Beantwoording technische vragen BP Bedrijventerreinen - D66
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen Onderwerp: Bestemmingsplannen Vergulde Hand Oost 1e Herziening en Groot Vettenoord en het volkstuinencomplex, 1e herziening Indiener(s): Tom Vleeschhouwer (D66) Datum vragen: 9 juni 2022 Portefeuillehouder: I. Somers-Gardenier Datum beantwoording: 15 juni 2022 Geachte heer Vleeschhouwer, Op 9 juni 2022 heeft u onderstaande vragen gesteld over de Bestemmingsplannen Vergulde Hand Oost 1e Herziening en Groot Vettenoord en het volkstuinencomplex, 1e herziening. Hieronder geef ik antwoord op uw vragen. Vraag 1: Artikel 24 van het bestemmingsplan Groot Vettenoord en het volkstuinencomplex en artikel 18 van het bestemmingsplan Vergulde Hand Oost bevatten algemene afwijkingsregels en bepalen wanneer een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan kan worden verleend. In de voorgestelde herzieningen worden de leden a tot en met f van dit artikel geschrapt. Deze leden zien onder andere toe op bouwhoogtes. Waarom worden deze leden geschrapt? Antwoord: Deze leden worden niet geschrapt. De bepalingen zoals genoemd in de herzieningen worden toegevoegd aan de betreffende artikelen. Vraag 2: In het raadsvoorstel behorend bij de voorbereidingsbesluiten is benoemd dat regels omtrent autobedrijven kunnen betekenen dat malafide ondernemers zich gaan richten op andere bedrijvigheid.
Dit verschuivingseffect zou betrokken worden bij de voorgenomen herzieningen. Hoe is dit verschuivingseffect betrokken bij de voorliggende wijzigingen? Als dit niet is meegenomen, waarom is daar dan van afgezien? Antwoord: Het verschuivingseffect is niet direct beschouwd in het kader van de beide bestemmingsplannen. Deze bestemmingsplannen zijn alleen gericht op autobedrijven. Momenteel vindt wel een breder onderzoek plaats naar de aanpak van ondermijning op bedrijventerreinen. Een samenvatting hiervan is reeds toegezonden aan de raad. Het onderzoek zet aan tot alertheid om in het kader van de opzet en frequentie van de integrale bedrijvencontroles mogelijke verschuivingseffecten te signaleren, analyseren en aan te pakken. Vooralsnog zijn de effecten rond het voorbereidingsbesluit automotive binnen deze branche merkbaar en worden deze bij mogelijke strijdigheid onderzocht. Vraag 3: In het raadsvoorstel behorend bij de voorbereidingsbesluiten is benoemd dat het voornemen is om in de bestemmingsplannen vast te leggen dat autobedrijven een minimale oppervlakte moeten hebben en behouden, naar het voorbeeld van het bedrijventerrein de Spaanse Polder.
Hoe is dit verankerd in de voorliggende bestemmingsplannen? Indien dit niet is verankerd, waarom is daarvan afgezien? Antwoord: Uit raadpleging van gegevens uit de Kamer van Koophandel blijkt dat de maatvoering van autobedrijven in Vlaardingen verschilt van kleiner dan 100m2 tot meer dan 1000m2. Hierbij geldt dat ca. 75% een oppervlakte heeft van 600m2 of kleiner. Door de verscheidenheid in maatvoering en het feit dat uitbreiding sowieso niet is toegestaan, heeft het opnemen van één minimale maatvoering bij nader inzien geen toegevoegde waarde. Vraag 4: In beide raadsvoorstellen is benoemd dat malafide ondernemers zo veel mogelijk geweerd moeten worden, maar dat ruime moet blijven bestaan voor bonafide ondernemers. Is er in beide plannen een
1
mogelijkheid voor bonafide ondernemers om zich met een autobedrijf te vestigen, ook als op die plek niet eerder een autobedrijf bestond? Antwoord: Er is inderdaad een mogelijk om hieraan medewerking te verlenen indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan of kan worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, een aantrekkelijk vestigingsklimaat en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Vraag 5: Beide bestemmingsplannen beperken de gebruiksmogelijkheden van gebouwen met de bestemming Bedrijventerrein. Is het mogelijk dat dit tot verzoeken om tegemoetkoming in planschade leidt en zo ja, is dit risico gekwantificeerd? Antwoord: De vaststelling van beide bestemmingsplannen kan inderdaad tot planschade leiden, mits het gaat om een schade die het normaal maatschappelijk risico te boven. Dit is afhankelijk van de omstandigheden 3% tot 6% van de waarde van het pand. Dit risico is niet op voorhand gekwantificeerd. Daarbij geldt dat bestaand toegestaan gebruik dat niet past binnen het nieuwe bestemmingsplan onder het overgangsrecht mag worden voortgezet. Met vriendelijke groet, I. Somers-Gardenier
2