tevens is niet bepaald of het hier een historische verontreiniging betreft of nieuw. Het nader onderzoek is voor zover bekend nooit uitgevoerd. De locatie heeft geen beschikking, geen saneringsplan en geen BUS-meldingen. Wettelijke milieukaders/procedures Voor locatie 3 geldt het Overgangsrecht. In 2015 is voor locatie 3 een beschikking opgesteld (evaluatieverslag en nazorgplan). Maatregelen en beperkingen zoals opgenomen in het nazorgplan vallen onder het overgangsrecht. Het (gehele) oude recht blijft ook van toepassing op het geval van ernstige verontreiniging, zolang er geen volledige sanering heeft plaatsgevonden en er nog een ernstige restverontreiniging aanwezig is.
Het geval van ernstige verontreiniging beperkt zich dan alleen nog tot de contour waar de ernstige restverontreiniging aanwezig is. Belangrijk om te benoemen dat een deel van locatie 5 ook valt onder locatie 3. Ook bij toekomstige activiteiten in de ernstige restverontreiniging komt een initiatiefnemer in het Wbb-spoor terecht (via artikel 28 Wbb), vanwege de algemene formulering 'Het recht blijft van toepassing' in artikel 3.1, lid 1, van de Aanvullingswet bodem. Op de locatie is een leeflaag aanwezig, waarvoor op grond van de Wbb een instandhoudingsverplichting geldt. Bij graven alleen in de leeflaag is de Omgevingswet van toepassing. Naast een MBA Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (Omgevingswet) moet ook in het kader van overgangsrecht een signaal (kan met mail) richting handhaving worden gedaan. Bij graven tot in de verontreiniging onder de leeflaag geldt overgangsrecht en moet een saneringsplan worden opgesteld en voor de leeflaag ook nog apart MBA Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (Omgevingswet). Ook zal voor de realisatie van een gevoelig verblijfsgebouw rekening gehouden moeten worden met saneren. Dit beperkt zich dan alleen tot de plaats waar het gebouw zal worden gerealiseerd. Ook Blad 3 van 5
Ons kenmerk
2521286_5951817
dan kan saneren bestaan uit het herschikken en afdekken met een leeflaag/isolatielaag. Dit kan bijvoorbeeld het gebouw zijn. Het gaat om de contactrisico’s. Hou hierbij rekening met de kwaliteit van de leeflaag. Die moet geschikt zijn voor voorgenomen gebruik. Indien de aanwezige leeflaag een andere kwaliteit heeft dan nodig is voor het voorgenomen gebruik dan moet er rekening gehouden worden met aanvullende maatregelen. Voor de locaties 8 en 11 en een deel van locatie 5 geldt dat er rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van historische verontreinigingen ontstaan voor 1987 en mogelijk na 1987 maar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet 1-1-2024. Daarnaast moet rekening gehouden worden met mogelijk nog een matig tot sterk verontreinigde bodemlaag met minimaal zware metalen onder de afdeklaag. Voor graafwerkzaamheden in verontreinigde grond (historische verontreiniging) geldt de Omgevingswet. De kwaliteit van de bodem is samen met de omvang van de ontgraving bepalend voor welke regels er gelden. Bij de milieubelastende activiteiten (MBA) voor graven uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) is een voorafgaand bodemonderzoek verplicht. Welke melding noodzakelijk is, is afhankelijk van het de resultaten van het bodemonderzoek (graven boven I en graven beneden I). In het Bal is voorafgaand bodemonderzoek gefaseerd ingevuld.
Dit bestaat uit eerst een vooronderzoek uitvoeren. Als uit het vooronderzoek duidelijk blijkt wat de te verwachten bodemkwaliteit is (boven of onder interventiewaarde) dan is verder onderzoek niet noodzakelijk. Als er na vooronderzoek te weinig bekend is over de te verwachten bodemkwaliteit of onduidelijkheden zijn, dan moet alsnog actualiserend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Voor graafwerkzaamheden in verontreinigde grond, nieuw geval voor 1-1-2024, geldt uit artikel 3.2a van de Aanvullingswet dat artikel 27 van de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing blijft op verontreinigingen die na 1 januari 1987 ontstaan zijn, maar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, ondanks dat ze na inwerkingtreding van de Omgevingswet ontdekt worden Wat ook nog van belang is: • In het kader van de geldigheid van onderzoeksgegevens was de oude beleidsregel dat onderzoeken ouder dan 5 jaar geactualiseerd moeten worden. Indien er een besluit is genomen dan geldt een termijn van 2 jaar. In het Bal is niets opgenomen over de ouderdom van kwaliteitsgegevens. De verwachting is dat dit zal worden ondergebracht in de omgevingsplannen en dat hierin de oude lijn/beleidsregel gehanteerd gaat worden. Het Bal geeft wel aan om te bepalen welke regels er gelden bij een MBA en of voorafgaand bodemonderzoek verplicht is voor graven in de bodem.
• Er moet ook rekening gehouden worden met mogelijke regels ten aanzien van de bodemkwaliteit in de omgevingsplannen (decentrale regels) en eventueel de bruidsschat. De gemeente geeft in het omgevingsplan aan bij welke (bouw)activiteiten of (ruimtelijke) ontwikkelingen (sanerende) maatregelen moeten worden genomen. Voor die maatregelen kan de gemeente verwijzen naar de standaard-aanpakken voor de milieubelastende activiteit saneren van de bodem uit paragraaf 4.121 van het Bal (MBA saneren).
Blad 4 van 5
Ons kenmerk
2521286_5951817
Advies Houd rekening met de verschillende wetskaders onder het overgangsrecht en de Omgevingswet. Ten aanzien van nog uit te voeren bodemonderzoek is voor een aantal locaties enkel vooronderzoek mogelijk voldoende. Voor locaties die onder het overgangsrecht vallen en locaties waar te weinig bekend is over de te verwachten bodemkwaliteit moet rekening gehouden met nog uit te voeren actualiserend bodemonderzoek. Geadviseerd wordt om een adviesbureau in te schakelen voor o.a. de uitvoering van vooronderzoek en actualiserend bodemonderzoek. Ook kan het adviesbureau aangeven welke meldingen nodig zijn, wat de beste vervolgroute/aanpak is en met welke procedures en proceduretijden rekening moet worden gehouden.
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met heer M.P.J.A. Annevelink tel. 010-2468348 of e-mailadres mark.annevelink@dcmr.nl.
Hoogachtend, namens de directeur DCMR Milieudienst Rijnmond,
G. Doezeman teammanager afdeling Reguleren, Advies en Omgeving DCMR maakt gebruik van digitaal vaststellen, daarom ontbreekt een zichtbare handtekening
Blad 5 van 5