zienswijzen nota afwijzen aanvraag.docx
Tekst van het document
NOTA
VAN
ZIENSWIJZEN
Zoals aanvrager heeft aangegeven heeft hij in 2021 zonder omgevingsvergunning een bijgebouw achter de woning gerealiseerd, dat bestemd is voor de realisatie van een zwembad, opslag voor verschillende voertuigen voor hobbymatig gebruik en materialen bestemd voor agrarisch gebruik. Ter legalisatie van de ontstane situatie heeft aanvrager een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft, naar aanleiding van het voornemen van de raad geen verklaring van bedenkingen (hierna: vvgb) af te geven, een conceptweigering van de vergunning aan de aanvrager gezonden. Naar aanleiding hiervan hebben gemachtigden van aanvrager zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen richten zich tevens tegen het voornemen van de gemeenteraad geen vvgb af te geven. Allereerst wordt opgemerkt dat op hetgeen in de zienswijzen is opgemerkt met betrekking tot handhavingprocedure van het onderhavige bouwwerk in deze reactie niet wordt ingegaan. Hiervoor loopt een separaat traject en in dat traject wordt op de betreffende zienswijzen wordt gereageerd. Zienswijzen met betrekking tot algemeen: Aanvrager geeft aan dat hij betreurt dat het college tot op heden niet is ingegaan op zijn herhaaldelijke voorstellen tot overleg en alternatieve oplossingsrichtingen.
Tevens is hij van mening dat de argumenten voor het nemen van ontwerpweigeringsbesluit minder te doen lijken te hebben met het beschermen van het belang van een goede ruimtelijke ordening en meer met de eerdere gang van zaken en principiële en politieke bezwaren vanuit bestuursorganen van de gemeente. Dergelijke belangen en argumenten zijn, wat er verder ook van zij, geen ruimtelijk relevante gronden en kunnen dus niet ten grondslag liggen aan een weigering van een omgevingsvergunning en bijbehorende vvgb voor de aangevraagde ontwikkeling. Weerlegging met betrekking tot algemeen: Het college/de raad mag alleen de aanvraag toetsen zoals deze door de aanvrager is ingediend en niet de door aanvrager aangedragen wisselende alternatieven. Indien aanvrager wilde dat een andere aanvraag getoetst moest worden, dan had aanvrager de aanvraag moeten intrekken en een nieuwe, inhoudelijk anders luidende, aanvraag moeten indienen. Nu hij dat niet heeft gedaan had het college geen andere mogelijkheid dan hetgeen was aangevraagd te toetsen. De aanvraag is leidend en niet aangedragen alternatieven en volgens aanvrager redelijke alternatieven. Het college is van mening dat de interpretatie van aanvrager dat het hier om principiële en politieke bezwaren gaat voor rekening komt van aanvrager. Het college herkent zich hier niet in en werpt een dergelijke opvatting ook van zich.
De door aanvrager genoemde uitspraak van ABRvS 6 november 2019, ECLI:NLRVS:2019:3765 (Smallingerland) is niet vergelijkbaar met de huidige aanvraag. Het college heeft aan de wettelijke verplichtingen met betrekking tot openbaarmaking (publicatie) voldaan, terwijl in de genoemde uitspraak de Minister niet op de hoogte was gesteld.
Zienswijzen met betrekking tot verstening: In het ontwerpbesluit wordt niet toegelicht op welk gemeentelijk (dan wel provinciaal of nationaal) beleid dat verstening van het buitengebied wordt tegen gegaan is gebaseerd. Derhalve is er strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht die vraagt om een deugdelijke motivering. Er wordt slechts in algemene zin gesteld dat beleidsmatig geen extra bebouwing wordt toegestaan en dat op die manier verstening van het buitengebied wordt tegengegaan. Deze stellingen gelden niet als deugdelijke motivering voor de weigering van een vergunningaanvraag en besluit tot weigering van een vvgb gelden. De ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vergunningaanvraag is geheel in overeenstemming met nationaal en provinciaal beleid en er is geen sprake van toepasselijk gemeentelijk beleid. Verder is de stelling dat extra bebouwing in strijd is met het algemene uitgangspunt dat een generieke toename van bebouwing in het buitengebied bij de woonfunctie niet wenselijk is, onvoldoende. Volgens vaste rechtspraak kan niet worden volstaan met het noemen van een belang in zijn algemeenheid en het toekennen van waarde daaraan bij het besluit (hier: vergunningaanvraag of verzoek om vvgb), zolang niet blijkt of is onderzocht of en in hoeverre het desbetreffende belang in dit geval door het nemen van het besluit wordt geraakt.
Daarvoor moet bovendien uitdrukkelijk naar maatwerkoplossingen worden gekeken, zeker als die worden voorgesteld door de initiatiefnemer. Gemachtigden wijzen daarbij op een uitspraak van de Raad van State (ECLI;NL:20183336). Gemachtigden wijzen erop dat in de toelichting op het bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik' ruimte wordt geboden voor afwijking van de planregels voor bijgebouwen bij agrarische bestemmingen, waarbij een afwijking van 150m2 volgens de plantoelichting sowieso wordt toegestaan. Tevens wordt voor hobbyboeren als erfbebouwing een bijgebouw van maximaal 300 m2 toegestaan, waar het gerealiseerde bijgebouw door aanvrager aan voldoet (p. 102-103 van de plantoelichting). Ook dit gebruik is door het hobbymatig karakter niet agrarisch bestemd, maar heeft een functie voor het in stand houden van het landschap. Ondanks de algemene wens van het vrijwaren van het landelijk gebied van verdere verstening, moet meer erfbebouwing voor dergelijke activiteiten volgens de gemeente mogelijk zijn. Dat is hier ook aan de orde, nu aanvrager het gebouw - landschappelijk ingepast - (mede) gebruikt voor hobbymatig agrarisch gebruik. Daarbij komt dat een van de oplossingsrichtingen die aanvrager vooruitlopend op minnelijk overleg heeft aangedragen is dat het bouwwerk wordt gebruik ten behoeve van Schotse Hooglanders.
Verder is -aldus gemachtigden- van belang dat op grond van het Bor vergunningvrij bouwwerken ter plaatse kunnen worden opgericht. Enige verstening is dus reeds bij recht toegestaan. Verder doen gemachtigden een beroep op het gelijkheidsbeginsel nu volgens hen in het betrokken gebied (Achthoven) vaker bijgebouwen zonder vergunning(aanvraag) worden opgericht. Daarnaast moeten beeldkwaliteitseisen, zoals beplantingsplannen en voorstellen voor
het slopen van andere bebouwing, expliciet worden meegenomen bij de beoordeling of sprake is van een toe- of afname van visuele verstening van het open landschap (p. 16 van de plantoelichting). Van een dergelijke concrete beoordeling door het college of de raad is niet gebleken. Gemachtigden wijzen hierbij op de Landschapsvisie Vijfheerenlanden 2040 die nog niet is vastgesteld. Deze visie spreekt zich uit voor behoud van het groene en karakteristieke karakter als rustige woon- en werkomgeving. Dat is hier het geval, omdat zich hier voorheen een grondwal van zes meter hoog bevond, waardoor het zicht meer werd beperkt en verstoord dan met een landschappelijk ingepast bijgebouw. Tot slot wijst gemachtigde erop dat de kwaliteit van de omgeving met de ontwikkeling zal toenemen. De huidige situatie kent weinig opslagmogelijkheden, hetgeen kan leiden tot een verrommeling op het erf. