Bijlage 2.7 - Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019
Tekst van het document
7.
De vergunning bedoeld in het eerste lid heeft dezelfde geldigheidsduur als de concessie.
8.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het college de vergunning intrekken indien de overeenkomst tot concessieverlening is beëindigd.
9.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 10 Straatnaamborden, huisnummers en dergelijke Artikel 5.31 Gedoogplicht aanduidingen Vervallen. Artikel 5.32 Verwijdering e.d. aanduidingen
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
75 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Vervallen.
Hoofdstuk 6 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.1 Sanctiebepaling 1 5. 4. 3. 2.
Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden: lid 1, lid 2 en lid 3; 2.2 Aanwijzing overlastgebied: lid 2; 2.4 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen: lid 1; 2.11 Het zonder melding plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan: lid 1; 2.16 Winkelwagentjes: lid 1, lid 2 en lid 3; 2.18 Openen straatkolken en dergelijke; 2.20 Rookverbod in bossen en natuurterreinen: lid 1 en lid 2; 2.21 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp: lid 1; 2.23 Voorzieningen voor verkeer en verlichting: lid 1; 2.25a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen; 2.27 Evenementenvergunning: lid 1 en lid 7; 2.32a 0-evenementen: lid 1; 2.32c Openbare orde en veiligheid: lid 2 en lid 3; 2.34 (Tijdelijke) Exploitatievergunning openbare inrichting: lid 1; 2.36 Eisen exploitant en leidinggevende: lid 2; 2.37 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende: lid 1 en lid 2; 2.41 Sluitingstijden: lid 1, lid 2, lid 3 en lid 10 2.44 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting: lid 1 en lid 2; 2.45 Glazen drinkgerei: lid 1 en lid 2; 2.45a Verbod verkoop bier in blik voor openbare inrichtingen; 2.46 Handel binnen
openbare inrichtingen: lid 2; 2.47 Ordeverstoring: lid 1 en lid 2; 2.48 Geldigheidsduur vergunning: lid 4; 2.48a Beëindiging exploitatie: lid 2; 2.49b Regulering paracommerciële rechtspersonen; lid 1 tot en met
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
76 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
lid 7; 2.49c Sluitingstijden paracommerciële rechtspersonen: lid 1 en lid 2; 2.49d Verbod extreme prijsacties horeca; 2.54 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen: lid 3, lid 4 en lid 5; 2.55 Betreden gesloten woning of lokaal: lid 1 en lid 2; 2.56 Plakken en kladden: lid 1, lid 2, lid 5 en lid 7; 2.62 Uitnodigen of aanlokken tot ontuchtige handelingen: lid 1 en lid 2; 2.64 Verboden drankgebruik: lid 1, lid 2 en lid 3; 2.67a Messen en andere voorwerpen als wapen; 2.69a Overig hinderlijk gedrag; 2.70 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen; lid 1, lid 2 en lid 3; 2.72 Het aanlijnen en het laten verblijven van honden: lid 1; 2.73 Verontreiniging door honden: lid 1 en lid 4; 2.74 Gevaarlijke en hinderlijke honden: lid 2, lid 3, lid 4 en lid 5; 2.78a Bedelarij 2.85 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen: lid 1; 2.86 Afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling: lid 1 en lid 2; 2.86a Carbid schieten 2.87 Drugshandel op straat; 2.88 Verzamelingen van personen in verband met drugs: lid 1 en lid 3; 2.90 Weggooien van spuiten en dergelijke; 2.91 Wijkverbod: lid 5; 3.3 Vergunning seksbedrijf: lid 1; 3.10 Melding gewijzigde omstandigheden; 3.12 Sluitingstijden, aanwezigheid, toegang: lid 1 tot en met lid 3; 3.13 Adverteren; 3.14 Leeftijd en verblijfstitel prostituee; 3.15 Bedrijfsplan: lid 4 tot en met
6; 3.17 Verdere verplichtingen van de exploitant en leidinggevende prostitutiebedrijf;
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
77 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
