CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Algemene subsidieverordening Vlaardingen 2024

Gemeenteraad 11 juli 2024, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 202412.139 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In het derde lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.

Onderdelen a, b, e, k en m spreken voor zich. Onderdeel c geeft de mogelijkheid om alleen activiteiten te subsidiëren die passen binnen het beleid van de gemeente. Onderdeel d geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager ook zonder deze subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden (waaronder subsidies van andere instanties), kan beschikken om de activiteit/prestatie te realiseren.

De subsidie kan op grond van onderdeel h worden geweigerd als door de gemeente al subsidie is verstrekt voor soortgelijke activiteiten of soortgelijke activiteiten al op een andere manier binnen de gemeente worden uitgevoerd. Een subsidieaanvraag kan op grond van onderdeel i worden geweigerd wanneer twijfel bestaat of de subsidie zal worden besteed waarvoor deze is bedoeld.

Onderdeel f geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvraag te laat is ingediend. Bij gebruik van deze weigeringsgrond moet rekening gehouden worden met de structurele subsidies van artikel 4:51 van de Awb. Daarin is bepaald dat indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde voortdurende activiteiten, een subsidie(aanvraag) voor een daarop aansluitend tijdvak slechts geheel of gedeeltelijk mag worden

geweigerd als veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich verzetten tegen (ongewijzigde) voortzetting van de subsidie en met inachtneming van een redelijke termijn. Dit betekent dat wanneer er sprake is van een structurele subsidie in de zin van artikel 4:51 van de Awb, een aansluitende subsidie(aanvraag) die te laat is ingediend niet enkel kan worden afgewezen op de grond dat deze aanvraag te laat is ingediend.

Voorkomen moet worden dat overheidsgeld gaat naar subsidieontvangers die niet integer zijn. Daarom wordt in onderdeel j geregeld dat een subsidieontvanger geen activiteiten mag ontplooien of doelen mag nastreven die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde.

Een subsidie kan op grond van onderdeel g worden geweigerd als deze in strijd is met een wettelijk voorschrift. Onderdeel l geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de benodigde vergunningen en ontheffingen voor de activiteiten ontbreken.

Bij de weigeringsgrond onder n is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hier louter om de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) geen subsidie wenst te verlenen. Een subsidie kan ook geweigerd en ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet.

Onderdeel o ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

Artikel 12. Verlening subsidie en bevoorschotting Een subsidie kan maximaal voor een periode van vier jaar worden verleend. Deze periode sluit aan bij de begrotingscyclus van de meerjarenbegroting. Deze maximale periode van vier jaar geldt zowel voor (meer)jaarlijkse subsidies als voor eenmalige subsidies. Het voordeel van een subsidie voor meerdere jaren is dat een jaarlijkse aanvraag overbodig is.

Op de subsidieaanvraag neemt het college een besluit of de subsidie wordt verleend: de beschikking tot subsidieverlening. Deze beschikking geeft de subsidieontvanger een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen, waarvan de precieze omvang nog niet vast staat. De aanspraak is voorwaardelijk omdat het op het moment van verlening nog niet zeker is of de subsidieontvanger daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten verricht en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Dat wordt in de regel pas beoordeeld in het kader van de subsidievaststelling.

Indien het niet in de subsidieregeling is geregeld, moet in de subsidieverleningsbeschikking de geldende voorwaarden en verplichtingen van de subsidie, waaronder de wijze waarop de besteding van de subsidie moet worden verantwoord, worden vermeld. Hiermee wordt bereikt dat voor de subsidieontvanger van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en verplichtingen hij moet voldoen. Het college kan hier gebruik maken van haar bevoegdheid om meer of minder gegevens en bescheiden bij de verantwoording van de subsidie aan de subsidieontvanger te vragen.

Bevoorschotting In de subsidieverleningsbeschikking kan het college besluiten tot bevoorschotting van de subsidie. Bevoorschotting kan noodzakelijk zijn omdat de organisatie kosten maakt om de activiteiten waarvoor subsidie wordt ontvangen uit te voeren. Bij een lagere vaststelling van de subsidie vindt een verrekening met voorgeschoten subsidiegelden plaats. Dit leidt dan tot terugvordering van een deel van de subsidie. De wijze waarop de bevoorschotting plaatsvindt (bijv. de hoogte en de termijnen) wordt in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen.

Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. Met ‘schriftelijk’ in het eerste lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het college de digitale weg open heeft gesteld. Zodra de subsidieontvanger weet dat de activiteiten of verplichtingen niet geheel zullen worden verricht respectievelijk zullen worden nagekomen, moet dit aan het college worden gemeld. De subsidieontvanger moet het college informeren over alle feiten en omstandigheden die voor de subsidie van belang kunnen zijn. Het college kan dan tijdig afspraken met de subsidieontvanger maken om er bijvoorbeeld voor te zorgen dat er geen subsidiegeld verdwijnt.

Indien de subsidieontvanger zich niet aan de meldingsplicht of informatieplicht heeft gehouden kan het college de subsidie lager vaststellen, omdat niet voldaan is aan de subsidie verbonden verplichtingen.

In het derde lid is opgesomd voor welke rechtshandelingen vermeld in artikel 4:71 van de Awb de subsidieontvanger schriftelijke toestemming van het college nodig heeft.

Artikel 14. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen In artikel 4:37, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de subsidieontvanger verplichtingen kan opleggen met betrekking tot:

a.

aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

b.

de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

c.

het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

d.

de te verzekeren risico’s;

e.

het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;

f.

het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

g.

het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;

h.

het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.

Dit artikel van de ASV 2024 bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde “bijzondere” verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van artikel 4:37, eerste lid, van de Awb.

In het eerste lid is de uitdrukkelijke bevoegdheid van het college opgenomen om bij subsidieregeling of verleningsbeschikking tussenrapportages op te vragen van de subsidieontvanger. Het doel van de tussenrapportage is dat het college er tijdig kennis van kan nemen of alle activiteiten zullen worden verricht en alle verplichtingen zullen worden nagekomen. Via de tussentijdse rapportages wordt het college op de hoogste gesteld van de tot dan toe behaalde resultaten. De tussenrapportage bevat een verslag van de voortgang van de activiteiten en de inzet van de ontvangen subsidie.

De mogelijkheid om aanvullende bijzondere verplichtingen aan de subsidie op te leggen wordt onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) van de Awb. In beginsel dient de ASV 2024 hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking. In het tweede en derde lid is voor het college die bevoegdheid opgenomen.

Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Het gaat hierbij om verplichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt zijn om het met de subsidie nagestreefde doel te verwezenlijken. Deze zogenaamde doelgebonden verplichtingen kunnen rechtstreeks betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteit, maar ook een meer afgeleid en ondersteunend karakter hebben. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de

deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren of de wijze waarop de administratie moet worden gevoerd of aan het bestuursorgaan moet worden gerapporteerd over de activiteiten.

Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.

Hoofdstuk 5. Vermogensvorming

Artikel 15. Vorming van egalisatiereserve Het opnemen van bepalingen over vermogensvorming heeft een tweeledig doel. Enerzijds is het belangrijk dat instellingen beschikken over voldoende reserves om tegenvallers op te kunnen vangen. Anderzijds is het niet wenselijk dat instellingen overmatig veel reserves opbouwen met subsidiegelden.

Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen. In dit artikel is bepaald dat het college, binnen de in het tweede lid genoemde normen, bij de vaststelling van de subsidie toestemming kan verlenen om het positieve exploitatieresultaat toe te voegen aan de egalisatiereserve.

Het college kan bij een vaststellingsbeschikking van een (meer)jaarlijkse subsidie van meer dan € 25.000 bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve mag vormen indien aan de in het eerste lid omschreven voorwaarden is voldaan. In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste van de egalisatiereserve.

Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van dit artikel alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.

Artikel 16. Vergoeding vermogensvorming

In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen: - als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; - als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; - als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; - als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of - de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking, vaststellingbeschikking of beëindigingsbeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen.

Een vergoeding voor vermogensvorming kan slechts worden gevraagd wanneer het vermogen is gevormd met subsidiegelden. Indien de vermogensvorming uitsluitend door andere gelden is opgebouwd (bijv. een sportvereniging die gespaard heeft voor een nieuwe kantine), kan er geen sprake zijn van het vragen van een vergoeding.

Hoofdstuk 7. Verantwoording en vaststelling van de subsidie

In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de vaststelling en verantwoording van de subsidie. Daarbij is het uitgangspunt dat de administratieve en bestuurlijke belasting die met de verantwoording gepaard gaat in verhouding is met de hoogte van het subsidiebedrag.

Artikel 17. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000 Subsidies tot en met € 5.000 kunnen op basis van vertrouwen worden verstrekt. Er wordt dan niet standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 13). Deze subsidies worden direct vastgesteld bij een vaststellingsbeschikking zonder dat daaraan een beschikking tot subsidieverlening voorafgaat. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Achteraf (na de vaststelling) kan door het college een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger waarbij de subsidie moet worden verantwoord. De subsidieontvanger is verplicht

daaraan mee te werken. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard, terwijl toch het risico voor de gemeente beperkt blijft.

Indien bij de controle achteraf (verantwoording) blijkt dat de subsidieontvanger de activiteiten niet volledig heeft uitgevoerd of niet volledig heeft voldaan aan de subsidievoorwaarden kan het college de vaststelling intrekken of wijzigen en vervolgens de subsidie (gedeeltelijk) terugvorderen.

Artikel 18. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 25.000 Ook subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 25.000 worden direct vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening. De besteding van deze subsidies moet wel standaard worden verantwoord door de subsidieontvanger na afloop van de gesubsidieerde activiteiten. Hier gaat het om een lichte vorm van verantwoording door middel van het invullen van een “afhandelingsformulier subsidies tussen € 5.000 en € 25.000”. Ingevolge artikel 12 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.

Indien uit deze verantwoording blijkt dat de subsidie niet volledig is besteed aan de gesubsidieerde activiteiten of niet volledig is voldaan aan de subsidievoorwaarden kan het college de vaststelling intrekken of wijzigen en vervolgens de subsidie (gedeeltelijk) terugvorderen.

Artikel 19. Eindverantwoording subsidies tussen € 25.000 en € 75.000 In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidies van meer dan € 25.000 en ten hoogste € 75.000 dienen te verantwoorden. Er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden met inachtneming van de in het eerste lid genoemde termijnen. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen (meer)jaarlijkse en eenmalige subsidies. In het tweede lid is aangegeven waar de verantwoording uit moet bestaan. Deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan en een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag). Als door het college een aanvraagformulier voor die verantwoording is vastgesteld, geschiedt de verantwoording door middel van het invullen van dat formulier. Ingevolge artikel 12 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.

Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring, andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt.

Het financieel verslag moet een overzicht bevatten van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten. Dit financieel verslag kan bestaan uit een jaarrekening, inclusief balans, verlies- en winstrekening en de toelichting daarop.

De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling andere termijnen voor de aanvraag tot vaststelling vast te stellen en te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording. Dit volgt uit de AVG.

Artikel 20. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 75.000 Zie toelichting bij artikel 19.

Bij subsidies van meer dan € 75.000 moet de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling als extra eis een accountantsverklaring verstrekken (tweede lid, onder c).

Artikel 21. Vaststelling subsidies van meer dan € 25.000 Het eerste lid bevat - overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb - de termijn waarbinnen de beschikking tot subsidievaststelling gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verdagen (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn - voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn - biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging op grond van het tweede lid is appellabel (dit in tegenstelling tot een mededeling op grond van artikel 4:14 van de Awb dat de - eventueel verdaagde - termijn niet gehaald wordt). Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording. Dit volgt uit de AVG.

Wanneer de activiteiten zijn afgerond, dient de subsidieontvanger een verzoek tot vaststelling van de subsidie in. In dit verzoek legt de subsidieontvanger rekening en verantwoording af (zie toelichting bij de artikelen 19 en 20). Afhankelijk van de mate waarin de activiteiten zijn verricht en de verplichtingen zijn nagekomen, wordt de hoogte van de subsidie bepaald (subsidievaststelling).

In het vierde lid is bepaald dat het college de subsidie ambtshalve kan vaststellen indien een aanvraag tot vaststelling niet tijdig, na een eenmalig rappel, is ontvangen. In dat geval kan het college de subsidie lager vaststellen omdat niet aan een aan de subsidieverlening verbonden verplichting is voldaan.

Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Awb is het uitgangspunt bij de vaststelling dat de hoogte van de vaststelling overeenkomstig het verleende subsidiebedrag is. In de in artikel 4:46, tweede en derde lid, van Awb genoemde gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie kan niet hoger worden vastgesteld. In het vijfde lid is opgesomd welke uitgangspunten bij de vaststelling van de subsidie in acht worden genomen.

Artikel 22. Betaling en verrekening De betaling van de subsidie vindt plaats onder verrekening van de eventueel betaalde voorschotten. Het subsidiebedrag wordt binnen zes weken na de subsidievaststelling betaald. Omdat in vrijwel alle gevallen voorschotten zullen zijn betaald, vindt geen nabetaling plaats of moet de subsidieontvanger de teveel ontvangen voorschotten terugbetalen.

In artikel 4:57, derde lid, van de Awb is reeds geregeld dat geldschulden kunnen worden verrekend met subsidies die aan dezelfde subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten voor een ander tijdvak zijn verstrekt. Artikel 4:93 van de Awb biedt de mogelijkheid om een geldschuld te verrekenen met een bestaande vordering mits in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Met het tweede lid van dit artikel wordt aan dit vereiste voldaan. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om subsidies die worden teruggevorderd ook met andere vorderingen te verrekenen, zoals vorderingen die uit subsidies voor andere activiteiten voortvloeien of vorderingen op grond van de Wet dwangsom en beroep niet tijdig beslissen.

Artikel 23. Terugvordering onverschuldigde betaling Terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten vindt plaats op grond van artikel 4:57 van de Awb. Dit artikel is in de ASV 2024 opgenomen omdat het college zonder expliciete wettelijke grondslag niet de mogelijkheid heeft om over de onverschuldigde betaalde subsidie wettelijke rente te vorderen.

Hoofdstuk 8. Overige bepalingen

Artikel 24. Subsidieregister Omwille van de transparantie van de subsidieverstrekking wordt door het college een actueel en openbaar subsidieregister bijgehouden. Het register wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website zodat iedere belanghebbende kan vernemen welke subsidies zijn verleend en/of vastgesteld.

Artikel 25. Hardheidsclausule Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een termijn in de ASV 2024 of de toepasselijke subsidieregeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn

tot de daarmee te dienen belangen. Op grond van het eerste lid kan het college dan een andere termijn vaststellen.

Op grond van het tweede lid kan het college bovendien in een subsidieregeling een hardheidsclausule opnemen die ziet op nader in die subsidieregeling aangegeven bepalingen. Een te treffen voorziening, die niet in de verordening of subsidieregeling is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.

Artikel 26. Slotbepalingen Hierin is de inwerkingtreding van de ASV 2024 en de intrekking van de ASV 2011 geregeld. Daarnaast is overgangsrecht bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14232126/2