Bijlage 6 - Memo reactie op toetsingsadvies van de Commissie mer
Tekst van het document
Memo - Reactie op toetsingsadvies 3851ts van de Commissie voor de milieue ectrapportage Datum: 19 juni 2025
1. Inleiding De gemeente heeft kennisgenomen van het advies van de Commissie voor de milieue ectrapportage (hierna: commissie). In dit memo geeft gemeente Vlaardingen (zijnde bevoegd gezag) haar reactie op het advies van de commissie voor de milieue ectrapportage over het plan-MER AWZI Vergulde Hand Vlaardingen. In dit memo wordt dezelfde indeling en nummering aangehouden als bij de toelichting op het advies. De opbouw van de notitie is zo dat eerst de essentie van het advies van de commissie wordt gegeven waarna in cursief de reactie van de gemeente wordt gegeven.
2. Reactie op ‘Toelichting op het advies’ 2.1. Te verwerken afvalstromen De commissie adviseert om het MER aan te vullen met een volledig overzicht van herkomst, kwaliteit en kwantiteit van de te verwerken afvalstroom en op basis daarvan in te gaan op de aanwezigheid van Zeer Zorgwekkende Sto en (ZZS). In paragraaf 2.1.1 van het plan-MER is, naar aanleiding van het advies van de commissie op de NRD (Notitie Reikwijdte en Detailniveau), kwalitatief inzicht gegeven in de herkomst, kwaliteit en kwantiteit van het te verwerken afvalwater, zowel voor de huidige situatie, de ontwerpsituatie 2030 en de prognose 2060. Hierin staat ook beschreven dat klimaatverandering niet in de prognoses is verwerkt. De hydraulische capaciteit van de zuivering wordt namelijk gemaximeerd door de capaciteit van het aanvoerend stelsel. Aangezien de AWZI - zoals elke afvalwaterzuiveringsinstallatie van waterschappen in Nederland - een innameplicht heeft van het stedelijk afvalwater, kan niet worden gestuurd op de herkomst, de kwaliteit en de kwantiteit van het afvalwater. Het inkomende afvalwater is een gegeven waarop binnen dit project geen directe invloed mogelijk is. De installatie moet ongeacht de samenstelling voldoen aan de wettelijke eisen.
Daarmee is dit aspect niet onderscheidend ten opzichte van de referentiesituatie en ook niet onderscheidend voor een objectieve vergelijking van de alternatieven. 19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 1 of 8
Naar mening van de gemeente is voldoende informatie aanwezig ten aanzien van het aspect te verwerken afvalwater voor het besluit over de wijziging Omgevingsplan.
2.2. Alternatievenonderzoek In het advies over het plan-MER geeft de commissie aan dat onderbouwing van de locatie vanuit het milieubelang ontbreekt. De commissie gaat in haar advies voorbij aan de informatie uit hoofdstuk 2.3 van het plan-MER waarin toegelicht wordt welke alternatieven voorafgaand aan dit plan-MER zijn afgevallen en waarom. De commissie adviseerde 3 alternatieven te onderzoeken: (gefaseerde) uitbreiding van de bestaande zuivering, nazuiveringsvarianten en alternatieven om de CO2 footprint en emissie te verlagen. Ten aanzien van de (gefaseerde) uitbreiding van de bestaande zuivering is in eerder genoemd hoofdstuk 2.3 van het MER aangegeven waarom uitbreiding van de bestaande zuivering niet mogelijk is. Daarin komen de volgende factoren aan de orde: de huidige locatie is te klein, de uitbreiding naast de huidige locatie is onmogelijk of ongewenst, de risico’s voor veiligheid en bedrijfsvoering bij renovatie tijdens in bedrijf zijn van de zuivering en hogere investerings- en exploitatiekosten. Ten aanzien van fasering (voor een nieuwe zuivering) geldt dat het voorliggend besluit gaat over het mogelijk maken van een AWZI via een wijziging Omgevingsplan waarbij de eindsituatie realiseerbaar moet zijn. Eventuele fasering kan onderdeel vormen van een latere uitwerking. Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met eventuele toekomstige ontwikkelingen (binnen grenzen).
Flexibiliteit naar de toekomst was één van de criteria die het bestuur van Delfland heeft meegewogen in de integrale afweging. Voor het besluit over de wijziging omgevingsplan worden echter de e ecten van de verschillende te kiezen technieken voor de hoofdzuivering vergeleken. Ten aanzien van de nazuivering is er in het plan-MER geen extra alternatief toegevoegd. Er zijn wel verschillen aangebracht tussen de 4 alternatieven, omdat de nazuivering afhankelijk is van de keuze van de hoofdzuivering. Bij de keuze van deDe hoofdzuivering is nadrukkelijk ontworpen op de beschreven uitgangspunten, zoals e luenteisen en minimaliseren grondstofverbruik. In de verdere detaillering van het voorkeursalternatief (en dus ook in het project-MER) zal de nazuivering ook verder aan de orde komen.
19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 2 of 8
Ten aanzien van alternatieven om CO2 footprint en emissie/energie te verlagen: er zijn verschillende alternatieven uitgewerkt die allen zijn ontworpen op zo laag mogelijke CO2 footprint. Er is geen apart alternatief voor uitgewerkt. Het primaire doel van een afvalwaterzuivering is het zuiveren van afvalwater en dat vraagt een integrale afweging waarbij meer aspecten (in de eerste plaats de zuiveringstaak) een rol spelen. In hoofdstuk 4.1 van het MER is hier nader op ingegaan. In de verdere detaillering van het voorkeursalternatief (en daarmee ook in het projectMER) zal de klimaatimpact verder worden onderzocht en zo nodig aanvullende maatregelen worden beschreven en gewogen. De vier onderzochte alternatieven bieden voldoende basis om het milieubelang goed mee te wegen bij het besluit over de wijziging Omgevingsplan voor de wijziging naar functie bedrijven-AWZI. Het advies met betrekking tot nazuivering en de CO2 footprint wordt beschouwd als een aanbeveling voor project-MER.
2.3. E ectbeoordeling natuur De Commissie stelt dat voor het nemen van een besluit over de wijziging van het Omgevingsplan de aanwezige natuurwaarden onvoldoende in beeld zijn gebracht. In het kader van het plan-MER is een quickscan ecologie (zie ref lijst RHDHV/WB, 2024a) uitgevoerd in het gebied. Voor de referentiesituatie zijn soorten, biodiversiteit en houtopstanden beschreven. Daarnaast is ingegaan op Natura2000 gebieden en NNN. In het advies NRD gaf de commissie aan dat het verstandig was een globale omgevingsanalyse uit te voeren voor een algemeen beeld van de natuurwaarden. In het advies over het MER wordt aangegeven dat een inzicht in de opbouw en werking van het landschapsecologisch systeem ontbreekt. Naast het feit dat in het advies van de commissie op de NRD niet gesproken is over het beschrijven van het landschapsecologisch systeem zijn is de gemeente en Delfland van oordeel dat dit voor de geringe omvang van het plangebied van 13,8 hectare in een verstedelijkte omgeving te ver voert. Het plangebied heeft al jaren de functie (voorheen: bestemming) bedrijventerrein. Tevens is het plangebied door provincie Zuid-Holland aangewezen (Omgevingsverordening) als bedrijventerrein met de op te volgen instructie het daarvoor aan te wenden.
Weliswaar wordt deze nu ingevuld met een specifieke vorm van bedrijvigheid namelijk de AWZI;, de planologische keuze om dit gebied met bedrijvigheid te vullen is dus al jaren geleden genomen. De onderbouwing met het plan-MER is
19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 3 of 8
vanwege de wijziging naar de functie bedrijven-AWZI. Een landschapsecologische systeemanalyse zou hiervoor geen nieuwe inzichten opleveren voor de planologische keuze voor de ontwikkeling van Vergulde Hand West voor bedrijvigheid. Daarmee zou een dergelijke analyse buitenproportioneel zijn. De e ecten op de waterharmonica moeten onderbouwd worden. Onder andere in hoofdstuk 1.3 is aangegeven dat de aanleg en werking van de waterharmonica geen onderdeel uitmaakt van de scope van dit project. Het behalen van de specifieke natuurdoelen voor de waterharmonica en de Krabbeplas zijn voor het initiatief van de AWZI niet relevant. Zoals ook in hoofdstuk 3 is aangegeven, zal levering van water aan de waterharmonica een positief e ect hebben, onder andere voor ecologie. In hoofdstuk 9.2.4 onder ‘Gebruiksfase’ is ook aangegeven dat nog niet exact bekend is hoe de waterharmonica met water gevoed gaat worden maar dat de AWZI hiertoe wel de mogelijkheid kan bieden. Een mogelijkheid voor positieve e ecten dus, als meekoppelkans. De e ecten van sloop zijn niet onderzocht. De sloop van de bestaande AWZI maakt geen onderdeel uit van het voornemen en de besluitvorming en e ecten zijn derhalve ook niet te bepalen. Dit kan daarom door de commissie niet gezien worden als een tekortkoming.
Ook op basis van juridisch advies komt naar voren dat deze zaken niet in de beoordeling behoren te worden betrokken. Overigens zijn de een aantal e ecten van de sloop van de bestaande AWZI op verzoek van de gemeente wel in beeld gebracht gebracht - en in de plan- MER beschreven - voor enkele relevante milieuthema’s, waaronder stikstof/natuur. De e ecten zijn echter niet onderscheidend voor de vier alternatieven. Naar het oordeel van de gemeente is voldoende informatie aanwezig ten aanzien van het aspect ecologie voor het besluit over de wijziging Omgevingsplan. Sloop maakt geen onderdeel uit van het besluit en de ecologische e ecten ervan dus ook niet.
2.4. Energieverbruik en CO2-balans De extra energievraag door membranen moet volgens de commissie beter onderbouwd worden. Het plan-MER is beschrijft de inzichten voor energieverbruik van de vier alternatieven, die op dat moment beschikbaar waren. Parallel aan het opstellen
19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 4 of 8
van het plan-MER is in het ontwerpproces eind 2024/begin 2025 een aangescherpt schetsontwerp van het voorkeursalternatief opgesteld (dit schetsontwerp is ook de basis voor de in de plan-MER paragraaf 4.4 getoonde geurcontour). Voor dit schetsontwerp is een uitgebreide en verder geoptimaliseerde energieberekening opgesteld. Daarbij zijn meer actuele gegevens van vergelijkbare MBR-installaties gebruikt. Het resultaat is dat het energieverbruik van voorkeursalternatief lager is dan in het plan-MER beschreven staat, maar nog steeds hoger dan van alternatieven. Benadrukt wordt dat energiegebruik weliswaar een belangrijk aspect is, maar dat het uiteindelijk gaat om een integrale keuze, waarbij ook andere aspecten een rol spelen. Uit werkbezoeken aan afvalwaterzuiveringen in het buitenland begin 2025 (o.a. Stockholm, Versailles) is hierna nog gebleken dat het energieverbruik en materiaalverbruik van MBR nog lager kan liggen dan waarmee is gerekend. Deze inzichten worden meegenomen in volgende ontwerpstap en bijbehorende project-MER. De commissie vraagt om het beter in kaart brengen van het verhoogde energiegebruik op de doelstellingen in het energie(besparings)beleid De keuze voor het voorkeursalternatief is gebaseerd op een integrale afweging waarbij meer criteria zijn gewogen dan de milieue ecten. Het energiebeleid heeft daarbij een rol gespeeld.
In hoofdstuk 8.1.4 van het plan-MER is ingegaan op de e ecten van energie op de verschillende alternatieven waarbij energiesparingsmaatregelen doorgevoerd zijn in alle alternatieven. Het bestuur van Delfland heeft gekozen voor het voorkeursalternatief, onder meer vanwege de hogere e luentkwaliteit. De commissie geeft aan dat het hogere energiegebruik niet tot uitdrukking komt in de CO2-balans. In hoofdstuk 8.1.4 is ingegaan op de e ecten van energiebalans op de verschillende alternatieven waaronder een integrale CO2-emissiebalans. Door inzet van 100% duurzaam opgewekte elektriciteit (Energiemix Wind op Zee) is de CO2-impact van elektriciteitsgebruik beperkt. Ook het lagere gebruik van bouwmaterialen draagt bij aan de lagere klimaatimpact. Dit verklaart het verschil tussen de score op energieverbruik en totale klimaatimpact/ CO2-balans. In de bijlage bij deze memo volgt een verdere verduidelijking ten aanzien van energiegebruik en CO2-balans. Terzijde wordt opgemerkt dat het energieverbruik van membranen nadrukkelijk aan bod is gekomen bij de integrale afweging die is gemaakt voor het voorkeursalternatief.
19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 5 of 8
Met opmaak: Inspringing: Links: 1,27 cm
2.5. Doorwerking randvoorwaarden microverontreinigingen De commissie geeft aan dat niet blijkt of aan de randvoorwaarde voor 80% verwijdering van microverontreiniging zal worden voldaan. Bij het ontwerpen van de nieuwe zuivering is deze randvoorwaarde meegenomen als ontwerpeis. Uitgangspunt is dat het zuiveringse luent zal voldoen de (gewijzigde) Richtlijn stedelijk afvalwater (tachtig procent verwijdering van organische microverontreinigingen over de gehele AWZI). ). Omdat het hier gaat om een wettelijke eis, is hier geen sprake van een onderscheidend aspect in de keuze voor de verschillende alternatieven. Alle alternatieven voldoen hier aan. In vervolgstappen bij het uitwerken van het voorkeursalternatief richting een voorontwerp – en dus ook in het project-MER - wordt meer in detail gekeken naar de verschillende onderdelen van het hele proces.
2.6. Toekomstig bedrijventerrein terrein bestaande AWZI De commissie vraagt om een beschrijving van de herbestemming van de locatie van de huidige AWZI inclusief milieucategorie, randvoorwaarden en doorkijk van risico’s vanuit milieubelang. Zaken die geen deel uitmaken van het plan – in dit geval sloop en herbestemming DGL – horen niet in de MER te worden betrokken. Herbestemming van het terrein van AWZI De Groote Lucht maakt geen onderdeel uit van de scope en de besluitvorming en hoort daarom niet in dit MER thuis. Daar zal te zijner tijd (waarschijnlijk voorbij 2032) een eigen besluitvormingstraject voor worden gestart. Dit staat, naar aanleiding van het advies van de commissie op de NRD, toegelicht in het plan-MER par. 6.3. p.55.
3. Concluderend Met de verduidelijking ten aanzien van energieverbruik en CO2-balans en de bovenstaande reactie op het advies van de commissie is gemeente Vlaardingen van oordeel dat een aanvulling op het plan-MER en een toetsing door de commissie daarop niet nodig is. Deels zullen onderdelen van het advies van de commissie in het projectMER verder aan de orde komen. Deze reactie zal als onderdeel van de besluitstukken worden aangeboden aan de raad ter vaststelling.
19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 6 of 8
Bijlage: Notitie Energiegebruik en CO2-balans 1. INTRODUCTIE De Commissie voor de milieueffectrapportage vraagt in het Toetsingsadvies over het plan-MER Afvalwaterzuiveringsinstallatie 'Vergulde Hand' in Vlaardingen (28 mei 2025/projectnummer: 3851) aandacht voor het energieverbruik en de impact op CO2-emissie van het voorkeursalternatief. Dit is als volgt verwoord: “Uit de energiebeoordeling in hoofdstuk 8 blijkt dat de m-UCT variant met membranen (alternatief 1b) jaarlijks 21.110 GJ (ofwel 7,8 miljoen KWh) 33% meer energie verbruikt dan de m-UCT variant met bezinking. De Commissie acht de kans op hogere energieverbruiken hoog. De extra energievraag door de membranen die in de praktijk kan worden verwacht moet daarom beter onderbouwd worden. Samenhangend daarmee moeten ook de implicaties van dit verhoogde energiegebruik op de doelstellingen in het energie(besparings)beleid beter in kaart worden gebracht. De Commissie wijst er daarnaast op dat de meer dan 30% hogere energievraag van de voorgenomen activiteit (alternatief 1b) de CO2-balans vergelijkbaar is met bijvoorbeeld alternatief 1a. De hogere energievraag van alternatief 1b komt echter niet tot uiting in de CO2-balans.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming over de wijziging van het omgevingsplan, een overzicht te geven van het energieverbruik per alternatief, inclusief onderbouwing en toetsing aan beleid. Relateer dit aan de CO2-balans.” In reactie op dit advies geeft de gemeente Vlaardingen, samen met het Hoogheemraadschap van Delfland middels deze notitie een toelichting.
2. HET VOORKEURSALTERNATIEF IN RELATIE TOT ENERGIE Het voorkeursalternatief (VKA = Alternatief 1b in de vergelijking van de vier onderzochte alternatieven) is een compacte uitvoering van het actief-slibsysteem volgens het mUCT-proces met membranen (MBR) voor slibscheiding. De membraantechniek leidt tot een uitstekende effluentkwaliteit en draagt zodanig bij het doelmatig bereiken van de vereiste effluentkwaliteit en creëert de mogelijkheid van duurzaam waterhergebruik. Het bereiken van betere waterkwaliteit vraagt inderdaad meer energie in de vorm van elektriciteit om het water door de membranen te pompen. Het VKA onderscheidt zich in positieve zin ten opzichte van de andere drie alternatieven met name op de betere kwaliteit van het gezuiverde effluent: deeltjesvrij, extra verwijdering van organische microverontreiniging, bacteriologisch gedesinfecteerd en grotendeels vrij van virussen. De membraanbarrière maakt dat het geproduceerde MBR-effluent (permeaat) relatief eenvoudiger opgewerkt kan worden tot zoetwater voor andere toepassingen (bij derden, industrie of gietwater) als aanscherping op de kwaliteit die vereist is voor effluentlozing op ’t Scheur of regionaal watersysteem. Dit onderscheidende karakter van het VKA geeft invulling aan de prioriteiten van het beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland op gebied van de waterketen naar circulariteit en zoetwater.
Lager energieverbruik voorkeursalternatief dan in plan-MER Het plan-MER beschrijft de inzichten voor energieverbruik van de vier alternatieven, die op dat moment beschikbaar waren. Het berekende energieverbruik van het VKA in het plan-MER is bijna 33% hoger dan de
19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 7 of 8
vergelijkbare variant met nabezinking in plaats van membranen (alternatief 1a). Daarbij dient opgemerkt te worden dat alternatief 1a een lagere effluentkwaliteit heeft dan het VKA. Parallel is in het ontwerpproces eind 2024/begin 2025 een aangescherpt schetsontwerp van het voorkeursalternatief opgesteld (dit schetsontwerp is ook de basis voor de in de plan-MER paragraaf 4.4 getoonde geurcontour). Voor dit schetsontwerp is een uitgebreide en verder geoptimaliseerde energieberekening opgesteld. Daarbij zijn meer actuele gegevens van vergelijkbare MBR-installaties gebruikt. Het resultaat is dat het energieverbruik van voorkeursalternatief lager is dan in het plan-MER beschreven staat. Het VKA verbruikt 26% meer elektriciteit dan alternatief 1a met nabezinking. Uit werkbezoeken aan afvalwaterzuiveringen in het buitenland begin 2025 (o.a. Stockholm, Versailles) is hierna nog gebleken dat het energieverbruik en materiaalverbruik van MBR nog lager kan liggen dan waarmee is gerekend. Deze inzichten worden meegenomen in volgende ontwerpstap en bijbehorende project-MER. Klimaatimpact zegt meer dan energieverbruik Bij toepassing van membranen zal altijd sprake zijn van een relatief hoog energieverbruik.
Voor duurzaamheid wordt echter gekeken naar de totale CO2-emissie (klimaatimpact), waarin naast energieverbruik onder andere ook bouwmaterialen en grondstoffen worden meegeteld, en waarin voor elektriciteit ook meeweegt wat de bron is. Op klimaatimpact scoort het VKA beter dan op energieverbruik. De compacte installatie vergt minder bouwmaterialen, waardoor de CO2-emissie relatief laag is. Ook speelt het energiegebruik een relatief kleine rol in totale klimaatimpact, omdat Delfland 100% duurzame energie (Energiemix Wind op Zee) gebruikt. De CO2emissie is daardoor beperkt. Samengevat Het voorkeursalternatief is gekozen op basis van een integrale afweging. Het hogere energiegebruik is daarbij afgewogen tegen onder andere een hogere waterkwaliteit. Bovendien valt het hogere energieverbruik van membranen weg in de totale klimaatimpact waardoor het vergelijkbaar is met andere alternatieven.
3. VERVOLG Bij het besluit van het bestuur van Delfland voor het voorkeursalternatief is benoemd dat het energieverbruik een aandachtspunt vormt. De actuele situatie van netcongestie in de regio maakt dit extra belangrijk. In de verdere uitwerking van het ontwerp zal daarom worden gekeken naar ontwerpkeuzes die de energievraag kunnen verlagen. Ook werkt Delfland uit welke mogelijkheden er zijn voor opwekking en alternatieve energievoorziening van de nieuwe zuivering. Daarnaast verkennen Delfland en Vlaardingen samen of er mogelijkheden zijn om restwarmte van de zuivering lokaal te gebruiken voor woningen of bedrijven. In de project-MER ter onderbouwing van de vergunningaanvraag zal onderbouwd worden hoe het meer gedetailleerde voorlopig ontwerp (VO) presteert qua energieverbruik en klimaatimpact.
19 juni 2025
Reactie advies 3851ts
Page 8 of 8