Beantwoording technische vragen bebouwde komgrens 17-02-2022 - D66
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen Onderwerp: Bomenverordening en Bebouwde komgrens Indiener(s): D66, Bert van Nieuwenhuizen Datum vragen: 14 februari 2022 Portefeuillehouder: Bart de Leede / Jacky Silos Datum beantwoording: 17 februari 2022
Vraag: 1. Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen de grens van de bebouwde kom wel de sportvelden van bijvoorbeeld SVCWO te laten omvatten, maar niet de velden van Deltasport of de gebouwen van de scouting? Antwoord: Bij het bepalen van de grens bebouwde kom is onderzocht welke criteria de jurisprudentie geeft om te kunnen bepalen of een gebied tot de bebouwde kom (als grens Wet natuurbescherming) behoort. Uit jurisprudentie blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat: o o
De aard van de omgeving zou moeten bepalen of een perceel of gebied al dan niet binnen de bebouwde kom valt en niet de plaats van het bekende blauwe verkeersbord. Zo wordt het begrip “bebouwde kom” bij omgevingsvergunningen voor bouwen of bestemmingsplannen ook uitgelegd. ▪ Van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt. ▪ Een voorbeeld van zo’n uitleg is de uitspraak van de ABRvS van 19 november 2008: “Een gemeenteraad kan alleen maar een gebied als ‘bebouwde kom’ aanwijzen als er in dat gebied daadwerkelijk een gebouw staat of binnen korte termijn gaat komen”.
Bij het bepalen van de oostelijke grens van het bebouwd gebied van de gemeente Vlaardingen, dus ook waar SV CWO is gevestigd, is gekeken naar de aard van het gebied: het park Nieuwelandt is een stadspark met daarin enkele voorzieningen, zoals sportaccomodaties. Het stadspark, met daarin sportvoorzieningen is een wezenlijk onderdeel van de wijk. Het gebied wordt begrensd door de geluidsmuur langs de A4. Een duidelijke begrenzing waar bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt. De sportvelden van Deltasport en de gebouwen van de scouting in de Broekpolder zijn niet samenhangend met direct aangrenzende woon- of verblijfsfuncties, er liggen groengebieden met andere functies tussen. Het gebied heeft geen aansluiting met overige bebouwing, waardoor sprake zou kunnen zijn van verlenging van de bebouwde kom door bijvoorbeeld lintbebouwing.
Uit jurisprudentie (Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 september 2020 [ECL:NL:RVS:2020:2081) blijkt dat de rechtbank in haar beoordeling kijkt naar: - Of het gebied aansluiting heeft met overige bebouwing, waardoor sprake zou kunnen zijn van verlenging van de bebouwde kom door bijvoorbeeld lintbebouwing; - Of er sprake is van eenduidige woon- of verblijffunctie; - Of de concentratie van gebouwen ten opzichte van de omgeving, niet van een te geringe omvang is om te kunnen spreken van een aaneengesloten bebouwing die het gebied een overwegende woon- of verblijffunctie geeft. - Of er een samenhangende structuur in dichtheid en onderlinge afstand van de bebouwing is en geen verschillende afstanden bestaan tussen de gebouwen en er tussen sommige adressen water en grasland gelegen is. Vraag: 2. Op welke wijze voorkomt u dat insluiting dan wel uitsluiting t.o.v. de bebouwde kom tot ongelijke behandeling van, dan wel negatieve gevolgen voor, de betreffende partijen leidt? Antwoord: De nieuwe bomenverordening geeft heldere kaders welke bomen binnen de bebouwde kom beschermd zijn en niet zo maar mogen worden gekapt. Voor iedere boom, dikker dan 20 cm 1
doorsnede moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd als deze boom op een particulier terrein staat groter dan 250m2. Buiten de bebouwde kom is de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag voor bomen op percelen groter dan 10 are of bomenrijen van 20 of meer bomen, om de belangrijkste voorwaarden te noemen. Een kapaanvraag, of omgevingsvergunning vellen, moet niet bij de gemeente worden aangevraagd maar er moet een melding worden gedaan bij de provincie. De provincie houdt toezicht op de algemene instandhouding van bos en legt ook de herplant op. Dit is bij wet geregeld, de Wet Natuurbescherming. De provincie beoordeelt of het bosareaal in stand blijft en legt een herplantplicht op. Houtopstanden met een oppervlakte minder van 1.000 m2, bomenrijen minder dan 20 bomen, houtopstanden op erven en in tuinen, (hoogstam)fruitbomen of populieren of wilgen langs wegen of water en eenrijige beplanting langs landbouwgronden vallen niet onder de meldingsplicht van de provincie. De particulier aan bijvoorbeeld de Zuidbuurtseweg met een perceel kleiner dan 1.000 m2 hoeft vanuit de Wet natuurbescherming dus geen melding aan de provincie te doen over het kappen van een boom. Dit is inherent aan de Wet natuurbescherming. De houtopstanden en bomen waarin de Wet natuurbescherming niet in voorziet, kunnen in theorie wel onder de bescherming van de gemeentelijke bomenverordening worden gebracht.
De gemeente Vlaardingen kiest daar niet voor omdat het verdwijnen een particuliere boom in buitengebied geen effect heeft op de leefkwaliteit in het stedelijk gebied. Vandaar dat de bescherming in stedelijk gebied veel zwaarder is: daar wonen veel meer belanghebbenden en weegt het algemeen maatschappelijk belang zwaar. De standplaats van de boom doet er dus toe. Het college heeft er voor gekozen om alléén bijzondere, waardevolle bomen of structuren in het buitengebied te beschermen, bijvoorbeeld Monumentale bomen of Waardevolle bomen. Voor deze bomen gelden duidelijke criteria, bijvoorbeeld een leeftijd 80 jaar en ouder is een criterium voor Monumentale bomen. In overleg met de boomeigenaar wordt de bijzonder houtopstand opgenomen op de Lijst bijzondere houtopstand en deze bomen vallen dan onder de Bomenverordening.
2