Bestemmingsplan Kethelweg-Plein Emaus
Tekst van het document
Het realiseren van waterberging bij nieuwbouw is noodzakelijk om Vlaardingen aan te passen aan het veranderende klimaat. Toetsing In paragraaf 5.9 wordt nader ingegaan op het watersysteem en de toekomstige afvoer. Het is nog niet bekend hoe het afstromend hemelwater en het overtollige grondwater wordt geloosd op het rioleringssysteem. Het toepassen van de voorwaarden uit de verordening en bijhorende maatregelen worden bij de verdere uitwerking van de plannen nader geconcretiseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
30
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
31
Hoofdstuk 3
3.1
Gebiedsvisie
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de bestaande ruimtelijke situatie en de visie op de gewenste ontwikkeling beschreven. De visie op de gewenste ontwikkeling vormt samen de basis voor de bestemmingsregeling.
3.2
Bestaande situatie
Het plangebied ligt in het westen van Vlaardingen en bestaat momenteel voornamelijk uit leegstaande bedrijfsbebouwing en voormalige bedrijfswoningen. In figuur 3.1 is weergegeven welke functies er aanwezig zijn/waren. De grens van het plangebied is onder andere bepaald op basis van de ligging van de bestemming 'Bedrijf' (bestemmingsplan Ambacht).
Figuur 3.1 Weergave van de bestaande en/of voormalige functies van en rondom het plangebied
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
32
3.3
Visie op gewenste ontwikkeling
Langs de Kethelweg en aan het Burgemeester de Bordesplein, midden in de wijk Ambacht, worden de voormalige locaties van een automobielbedrijf herontwikkeld tot woningbouw. Binnen het plangebied worden 37 woningen gerealiseerd. Hiervan komen 16 appartementen in het appartementencomplex en de andere woningen zijn grondgebonden. Locatie 1 wordt ontsloten via een hofje op de Kethelweg. Locatie 2 wordt via het hofje met parkeerplaats ontsloten via het Burg. de Bordesplein op de Kethelweg. Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de uitgangspunten van de Gemeente Vlaardingen. Hierdoor zal de parkeerdruk op de bestaande wijk niet toenemen. In de onderstaande figuren zijn de toekomstige inrichting en verschillende impressies van de toekomstige woningen weergegeven. De ingetekende brug maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan.
Figuur 3.2 Toekomstige inrichting plangebied
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
33
Vanuit stedenbouw is zo veel mogelijk aangesloten bij de huidige structuren van de wijk door het toevoegen van rijtjeswoningen met kap in het zuidelijk deel van het plangebied en het toevoegen van grotere woningen met kap in het noordelijk deel van het plangebied. Richting de rotonde met Plein Emaus wordt het plan wat intensiever bebouwd met een appartementengebouw. De bebouwing sluit aan in de omgeving met veel groen en de warme jaren 30 architectuur. Dit komt terug in veel details, zoals het metselwerk, de kleuren en de erkers. De bomen langs de Kethelweg blijven behouden om het groen in de wijk te waarborgen. De doelgroep van de grondgebonden woningen zijn voornamelijk starters en gezinnen met kinderen.
Figuur 3.3 Impressie twee‐onder‐een‐kappers locatie 1 De overige woningen betreffen eengezinswoningen in verschillende vormen: rijwoningen, hoekwoningen, twee‐onder‐een‐kapwoningen en vrijstaande woningen. Alle grondgebonden woningen hebben een bouwmassa van twee lagen en een kap.
Figuur 3.4 Impressie rijwoningen locatie 2
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
34
Op de locatie van de voormalige school wordt een appartementencomplex gebouwd. Dit appartementencomplex krijgt de stijl van het historische schoolgebouw (Vissersschool). Dit komt terug in het detailniveau. De entree, het metselwerk en de verticale ramen komen terug in het ontwerp. De bouwmassa en veel details, kleuren en materialen refereren aan de oude school waardoor de inpassing van het gebouw in Ambacht optimaal is. Het gelijkvloerse wonen maakt een doorstroming in de eigen wijk mogelijk.
Figuur 3.5 Impressie appartementencomplex locatie 1 Beeldkwaliteit Het Oude Ambacht is een prachtige jaren '30‐wijk, een zogenaamd tuindorp, met de markante pannendaken en de straten met voortuinen en lage hekjes en hagen langs de stoep. De structuur van die wijk, met lange, smalle straten, is ook uit de jaren '30, oorspronkelijk ontworpen op bereikbaarheid met paard en wagen, fiets en een incidentele automobiel. Het plan voor de Van der Kooij‐locaties wordt gerealiseerd met inachtneming van de beeldkwaliteit van de omgeving , waarbij het zoveel mogelijk wordt ingepast binnen de bestaande structuren. Van de originele Dr. J. Th. Visserschool is momenteel slechts de karakteristieke voorgevel aan Plein Emaus bewaard gebleven. Deze wordt in ere hersteld door de nieuwbouw van het appartementengebouw dat in sfeer, materialen, vorm en detaillering bijna letterlijk de architectuur van de voormalige school overneemt. De overige woningen in het plan zijn geïnspireerd op de rijke architectuur uit de jaren '30 van de twintigste eeuw: Warme kleuren in het metselwerk, lichte kozijnen, grote overstekken, schuine kappen met fraai vormgegeven goten. Op deze wijze wordt nieuwbouw geïntegreerd in de wijk Ambacht. Het zal afleesbaar zijn dat de woningen in de 21e eeuw gebouwd zijn, echter de sfeer en uitstraling van Ambacht, ook al is die een eeuw oud, worden met de nieuwe woningen versterkt.
Voor het parkeren behorende bij de nieuw te bouwen woningen is er geen ruimte in de bestaande wijk. Om die reden wordt het parkeren grotendeels op eigen terrein gesitueerd met enkele parkeerplaatsen langs de straat zoals elders eveneens aanwezig in de wijk. Ook erfscheidingen worden in het plan meegenomen. Deze zullen zoveel mogelijk groen zijn met hier en daar een muurtje als knipoog naar het verleden. Het verslag van de Welstandscommissie is opgenomen in bijlage 2.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
35
Bezonning Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Gemeenten zijn dan ook vrij om een eigen invulling te geven aan de eisen omtrent bezonning. Wel zijn er normen van TNO: de lichte norm en de strenge norm, die gebruikt kunnen worden bij het toetsen van bezonningssituaties. De lichte TNO‐norm Een gebouw voldoet aan de lichte TNO‐norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Onderzoek en conclusie Voor de locatie zijn twee bezonningsstudies uitgevoerd, zie bijlage 3 en 4. Hieruit blijkt dat er op beide locaties wordt voldaan aan de lichte TNO‐norm. De bebouwing op basis van het ontwerp is tevens de bebouwing welke (qua positionering en hoogte) toegestaan is op basis van het vast te stellen bestemmingsplan zal op de onderzochte dagen tussen 09:00 en 13:00 extra schaduwhinder veroorzaken op de woning aan het Plein Emaus 4. Het onderzoek naar de effecten op de Mauritssingel laat zien dat de ontwikkeling extra schaduwhinder zal veroorzaken tussen 9:00 en 10:00. In de zomer heeft de nieuwe bebouwing geen schaduwwerking op de woningen langs de Mauritssingel.
Geconcludeerd kan worden dat deze bebouwing effect zal hebben op de daglichttoetreding en op de bezonningssituatie ter plaatse van de woningen, maar dat deze dermate beperkt is dat het de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Uit de bezonningsstudies is af te lezen dat de schaduwwerking op de daken van de woningen in de omgeving minimaal is. In de zomerperiode is er geen schaduwwerking. Dit betekent dat de nieuwbouw weinig effect heeft op het rendement van de eventueel aanwezige zonnepanelen.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
36
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
37
Hoofdstuk 4
4.1
Verkeer en vervoer
Beleidskader
Er is geen specifieke wetgeving met betrekking tot het aspect verkeer en vervoer. Wel wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening de aanvaarbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid in beeld gebracht. In de diverse regionale en provinciale verkeer‐ en vervoersplannen en jurisprudentie is de toepassing van een mobiliteitsscan (ook wel 'Mobiliteitstoets' genoemd) als beleid opgenomen. In het kader van de Mobiliteitsscan wordt onderbouwd dat: 1. op een zorgvuldige wijze naar de mobiliteitsaspecten is gekeken; 2. er (indien nodig) tijdig en voldoende maatregelen worden genomen om een goede ontsluiting en bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid te garanderen voor gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer. De gemeente Vlaardingen heeft haar parkeernormen opgenomen in het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019'. De gehanteerde parkeernormen zijn rechtstreeks afgeleid van de meest actuele CROW‐kengetallen, nader onderverdeeld in deelgebieden en toegesneden op de meest voorkomende functies. Via dit parapluplan zijn de normen, zoals opgenomen in de 'Beleidsregel Parkeernormen 2019' geborgd. Voor het plangebied gelden de normen voor woonwijken. Voor de normen is als basis de publicatie van het CROW gebruikt (publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren).
4.2
Ontsluiting
Gemotoriseerd verkeer Het plangebied ligt aan de Kethelweg (erftoegangsweg met maximum toegestane snelheid van 30 km/u) deze weg doorkruist het plangebied. In noordelijke richting wordt via de Burgemeester Verkadesingel de A20 bereikt. De wegen nabij het plangebied zijn ingericht als erftoegangswegen en hebben een maximum toegestane snelheid van 30 km/u. Openbaar vervoer Het plangebied is eveneens te bereiken met het openbaar vervoer. Op een afstand van 1,3 km ligt het metrostation Vlaardingen Oost. Hier halteert de lijn tussen Hoek van Holland en Rotterdam Nesselande. Via deze lijn is tevens een directe verbinding met het centrum van Rotterdam. Langzaam verkeer Op de omliggende erftoegangswegen rond het plangebied deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. De omliggende wegen van het plangebied zijn daarnaast voorzien van trottoirs voor voetgangers.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
38 Jan Ligthartstraat De verkeerssituatie in de Jan Ligthartstraat valt strikt genomen buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan, maar wordt er wel door beïnvloed. Door de bestemmingsplanwijziging komt de huidige keermogelijkheid te vervallen en hiermee ontstaat de noodzaak voor een nieuwe keermogelijkheid. Er zijn mogelijkheden om een nieuwe keermogelijkheid te realiseren op de locatie. De exacte invulling ervan vindt in overleg met de bewoners plaats na de vaststelling van het bestemmingsplan. Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de gemiddelde kengetallen van het CROW (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381), hierbij zijn de kenmerken 'zeer sterk stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De verkeersgeneratie van de verkeerstoename is opgenomen in tabel 4.1. Tabel 4.1 Verkeersgeneratie in mvt/etmaal
Appartementen Appartementen Appartementen Grondgebonden woning Grondgebonden woning Grondgebonden woning Toename
Functie benaming CROW Koop, appartement, midden Koop, appartement, midden Koop, appartement, duur Koop, huis, twee‐onder‐een‐kap Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tussen/hoek
Hoeveelheid Mvt/hoeveelheid Verkeersgeneratie 11 eenheden 5,1 per woning 56,1 mvt/etmaal 2 eenheden
5,1 per woning
10,2 mvt/etmaal
3 eenheden 6,8 per woning 10 eenheden 7,3 per woning
20,4 mvt/etmaal 73 mvt/etmaal
1 eenheid
7,7 per woning
7,7 mvt/etmaal
10 eenheden 6,8 per woning
68 mvt/etmaal 235,4 mvt/etmaal
De verkeersgeneratie bedraagt circa 235 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. De verkeersafwikkeling wordt beoordeeld in het drukste uur van de dag, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalwaarde wordt afgewikkeld. Op het drukste uur zullen de ontsluitende wegen een verkeerstoename van circa 24 mvt ondervinden. Deze verkeerstoename zal merkbaar zijn in de drukkere uren maar naar verwachting geen negatieve gevolgen hebben op de omliggende ontsluitingswegen. Het plangebied was in het verleden in gebruik door onder andere een autohandelaar en ‐reparateur en een school. De berekende verkeerstoename zal in werkelijkheid minder zijn door het eerdere gebruik.
4.3
Verkeersveiligheid
Op basis van het Actieplan Mobiliteit is verkeersveiligheid bij nieuwe ontwikkelingen altijd het leidende uitgangspunt. De verkeersveiligheid, met name voor kwetsbare verkeersdeelnemers, dient zo optimaal mogelijk te zijn. Door de hofjesstructuur wordt een veilige woonwijk aangeboden. Verkeersdeelnemers worden gedwongen om langzaam het plangebied te betreden.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
39
4.4
Parkeren
De gemeente Vlaardingen heeft haar eigen parkeernormen. In tabel 4.2 is de (normatieve) parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt. De definitieve toetsing vindt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning plaats. Deze wordt getoetst op de voorwaardelijke verplichting voor parkeren, zoals opgenomen in de regels (17.2). Tabel 4.2 Parkeerberekening
In het plangebied worden 64 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 12 op eigen terrein (garages niet meegeteld). Via het koopcontract wordt geregeld dat de beoogde parkeerplaatsen daadwerkelijk worden gerealiseerd. Er worden meer parkeerplaatsen gerealiseerd dan de normatieve behoefte (62,3 parkeerplaatsen). Door 64 parkeerplaatsen te realiseren wordt zodoende voldaan aan de verwachte parkeerbehoefte. Om de parkeerdruk binnen het plangebied en de directe omgeving te verminderen, wordt deelmobiliteit toegepast. Conform het gemeentelijke parkeerbeleid geldt bij woningbouw dat 1 deelauto 3 privéauto’s vervangt. In het plangebied worden 2 deelauto's ingezet. Dit betekent een reductie van 4 parkeerplaatsen. Dit komt ten goede aan de parkeerdruk in de directe omgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
40
Fietsparkeren Voor fietsparkeren heeft de gemeente Vlaardingen normen opgenomen in haar nota. De grondgebonden woningen hebben voldoende berging om de fietsparkeerbehoefte (1 per kamer) op te vangen. Voor het appartementencomplex zijn bergingen opgenomen. De fietparkeerbehoefte van 0,75 per kamer wordt gedeeltelijk in deze bergingen en gedeeltelijke op het openbaar terrein opgevangen. Om dit te faciliteren worden fietsnietjes gerealiseerd.
4.5
Conclusie
Het plangebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en per openbaar vervoer. In de parkeerbehoefte kan worden voorzien in het plangebied. De verkeerstoename zal worden verdeeld over de ontsluitingswegen en zodoende niet tot knelpunten leiden in de verkeersafwikkeling. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkelingen dan ook niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
41
Hoofdstuk 5
5.1
Onderzoek
Inleiding
In dit hoofdstuk komende de volgende milieu‐ en omgevingsaspecten aan de orde: Besluit milieueffectrapportage; milieuzonering bedrijvigheid; geluid (industrielawaai en wegverkeerslawaai en cumulatie van geluidbronnen); luchtkwaliteit; externe veiligheid; kabels en leidingen; bodemkwaliteit; water; ecologie; archeologie; cultuurhistorie; duurzaamheid. Elk milieuaspect wordt in een separate paragraaf behandeld. Per milieuaspect wordt ingegaan op: het toetsingskader: eerst wordt bekeken wat het toetsingskader is waaraan het betreffende milieuaspect moet worden getoetst; het onderzoek: vervolgens zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen; de conclusie: elke paragraaf sluit af met een conclusie over de gevolgen van het milieuaspect voor dit bestemmingsplan.
5.2
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planm.e.r.‐plichtig, projectm.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
42
Onderzoek en conclusie M.e.r.‐beoordelingsplicht In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van 37 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r‐beoordelingsnotitie opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 6. Hieruit blijkt dat geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu optreden. Op 15 februari 2022 heeft het college besloten dat het opstellen van een milieueffectrapportage niet nodig is (zie bijlage 5).
5.3
Milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag de richtafstand met één stap worden verkleind. Gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Onderzoek In de beoogde situatie worden 37 woningen gerealiseerd.
Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een kerk, een kantoor en een basisschool. Door de ligging aan ontsluitende wegen en de verschillende functies in de direct omgeving kan de omgeving getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich de bestemming 'Maatschappelijk'. Het betreft een basisschool uit milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter voor een rustige woonwijk. Het plangebied bevindt zich op circa 45 meter en voldoet daarmee aan de richtafstand. Ten noorden van het plangebied is aan de Burg. Verkadesingel een kerkgebouw aanwezig. Het betreft een functie die volgens de VNG‐brochure onder milieucategorie 2 valt, met op basis van het aspect geluid een richtafstand van 30 meter voor een rustige woonwijk. De kerk ligt op een afstand van circa 70 meter van het plangebied en voldoet daarmee aan de richtafstand.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
43
Ten oosten van het plangebied is een kantoorgebouw (adres Kethelweg 46) aanwezig. Kantoren vallen volgens de VNG‐brochure in milieucategorie 1 en mogen in gemengd gebied naast woningen gerealiseerd worden. De meest nabijgelegen nieuw te bouwen woning bevindt zich op circa 5 meter afstand van het kantoorgebouw en voldoet daarmee aan de richtafstand. De ingang van het kantoorgebouw, en daarmee de voornaamste geluidsproductie, bevindt zich tevens aan de andere zijde van het perceel. Hiernaast zijn er enkele airco‐units op het dak van het kantoor aanwezig. Direct naast het kantoorgebouw is reeds een woning aanwezig. Deze installaties staan op voldoende afstand vanaf de nieuwbouwwoningen. Hiermee wordt voldaan aan de eisen vanuit het Bouwbesluit. Gezien de verder passende functie van het kantoorgebouw in een oude woning in een woonwijk wordt dan ook geen geluidshinder verwacht. Ook wordt niet verwacht dat het kantoorgebouw wordt belemmerd in het uitvoeren van diens activiteiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De locatie Kethelweg 1 is als een horecafunctie bestemd. Hier is een bar mogelijk. Dit valt volgens de VNG‐brochure in milieucategorie 1 en mag in een gemengd gebied naast woningen gerealiseerd worden. Op het perceel ten oosten hiervan, op Kethelweg 1A, is een bedrijfsbestemming gelegen. Hier mogen bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 2 worden gerealiseerd.
De richtafstand bedraagt 10 meter in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde beoogde woongevel bevindt zich op circa 10 meter, hiermee wordt er aan de richtafstand voldaan. Direct aan de weerszijden van deze bestemmingen is de bestemming Bedrijf met functieaanduiding 'wonen' gelegen. Met deze woning moeten de bedrijven al rekening houden in hun bedrijfsvoering. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
5.4
Geluid
Toetsingskader Wet geluidhinder Industrielawaai Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dienen alle industrie‐ en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. De bedoelde inrichtingen ‐ vroeger ook wel 'A‐inrichtingen' genoemd ‐ zijn nader genoemd in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. De uiterste grenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A). Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/h‐wegen en woonerven ‐ en spoorlijnen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden: De breedte van de geluidszones langs wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. De zonebreedte van spoorwegen is afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde Geluidproductieplafond (GPP) en wordt gemeten uit de kant van de buitenste spoorstaaf.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
44
Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de zones van een weg of spoorweg, dient getoetst te worden aan de normen van de Wgh. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een (spoor)weg gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en uiterste grenswaarden (zie tabel 5.1). De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Tabel 5.1 Relevante grenswaarden woningen Voorkeursgrenswaarde Wegverkeerslawaai 48 dB Railverkeerslawaai 55 dB
Uiterste grenswaarde 63 dB 68 dB
De geluidswaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB voor wegverkeer en van 35 dB voor railverkeer. Regionaal afsprakenkader geluid & ruimtelijke ontwikkeling De gemeente Vlaardingen heeft samen met andere gemeenten in de regio, Havenbedrijf Rotterdam, provincie Zuid‐Holland, Deltalinqs en DCMR het Regionaal afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling (RAK) ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over ruimtelijke plannen in de omgeving van de gezoneerde industrieterreinen. Het doel van het RAK is een brede afstemming op regionaal niveau in een vroeg stadium van woningbouw‐ en havenontwikkeling om problemen in vergunningprocedures te voorkomen, elkaar niet te verrassen en geen onnodige kosten te maken. In het RAK wordt afgesproken met welke werkwijze de partners rondom haven en omgeving, binnen de geldende geluidkaders, samenwerken om zowel haven als omgeving te blijven ontwikkelen. Het plangebied is gelegen binnen de groene zone zoals aangeduid op de kaarten in de bijlage bij het RAK (geluidbelasting onder de 55 dB(A). Omdat de 55 dB(A) niet wordt overschreden, is woningbouw mogelijk en gelden op grond van het RAK slechts een beperkt aantal procesafspraken. Gemeentelijk geluidsbeleid Door de gemeente Vlaardingen is een beleidsregel hogere grenswaarden geluid vastgesteld.
In de beleidsregel zijn voorwaarden opgenomen voor het vaststellen van hogere waarden. De beleidsregel heeft geen betrekking op industrielawaai. Deze voorwaarden gelden alleen voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De voorwaarden zijn afhankelijk van de vraag welke geluidsbron het betreft, of het om woningen dan wel om andere geluidsgevoelige bestemmingen gaat, of de geluidsgevoelige bestemming dan wel de geluidsbron het eerst aanwezig was en onder welke omstandigheden de woningen of geluidsgevoelige bestemmingen dan wel de geluidsbron wordt gerealiseerd. De voorwaarden zijn in de beleidsregel nader gespecificeerd. Onderzoek Het plangebied ligt in de geluidzone van de A. Knottenbeltsingel, Burgemeester Heusdenslaan, Burgemeester Verkadesingel, Holysingel, Rijksweg A20, de Westlandseweg en de industrieterreinen Botlek‐Pernis en Vulcaanhaven/Koningin Wilhelminahaven/Vettenoord (VKV). Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
45
Geluidbelasting wegverkeerslawaai Voor de gezoneerde wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Ook voor de 30 km/uur wegen Burgemeester de Bordesplein, Emaus, Mauritssingel en Plein‐Emaus geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de 30 km/uur weg Kethelweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe vrijstaande woning en het appartementenblok de richtwaarde van 48 dB met maximaal 5 dB overschrijdt. Voor een 30 km/uur weg kan echter geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze weg niet zoneplichtig is. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Bron‐ en overdrachtsmaatregelen Toepassing van bron‐ en overdrachtsmaatregelen is in het akoestisch onderzoek afgewogen. Maatregelen zijn redelijkerwijs niet mogelijk en/of gewenst. Geluidbelasting industrielawaai Conform opgave van de DCMR bevindt het bouwplan zich buiten de 48 dB(A) MTG‐contour van het geluid gezoneerde industrieterrein Botlek‐Pernis. Derhalve is de geluidbelasting ten gevolge van het geluid gezoneerde industrieterrein Botlek‐Pernis niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).
Met betrekking tot de geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein Vulcaanhaven/Koningin Wilhelminahaven/Vettenoord (VKV) kan conform opgave van de DCMR uit het verschil tussen de 55 dB(A)‐contour vóór en na sanering worden afgeleid dat het bouwplan buiten de 50 dB(A) contour na sanering ligt. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van industrielawaai evenmin aan de orde. Cumulatieve geluidbelasting Omdat geen enkele geluidbron zorgt voor een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, is het formeel niet nodig de gecumuleerde geluidbelasting te bepalen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is echter een berekening gemaakt van de geluidbelasting van alle wegen, ook de wegen waar geen zone voor geldt. De maximale gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 59 dB (zonder aftrek art 110g Wgh). Afweging akoestisch woon‐ en leefklimaat Aangezien in de onderhavige situatie geen hogere waarde hoeft te worden aangevraagd, is het hogere waarde beleid van de gemeente Vlaardingen formeel niet aan de orde. Voor de beoordeling van het akoestisch woon‐ en leefklimaat is in het akoestisch onderzoek echter wel aansluiting gezocht bij het gemeentelijke geluidbeleid, zie bijlage 7. Uit de rekenresultaten blijkt dat alle grondgebonden woningen beschikken over ten minste één geluidluwe gevel en buitenruimte (maximaal 53 dB, exclusief aftrek).
Dat geldt niet voor alle appartementen. Op de volledige zuidgevel en een groot gedeelte van de westgevel van het appartementenblok wordt de grenswaarde voor een geluidluwe gevel en buitenruimte overschreden. In het akoestisch onderzoek is aangegeven dat door de balkons van de betreffende appartementen te voorzien van een kierdichte, gesloten borstwering alsnog een geluidluwe gevel en buitenruimte kunnen worden gerealiseerd. Verwacht wordt echter dat de borstwering hiervoor de volledige verdiepingshoogte dient te hebben. Aangezien het in de onderhavige situatie een niet‐gezoneerde bron, een beperkte overschrijding van de richtwaarde voor de geluidbelasting vanwege de Kethelweg en een beperkte overschrijding van de grenswaarde voor een geluidluwe gevel betreft, worden ingrijpende gebouwgebonden maatregelen zoals afsluitbare loggia’s en verdiepingshoge balkonschermen niet realistisch geacht.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
46
Om te komen tot een aanvaardbaar akoestisch woon‐ en leefklimaat wordt ervoor gekozen om de benodigde gevelwering af te stemmen op de cumulatieve geluidbelasting (zie hierna). Geluidwering gevels Volgens het Bouwbesluit dient de karakteristieke geluidwering van de gevel GA;k voor verblijfsgebieden in een woning minimaal de in het vastgestelde besluit hogere waarde opgenomen hoogst toelaatbare geluidbelasting minus 33 dB te bedragen. Een gevel van een nieuwbouwwoning dient bovendien minimaal een GA;k van 20 dB te hebben. Ondanks dat voor de onderhavige woningen geen hogere waarde kan worden aangevraagd, wordt in het kader van een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat aangesloten bij de genoemde nieuwbouweis, waarbij voor de benodigde gevelwering de cumulatieve geluidbelasting op de gevels wordt aangehouden. Deze maatregel is geborgd in de planregels. In het kader van de omgevingsvergunning bouwen dient een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevels van de vrijstaande woning en het appartementenblok. Conclusie Voor alle grondgebonden woningen met uitzondering van de vrijstaande woning en een deel van de appartementen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wgh (dan wel de richtwaarde voor de geluidsbelasting vanwege 30 km/u wegen).
Bij de vrijstaande woning en een deel van de appartementen is (vanwege het verkeer op de Kethelweg) sprake van overschrijding van de richtwaarde van 48 dB met maximaal 5 dB. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen is ook voor de vrijstaande woning en de appartementen een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat gewaarborgd. Dit minimaal benodigde geluidwering is geborgd in de planregels.
5.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door titel 5.2 van de Wet milieubeheer, ook wel Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. In tabel 5.2 is een overzicht opgenomen van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zoals die gelden na het in werking treden van het NSL (op 1 augustus 2009). Tabel 5.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wlk stof toetsing van grenswaarde geldig stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie 60 µg/m³ 2010 tot en met 2014 (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ vanaf 2015 fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ vanaf 11 juni 2011 24‐uurgemiddelde max. 35 keer p.j. meer dan vanaf 11 juni 2011 concentratie 50 µg/m³ Besluit niet in betekenende mate (NIBM) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
47
een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Uit de beschikbare informatie over de luchtkwaliteit binnen de gemeente Vlaardingen (grootschalige achtergrondconcentraties, monitoringstool) blijkt dat de concentraties ter hoogte van het plangebied en langs de ontsluitende wegen ruim onder de grenswaarden zijn gelegen. De luchtkwaliteit ter plaatse voldoet ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden en zal geen beperking vormen voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Gezien de concentraties langs de ontsluitende wegen, is het daarnaast uitgesloten dat een overschrijding van grenswaarden zal optreden ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking. Het aantal woningen dat wordt gerealiseerd ligt ver onder de drempelwaarde van 1.500 zoals opgenomen in het Besluit NIBM. Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een goed woon‐ en leefklimaat.
5.6
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico‐opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen. Ook het risico van luchthavens valt onder het aspect externe veiligheid. In het veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Voor het PR is een maximaal toelaatbaar niveau van 10‐6 per jaar vastgesteld, dat in nieuwe situaties niet mag worden overschreden. Kwetsbare functies mogen in principe niet voorkomen binnen de PR 10‐6‐contour. Het gaat dan om functies en objecten waar zich personen gedurende een langere tijd kunnen bevinden. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Het groepsrisico wordt weergegeven in een fN‐curve, waarbij f de kans op jaarbasis weergeeft en N het aantal slachtoffers.
De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het groepsrisico toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In oktober 2012 heeft de gemeente de Visie externe veiligheid 'Ruimte voor duurzame veiligheid' vastgesteld. In deze visie is vastgelegd hoe de gemeente Vlaardingen omgaat met het aspect externe veiligheid in ruimtelijke plannen. Eén van de belangrijke beleidsuitgangspunten voor dit bestemmingsplan is dat geen nieuwe risicobronnen mogen worden toegestaan en dat de hoogte van bestaande risico's bij woongebieden afneemt.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
48
Het advies van de veiligheidsregio Rotterdam‐Rijnmond is opgenomen in bijlage 8. Het advies is verwerkt in deze paragraaf. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de provinciale risicokaart (risicokaart.nl) blijkt dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting ligt. Het plangebied ligt op circa 1,5 km van de Nieuwe Maas (waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt) en op circa 500 meter vanaf de rijksweg A20. Transport van gevaarlijke stoffen Over de Nieuwe Maas vindt transport van gevaarlijke stoffen in binnenvaart‐ en zeeschepen plaats. Gezien de afstand van het plangebied tot de Nieuwe Maas (> 200 m) zal de beoogde transformatie geen gevolgen hebben voor de hoogte van het groepsrisico. Over de A20 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied (880 meter). Vanwege de ligging in het invloedsgebied is een beknopte verantwoording noodzakelijk. Op circa 370 meter ten noorden van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze aardgasleiding (380 meter). In de bestaande situatie zijn reeds een school, bedrijfsgebouwen en woningen binnen het plangebied gelegen. De ontwikkeling leidt dan ook tot een beperkte persoonstoename.
Door de beperkte toename en de afstand tot de buisleiding kan een relevante toename van het groepsrisico worden uitgesloten. Een berekening van het groepsrisico kan achterwege blijven. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied is wel een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Rotterdam The Hague Airport Het plaatsgebonden risico van het vliegverkeer is weergegeven in figuur 5.1 (bron: notitie Groepsrisicobeleid vanwege luchtvaart in de omgeving van Rotterdam The Hague Airport van 16 december 2014 van PZH). De rode en oranje contour in deze figuur vertegenwoordigen respectievelijk de plaatsgebonden risicocontouren van 10‐6 en 10‐7 per jaar. De ontwikkellocaties vallen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10‐6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daardoor geen belemmering voor dit plan. Het plangebied valt binnen het verantwoordingsgebied groepsrisico van RTHA (figuur 5.1). Zoals eerder vermeld leidt de ontwikkeling tot een beperkte persoonstoename. Gezien de beperkte persoonstoename en de afstand tot de risicobron kan een relevante toename van het groepsrisico worden uitgesloten. Vanwege de ligging binnen het verantwoordingsgebied is wel een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
49
Figuur 5.1 Plaatsgebonden risicocontouren en verantwoordingsgebied groepsrisico RTHA (het plangebied is rood omcirkeld), bron: provincie Zuid‐Holland Notitie Scenario's & Advies Externe Veiligheid inzake luchtvaartongevallen RtHA Deze notitie heeft als doel te komen tot eenduidige externe veiligheidsadvisering op luchtvaartincidenten. Dit document biedt een handvat om externe veiligheid vroegtijdig te betrekken in de ruimtelijke ontwikkeling. Het is een bestuurlijke keuze om te kiezen welke maatregelen wel of niet worden toegepast. Bij het nemen van meerdere maatregelen wordt de kans op slachtoffers kleiner en de zelfredzaamheid en/of bestrijdbaarheid verbeterd. Om de omvang van een mogelijke ramp te beperken en de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid te bevorderen, worden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en bij herontwikkelingen binnen het verantwoordingsgebied de volgende maatregelen voor deze locatie geadviseerd: Richt de buitenruimte van het verantwoordingsgebied zodanig in dat vluchten mogelijk is, onafhankelijk van de locatie van het incident. Voorkom daarbij doodlopende wegen of hofjes, waarbij vluchten slechts via één zijde mogelijk is. De realisatie van fiets‐ en looppaden kunnen zorgen voor een verbetering van de vluchtmogelijkheden. Binnen het plangebied worden doodlopende wegen gerealiseerd.
De buitenruimte biedt vanwege de ruime opzet voldoende ruimte om te vluchten. Het is wenselijk dat (nood)uitgang(en) van gebouwen zodanig worden gesitueerd zodat aanwezige personen veilig in tegengestelde richting van een mogelijk incident kunnen vluchten, waardoor de zelfredzaamheid van aanwezigen wordt verbeterd en het aantal slachtoffers kan worden beperkt. Omdat de plaats van het incident bij een vliegtuigongeval niet bekend is, wordt geadviseerd minimaal twee (nood)uitgang(en) aan verschillende zijden van het gebouw te realiseren. Daarbij is het van belang dat alle (nood)uitgang(en) in voldoende mate aansluiten op de bestaande infrastructuur in de buitenruimte van het verantwoordingsgebied. Elk gebouw is via twee zijden te bereiken, zodat aanwezige personen in tegengestelde richting kunnen vluchten. Ten behoeven van de bestrijding van secundaire brandhaarden en bereikbaarheid voor de hulpdiensten van het mogelijke rampgebied wordt geadviseerd om binnen het plangebied zorg te dragen voor de bereikbaarheid, ontsluiting en bluswatervoorzieningen conform de richtlijnen van Brandweer Nederland, dan wel het regionale beleid omtrent bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
50
In de beknopte verantwoording van het groepsrisico wordt aandacht besteed aan deze maatregelen. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van bewoners en gebruikers van de aanwezige objecten, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. Dit is onder andere mogelijk door gebruik te maken van landelijke en/of regionale campagnes op het gebied van risicocommunicatie. Uitwerking van deze maatregel volgt in de realisatiefase. Maak de risicoafweging over de ruimtelijke ontwikkeling en de al dan niet te treffen maatregelen door het bevoegd gezag een expliciet beslispunt tijdens de procedure. Uitwerking van deze maatregel volgt in de realisatiefase.
Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen (Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR, 2019). Het plangebied wordt ontsloten via de Kethelweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Vlaardingen. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zijn 37 woningen in het plangebied. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden.
Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook is goede voorlichting en instructie van aanwezige personen van belang, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand'. Conclusie Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de A20, de hogedruk aardgasleiding A517 en binnen het verantwoordingsgebied van RTHA. Gezien de beperkte persoonstoename en de afstand tot de risicobron kan een relevante toename van het groepsrisico worden uitgesloten. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig.
Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
51
5.7
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Door het plangebied loopt een rioolpersleiding. Deze is voorzien van een toepasselijke dubbelbestemming. Met de planontwikkeling van de wijk is en wordt rekening gehouden met de ligging van deze leiding. Verder zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
5.8
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig bodemonderzoek te worden uitgevoerd en zonodig een sanering uitgevoerd te worden als de bodemkwaliteit niet voldoet aan de bodemkwaliteit behorende bij de nieuwe bestemming, vanwege de functiewijziging naar een gevoeligere bestemming (van industrie naar wonen met en zonder tuin). Onderzoek Vanwege de functiewijziging is bodemonderzoek noodzakelijk.
Uit het verkennend bodemonderzoek (zie bijlage 9) voor de locatie ten noorden van de Kethelweg blijkt dat de locatie verontreinigd is met zware metalen. Op basis van deze resultaten is een nader bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 10. Uit het nader bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van de locatie in de bovengrond (tot gemiddeld circa 0,5 m‐mv) lichte, matige en sterke verontreinigingen met zware metalen worden aangetroffen. De verontreiniging is mogelijk perceelsoverschrijdend. Er is sprake van een historisch geval van ernstige bodemverontreiniging (ruim meer dan 25 m3 verontreinigd boven de interventiewaarde). Er is sprake van een saneringsnoodzaak. De locatie ten zuiden van de Kethelweg is in 1995 gesaneerd, zie bijlage 11. Mogelijk is er nog een verontreiniging met zink aanwezig. Na de sloop van de aanwezige bebouwing zal actualiserend bodemonderzoek plaatsvinden. Daarbij zal ook naar de aanwezigheid van asbest worden gekeken. Voorafgaand aan de realisatie van de woningen zullen alle noodzakelijke saneringsmaatregelen zijn getroffen.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
52
Peilbuizen De gemeente houdt de ontwikkeling van het grondwater in de gaten. Dit doet zij met behulp van ruim 150 peilbuizen verspreid over Vlaardingen. De gemeente peilt het grondwater op verschillende locaties in de stad. Er is een peilbuis ter hoogte van Kethelweg 32. Deze peilbuis valt buiten het plangebied. De actuele meetgegevens zijn beschikbaar via het grondwatermeetnet. De exploitatie van de peilbuizen en de tanks is gesloten. De aanwezige tanks zijn ‐ voor zover bekend ‐ niet gevuld en nog niet gekeurd. De tanks worden meegenomen in de aanvraag omgevingsvergunning bij de totale bodemsanering. Conclusie Met de te nemen maatregelen vormt de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Waar het gaat om de financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt rekening gehouden met de kosten die samenhangen met deze maatregelen.
5.9
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Provinciale Omgevingsvisie; Provinciale Omgevingsverordening. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 5 (WBP 5) beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren.
Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016‐2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop, de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtige manier zijn afgewogen.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
53
De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. De handreiking is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming.
Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Waterplan De gemeente Vlaardingen en het Hoogheemraadschap van Delfland hebben het Waterplan Vlaardingen opgesteld. Het waterplan is een integratiekader voor het totale waterbeheer in Vlaardingen. In de plannen geven Vlaardingen en het Hoogheemraadschap een gezamenlijke visie op de gewenste ontwikkeling van het watersysteem op middellange termijn (2030). Het watersysteem van Vlaardingen kenmerkt zich door een snelle afvoer van regenwater, voornamelijk via de riolering. In de stedelijke polders stroomt veel water vanuit de singels de riolering in en wordt het water via overstortbemaling afgevoerd naar de Nieuwe Maas. De visie van het waterplan is gericht op een robuust systeem, waarin meer water wordt vastgehouden en meer waterberging wordt aangelegd. In het waterplan is de integrale wateropgave bepaald en worden maatregelen uitgewerkt om die opgave te realiseren. De hoofddoelstellingen van het waterplan Vlaardingen zijn: Water draagt in belangrijke mate bij aan de ruimtelijke kwaliteit van Vlaardingen. De stedelijke polders van Vlaardingen voldoen aan de NBW‐normering wateroverlast. Het water in Vlaardingen is schoon en voldoet op termijn aan de eisen van de KRW.
De vuilemissie uit de riolering is teruggebracht volgens de normering basisinspanning. Het oppervlaktewater wordt niet meer via riolering afgevoerd. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 (vGRP) beschrijft hoe de gemeente Vlaardingen invulling geeft aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In dit plan vertaalt de gemeente de ambities voor de rioleringszorg naar concrete doelen, een strategie en daarvoor benodigde activiteiten. De gemeente Vlaardingen werkt samen met haar gebiedspartners aan de volgende thema's: schoon & gezond; droog & veilig; duurzaam & doelmatig. Huidige situatie In de huidige situatie is de locatie geheel verhard.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
54
Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied is gelegen in stedelijk bebouwd gebied en niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van Vlaardingen is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Op circa 3 kilometer afstand van het plangebied bestaat de bodem uit klei tot zware klei ((knippige) poldervaaggronden) en is sprake van grondwatertrap III. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ondieper ligt dan 40 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen de 80 en 120 centimeter onder maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse ligt tussen de ‐0,9 en ‐0,4 meter +NAP. Waterkwantiteit De peilbuizen van de gemeente Vlaardingen laten zien dat de waterstand het afgelopen jaar schommelde tussen 0,9 meter ‐NAP en 1,5 meter ‐NAP. Volgens de Legger van Hoogheemraadschap van Delfland ligt binnen het plangebied een primaire watergang. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern‐ of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied wordt aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Door het gebied loopt een rioolpersleiding.
Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 37 nieuwe woningen. Waterkwantiteit Om de kans op wateroverlast te verkleinen, is het van belang om ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Hiervoor hanteert het Hoogheemraadschap van Delfland het standstill beginsel. Dit houdt in dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. Het plangebied is in de huidige situatie compleet verhard. Het realiseren van tuinen en openbaar groen zorgt voor een afname van het verhard oppervlak op de locatie. Watercompensatie is dus niet aan de orde. Dit wordt tevens bevestigd door het invullen van de watersleutel van het Hoogheemraadschap voor beide deelgebieden afzonderlijk, zie bijlage 12 voor de resultaten hiervan. In overleg met het Hoogheemraadschap Delfland is het uitgangspunt voor de tuinen 50% verharding. Dit sluit aan op de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt voor de woningen een minimaal bouwpeil gehanteerd.
De gemeente heeft geadviseerd om een minimale hoogte van 0,20 meter ten opzichte van het hart van de straat aan te houden. De gekozen peilniveaus van de woningen voldoen hier alle aan. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid en waterkeringen.
Rho adviseurs voor leefruimte
161812.20171774
55
Het noordelijke deelgebied ligt aan een primaire watergang, die in beheer is bij het Hoogheemraadschap Delfland. Onderhoud vindt rijdend plaats vanaf de zijde aan de Mauritssingel. Binnen het plangebied dient 1 meter vanaf de oever vrij gehouden te worden voor inspectie. Klimaatadaptatie Om in te spelen op klimaatverandering worden (in lijn met de voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater uit het vGRP) aanvullende maatregelen getroffen voor het bufferen van water. Het kan gaan om maatregelen op, onder of in de gebouwen, of onder het maaiveld. In de huidige situatie is de locatie volledig verhard. Door meer groen te realiseren verbetert de leefbaarheid ter plaatse. Om hittestress tegen te gaan kan gebruik worden gemaakt van de daken van het appartementengebouw. Hierbij kan worden gedacht aan het realiseren van een groen dak, eventueel in combinatie met waterberging en zonnepanelen en het toepassen van halfverharding. Het toepassen van deze maatregelen worden bij de verdere uitwerking van de plannen nader geconcretiseerd. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in‐) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In de Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces geeft het Hoogheemraadschap van Delfland aan hoe zij omgaat met het beoordelen van vasthoudmaatregelen bij verhardingstoename. Bij deze ontwikkeling is sprake van een afname van het verhard oppervlak. Om die reden wordt verder niet ingegaan op deze Richtlijn. De nieuw te bouwen woningen zullen met het afvalwater worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioleringsstelsel. De gemeente Vlaardingen accepteert geen hemelwater op het riool. Voor de afvoer van hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals de aanleg van groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer en dergelijke. De rioolpersleiding heeft een beschermingszone van 4 meter aan weerszijden. Hier gelden beperkingen voor bouwen en gebruik. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater.