CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept raadsbesluit tot het vaststellen van de Re-integratieverordening Participatiewet MVS 2023

Gemeenteraad 1 februari 2024, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Re-integratieverordening Participatiewet MVS 202312.447 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Voor het derde lid wordt verwezen naar het inschakelen van een derde partij om als detacheerder in plaats van het college te dienen. Dezelfde regels gelden in dat geval. Het vijfde lid refereert naar het eerder opgemerkte over geen verdringing bij artikel 7. Artikel 12. Persoonlijke ondersteuning bij werk

De voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk is nader uitgewerkt in hoofdstuk 3A. Deze bepaling verwijst daarom naar dit hoofdstuk. De uit artikel 3 voortvloeiende algemene voorwaarden die gelden voor alle op grond van deze verordening te verstrekken voorzieningen zijn hierop van toepassing.

Artikel 13. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 13 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en Hoofdstuk 3A. De in artikel 13 opgenomen loonkostensubsidie is niet gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet) en die is geregeld in hoofdstuk 3A. Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.

Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen. Hierin wordt een verschil gemaakt tussen de kwetsbare werknemer die maximaal 12 maanden gebruik kan maken van de subsidie en de uiterst kwetsbare werknemer die maximaal 24 maanden gebruik kan maken van de subsidie. Een nadere uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en vierde lid. Geen verdringing Het vijfde lid bevat een verdringingsbepaling. Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 7. Noodzakelijk De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft.

Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer. Artikel 14. Werkpremie Dit artikel biedt de mogelijkheid om nadere regels vast te stellen voor de werkpremie die onder artikel 31 lid 2 j van de Participatiewet kan vallen. Artikel 15. Plaatsingsfee In het eerste lid van dit artikel wordt de doelgroep besproken. Het gaat hier om personen zonder arbeidsbeperking die minimaal 12 maanden gebruikt maken van een uitkering op grond van de Participatiewet of Werkloosheidswet en een dienstverband aangeboden hebben gekregen van minimaal 20 uur voor minimaal 6 maanden. Het mee laten tellen van de WW-periode is een nadrukkelijke wens van het merendeel van de gemeenten uit de arbeidsmarktregio. In lid 2 en 3 wordt er gesproken over de hoogte van de maximale fee en wanneer hier recht op is. Duur arbeidsovereenkomst =/> 6 [1][1]

Korter dan 1 jaar in de uitkering[1] €0

Voorafgaand aan de ingangsdatum arbeidsovereenkomst.

Langer dan 1 jaar in de uitkering Maximaal € 2.000

(Financiële) bijdrage op basis van arbeidsovereenkomst < 20 uur per week:

maanden maar < 12 maanden

=/> 12 maanden

€0

(excl. BTW)

Geen vergoeding =/> 20 uur / < 32 uur: Vergoeding naar rato = > 32 uur per week: Vergoeding tot het maximale bedrag

Maximaal € 4.000 (excl. BTW)

Idem als hierboven.

Tevens gaat het in lid 3 over het te leveren maatwerk. In principe wordt de plaatsingsfee achteraf betaald. Zijn er uitzonderlijke redenen waardoor het vooraf of tijdens nodig is om deze betaling te doen, dan kan het college hier gemotiveerd van afwijken. Artikel 16. Proefplaats Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de participatiewet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 16 geeft hier invulling aan. In het vierde lid van artikel 16 wordt aangegeven dat er sprake moet zijn van een schriftelijke overeenkomst en wat er in deze overeenkomst moet staan. Dit zorgt voor een verduidelijking van de doelen en wat er nodig is om de burger tijdens de proefplaatsing te ontwikkelen en om uiteindelijke uit te stromen naar een dienstverband.

Het na een proefplaats inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet is onwenselijk. Partijen in de (landelijke) Werkkamer hebben zich in die zin ook expliciet uitgesproken. Als het noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren, kan het college persoonlijke ondersteuning toekennen aan de persoon op de proefplaats (zevende lid).

Hoofdstuk 3A. Specifieke bepalingen voor personen met een arbeidsbeperking Paragraaf 3A.1 Administratief proces loonkostensubsidie Artikel 17 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Het tweede lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie voor loonkostensubsidie in aanmerking komen, regelt het derde en vierde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt, de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht.

Uit lid drie volgt dat wanneer de persoon nog geen dienstverband heeft dan zal er beoordeeld moeten worden of iemand in de doelgroep loonkostensubsidie hoort. Deze beoordeling kan het college door het UWV te laten plaatsvinden of via een eigen criterialijst. Dit wordt verder uitgewerkt in het beleid. Wanneer de persoon al een dienstverband heeft op moment van de aanvraag dan gebeurt dat via de praktijkroute (lid 4) Het vijfde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Deze termijn is niet van toepassing wanneer er in overleg met de werkgever een forfaitaire subsidie worden afgegeven. Als de werkgever dit niet accepteert dan zal de loonwaarde wel in de termijn bepaald moeten worden. Het zesde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Paragraaf 3A.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 18. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking.

Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Vereist is dat (a) de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt. Op deze manier kunnen zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking komen. (b) Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren. (c) Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). Artikel 19. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen.

Het artikel vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het collegevoorzieningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”.

Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het zesde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Paragraaf 3A.3 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 20. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft of een jobcoach inhuurt.

De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden. In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd. Het derde lid maakt duidelijk dat de in het eerste en tweede lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever. Deze ondersteuning kan dan bijvoorbeeld gericht zijn op het vinden van werk of ontwikkelen van vaardigheden voor werk. Artikel 21. Jobcoaching In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze jobcoaching kan worden verstrekt door het college. De naturaverstrekking geeft het college meer sturingsmogelijkheden dan middels een subsidie en daar kan de efficiency mee gediend zijn. Dit neemt niet weg dat jobcoaching, binnen de in de verordening gestelde voorwaarden, ook in de vorm van een subsidie kan worden verstrekt. Het tweede lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd.

Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. Belangrijk is dat de Jobcoach door een erkende organisatie opgeleid en gecertificeerd is. Het Noloc is de beroepsorganisatie en deze erkend jobcoachopleidingen die van gedegen kwaliteit zijn. Op die manier is te verwachten dat jobcoaches die een opleiding met een erkenning van het Noloc hebben doorlopen en door hen gecertificeerd zijn kwalitatief werk zullen leveren voor de persoon. Het derde lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordening plicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk. Hierin is de keuze gemaakt dat het eerste half jaar de persoon maximaal 2 uur jobcoaching per dag kan krijgen. In het tweede halfjaar en daarna is dit maximaal 2 uur per week. Dit zal wederom maatwerk betreffen, ook de afbouw indien nodig zal middels maatwerk gebeuren. Het vierde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in het tweede lid gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan. Het zevende lid geeft aan wat er nodig is om de jobcoaching te beëindigen.

Artikel 22. Interne werkbegeleiding Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt

bepaald. In het tweede lid wordt geregeld dat het aanbod van het college tevens een training voor de collega van de persoon kan bevatten, zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). Paragraaf 3A.4. Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 23. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3 en 21, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 3, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, kan door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening.

In lid 5 is bepaald dat er een maximumbedrag is voor de vervoersvoorziening per jaar. Hier mag in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd van afgeweken worden. Tevens wordt de vergoeding enkel verstrekt als de persoon onder de gestelde inkomensnorm blijft. Dit bedrag is gebaseerd op de inkomensgrens(C20-I) die het UWV aanhoudt voor vervoersvoorzieningen en zal dus ook net als die van het UWV jaarlijks geïndexeerd worden. Voor de jaarlijkse indexering wordt dezelfde norm aangehouden als het UWV. Voor 2023 is deze: € 46.871,65. Ook hier kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd van afgeweken worden. De grens van 20.000,00 is bepaald gebaseerd op budgettaire overwegingen en het evenwichtig verdelen van budgetten zoals bedoeld in artikel 2. Artikel 24. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische handicap. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon.

De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 18. Het college kan dit in beleidsregels verder uitwerken. Vanaf 1 januari 2024 wordt dit artikel uitgevoerd door het UWV en vervalt daarom per die datum. Artikel 25. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 18. Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening wordt vastgesteld met terugwerkende kracht. Dit omdat de wetswijzigingen per 1 juli van kracht zijn. Artikel 27. Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht In artikel 27 is het intrekken van de verordening loonkostensubsidie geregeld.

Dit heeft te maken met het feit dat de grondslag voor deze verordening, in de vorm van artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet, met de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)”, is komen te vervallen. Het intrekken van de oude re-integratieverordening is eveneens in dit artikel geregeld. Ook is in artikel 27 het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit

deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 27, tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden tot 1 januari 2024. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de ‘oude’ re-integratieverordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. Voortzetten toegekende voorzieningen Toegekende voorzieningen op grond van de ‘oude’ re-integratieverordening worden dus in beginsel behouden tot de inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 27, lid 5). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten.

Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende reintegratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13709595/4