3.18 Raamprostitutie; 3.19 Straatprostitutie; 3.21 Verbodsbepalingen klanten; 3.22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischpornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke: lid 1 en lid 3; 4.2 Collectieve festiviteiten: lid 5; 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten: lid 1, lid 2, lid 5 en lid 6; 4.6 Overige geluidhinder: lid 1; 4.7 Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke; 4.8 Routering (nachtelijk rijverbod): lid 1; 4.9 Geluidhinder door handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden: lid 1; 4.41 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen; 4.42 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, enz.: lid 1 en lid 2; 4.44 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame; 4.45 Graffiti: lid 1; 4.47 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen: lid 1; 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke: lid 3; 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen: lid 1; 5.4 Defecte voertuigen; 5.5 Voertuigwrakken: lid 1; 5.6 Kampeermiddelen en andere: lid 1; 5.7 Reclamevoertuigen: lid 1; 5.8 Grote voertuigen: lid 1 en lid 2; 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen: lid 1; 5.11 Aantasting groenvoorziening door voertuigen: lid 1; 5.12 Overlast van fiets en bromfiets; 5.13 Inzameling van geld en goederen: lid 1; 5.15 Ventverbod: lid 1; 5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden: lid 1 5.19 Toestemming rechthebbende; 5.22
Beschadigen van waterstaatwerken en bruggen; lid 1; 5.23 Reddingsmiddelen;
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
78 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
5.27 Crossterreinen: lid 1; 5.28 Beperking verkeer in natuurgebieden: lid 1; 5.29 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken: lid 1 en lid 3; 5.30 Reclameborden: lid 1.
Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: 2.7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen: lid 1; 2.10 Straatmuzikant: lid 1 en lid 2; 2.17 Hinderlijke beplanting of voorwerp; 2.51 Kennisgeving exploitatie; 2.53 Verschaffing gegevens nachtregister; 2.57 Vervoer plakgereedschap en dergelijke: lid 1; 2.58 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal: lid 1 en lid 3; 2.60 Hinderlijk gedrag op of aan de weg: lid 1; 2.60a Hinderlijk voetballen en dergelijke; 2.63 Bouwmaterialen op of aan de weg; 2.66 Verboden gedrag bij of in gebouwen: lid 1 en lid 2; 2.67 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten; 2.68 Neerzetten van fietsen en dergelijke; 2.69 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke; 2.75 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren: lid 2; 2.76 Loslopend vee: lid 1; 2.77 Bijen: lid 1;
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
79 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
2.78 Voederverbod (stads)duiven: lid 1 en lid 2; 4.39 Straatvegen; 4.40 Natuurlijke behoefte doen: 5.24 Zwemverbod: lid 1; 5.25 Veiligheid op het water: lid 1; 5.26 Overlast aan vaartuigen: lid 1 en lid 2;
Overtreding van het bepaalde in de artikelen: 2.80 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister: lid 1; 2.81 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.13, derde lid, en artikel 2.14, eerste lid. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 6.1a Boetebepaling bestuurlijke boete 1.
Overtreding door een natuurlijke persoon of rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete: 2.7, lid 1, 2.10, leden 1 en 2, 2.10a, leden 1 en 3, 2.11, lid 1, 2.13, lid 1, 2.14, lid 1, 2.16, leden 1, 2 en 3, 2.17, 2.18, 2.20, lid 1 sub a en sub b, 2.21, lid 1, 2.25a, 2.27 lid 1, 2.34, lid 1, 2.36, lid 2, 2.37, leden 1 en 2, 2.41, leden 1 en 10, 2.44, leden 1 en 2, 2.46, lid 2, 2.47, leden 1 en 2, 2.49c, leden 1 en 2, 2.55, leden 1 en 2, 2.56, leden 1, 2, 5 en 7, 2.57, lid 1, 2.60 leden 1a, 1b en 2, 2.64, leden 2 en 3, 2.66, leden 1a, 1b en 2, 2.67, 2.68, 2.69, 2.69a, 2.70, leden 1 en 2, 2.72 lid 1, 2.73 leden 1 en 5, 2.74, leden 1, 4 en 5, 2.75 lid 1, 2.76, lid 1, 2.77, leden 1a en 1b, 2.78, leden 1 en 2, 2.85, lid 1, 2.86, leden 1 en 2, 2.86a leden 2 en 3, 2.89 (slechts voor art. 3 Opiumwet), 3.18, 3.19, 3.20, 3.21, 4.6, lid 1, 4.40, 4.41, 4.42, lid 1, 4.47, lid 1, 5.2, leden 3a en 3b, 5.3, lid 1, 5.4, 5.5, lid 1, 5.6, leden 1a, 1b en 1c, 5.7, lid 1, 5.8, leden 1 en 2, 5.9, lid 1, 5.10a, 5.11, lid 1, 5.12, 5.13, 5.15, lid 1, 5.18, lid 1, 5.22, 5.22a, 5.23, 5.24, 5.25, lid 1, 5.26, lid 1, 5.27, lid 1, 5.28, lid 1, 5.29, leden 1 en 3, en 5.30, lid 1.
2.
Bij overtreding door een natuurlijke persoon van een voorschrift als genoemd in lid 1 van dit artikel is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het betreffende voorschrift.
3.
Bij overtreding door een rechtspersoon van een voorschrift als genoemd in lid 1 van dit artikel wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die geldt voor een natuurlijk persoon vermenigvuldigd met factor twee.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
80 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Artikel 6.2 Toezichthouders 1.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de medewerkers van het team Veiligheid, Toezicht en Handhaving.
2.
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafverordening, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.
Artikel 6.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1.
Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag waarop zij is bekendgemaakt.
2.
Op dat moment worden de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014 en de 1e, 2e, 3e, 4e, 5e en 6e Wijzigingsverordeningen Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014 ingetrokken.
Artikel 6.5 Overgangsbepaling 1.
Besluiten die van kracht waren op grond van de APV 2014 en waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
2.
Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning voor de uitoefening van een bedrijf dat op grond van artikel 3.2 van deze verordening wordt aangemerkt als seksbedrijf en die op het tijdstip van inwerkingtreding niet is ingetrokken of vervallen, wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening met een geldigheidsduur van 28 weken, gerekend vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening. Als binnen deze periode een aanvraag als bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening is gedaan, blijft deze vergunning van kracht totdat op de aanvraag is beslist.
3.
De artikelen 3.4, eerste lid, en 3.13 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 zijn gedurende 28 weken na inwerkingtreding van deze verordening niet van toepassing op de uitoefening van een seksbedrijf dat voor het tijdstip van inwerkingtreding, rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet. Als binnen deze periode een aanvraag als bedoeld in artikel 3.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 is gedaan, dan zijn deze artikelen niet van toepassing tot het moment dat op de aanvraag is beslist.
4.
Artikel 3.14, eerste lid, aanhef onder a is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf: a.
aan welk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een vergunning voor de uitoefening van dat bedrijf verleend was die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, of
b.
dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
81 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet.
Artikel 6.6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van
de griffier,
de voorzitter,
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
82 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Bijlage als bedoeld in artikel 6.1A van deze verordening
APV
Onderwerp
Boete in euro’s
2.7, lid 1
Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
140 (bijlage Bboor)
2.10, leden 1 en 2
Straatartiest en straatmuzikant
190 (bijlage Bboor)
artikel
2.10a, leden 1 Draaiorgel en 3
190
2.11, lid 1
Voorwerpen op, aan of boven de weg
230 (bijlage Bboor)
2.13, lid 1
Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg
230 (bijlage Bboor)
2.14, lid 1
Maken, veranderen van een uitweg
230 (bijlage Bboor)
2.16, lid 1
Winkelwagentjes (rechthebbende op een bedrijf)
95
2.16, leden 2 en 3
Winkelwagentjes (gebruiker)
95 (bijlage Bboor)
2.17
Hinderlijke beplanting of voorwerp
95
2.18
Openen straatkolken e.d.
95
2.20, lid 1, sub a
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
140 (bijlage Bboor)
2.20, lid 1, sub b
Rookverbod in bossen en natuurterreinen (brandende voorwerpen)
280 (bijlage Bboor)
2.21, lid 1
Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
95 (bijlage Bboor)
2.25a
(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen
140
2.27, lid 1
Vergunningplicht evenement
95 (bijlage Bboor)
2.34, lid 1
Exploitatievergunning horeca-inrichting
95
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
83 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
2.36, lid 2
Exploitatie horeca-inrichting, niet meer voldoen aan 95 eisen Drank- en Horecawet
2.37, lid 1
Toezicht in horeca-inrichting (afwezigheid ondernemer of leidinggevende)
415
2.37, lid 2
Toezicht in de horeca-inrichting (voorkomen strafbare feiten)
415
2.41, leden 1 en 10
Sluitingstijden
280 (bijlage Bboor)
2.44, lid 1
Aanwezigheid bezoekers in door burgemeester gesloten horeca-inrichting
95
2.44, lid 2
Toelating bezoekers in door burgemeester gesloten 280 horeca-inrichting
2.46, lid 2
Handel in horeca-inrichting
95
2.47, leden 1 en 2
Ordeverstoring en aanzegging
95
2.49c, leden 1 Sluitingstijden inrichtingen van paracommerciële en 2 rechtspersonen
140
2.55 lid 1
Betreden gesloten woning of lokaal (art. 174a Gemeentewet
95
2.55, lid 2
Betreden gesloten woning of lokaal (art. 13b Opiumwet)
95
2.56, lid 1
Plakken en kladden (algemeen)
140 (bijlage Bboor)
2.56, lid 2
Plakken en kladden (aanplakbiljet; met bepaalde stoffen)
140 (bijlage Bboor)
2.56, lid 5
Plakken en kladden (handelsreclame)
140 (bijlage Bboor)
2.56, lid 7
Plakken en kladden (tonen schriftelijke toestemming)
95
2.57, lid 1
Vervoer plakgereedschap e.d.
140 (bijlage Bboor)
2.60, lid 1a
Hinderlijk gedrag op of aan de weg (klimmen op beeld, monument etc.)
95 (bijlage Bboor)
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
84 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
2.60, lid 1b
Hinderlijk gedrag op of aan de openbare weg (zich ophouden, overig)
140 (bijlage Bboor)
2.60, lid 2
Verblijf op aangewezen plaatsen waar dit is verboden
140 (bijlage Bboor)
2.64, leden 2 en 3
Verboden drankgebruik
95 (bijlage Bboor)
2.66, lid 1a
Hinderlijk gedrag in portiek of poort
95 (bijlage Bboor)
2.66, lid 1b
Hinderlijk gedrag in, op of tegen raamkozijn of drempel
95 (bijlage Bboor)
2.66, lid 2
Hinderlijk gedrag in voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een gebouw
95 (bijlage Bboor)
2.67
Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze ophouden verontreinigen voor een ander doel gebruiken dan waarvoor ruimte is bestemd
140 (bijlage Bboor) 140 (bijlage Bboor) 95 (bijlage Bboor)
2.68
Neerzetten van fietsen e.d.
45 (bijlage Bboor)
2.69
Parkeren van fiets of bromfiets op markt/kermisterrein e.d.
45 (bijlage Bboor)
2.69a
Overig hinderlijk gedrag
95
2.70, lid 1
Bespieden van personen (kennelijke bedoeling)
140 (bijlage Bboor)
2.70, lid 2
Bespieden van personen
140 (bijlage Bboor)
2.72, lid 1a
Loslopende honden op kinderspeelplaats e.d.
140 (bijlage Bboor)
2.72, lid 1b
Loslopende honden op een weg binnen de bebouwde kom
95 (bijlage Bboor)
2.72, lid 1c
Loslopende honden op een aangewezen plaats buiten de bebouwde kom
95 (bijlage Bboor)
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
85 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
2.72, lid 1d
Loslopende honden niet voorzien van halsband of ander identificatiekenmerk
95 (bijlage Bboor)
2.73, lid 1
Verontreiniging door honden
140 (bijlage Bboor)
2.73, lid 5
Opruimmiddel bij zich dragen en niet tonen op eerste vordering
95 (bijlage Bboor)
2.74, lid 1
Gevaarlijke honden aanlijngebod en muilkorfgebod
240 (bijlage Bboor)
2.74, lid 4
Gevaarlijke honden microchip
240 (bijlage Bboor)
2.74, lid 5
Hinderlijk gedrag hond; blaffen of janken
140
2.75, lid 1
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
140 (bijlage Bboor)
2.76, lid 1
Loslopend vee
140
2.77, lid 1a
Bijen (bij woningen of gebouwen)
95
2.77, lid 1b
Bijen (bij de weg)
95
2.78, leden 1 en 2
Voederverbod duiven
95
2.85, lid 1
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk zonder vergunning
240
2.86, lid 1
Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (aangewezen gebied)
100 (bijlage Bboor)
2.86, lid 2
Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (schade, overlast e.d.)
100 (bijlage Bboor)
2.89
Openlijk drugsgebruik (slechts artikel 3 Opiumwet)
95
3.18
Raamprostitutie
240
3.19
Straatprostitutie
240
3.20
Handhaving straatprostitutie
380
3.21
Verbodsbepalingen klanten
240
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
86 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
4.6, lid 1
Overige geluidhinder
140 (bijlage Bboor)
4.40
Natuurlijke behoefte doen
140 (bijlage Bboor)
4.41
Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
95
4.42, lid 1
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
140
4.47, lid 1
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
140
5.2, lid 3a
Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (op de 140 weg)
5.2, lid 3b
Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (gebruik weg als werkplaats)
140
5.3, lid 1
Te koop aanbieden van voertuigen
240
5.4
Defecte voertuigen
95
5.5, lid 1
Voertuigwrakken
95
5.6, lid 1a
Kampeermiddelen e.a. (langer dan drie achtereenvolgende dagen)
95
5.6, leden 1b en 1c
Kampeermiddelen e.a. (in strijd met belemmering uitzicht of uiterlijk aanzien gemeente)
95
5.7, lid 1
Parkeren van reclamevoertuigen
240
5.8, lid 1
Parkeren van grote voertuigen (strijd met uiterlijk aanzien gemeente)
95
5.8, lid 2
Parkeren van grote voertuigen (verdeling beschikbare parkeerruimte)
95
5.9, lid 1
Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
95
5.10a
Parkeren anders dan op de rijbaan
95
5.11, lid 1
Aantasting groenvoorziening door motorvoertuigen met twee of meer dan twee wielen
140 (bijlage Bboor)
5.11, lid 1
Aantasting groenvoorziening door bromfietsen of snorfietsen
95 (bijlage Bboor)
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
87 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
5.11, lid 1
Aantasting groenvoorziening door fietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met of zonder motor en overige weggebruikers
55 (bijlage Bboor)
5.12
Overlast van fiets of bromfiets op aangewezen plaatsen
45 (bijlage Bboor)
5.13
Inzameling van geld of goederen
140 (bijlage Bboor)
5.15, lid 1
Venten op verboden plaats of tijd
140
5.18, lid 1
Een standplaats innemen zonder vergunning
140
5.22
Beschadigen van waterstaatswerken
95
5.22a
Voorwerpen op, in of boven openbaar water
95
5.23
Reddingsmiddelen
140
5.24
Zwemverbod
95
5.25, lid 1
Veiligheid op het water
140 (bijlage Bboor)
5.26, lid 1
Overlast aan vaartuigen
95 (bijlage Bboor)
5.27, lid 1
Gemotoriseerd verkeer op crossterreinen
95
5.28, lid 1
Beperking verkeer in natuurgebieden door 140 (bijlage motorvoertuigen met twee of meer dan twee wielen Bboor)
5.28, lid 1
Beperking verkeer in natuurgebieden door bromfietsen of snorfietsen
95 (bijlage Bboor)
5.28, lid 1
Beperking verkeer in natuurgebieden voor fietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met of zonder motor en overige weggebruikers
55 (bijlage Bboor)
5.29, leden 1 en 3
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
280 (bijlage Bboor)
5.30, lid 1
Reclameborden
240 (bijlage Bboor)
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
88 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VLAARDINGEN 2019
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Algemene toelichting
Hoofdstuk 1 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) algemene regels geeft betreffende de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing. De APV bevat slechts formele regels indien: •
een afwijking van de hoofdregel in de Awb noodzakelijk is;
•
de regels een aanvulling vormen op de hoofdregel in de Awb;
•
deze regels facultatief zijn.
In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende soorten besluiten genomen, te weten: •
algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om nadere regels te stellen;
•
besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen op basis van een APV-bepaling;
•
beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde beleidsvrijheid;
•
beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen die op basis van de APV verplicht zijn voordat een bepaalde activiteit kan worden ondernomen.
Alle hier genoemde besluiten zijn besluiten in de zin van de Awb. In artikel 1:3 van de Awb wordt het begrip “besluit” immers als volgt omschreven: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 1.1 Definities In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Zie met name de afdelingen: “geluid- en lichthinder”, en “parkeerexcessen”. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van “weg” in de afdeling “parkeerexcessen”. Over de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
89 van 276
1.
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Bebouwde kom
De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van Gedeputeerde Staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet.
2.
Bevoegd gezag
In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2.13) en het maken e.d. van een uitweg (artikel 2.14). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het maken van een uitweg in artikel 2.2, eerste lid onder e.
De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het college van Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2.13 en 2.14 van deze verordening.
Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.
3.
Bouwwerk
Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
4.
Gebouw
Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
90 van 276
5.
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Handelsreclame
In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.
6.
Openbare plaats
Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel een ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling.
Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). Zie ook hetgeen over het begrip “openbare plaats” is aangegeven in de toelichting op artikel 2.4, Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
91 van 276
7.
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Openbaar water
Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.
8.
Rechthebbende
Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.
9.
Weg
De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van “weg” is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg maakt daar onderdeel van uitmaakt. Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip “weg”: 1. de “(openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); 2. de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen; 3. de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen.
De volgorde is die van eng naar ruim: “openbare wegen” zijn ook “wegen die voor het openbaar verkeer open staan”, maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de “voor het publiek toegankelijke plaatsen” kunnen de “openbare wegen” en de overige “voor het openbaar verkeer openstaande wegen” gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput.
Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip “weg” in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt:
Onderdeel 1 Ten einde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd. Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al dan niet tegen betaling toegankelijk zijn voor het publiek.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
92 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Onderdeel 2 Door opneming van de woorden “al dan niet met enige beperking” is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van “weg”, indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.
Onderdelen 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken enz., die “uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven” (onder 3) en andere stoepen en trappen enz. (onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip “weg” indien deze niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enz. uitgezonderd gehouden van het begrip “weg”, óók indien het hek of de deur niet is afgesloten (“afsluitbaar”). Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen of “passages” worden gedurende de avond en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht alsdan onmogelijk is. Ter verklaring van de zinsnede “die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is” wordt het volgende vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk vertoeven omdat het rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op de betrokken weg niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen.
Bij andere wegen heeft de term “openbaar” slechts de betekenis van “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. Het publiek heeft toegang tot deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij zich niet bij overeenkomst ter zake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te allen tijde bevoegd in het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik te beëindigen. Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de toegang ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is.
Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.
Artikel 1.2 Beslistermijn Eerste lid Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In dit artikel is de beslistermijn vastgesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximum beslistermijn die in artikel 4:13, tweede lid, wordt gesteld. Uiteraard kan ook gekozen worden voor een andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
93 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel van de (Awb-)wetgever dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan.
Tweede lid Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. In het besluit wordt gemotiveerd aangegeven waarom het niet mogelijk is om binnen acht weken een beslissing op de aanvraag te nemen. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.
Derde lid In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om in de verordening voor bepaalde vergunningen een andere beslistermijn dan acht weken vast te stellen. Dit is van belang bij aanvragen om vergunningen waarvoor adviezen van meerdere instanties nodig zijn en waarvoor de in het eerste lid genoemde termijn van acht weken (met verlenging van acht weken) niet toereikend is. Van deze mogelijkheid is o.a. gebruik gemaakt bij de exploitatievergunningen voor horecabedrijven (artikel 2.38) en seksbedrijven (artikel 3.3).
Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De acht wekentermijn van artikel 1.2 voldoet daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.
Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en, indien van toepassing, de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio positivo. Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
94 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen. Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door.
Wabo De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.
Het vierde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2.13) en de uitwegvergunning (artikel 2.14) vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo. De vergunning voor het maken van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder d van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2.10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k, van de Wabo. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3 Mor.
Artikel 1.3 Indiening aanvraag (vervallen) Deze bepaling is in 2016 vervallen. De wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat bij gemeentelijke verordening een aanvullende grond wordt geïntroduceerd waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Daarom is artikel 1.3 geschrapt. In plaats van buiten behandeling laten zal een aanvraag die onredelijk laat wordt ingediend waardoor een goede beoordeling niet mogelijk is, worden afgewezen. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 1.8.
Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen Voorschriften verbonden aan een vergunning of ontheffing, mogen uitsluitend strekken
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
95 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.
Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1.6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.
De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Wanneer bij het creëren van een vergunning- of ontheffingsplicht de formulering wordt gebruikt “het is verboden om… te doen zonder vergunning/ontheffing van…of in afwijking daarvan” dan is een bepaling als in het tweede lid niet nodig. Het handelen in strijd met een vergunnings- of ontheffingsvoorschrift is dan immers ook verboden en levert dus een overtreding op waartegen met een last onder bestuursdwang kan worden opgetreden. Deze formulering wordt alleen gebruikt in artikel 2.13 (omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) en artikel 2.27 (evenementenvergunning).
Bij vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn o.g.v. artikel 2.2 van de Wabo, is noch de formulering “of in afwijking daarvan”, noch een bepaling à la artikel 1.4 tweede lid nodig. De reden is dat artikel 2.3, aanhef en onder c, van de Wabo het handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift al heeft verboden. Het gaat om de artikelen 2.13 (omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) en 2.14 (maken, veranderen van een uitweg).
Voor alle andere vergunningen of ontheffingen op basis van de APV is het tweede lid van artikel 1.4 wel nodig. Handelen in strijd met een dergelijke vergunning of ontheffing levert dan strijd op met artikel 1.4, tweede lid jo. het vergunningsvoorschrift. Daartegen kan met bestuursdwang worden opgetreden.
Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1.8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan. In de Dienstenwet (Wet van 12 november 2009 tot implementatie van Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de interne markt) zijn in de artikelen 28 tot en met 36 de bepalingen opgenomen die zijn toegespitst op de situatie in Nederland.
In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6.1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
96 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Artikel 1.5 Karakter van vergunning of ontheffing Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dit uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Dranken Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.
Eerste lid Een vergunning is persoonsgebonden.
Tweede lid De exploitatievergunningen voor de openbare inrichtingen waarvoor de sluitingstijden uit artikel 2.41, tweede lid gelden (de zogenaamde nachtzaken), hebben tevens een zaaksgebonden karakter. Hiervoor is gekozen omdat het wenselijk is regulerend te kunnen optreden ten aanzien van de locatie van deze nachtzaken. De bestaande nachtzaken hebben een groot vloeroppervlak en hoge bezoekersaantallen. De nachtzaken liggen geconcentreerd in het horecaconcentratiegebied. Andere locaties zijn, gelet op de inzet van de politie, niet gewenst.
Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).
Artikel 1.7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd Artikel 1.7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b.: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is,
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
97 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd. Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” de toelichting onder artikel 1.8. Artikel 1.6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken.
De noodzaak daarvoor ontbreekt.
Tweede lid Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 02-11-2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927) blijkt dat voor onbepaalde tijd verleende vergunningen zich niet altijd verdragen met het formele gelijkheidsbeginsel. Bij schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers het gevolg zijn dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat onbepaalde tijd en schaarse vergunningen zich niet met elkaar verdragen.
Artikel 1.8 Weigeringsgronden In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is naar de weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV is ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1.8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. In een enkel geval (horeca-exploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is van artikel 1.8 afgeweken.
In artikel 1.8 stond “het daartoe bevoegde gezag”. Na de aanpassing aan de Wabo heeft de term “bevoegd gezag” de betekenis: bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo gekregen (zie artikel 1.1). In artikel 1.8 gaat het om het bevoegd gezag in de zin van de Wabo én om ofwel burgemeester en wethouders ofwel de burgemeester: bestuursorgaan dus.
Europese Dienstenrichtlijn Vergunningen De vergunningstelsels van de APV zijn gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende stelsels: de evenementenvergunning,
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
98 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
horecaexploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting, standplaatsvergunning, en een gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten en de reclameborden. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Dienstenrichtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.
Meldingen Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan wij dit kennen Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een ‘vergunning’ zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te schrijven in een register etc.
Vestiging of tijdelijke overschrijding Bij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter.
De richtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie categorieën. Het zou in theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk. Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen. Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt.
Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord
Overlast
21-1-2021 09:56
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen houd...
99 van 276
https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/V...
Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het recht van de Europese Gemeenschappen (hierna: EG-recht) bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. Veiligheid van personen en gezondheid Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.
Zedelijkheid Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect’ hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen omdat het om ‘vestiging’ gaat. Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hoewel het concurrentiebelang maakt dat een appellant als belanghebbende kan worden aangemerkt en dit belang vrijwel altijd een rol speelt bij de beslissing om een zaak aan te spannen, is het reguleren van concurrentie geen belang van de overheid.
Bijvoorbeeld: ABRvS 26-03-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1101, m.n. rechtsoverweging 7.4. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5.18, derde lid, onder b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing