CConstaterende datVlaardingen
Koppel je AI →
Document · PDF

Analyserapport Leefbaarheid onder de loep 2022

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente VlaardingenBij agendapunt: Aanvraag Wbmgp-aanwijzing (Rotterdamwet)27.993 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

figuur 3-6 Ontwikkeling per dimensie van gebieden die blijvend onder druk staan

De ontwikkeling van de gebieden die uit de lijst zijn verdwenen, loopt voor de dimensies ‘voorzieningen’ en ‘fysieke omgeving’ aardig parallel met de ontwikkeling in de gebieden die blijvend onder druk staan (vergelijk figuur 3-7 met figuur 3-6). De verschillen hebben vooral met de andere drie dimensies te maken. We zien in de gebieden die uit de lijst zijn verdwenen een lichte verbetering op de dimensie ‘sociale samenhang’, een wat grotere

38

Leefbaarheid onder de loep 2022

verbetering op de dimensie ‘woningvoorraad’ en een substantiële verbetering op de dimensie ‘overlast en onveiligheid’. Vooral de ontwikkeling op die laatste dimensie kan worden gezien als een trendbreuk, omdat de ontwikkeling van overlast en onveiligheid in de periode ervoor nog licht negatief was in deze gebieden. In de gebieden die nieuw zijn in de lijst was er op alle dimensies behalve ‘fysieke omgeving’ een ongunstige ontwikkeling tussen 2020 en 2022 (figuur 3-8). Dit verklaart ook de opmerkelijke ‘knik’ naar beneden van deze gebieden in figuur 3-5. De grootste bijdrage aan de negatieve ontwikkeling komt op het conto van de dimensie ‘overlast en onveiligheid’. Waar de ontwikkeling op die dimensie in de gebieden die uit de lijst zijn verdwenen het meest bijdraagt aan de positieve ontwikkeling, draagt die in de gebieden die nieuw zijn in de lijst juist het meest bij aan de verslechtering.

figuur 3-7 Ontwikkeling per dimensie van gebieden die uit de lijst zijn verdwenen

39

Leefbaarometer

figuur 3-8 Ontwikkeling per dimensie van gebieden die nieuw zijn in de lijst

3.4 Conclusie De ontwikkeling van de leefbaarheid was in de gebieden met een onvoldoende tot zeer onvoldoende leefbaarheid tussen 2020 en 2022 minder gunstig dan in de gebieden met een betere leefbaarheid. De verschillen in leefbaarheid zijn daardoor – na een relatief gunstige ontwikkeling tussen 2018 en 2020 – weer wat groter geworden. Het aantal gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, is afgenomen, zowel gemeten naar het aantal buurten als naar het aantal huishoudens (en inwoners) dat er woont. De afname was echter niet bijzonder groot. Gemeten naar het aantal inwoners gaat het om een daling van 2%. Er wonen daardoor anno 2022 nog steeds 1,1 miljoen mensen in een gebied waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Veel van de gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat, zijn te vinden in de grotere steden. In de G4 zijn de problemen het hardnekkigst en verdwijnen er weinig gebieden uit de lijst. De gebieden díe uit de lijst zijn verdwenen – onafhankelijk van waar ze liggen - hebben dit in het bijzonder te danken aan een gunstige ontwikkeling op de dimensie ‘overlast en onveiligheid’ tussen 2020 en 2022. En omgekeerd is bij de nieuwkomers in de lijst een verslechtering van overlast en onveiligheid in die periode de belangrijkste reden hiervan.

40

Leefbaarheid onder de loep 2022

4 Stijgers en dalers Net als in het rapport Leefbaarometer 2020 Verdiepende analyses10 besteden we in dit rapport aandacht aan de gebieden die: 1.

verbeterden van een score ‘onvoldoende’ naar een score ‘voldoende’. Dit zijn de ‘succesgebieden’ waar de leefbaarheid aanzienlijk is verbeterd. Voor een deel zijn dit gebieden die uit de lijst ‘structureel onder druk’ zijn verdwenen. Het kan echter ook om kleinere gebieden buiten deze lijst gaan;

2.

verder verslechterden terwijl ze al een score ‘zwak’ of ‘onvoldoende’ hadden. Dit is het meest kwetsbare deel binnen de gebieden die structureel onder druk staan.

We richten ons in eerste instantie op de recente ontwikkeling tussen 2020 en 2022, maar verkennen aanvullend hoe de ontwikkelingen in deze gebieden in de periode voor 2020 waren. Omdat het nu gaat om een relatief korte periode, kijken we bij de ‘stijgers’ ook naar de gebieden die zich verbeterden van ‘onvoldoende’ naar ‘zwak’, mits die verbetering betekenisvol was.11

4.1 Van onvoldoende naar zwak of voldoende In de gebieden waar tussen 2020 en 2022 een verbetering is gerealiseerd van ‘onvoldoende’ naar ‘voldoende’ wonen net iets meer dan 5.000 huishoudens. Dit zijn bijzondere gebieden, waarbij er een omslag van rood naar groen op de kaart van de Leefbaarometer is geweest. De (delen van) buurten waar deze verbeteringen zijn gerealiseerd, zijn vooral te vinden in de grote steden, maar bijvoorbeeld ook in Leeuwarden en Doetinchem. Nog eens 56 duizend huishoudens wonen in gebieden met een kleinere, maar toch betekenisvolle verbetering vanuit een score ‘onvoldoende’ naar ‘zwak’. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de gemeenten, wijken en buurten waar deze verbeteringen tussen 2020 en 2022 hebben plaatsgevonden voor zover er minimaal 50 huishoudens in de verbeterde delen wonen. In deze lijst zijn 258 buurten in 65 gemeenten te vinden. De gemeente met de meeste verbeteringen vanuit ‘onvoldoende’ is Den Haag, gevolgd door de gemeenten Rotterdam,

-----------10

https://leefbaarometer.nl/resources/ThemarapportLeefbaarometer2020VerdiependeAnalyses.pdf

11

Hiervoor gaan we uit van een verbetering die op de website minimaal als ‘kleine verbetering’ wordt aangemerkt. Alle verbeteringen die kleiner waren tellen hierbij dus niet mee.

41

Leefbaarometer

Tilburg, Amsterdam, Leeuwarden en Utrecht. In deze gemeenten wonen enkele duizenden huishoudens niet meer in een gebied met een score ‘onvoldoende’ op de Leefbaarometer. In de bijlage 3 is voor elke buurt ook aangegeven hoeveel woningen er staan in een deel waar de leefbaarheid (nog steeds) structureel onder druk staat. Daaruit komt naar voren dat de gebieden met de kleinere verbeteringen – ondanks die verbetering – daar voor een groot deel nog steeds deel van uitmaken. Een voorbeeld: Transvaalkwartier Noord in Den Haag heeft 1.865 woningen. Daarvan staan er in 2022 nog steeds 1.770 (dus bijna de gehele buurt) in een deel waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. In een deel van de buurt met 135 woningen is er een betekenisvolle verbetering geweest vanuit een score ‘onvoldoende’. Minimaal een deel daarvan behoort echter nog steeds tot het deel dat structureel onder druk staat omdat de verbetering niet groot genoeg was om ‘voldoende’ te scoren. In andere buurten heeft de verbetering er wel degelijk aan bijgedragen dat er geen delen meer zijn waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Zo werd de buurt ReigersbosZuid in Amsterdam (als deel van de wijk Holendrecht/Reigersbos) in 2020 nog aangemerkt als een buurt waar in een deel ervan de leefbaarheid structureel onder druk staat. Bij de meting 2022 is dat niet meer het geval.

De verbetering van een gebied in deze buurt met 245 woningen die eerder nog ‘onvoldoende’ scoorden (en inmiddels ‘zwak’) heeft daar aan bijgedragen.

Lokalisering Van alle gebieden met een verbetering uit een score ‘onvoldoende’ zijn de meeste (naar aantallen huishoudens) te vinden in de G4. In absolute zin ligt 46% van alle woningen in een gebied dat een dergelijke positieve ontwikkeling doormaakte in de G4. In de G40 was dat 36% en in de gemeenten daarbuiten nog eens 18% (tabel 4-1). Voor alle gemeentetypen geldt dat het aandeel van de gebieden die in 2020 nog ‘onvoldoende’ scoorden en dat in 2022 niet meer doen, ongeveer gelijk was (ruim 20%). Omdat in de G4 en in mindere mate in de G40 grotere delen van de gemeente in 2020 onvoldoende scoorden, zijn daar in verhouding tot de woningvoorraad wel meer gebieden te vinden die zich uit een score ‘onvoldoende’ hebben verbeterd (2,2% in de G4, 0,9% in de G40 en 0,2% in de gemeenten daarbuiten). Vooral in de G4 is dus een relatief groot deel van de stad verbeterd. Als aandeel van de gebieden die in 2020 nog onvoldoende scoorden, is het echter vergelijkbaar met de andere gemeentetypen.

42

Leefbaarheid onder de loep 2022

tabel 4-1

Kwalificering van de gebieden met een verbetering uit onvoldoende binnen de G4, G40, en gemeenten daarbuiten aandeel per gemeentetype

% van onvoldoende in 2020 in gemeentetype

% van de woningvoorraad in gemeentetype

G4

46%

21%

2,2%

G40

36%

22%

0,9%

NL buiten G4 en G40

18%

23%

0,2%

100%

22%

0,7%

Dimensies van verbetering De verbeteringen in de gebieden die in 2020 nog onvoldoende scoorden, zijn op alle dimensies terug te zien (figuur 4-1). Dat beeld wijkt sterk af van de gemiddelde ontwikkelingen in Nederland.

figuur 4-1 Ontwikkeling Leefbaarometer 2020-2022 uitgesplitst naar dimensies, gemiddeld in Nederland en voor gebieden met een verbetering vanuit onvoldoende

De positieve ontwikkeling in Nederland tussen 2020 en 2022 was gemiddeld genomen niet groot. Er was zelfs een daling op de dimensie ‘voorzieningen’. De stijging op de Leefbaarometer werd vooral gerealiseerd door de dimensie ‘woningvoorraad’. In de ‘succesgebieden’ waar een verbetering is gerealiseerd vanuit ‘onvoldoende’ is er gemiddeld genomen op alle dimensies een verbetering geweest. De grootste bijdrage aan de verbetering wordt geleverd door de dimensies ‘overlast en onveiligheid’ (52% van de totale

43

Leefbaarometer

verbetering komt door deze dimensie) en ‘woningvoorraad’ (29% van de totale verbetering). Dat komt overeen met de ontwikkelingen voor de langere periode 2014-2020.12 Ook voor die langere periode waren deze twee dimensies dominant bij verbeteringen vanuit onvoldoende naar voldoende.

4.2 Zwak of onvoldoende én dalende leefbaarheid De gebieden met een dalende leefbaarheid waar we ons in dit hoofdstuk op richten zijn gebieden die in 2020 ‘zwak’ of lager scoorden op de Leefbaarometer en tussen 2020 en 2022 verder verslechterden. Voor die verslechtering hanteren we dezelfde grens die ook op de website van de Leefbaarometer wordt gebruikt als verschil tussen ‘geen ontwikkeling’ en ‘verslechtering’. We gaan dus niet in op gebieden met zeer kleine verslechteringen. Deze afbakening is gelijk aan die in het rapport Leefbaarometer 2020 Verdiepende analyses met dien verstande dat we hier kijken naar de recente, kortere ontwikkeling (2020-2022). In de gebieden met een ongunstige leefbaarheid waar de score nog verder daalde tussen 2020 en 2022 woonden in 2022 ruim 125 duizend huishoudens. Dat zijn er meer dan over de periode 2014-2020 werden gerapporteerd (75 duizend). Driekwart van de huishoudens in deze dalende gebieden woont in een gebied dat in 2020 ‘zwak’ scoorde. Voor ongeveer de helft daarvan was de daling zo groot dat het gebied in 2022 als ‘onvoldoende’ is aangemerkt (tabel 4-2).

tabel 4-2 Dynamiek van de gebieden met een ongunstige en dalende leefbaarheid aantal huishoudens

aandeel van dalers

aandeel van klasse in 2020

score 2020

score 2022

zeer of ruim onvoldoende

zeer of ruim onvoldoende

9.100

7%

9%

onvoldoende

zeer of ruim onvoldoende

17.800

14%

10%

onvoldoende

5.400

4%

3%

zeer of ruim onvoldoende

3.600

3%

1%

onvoldoende

42.800

34%

7%

zwak

47.800

38%

7%

126.400

100%

zwak

Totaal ‘dalers’

-----------12

https://leefbaarometer.nl/resources/ThemarapportLeefbaarometer2020VerdiependeAnalyses.pdf

44

Leefbaarheid onder de loep 2022

Als aandeel van de leefbaarheidsklasse waarin het gebied in 2020 viel, waren er relatief veel gebieden met een dalende leefbaarheid binnen de klasse ‘onvoldoende’. Voor 13% van de gebieden met een onvoldoende leefbaarheid was er een betekenisvolle daling tussen 2020 en 2022, waarvan die daling voor de meeste gebieden ook resulteerde in een lagere klasse (zeer of ruim onvoldoende) op de Leefbaarometer in 2022. De gebieden met een ongunstige en verslechterende leefbaarheid zijn te vinden in 419 buurten in 111 verschillende gemeenten (zie bijlage 4). In aantallen huishoudens komen de meeste van deze gebieden voor in Amsterdam (ruim 17 duizend huishoudens in Zuidoost, West en Noord), Rotterdam (ruim 20 duizend huishoudens, vooral in Zuid, maar ook in onder andere Delfshaven, Hoogvliet en Prins Alexander) en Den Haag (ruim 7.000 huishoudens, vooral in Zuidwest). In vrijwel alle gevallen gaat het om delen van buurten die achteruit gaan en niet om de gehele buurt. In een enkel geval (Riekerhaven in Amsterdam bijvoorbeeld) gaat het wel om de gehele buurt en in een beperkt aantal gevallen om het grootste deel van een buurt. Carnisse in Rotterdam, Gildenbuurt in Velsen (Noord) en Tuikwerd in Eemsdelta zijn daar voorbeelden van. In de bijlage is ook opgenomen hoeveel woningen er in een buurt staan waar de leefbaarheid structureel onder druk staat.

Soms is dat (bijna) de gehele buurt, zoals in PresikhaafWest in Arnhem. Als in zo’n buurt dan ook nog eens een daling is in een substantieel deel, zoals in het geval van Presikhaaf-West waar de gebieden met een ongunstige en verslechterende leefbaarheid zo’n 60% van de buurt uitmaken, is het duidelijk dat de ontwikkelingen hier niet gunstig zijn. Er zijn ook buurten in de bijlage opgenomen waar de leefbaarheid niet structureel onder druk staat. In die buurten zijn dan wel degelijk gebieden met een onvoldoende of zwakke score (en verslechterend), maar is dat bijvoorbeeld nog niet zo lang het geval of gaat het om relatief kleine gebieden (zie ook hoofdstuk 3 voor de selectiecriteria).

Lokalisering Bijna driekwart van alle huishoudens in een gebied met een ongunstige en verslechterende leefbaarheid woont in de G4 en G40 (tabel 4-3). Als aandeel van de gebieden met een ongunstige leefbaarheid (maximaal score ‘zwak’) zijn er in de G4 veel huishoudens die in een verder verslechterend deel wonen (17% van alle huishoudens in de G4 die in 2020 in een gebied met een score ‘onvoldoende’ tot en met ‘zwak’ woonden). Ook als aandeel van de totale woningvoorraad gaat het vaker om gebieden in de G4 (3,9%) tegenover 0,7% buiten de G4 en G40.

45

Leefbaarometer

tabel 4-3 Kwalificering van de gebieden met een verslechtering uit zwak/onvoldoende binnen de G4, G40, en gemeenten daarbuiten aandeel per gemeentetype

% van onvoldoende in 2020 in gemeentetype

% van de woningvoorraad in gemeentetype

G4

39%

17%

3,9%

G40

35%

12%

1,8%

NL buiten G4 en G40

26%

13%

0,7%

100%

14%

1,5%

Dimensies van verslechtering De gebieden met een ongunstige en verslechterende leefbaarheid maakten gemiddeld genomen tussen 2020 en 2022 een verslechtering mee op alle dimensies van de Leefbaarometer. Verreweg de grootste verslechtering vond plaats binnen de dimensie ‘overlast en onveiligheid’ (figuur 4-2). De verslechtering op deze dimensie is verantwoordelijk voor 60% van de totale verslechtering. Dat is in overeenstemming met het beeld uit eerdere jaren. Als gebieden met een ongunstige leefbaarheid verder verslechteren, heeft dat overwegend te maken met deze dimensie. Ook op de dimensies ‘woningvoorraad’ en ‘voorzieningen’ was de verslechtering relatief groot. De ontwikkelingen op de andere dimensies waren beperkt, maar nog steeds wel negatief.

figuur 4-2 Ontwikkeling Leefbaarometer 2020-2022 uitgesplitst naar dimensies, gemiddeld in Nederland en voor gebieden met een verslechtering vanuit zwak/onvoldoende

46

Leefbaarheid onder de loep 2022

4.3 Conclusie De gebieden met een zwakke tot zeer onvoldoende leefbaarheid hebben zich gemiddeld genomen niet bijzonder gunstig ontwikkeld tussen 2020 en 2022. Dat komt ook overeen met het beeld van een vrij stabiele groep gebieden waar de leefbaarheid structureel onder druk staat. Vergeleken met de periode 2014-2020 waren er minder gebieden die er in de laatste twee jaar op vooruit zijn gegaan en meer die erop achteruit zijn gegaan. Zowel de verbeteringen als de verslechteringen zijn primair toe te schrijven aan de ontwikkeling van overlast en onveiligheid. Veel stijgers en dalers liggen in de G4. Dat is begrijpelijk omdat in de G4 nu eenmaal de meeste gebieden te vinden zijn met een (zeer) onvoldoende tot zwakke leefbaarheid. Hoewel de meeste gebieden met een (zeer) onvoldoende tot zwakke leefbaarheid in de G4 liggen, zijn leefbaarheidsproblemen zeker niet voorbehouden aan deze grotere gemeenten. Ook in gemeenten buiten de G4 en G40 waren er in een substantieel deel van de gebieden relevante ontwikkelingen. De uiteenlopende ontwikkelingen zijn geregeld binnen dezelfde buurten te vinden. In sommige delen gaat het dan goed, terwijl andere erop achteruitgaan. De kaartbeelden op www.leefbaarometer.nl geven inzicht in welke delen van buurten het betreft.

47

Leefbaarometer

5 Leefbaarheid en gezondheid In dit hoofdstuk gaan we in op de relatie tussen leefbaarheid en gezondheid. Daarvoor maken we gebruik van gegevens uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen waarin GGD’en, het RIVM en het CBS de gezondheid, het welzijn en de leefstijl van de Nederlandse bevolking onderzoeken met behulp van vragenlijsten. Aan elk van de respondenten uit de Gezondheidsmonitor hebben we binnen de beveiligde omgeving van het CBS de woonlocatie (6ppc) gekoppeld. Daardoor konden we ook de lokale score van de Leefbaarometer koppelen aan de woonsituatie van de betreffende respondenten. Vervolgens hebben we in beeld gebracht wat de samenhang tussen de leefbaarheid en de (ervaren) gezondheid van bewoners is. Dat hebben we gedaan voor uiteenlopende aspecten van gezondheid: •

Beperkingen als gevolg van langdurige aandoeningen (par. 5.1);

•

Mentale gezondheid (angststoornissen en depressie; veerkracht en regie, par. 5.2);

•

Omgevingsinvloeden (stress; ervaren steun, par. 5.3);

•

Leefstijl (overgewicht, roken, drinken en bewegen, par. 5.4);

•

Ervaren gezondheid (par. 5.5).

Voor de aspecten die zowel in 2020 als in 2022 zijn gemeten in de Gezondheidsmonitor gaan we na in welke mate de coronaperiode in de gebieden met een mindere leefbaarheid op het gebied van gezondheid anders heeft uitgewerkt dan in andere gebieden.13 Voor ervaren gezondheid is verder verkend in welke mate de verschillen tussen goede en slechte scores samenhangen met de afzonderlijke dimensies van de Leefbaarometer. Ook is nagegaan in hoeverre de leefbaarheid van de woonomgeving een aanvullende verklaring biedt voor de verschillen, naast meer persoonlijke factoren zoals leeftijd, geslacht, inkomen, opleiding, kunnen rondkomen en aspecten van de leefstijl.

5.1 Beperkingen als gevolg van langdurige aandoeningen Langdurige aandoeningen zoals diabetes, hart- en vaatziekten, en COPD kunnen beperkingen in het dagelijks leven met zich meebrengen. Denk dan aan verminderde mobiliteit, een

-----------13

De gegevens van de Leefbaarometer 2022 zijn gekoppeld aan de Corona Gezondheidsmonitor 2022. Om te kunnen vergelijken met pre-corona-uitkomsten zijn ook de gegevens van de Leefbaarometer 2020 gekoppeld met de Gezondheidsmonitor 2020.

48

Leefbaarheid onder de loep 2022

slechte conditie of gezichtsproblemen waardoor allerlei dagelijkse verrichtingen zoals boodschappen doen of het huis schoonmaken lastig of onmogelijk kunnen worden zonder hulp. Uit figuur 5-1 komt naar voren dat het aandeel mensen dat ernstig beperkt is door gezondheidsproblemen aanzienlijk groter is in de gebieden met een onvoldoende leefbaarheid dan in gebieden met een betere leefbaarheid. Het verschil tussen de onvoldoende gebieden en de uitstekende gebieden is een factor 2,8. De verschillen tussen de meetjaren 2020 en 2022 (de coronameting) zijn beperkt. In 2022 is het aandeel mensen dat ernstig beperkt is door gezondheidsproblemen over de gehele linie wat kleiner. De verschillen tussen de gebieden met een goede en minder goede leefbaarheid blijven op dit aspect van gezondheid min of meer gelijk tussen de twee jaren.

figuur 5-1 Ernstige beperkingen als gevolg van langdurige aandoeningen naar leefbaarheid woonomgeving

5.2 Mentale gezondheid Mentale gezondheid is een breed begrip. In deze paragraaf gaan we in op het risico dat mensen hebben op een angststoornis of depressie en op de mate waarin ze veerkracht hebben en regie kunnen uitoefenen op hun leven.

49

Leefbaarometer

Angststoornissen en depressie Het risico op een angststoornis of depressie wordt gemeten aan de hand van vragen zoals: “Hoe vaak (was u) vermoeid zonder duidelijke reden?”, “Hoe vaak zenuwachtig?”, “Hoe vaak hopeloos?” en “Hoe vaak somber of depressief?”14 In de gebieden met een onvoldoende leefbaarheid is het aandeel bewoners met een hoog risico op een angststoornis of depressie zo’n 3,5 keer groter dan in gebieden met een uitstekende leefbaarheid (figuur 5-2). Tijdens de coronaperiode is de mentale gezondheid van alle bewoners er gemiddeld genomen op achteruit gegaan. In alle leefbaarheidsklassen lag het aandeel mensen met een hoog risico op een angststoornis of depressie ruim 50% hoger tijdens corona dan ervoor. De absolute toename - 7 procentpunt meer in gebieden met een onvoldoende leefbaarheid en 2 procentpunt meer in gebieden met een uitstekende leefbaarheid - was wel beduidend groter in de gebieden met een mindere leefbaarheid.

figuur 5-2 Hoog risico op angststoornis of depressie naar leefbaarheid van de woonomgeving

Veerkracht en regie Veerkracht gaat over hoe goed iemand kan omgaan met moeilijke situaties. Veerkracht is alleen in 2022 gemeten, zodat we niet kunnen nagaan of dit in de coronaperiode is verbeterd of verslechterd. Het wordt gemeten aan de hand van antwoorden op stellingen als “Ik kan -----------14

Er wordt gebruikgemaakt van de Nederlandse versie van de Kessler-10 (K10) vragenlijst, een veelgebruikte vragenlijst voor screening van angst en depressie. De kwalificatie ‘’hoog risico op angststoornis of depressie” is conform de methode die hierbij wordt gebruikt, zie bijvoorbeeld https://www.vzinfo.nl/depressie-en-andere-stemmingsstoornissen/verantwoording/methoden#kessler

50

Leefbaarheid onder de loep 2022

heel goed omgaan met tegenslagen” en “Ik kan heel goed oplossingen vinden in moeilijke situaties”. Een enigszins vergelijkbaar concept, regie over het eigen leven, is wel in 2020 gemeten, maar niet in 2022. Dit wordt gemeten met stellingen als “Ik voel me vaak hulpeloos bij het omgaan met de problemen van het leven”, “Sommige van mijn problemen kan ik met geen mogelijkheid oplossen” en “Ik heb weinig controle over de dingen die me overkomen”. Een beperkte veerkracht en onvoldoende regie over het eigen leven zijn sterk verbonden met leefbaarheid. In de gebieden met een onvoldoende leefbaarheid beoordeelt 15% van de bewoners de eigen veerkracht als zeer laag (figuur 5-3). In de gebieden met een uitstekende leefbaarheid beoordeelt slechts 4% de eigen veerkracht als zeer laag. Dat zijn grote verschillen die in vergelijkbare mate zijn terug te zien in het oordeel dat men onvoldoende regie ervaart over het eigen leven.

figuur 5-3 Onvoldoende regie en zeer lage veerkracht naar leefbaarheid van de woonomgeving

5.3 Omgevingsinvloeden Stress is van invloed op de gezondheid. Mensen kunnen stress ervaren op veel verschillende terreinen zoals werk, studie, relaties, wonen, mantelzorg of geldzaken. In figuur 5-4 wordt het aandeel mensen getoond dat op minimaal twee verschillende aspecten (veel) stress ervaart. In de gebieden met een onvoldoende leefbaarheid is dat aandeel duidelijk groter dan

51

Leefbaarometer

in de gebieden met een uitstekende leefbaarheid. Niettemin valt op dat het verschil in relatieve zin (de verhouding tussen gebieden met een onvoldoende en een uitstekende leefbaarheid) minder groot is dan op andere aspecten die van belang zijn voor de gezondheid. Ook in de gebieden met een gunstige leefbaarheidsscore is er een behoorlijk groot aandeel mensen dat veel stress ervaart (op twee of meer van de genoemde aspecten). In de mate waarin mensen steun krijgen van anderen zijn de relatieve verschillen groter. In de gebieden met een onvoldoende leefbaarheid mist 16% van de bewoners steun. In de gebieden met een zeer onvoldoende leefbaarheid (niet apart afgebeeld in de figuur) is dat zelfs 21%. Denk bij de steun die gemist wordt aan zaken als “mensen die …goede raad geven”, “…troosten” of “…opvrolijken” of “…een duwtje in de goede richting geven”. In de gebieden met een uitstekende leefbaarheid is het aandeel mensen dat dergelijke steun mist juist klein (3,6%). Ofwel, in de gebieden waar men de meeste stress ervaart, krijgt men ook de minste steun en heeft men – zoals hiervoor is getoond – ook de minste veerkracht en regie over het eigen leven.

figuur 5-4 Stress en gebrek aan steun naar leefbaarheid van de woonomgeving

5.4 Leefstijl Leefstijl – of men voldoende beweegt, gezond en niet te veel eet, geen alcohol drinkt en niet rookt - is bijzonder belangrijk voor de gezondheid. Ook in dit soort gedragsaspecten zijn er verschillen tussen de bewoners van gebieden met een onvoldoende leefbaarheid en een

52

Leefbaarheid onder de loep 2022

goede leefbaarheid (figuur 5-5). In de gebieden met een mindere leefbaarheid wonen meer mensen met overgewicht, meer mensen die roken en meer mensen die te weinig bewegen. Alleen op het gebied van alcoholgebruik zijn de verschillen kleiner en is de trend omgekeerd. Juist in de gebieden met een gunstige leefbaarheid wonen wat meer zware drinkers. Per saldo zijn de meeste leefstijlfactoren echter in het nadeel van de gebieden met een mindere leefbaarheid. Daarmee wordt nog een extra factor toegevoegd aan de gezondheidsrisico’s die de bewoners in deze gebieden lopen.

figuur 5-5 Leefstijl naar leefbaarheid van de woonomgeving

5.5 Ervaren gezondheid Ervaren gezondheid, ook wel subjectieve gezondheid of gezondheidsbeleving genoemd, weerspiegelt het algemene oordeel over de eigen gezondheid. Ervaren gezondheid is een samenvattende gezondheidsmaat van alle relevante gezondheidsaspecten voor de persoon in kwestie. In normale omstandigheden – voor de coronatijd, in 2020 – ervoer ongeveer 80% van de Nederlandse bevolking de eigen gezondheid als goed tot zeer goed. In 2022 was dat 70%. Het aandeel mensen met een slechte tot zeer slechte gezondheid was in 2020 3%. In 2022 was dit verdubbeld tot 6%. Het aandeel mensen met een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid verschilt sterk tussen gebieden met een goede of uitstekende leefbaarheid aan de ene kant en gebieden met

53

Leefbaarometer

een onvoldoende leefbaarheid aan de andere kant (figuur 5-6). In die laatste gebieden ervoer in 2022 bijna 14% een slechte tot zeer slechte gezondheid. In de gebieden met een zeer goede of uitstekende leefbaarheid was dat net iets minder dan 4%. Het aandeel mensen met een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid was daarmee in de onvoldoende gebieden 3,5 keer groter dan in de gebieden met een goede leefbaarheid. In 2020 was het verschil iets kleiner: 3,2 keer.

figuur 5-6 Aandeel inwoners met een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid naar de leefbaarheid van het gebied waar zij wonen in 2020 en 2022

In alle gebieden was er bijna een verdubbeling van het aandeel mensen met een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid tijdens de coronaperiode. In de onvoldoende gebieden was die verslechtering net wat groter dan in de zeer goede tot uitstekende gebieden waardoor het relatieve verschil iets opliep. In absolute zin (het verschil tussen 6,8% en 2,1% = 4,7% versus het verschil tussen 13,4% en 3,8% = 9,6%) werden de verschillen tussen gebieden met een onvoldoende leefbaarheid en met een zeer goede tot uitstekende leefbaarheid in de coronatijd twee keer zo groot als dat ze al waren.

Dimensies van de Leefbaarometer Mensen met een slechte ervaren gezondheid wonen relatief vaak in gebieden met een mindere leefbaarheid. Wat daarbij opvalt, is dat het in het bijzonder de dimensies ‘overlast en onveiligheid’ en ‘sociale samenhang’ zijn die er in negatieve zin uitspringen (figuur 5-7). Mensen met een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid wonen vaker in gebieden waar de

54

Leefbaarheid onder de loep 2022

overlast en onveiligheid en de sociale samenhang ongunstig zijn. Het voorzieningenniveau is er vaak wel beter dan gemiddeld. De mensen met een zeer goede ervaren gezondheid wonen gemiddeld genomen in gebieden die op álle dimensies gunstig scoren. Vooral de dimensies ‘woningvoorraad’ en ‘overlast en onveiligheid’ scoren in deze gebieden goed, maar ook de sociale samenhang én voorzieningen dragen hier in positieve zin bij aan de leefbaarheid.

figuur 5-7 Gemiddelde score op de dimensies van de Leefbaarometer naar de ervaren gezondheid van bewoners

Leefbaarheid aanvullende verklaring voor verschillen? Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat er een sterke samenhang (correlatie) is tussen de leefbaarheid van de woonomgeving en de ervaren gezondheid van de bewoners. De oorzakelijkheid (causaliteit) van de relatie tussen leefbaarheid en gezondheid is echter gecompliceerd. Voor een deel kan de kwaliteit van de woonomgeving bijdragen aan de ervaren gezondheid. De opties voor een gezonde leefstijl die een leefomgeving biedt (gezonde voeding, bewegen en dergelijke) worden daarbij nog wel eens genoemd. Andersom kunnen stressfactoren in de omgeving (zoals overlast en onveiligheid) een negatieve invloed hebben op de gezondheid. Ook is uit de literatuur15 bekend dat naast leeftijd en geslacht, sociaaleconomische verschillen tussen mensen samenhangen met verschillen in ervaren -----------15

Zie bijvoorbeeld https://www.vzinfo.nl/ervaren-gezondheid

55

Leefbaarometer

gezondheid. En zoals in het rapport Leefbaarometer 2020 Verdiepende analyses16 naar voren kwam, zijn de sociaaleconomische verschillen tussen gebieden met een goede of slechte leefbaarheid groot. Om een indruk te krijgen van hoe de leefbaarheid van de omgeving zich verhoudt tot andere invloeden van gezondheid is onderzocht of leefbaarheid een aanvullende betekenis heeft voor de kans dat iemand een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid heeft. Daarvoor zijn – naast de leefbaarheid van de woonomgeving - de volgende kenmerken meegenomen in de analyse:17 geslacht, leeftijd, inkomen, hoogst behaalde opleiding, kunnen rondkomen en aspecten van de leefstijl zoals gezond gewicht, bewegen, roken en drinken. Het aspect dat het sterkst samenhangt met de kans op het ervaren van een (zeer) slechte gezondheid blijkt te zijn of men goed kan rondkomen. Dit wordt gevolgd door leefstijlfactoren als bewegen en roken, leeftijd en andere sociaaleconomische kenmerken als inkomen en opleiding. Pas daarna heeft de leefbaarheid van de woonomgeving nog een aanvullende betekenis. In gebieden met een onvoldoende leefbaarheid is de kans ruim 50% groter dat iemand een (zeer) slechte ervaren gezondheid heeft dan in gebieden met een zeer goede tot uitstekende leefbaarheid. En dat is aanvullend op de andere aspecten die zijn meegenomen in de analyse.

Dat is niet niets, maar als iemand enige of grote moeite heeft om rond te komen dan is de kans dat die persoon een (zeer) slechte gezondheid ervaart zo’n zes keer (600%) groter dan wanneer iemand geen enkele moeite heeft om rond te komen. De leefbaarheid van de woonomgeving doet er dus toe, zo lijkt het, maar minder dan de meer persoonlijke verschillen tussen mensen.

5.6 Conclusie Er is een zeer sterke samenhang (correlatie) tussen leefbaarheid en (aspecten van) gezondheid. Deze vallen allemaal uit in het nadeel van de gebieden met een slechtere leefbaarheid. Daar wonen meer mensen met beperkingen als gevolg van langdurige aandoeningen. Het aandeel bewoners dat hierdoor ernstig beperkt is in ‘onvoldoende’ en uitstekende’ gebieden verschilt een factor 2,8. In gebieden met een onvoldoende leefbaarheid wonen ook meer mensen met problemen met de mentale gezondheid. Het aandeel bewoners met een hoog

-----------16

https://leefbaarometer.nl/resources/ThemarapportLeefbaarometer2020VerdiependeAnalyses.pdf

17

Hiervoor is gebruik gemaakt van een logistische regressie.

56

Leefbaarheid onder de loep 2022

risico op een angststoornis en depressie is zo’n 3,5 groter dan in gebieden met een uitstekende leefbaarheid (ook lag tijdens de coronaperiode voor alle leefbaarheidsklassen dit aandeel nog eens ruim 50% hoger ten opzichte van 2020). In gebieden met een mindere leefbaarheid beoordeelt 15% van de bewoners de eigen veerkracht als zeer laag (tegen 4% in gebieden met een uitstekende leefbaarheid). Deze grote verschillen zijn vergelijkbaar voor het oordeel dat men onvoldoende regie ervaart over het eigen leven. In gebieden met een onvoldoende leefbaarheid zijn er ook meer mensen die veel stress ervaren. Dat geldt overigens ook, maar in mindere mate, voor een behoorlijk groot aandeel bewoners in gebieden met een gunstige leefbaarheidsscore. Ook missen bewoners in gebieden met een mindere leefbaarheid steun van anderen (16% om 3,6%) en zijn er meer mensen met een ongezonde leefstijl (ernstig overgewicht, roken, te weinig bewegen; met uitzondering van alcoholgebruik waar de verschillen kleiner zijn en de trend omgekeerd is). Dat de verschillen in ervaren gezondheid van bewoners in gebieden met een goede en minder goede leefbaarheid groot zijn, is dan het logische gevolg. In gebieden met een zeer goede of uitstekende leefbaarheid ervoer in 2022 net iets minder dan 4% een slechte tot zeer slechte gezondheid.

In gebieden met een onvoldoende leefbaarheid was dat bijna 14% en daarmee 3,5 keer meer (ook was er tijdens de coronaperiode voor alle leefbaarheidsklassen sprake van bijna een verdubbeling van het aandeel mensen met een slechte tot zeer slechte ervaren gezondheid ten opzichte van 2020). Dat in gebieden met een mindere leefbaarheid meer mensen wonen met gezondheidsproblemen betekent niet dat die gebieden deze problemen veroorzaken. Het is waarschijnlijk dat ze er voor een deel aan bijdragen, bijvoorbeeld doordat er meer stressfactoren in de woonomgeving zijn (denk aan overlast en onveiligheid) of doordat de sociale samenhang en steun er minder groot zijn. Maar voor een ander en (veel) groter deel wordt de slechtere gezondheid van bewoners in buurten met een mindere leefbaarheid beïnvloed door meer persoonlijke factoren, zoals moeite hebben om rond te komen, leefstijlfactoren, veerkracht, inkomen en opleiding. Daarmee zijn de buurten met een mindere leefbaarheid de plekken waar veel problemen samenkomen: overlast en onveiligheid, sociaaleconomische problematiek én gezondheidsproblemen.

57

Leefbaarometer

6 Nieuwbouw: uitbreiding en verdichting 6.1 Inleiding In het derde verdiepende thema werpen we een blik op de leefbaarheid van gebieden waar recent relatief veel nieuwbouw heeft plaatsgevonden en de relatie tussen nieuwbouw en leefbaarheid. Er is veel onderzoek gedaan naar de effecten van nieuwbouw en sloop op buurten.18 Het thema leefbaarheid is echter onderbelicht gebleven. We kijken in dit hoofdstuk zowel naar de grote nieuwbouwlocaties (‘uitbreiding’ of ‘uitleg’) als nieuwbouw in reeds bebouwde gebieden (‘verdichting’ of ‘inbreiding’). De volgende vragen staan centraal in dit themaonderzoek: 1) Hoe gaat het met de leefbaarheid van recente nieuwbouwgebieden, zowel in uitbreidings- als in verdichtingsgebieden (gebouwd 2014-2019)? 2) Wat is de invloed van verdichting op de leefbaarheid in bebouwd gebied? We bekijken hier alle vormen van verdichting in bestaande buurten; van een simpele toevoeging op braakliggend terrein tot renovatieprojecten (sloop- en nieuwbouw) en herontwikkeling van bijvoorbeeld voormalige industriegebieden naar woningen, mits er sprake is van een flinke transformatie. Naast de effecten op de leefbaarheid in gebieden waar wordt gebouwd onderzoeken we ook mogelijke uitstralingseffecten naar de leefbaarheid van nabijgelegen gebieden.

3) Is er sprake van mogelijke waterbedeffecten van nieuwbouw? Deze vraag is ingegeven door de mogelijkheid dat nieuwbouw (selectieve) migratiestromen op gang kan brengen die nadelig kunnen uitpakken voor nabijgelegen kwetsbare gebieden – door het risico op leegstand en doordat de ‘sterke schouders’ de buurt verlaten en de samenstelling homogener wordt.

-----------18

Bijvoorbeeld: https://www.socialevraagstukken.nl/sloop-en-mengen-is-goed-voor-de-buurt/; Zwiers, M, van Ham, M and Kleinhans, R (2018) The effects of physical restructuring on the socioeconomic status of neighbourhoods: Selective migration and upgrading. Urban Studies

58

Leefbaarheid onder de loep 2022

6.2 Beschrijving en opzet We richten ons in dit hoofdstuk op recente nieuwbouw in Nederland. Verder maken we onderscheid naar nieuwbouw in uitbreidingsgebieden (volledig nieuwe buurten en wijken) en verdichting (nieuwbouw in bestaande buurten). Aan uitbreidingsgebieden wordt soms ook wel gerefereerd als uitleggebieden en naar verdichting als inbreiding. Ten slotte onderscheiden we of het om zeer recente (2015-2019) of minder recente nieuwbouw (2010-2014) gaat. Om te bepalen of een nieuwbouwlocatie een uitbreidings- of verdichtingsgebied is, gaan we als volgt te werk. Voor het bepalen van uitbreidingsgebieden starten we bij de CBS-buurten (indeling 2022). Een buurt telt als ‘uitbreidingsgebied’ wanneer minimaal 90% van de woningen bouwjaar van 2000 of later heeft. Hiermee worden de gebieden onderscheiden die pas in de afgelopen 20 jaar bebouwd zijn. Vervolgens maken we binnen deze uitbreidingsgebieden een verder onderscheid tussen recente en zeer recente nieuwbouw (zie volgende alinea). De overige gebieden in Nederland verdelen we in verdichtingsgebieden (met relatief veel nieuwbouw in bestaande buurten) en overig Nederland (onvoldoende nieuwbouw om als verdichting te gelden. Zie hieronder voor de precieze definitie van verdichting.

Voor nieuwbouwprojecten in uitbreidingsgebieden maken we onderscheid tussen recente en zeer recente nieuwbouw op een laag schaalniveau van grids (100m x 100m vakjes). Onder recent vallen gebieden die voornamelijk zijn bebouwd in de periode 2010-2014, onder zeer recent valt de periode 2015-2019. We bepalen eerst de zeer recente gebieden (2015-2019) waarbij we als grens hanteren dat minimaal 50% van de woningen in een grid in deze periode gebouwd is. Vervolgens bepalen we de minder recente gebieden (2010-2014) op basis van dezelfde 50%-grens. De aanvullende eis is hier dat het niet een zeer recent gebied is. Grids in uitbreidingsgebieden die voornamelijk zijn gebouwd voor 2010 rekenen dus we tot overig Nederland. Verdichting specificeren we door alleen te kijken naar relatief recente verdichtingsgebieden die een grote transformatie hebben ondergaan. Gebieden waar slechts een paar woningen zijn bijgebouwd of getransformeerd vallen buiten beschouwing. Het gaat hier om grote veranderingen die significant ingrijpen op het aanzien van een buurt. We definiëren deze gebieden als volgt: verdichtingsgebieden zijn grids (100m x 100m vakjes) met minimaal 1 op de 3 woningen met een bouwjaar in de afgelopen vijf jaar. We bepalen verdichtingslocaties op twee momenten: 2015 (2010-2014) en 2020 (2015-2019).

Voor verdichtingslocaties in 2020 geldt de aanvullende eis dat deze in 2015 nog géén verdichtingslocaties waren. Gebieden met nieuwbouw gebouwd in de periode 2020-2022 (minimaal 1 op de 3 woningen met bouwjaar periode 2020-2022 in een grid) sluiten we uit, omdat we aannemen dat er enige tijd

59

Leefbaarometer

nodig is om effecten op de leefbaarheid te zien. Deze rekenen we ook niet tot overig Nederland om zo beter de effecten van nieuwbouw te kunnen onderscheiden. De analyse vindt plaats op het niveau van 100m x 100m grids. In tabel 6-1 staat een overzicht van de onderverdeling van gebieden naar aantal woningen, het oppervlak, en het aandeel van de woningen gebouwd in de periode 2010-2019 (met uitsplitsing: recent 2010-2014 resp. zeer recent 2015-2019). Verder worden in de laatste twee kolommen de aandeel van de woningen in die gebieden ten opzichte van de woningvoorraad in Nederland weergegeven, zowel naar het totaal als naar het deel van de woningen dat gebouwd is in de periode 20102019. Het merendeel van de (zeer) recente nieuwbouw is te karakteriseren als verdichting (ongeveer 625 duizend woningen) en een kleiner deel als uitbreiding in een compleet nieuwe wijk (ongeveer 179 duizend woningen). Verder is duidelijk dat anno 2022 slechts een klein deel van de totale woningvoorraad uit uitbreidings- of verdichtingsgebieden bestaat, want 90% bestaat uit overig (lees bestaand) Nederland. Verder omvatten de geselecteerde uitbreidingsgebieden en verdichtingsgebieden het overgrote deel van nieuwbouw in die periode; slechts 13% is gebouwd in overig Nederland. Let wel de cijfers geven het totaal aantal woningen weer, zowel bestaande als nieuwe woningen in een gebied.

tabel 6-1

Categorisering van gebieden in Nederland anno 2022 Kenmerken van de gebieden Aantal Woningen

Uitbreidingsgebieden

Oppervlak (hectare/grid)

% gebouwd 2010-2019

Aandelen t.o.v. totale woningvoorraad % gebouwd % totaal 2010-2019

178.800

Recent (2010-2014)

91.500

3.300

88%

1,1%

13%

Zeer recent (2015-2019)

87.300

3.600

63%

1,1%

9%

Verdichtingsgebieden

624.400

Recent (2010-2014)

368.600

17.000

70%

4,6%

43%

Zeer recent (2015-2019)

255.800

14.000

51%

3,2%

22%

7.221.000

344.100

1%

89,7%

13%

26.400

4.000

1%

0,3%

0%

Overig Nederland Gebieden niet meegenomen in analyse (te dunbevolkt; nieuwbouw 2020-2022)

60

Leefbaarheid onder de loep 2022

Figuur 6-1 geeft de ruimtelijke spreiding van (zeer) recente nieuwbouw op gemeenteniveau weer, waarbij de perioden 2010-2014 en 2015-2019 zijn samengevoegd. Uitbreidingsgebieden zijn minder verspreid over het land dan verdichtingsgebieden zo blijkt. Er zijn relatief veel uitbreidingsgebieden in Flevoland en Zuid-Holland. Verdichting is meer landelijk verspreid. N.B. voor de verdichting in de periode 2010-2014 ligt het zwaartepunt onder de grote rivieren (niet apart weergegeven).

figuur 6-1 Aandeel nieuwbouw naar type in Nederland (2010-2014; 2015-2019)

Figuur 6-2 toont een ingezoomde kaart voor de gemeente Utrecht op gridniveau. De meeste nieuwbouw vond recentelijk plaats in stadsuitbreiding Leidsche Rijn (oranje omcirkeld, inclusief nieuwbouw in Vleuten). Een groot deel was al gereed vóór 2010 en is deels gebouwd rondom bestaande bebouwing (Vleuten en De Meern). Daarom is niet alles in Leidsche Rijn als nieuwbouw op een uitbreidingslocatie (rood en groen) weergeven, maar is er ook een deel verdichting (paars en azuurblauw). Na 2010 is in Leidsche Rijn veel bijgebouwd met name richting het Merwedekanaal en het spoor Utrecht-Woerden. In Utrecht zijn verder over vrijwel de gehele stad verdichtingslocaties te bespeuren (paars en azuurblauw), met een grote locatie bij het oude Veemarktterrein (zwart omcirkeld).

61

Leefbaarometer

figuur 6-2 Nieuwbouw in uitbreidings- en verdichtingslocaties in Utrecht

6.3 Ontwikkeling en dimensies van leefbaarheid in uitbreidings- en verdichtingsgebieden Deze paragraaf gaat in op de vraag hoe het gaat met de leefbaarheid van recente uitbreidings- en verdichtingsgebieden in Nederland. De leefbaarheid in uitbreidingsgebieden steekt over het algemeen gunstig af tegen de leefbaarheid in verdichtingsgebieden en overige delen van het land (zie figuur 6-3). De leefbaarheid in verdichtingsgebieden wijkt minder uitgesproken af van de ontwikkeling van de leefbaarheid in overig Nederland. Recent en zeer recente nieuwbouwgebieden zijn ook voor de jaren 2014 en 2018 afgebeeld, want een deel van de woningen in een gebied kan in een eerder stadium gereed zijn gekomen.19 Het is duidelijk dat de leefbaarheid in uitbreidingsgebieden aanvankelijk een stuk hoger ligt dan die in verdichtingsgebieden en overig Nederland. Met name uitbreidingsgebieden die zeer recent zijn gebouwd scoren (meer dan) goed.

Trend 2014-2022 Tussen 2014 en 2022 hield de ontwikkeling van de leefbaarheid in uitbreidingsgebieden en in de overige delen van het land ongeveer gelijke tred. Inmiddels is de gemiddelde leefbaarheid in zowel grote uitbreidings- en uitleglocaties als in overig Nederland ‘goed’, waarbij nieuwbouwgebieden beter blijven scoren. Het aanvankelijke verschil in leefbaarheid tussen recente en zeer recente nieuwbouwgebieden vlakt met de jaren af en verdwijnt. In verdichtingsgebieden waar het merendeel van de verdichting plaatsvond in 2010-2014 is de leefbaarheid in 2014 nog iets hoger, maar ontwikkelt zich deze daarna minder gunstig dan in -----------19

De meerderheid dient slechts zeer recent (2015-2019) of recent (2010-2014) gebouwd te zijn (zie paragraaf 1.2).

62

Leefbaarheid onder de loep 2022

de overige delen van het land. In 2022 is de gemiddelde leefbaarheid in deze gebieden vergelijkbaar met overig Nederland. In de zeer recente verdichtingsgebieden (2015-2019) is de ontwikkeling van de leefbaarheid in eerste instantie gunstiger dan gemiddeld in de rest van het land. Tussen 2020 en 2022 was echter sprake van een lichte afname van de leefbaarheid in deze gebieden terwijl deze in overig Nederland toenam. Aan het eind van de periode wijkt de leefbaarheid in zeer recente verdichtingsgebieden dan ook weinig meer af van de leefbaarheid in de rest van het land.

figuur 6-3

Ontwikkeling leefbaarheid in (zeer) recente verdichtings- en uitbreidingsgebieden versus overig Nederland 2014-2022

Leefbaarheid dimensies nieuwbouw Wat zijn de verschillen tussen de (zeer) recente uitbreidings- en verdichtingsgebieden en de overige delen van Nederland op de verschillende dimensies van de Leefbaarometer? De resultaten zijn te zien in figuur 6-4. De leefbaarheid in uitbreidingsgebieden wijkt positief af door de grotere sociale samenhang en lagere overlast en onveiligheid; het voorzieningenniveau is in die gebieden echter minder gunstig dan gemiddeld in overig Nederland. Een verklaring voor het lagere voorzieningenniveau kan zijn dat uitbreidingsgebieden over het algemeen worden gerealiseerd aan de rand van een stad, waardoor er minder voorzieningen in de nabijheid zijn. Verdichtingsgebieden verschillen minder sterk van de overige delen van het

63

Leefbaarometer

land dan uitbreidingsgebieden. Ook hier steken de sociale samenhang en overlast en onveiligheid positief af, maar de verschillen zijn beduidend kleiner.

figuur 6-4

Dimensies van leefbaarheid in (zeer) recente verdichtings- en uitbreidingsgebieden versus overig Nederland, 2022.

6.4 Leefbaarheid in nieuwbouwgebieden en druk op de woningmarkt Woondruk Er zijn grote regionale verschillen in de druk op de woningmarkt. In sommige gemeenten is de druk op de woningmarkt zo groot dat een eigen woning voor veel mensen onbereikbaar is geworden. Deze verschillen zijn te kwantificeren met de zogenaamde Woondruk (zie box 6.1). In Amsterdam en naburige gemeenten als Amstelveen is de woondruk relatief het hoogst: hier ligt de vraag naar woningen ruim 50 procent hoger dan het beschikbare woningaanbod. Van de grotere steden volgen Hilversum, Utrecht en Amersfoort met een woondruk van ongeveer 140. Onder de 50 grootste gemeenten is de woondruk het laagst in Lelystad, Nissewaard en Emmen. In gebieden waar sprake is van (verwachte) bevolkingskrimp is de woondruk over het algemeen zeer laag.

64

Leefbaarheid onder de loep 2022

Box 6.1 Woondruk-index Atlas Research introduceerde in de Atlas voor gemeenten 2022 een nieuwe rekenmethode om de krapte op de woningmarkt te bepalen: de Woondruk-index. Deze liet zien dat het landelijke tekort uit 390 duizend woningen bestaat. De woondruk is de relatieve verhouding van het aantal beschikbare woningen en de latente vraag naar woningen in een gebied. Aan de hand van de woonwensen van de Nederlandse bevolking (o.b.v. WoonOnderzoek Nederland, WoON), de lokale vraag naar woningen (gedreven door het aantal banen (o.b.v. LISA) en het opleidingsaanbod (o.b.v. DUO) en de aantrekkelijkheid van de woonomgeving (o.b.v. Leefbaarometer), wordt het aantal potentiële huishoudens (de latente vraag naar woningen) dat in een gebied zou willen wonen bepaald. De woondruk is vervolgens weer te geven als de relatieve verhouding van het aantal beschikbare woningen en de latente vraag, of als een absoluut tekort aan woningen. Landelijk gezien is de woondruk 105: dit betekent dat -volgens deze methode- de woningvoorraad 5 procent te krap is, resulterend in een landelijk woningtekort van 390 duizend woningen. De waarden van de Woondruk-index hangen sterk samen met verschillen in vierkantemeterprijzen van woningen – een graadmeter voor de gewildheid van een gebied.

Maar liefst 74% van de verschillen in huizenprijzen (op gemeenteniveau) wordt verklaard door twee variabelen: de Woondruk-index en het aandeel woningen onder de liberalisatiegrens.

Dit deel van het hoofdstuk gaat in op de vraag of uitbreidingsgebieden in gemeenten met een hogere woondruk het relatief beter of juist slechter doen wat betreft leefbaarheid dan gebieden in gemeenten met een lagere woondruk. We vermoeden dat een hogere woondruk de concurrentieslag om woningen in een gemeente vergroot en er mogelijk minder sprake is van leefbaarheidsproblematiek. Het is echter ook mogelijk dat een hoge woondruk de leefbaarheid van nieuwbouwgebieden niet ten goede komt. Door de grote woningnood worden er mogelijk concessies gedaan aan de kwaliteit van de nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld kleinere perceelgrootte, minder ruimte voor groen, meer gestapeld, hogere dichtheid) en zijn er minder geschikte locaties over voor nieuwbouw. Verder hebben mensen weinig keuze en wordt alles wat gebouwd wordt binnen no time verkocht of verhuurd.

65

Leefbaarometer

figuur 6-5

Ontwikkeling leefbaarheid in (zeer) recente nieuwbouw in uitbreidingsgebieden versus overig Nederland, naar woondruk, 2014-202220

De leefbaarheid in uitbreidingsgebieden ligt in gebieden met een lage (minder dan 90) of gemiddelde-tot-hoge woondruk (90 tot 125) in de periode 2014-2022 bij aanvang over het algemeen hoger in vergelijking met de overige gebieden met een gelijke woondruk (figuur 6-5). De leefbaarheid is over het algemeen minder gunstig in gebieden met een lagere woondruk. De ontwikkeling in leefbaarheid van de overige gebieden verschilt weinig naar woondruk (de zwarte lijnen in figuur 6-5 vertonen een vergelijkbare stijging). Na ‘ingebruikname’ van het gebied neemt de voorsprong van de uitbreidingsgebieden in leefbaarheid relatief af, in uitbreidingsgebieden die al enkele jaren geleden gereedgekomen zijn (periode 2010-2014) houdt de ontwikkeling van de leefbaarheid inmiddels gelijke tred met het gemiddelde in overig Nederland, en blijft er een positief verschil in het voordeel van uitbreidingsgebieden. In delen van het land met een hoge woondruk zien we een compleet ander beeld. In uitbreidingsgebieden met een hoge woondruk is de aanvangsleefbaarheid juist beneden gemiddeld, maar neemt deze in de eerste jaren sterk toe.

Mogelijke verklaringen hiervoor zouden kunnen zijn dat in uitbreidingsgebieden in gemeenten met een hoge woondruk, juist dóór die vraag naar woningen, woningen van geringere kwaliteit (bijvoorbeeld met een kleiner oppervlak, op kleinere percelen en dichter op elkaar, en meer in hoogbouw) worden ontwikkeld. Ook kan het zijn dat in de eerste jaren het voorzieningenniveau zich niet kan meten met bestaande gebieden en dat nieuwbouw plaatsvindt op minder gunstig gelegen -----------20

De grafiek laat ook scores zien voor 2014 voor ‘zeer recente’ uitbreidingsgebieden. Voor deze gebieden geldt dat het merendeel van de woningen gereed moet zijn gekomen in de periode 2015-2019, maar voor een klein aantal gebieden geldt dat er al een paar huizen stonden vóór de grootschalige bouw plaatsvond.

66

Leefbaarheid onder de loep 2022

plekken (qua voorzieningen en fysieke omgeving). Het kan ook zijn dat de meest geëigende locaties voor nieuwbouw reeds vergeven en bebouwd zijn en dat het (politiek en bestuurlijk) lastiger wordt om geschikte locaties te vinden voor nieuwbouw. Figuur 6-6 toont de ontwikkeling van (zeer) recente verdichtingsgebieden en overige delen van het land naar woondruk. De ontwikkeling van zeer recente verdichtingsgebieden (20152019) is positiever dan de ontwikkeling van de recente verdichtingsgebieden (2010-2014) én overig Nederland. Met andere woorden: de leefbaarheidsontwikkeling vindt dus mogelijk al plaats tijdens de bouw (de lusten komen tegelijk met de lasten). Dit komt waarschijnlijk mede doordat sloop van verouderde woningen aan de nieuwbouw voorafgaat. De grootste verschillen zitten in de leefbaarheid van de aanvangssituatie. Ook hier zien we dat nieuwbouwlocaties op plekken met een hoge woondruk een relatief lagere leefbaarheid hebben dan locaties op plekken met een lagere woondruk. Deze verschillen blijven in de loop van de tijd bestaan. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat in delen van het land met een hoge woondruk de meest voor de hand liggende verdichtingslocaties reeds zijn bebouwd en nu de relatief minder gunstige locaties overblijven.

Verder wordt verdichting nogal eens ingezet om gebieden met leefbaarheidsproblemen aan te pakken en dergelijke gebieden bevinden zich met name in de grotere steden met over het algemeen een hogere woondruk.

figuur 6-6

67

Ontwikkeling leefbaarheid in verdichtingsgebieden naar woondruk

Leefbaarometer

figuur 6-7

Leefbaarometerdimensies zeer recente (2015-2019) en recente uitbreidingsgebieden (2010-2014) samengevoegd in 2022 in vergelijking met overig Nederland naar woondruk

Figuur 6-7 toont de vijf dimensies van de Leefbaarometer voor de zeer recente (2015-2019) en recente uitbreidingsgebieden (2010-2014) samengevoegd in 2022 (gekleurde staafjes) in vergelijking met gebieden in overig Nederland in dezelfde woondrukcategorie (streepjes). Als een balkje lager ligt dan het streepje -zoals bijvoorbeeld voor de Voorzieningen in gebieden met een woondruk hoger dan 125- betekent dit dat dergelijke uitbreidingsgebieden relatief lager scoren dan gebieden in de rest van het land met een vergelijkbare woondruk. De figuur laat zien dat uitbreidingsgebieden over het algemeen betere scores kennen op sociale samenhang en op overlast & onveiligheid – en minder gunstige scores op voorzieningen (uitgezonderd uitbreidingsgebieden met een hoge woondruk, maar het voordeel is daar minder groot dan in overig Nederland). Opvallend is dat de uitbreidingsgebieden met een lagere woondruk (lager dan 90 of tussen de 90 en 125) wat beter scoren op de dimensie woningvoorraad. Echter dit geldt niet voor uitbreidingsgebieden met een hoge woondruk (125 of meer, m.n. steden in de Randstad), deze scoren juist slechter op woningvoorraad. Dit komt waarschijnlijk doordat op plekken met een hoge woondruk relatief kleine woningen worden gebouwd die ook dichter op elkaar staan.

Tevens zien we dat in gebieden met een hoge woondruk het voordeel van wonen in een uitbreidingsgebied wat betreft overlast &

68

Leefbaarheid onder de loep 2022

onveiligheid beperkt is. Uitbreidingsgebieden met een lage woondruk (m.n. niet-stedelijk gebied buiten de Randstad) wijken op het gebied van voorzieningen niet negatief (maar ook niet positief) af ten opzichte van de overige delen van Nederland. Over het algemeen is het voorzieningenniveau in dergelijke gebieden laag en dat is op de uitbreidingslocaties niet anders.

figuur 6-8

Leefbaarometerdimensies zeer recente (2015-2019) en recente verdichtingsgebieden (2010-2014) samengevoegd in 2022 in vergelijking met overig Nederland naar woondruk

Figuur 6-8 splitst de leefbaarheid uit naar de vijf onderliggende dimensies voor de zeer recente (2015-2019) en recente verdichtingsgebieden (2010-2014) samengevoegd in 2022 (gekleurde staafjes) in vergelijking met gebieden in overig Nederland in dezelfde woondrukcategorie (streepjes). Verdichtingsgebieden wijken over het algemeen minder af van ‘overig Nederland’ dan uitbreidingsgebieden (figuur 6-8). Nieuwbouw in gebieden met een lage woondruk (m.n. niet-stedelijk gebied buiten de Randstad) wijkt niet negatief (maar ook niet positief) af op het gebied van voorzieningen. Over het algemeen is het voorzieningenniveau in dergelijke gebieden laag. Het voordeel van een hoog voorzieningenniveau op locaties met een hoge woondruk is minder sterk in verdichtingsgebieden dan in overig Nederland. Wederom zien we dat de nieuwbouw in verdichtingsgebieden met een hoge woondruk (125 of meer) relatief slecht scoort op de woningvoorraad. De eerder bij de uitbreidingsgebieden

69

Leefbaarometer

geopperde verklaring dat op plekken met een hoge woondruk relatief kleinere woningen worden gebouwd die ook dichter op elkaar staan, gaat waarschijnlijk ook op voor verdichtingsgebieden. Verdichting in de gebieden met veel woondruk vindt waarschijnlijk vooral plaats op locaties met een relatief laag voorzieningenniveau (de buitenwijken en niet in het centrum). Ook voor verdichtingsgebieden geldt dat het voordeel van wonen in een nieuwbouwgebied op het gebied van overlast & onveiligheid beperkt is voor gebieden met een hoge woondruk.

6.5 Effecten van verdichting op leefbaarheid bestaande gebieden Beperkt positief effect verdichting Om het effect van verdichting op de leefbaarheid in beeld te brengen kijken we alleen naar de zeer recente verdichtingsgebieden (2015-2019), omdat we dan beschikken over een goede voormeting van de leefbaarheid in 2014. We onderzoeken of het verdichten van een bestaand gebied invloed heeft op de leefbaarheid. Argumenten voor het verbeteren van de leefbaarheid als gevolg van nieuwbouw zijn dat verdichting (bijvoorbeeld in het kader van stadsvernieuwing) een positieve uitstraling/impuls aan een gebied kan geven, waar ook nabijgelegen gebied van mee zou kunnen profiteren. Belangrijke reden voor positieve verandering in het gebied zelf is dat renovatie vaak gepaard gaat met een verbeteringsslag in de kwaliteit van de woningvoorraad en een vermindering van overlast en onveiligheid. Tegenargumenten zijn onder andere dat nieuwbouw (en bij renovatie ook sloop) veel overlast met zich meebrengt. Bovendien kan nieuwbouw ook tot waterbedeffecten leiden waardoor overlast zich bijvoorbeeld verplaatst naar een nabijgelegen gebied. We maken onderscheid naar de verdichtingsgebieden zelf en naar de nabijgelegen gebieden binnen een straal van 200 meter, omdat verdichting mogelijk ook positieve uitstralingseffecten zou kunnen hebben.

Figuur 6-9 laat zien dat er een vrij beperkt algemeen positief effect is van verdichting op de gemiddelde leefbaarheid. Gebieden die in 2015-2019 een grote transformatie ondergingen maken gemiddeld een wat sterkere positieve trend door dan overige niet-nieuwbouw gebieden. In 2014 -voor de transformatie- zitten ze op een gelijk leefbaarheidsniveau, maar in 2018 en 2020 -tijdens en na verdichting- zitten ze op een hoger niveau. Echter, dit effect lijkt van beperkte duur te zijn, want in 2022 is er amper een verschil meer te bespeuren. De nabijgelegen gebieden houden gelijke tred met de overige gebieden.

70

Leefbaarheid onder de loep 2022

Verder hebben we bekeken of de effecten van recente verdichting op leefbaarheid verschillen naar de mate van woondruk. Er blijken geen grote verschillen te zijn naar woondruk.

figuur 6-9

Ontwikkeling leefbaarheid in en nabij verdichtingsgebieden, 2014-2022

Startsituatie bepaald effect verdichting We vermoeden dat de positieve effecten van verdichting sterker zullen zijn als de leefbaarheid aanvankelijk lager is. We splitsen daarom de zeer recente verdichtingsgebieden verder uit naar de verschillende aanvangssituaties (klassen) van leefbaarheid in 2014. Als we op deze manier onderscheid maken naar hoe de leefbaarheid was van een gebied vóór de verdichting plaatsvond, dan zien we wel een duidelijk effect van verdichting op de leefbaarheid (figuur 6-10). Positieve verbeteringen treden met name op bij verdichtingsgebieden die aanvankelijk zwak of lager scoren. Verder is er sprake van enige positieve uitstraling naar nabijgelegen gebieden; ook zij vertonen een positieve trend die sterker is naarmate de aanvangssituatie lager was, al is het effect minder sterk. Ook voor de overige gebieden is er een licht positieve trend maar deze is niet zo sterk als in de verdichtingsgebieden en nabijgelegen gebieden.

71

Leefbaarometer

figuur 6-10

Ontwikkeling leefbaarheid verdichting en naar aanvangssituatie leefbaarheid in 2014

6.6 Waterbedeffect nieuwbouw Interessant is ook om na te gaan of de leefbaarheid onder druk komt te staan in gebieden waar veel nieuwbouwprojecten in de directe omgeving zijn, doordat de nieuwbouw een aanzuigende werking kan hebben en dit kan leiden tot een verslechtering van de leefbaarheid in bestaande gebieden. Hierdoor kunnen selectieve verhuisbewegingen optreden die nadelig kunnen uitpakken voor kwetsbare gebieden in de omgeving, doordat met name de ‘sterke schouders’ de buurt verlaten en de samenstelling homogener wordt (Zwiers, van Ham en Kleinhans, 2018). Dit mechanisme zou in sterkere zin kunnen optreden in minder aantrekkelijke gebieden en in gebieden in gemeenten met een lagere woondruk. We onderzoeken deze vraag door te bekijken in hoeverre een groter aandeel zeer recente nieuwbouw (2015-2019) in de nabijheid samenhangt met de leefbaarheid van een gebied.21 De belangrijkste variabele in deze analyse is ‘aandeel nieuwbouw in de omgeving’. Deze variabele meten we op buurtniveau. Voor elke buurt hebben we bepaald welk aandeel van de woningen in een straal van vijf kilometer rond die buurt gereedgekomen is in de periode 2015-2019 – waarbij de eigen buurt niet meetelt. Gemiddeld heeft 5% van de woningen in de omgeving een zeer recent bouwjaar, maar er zijn flinke uitschieters naar boven en naar beneden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14896934/1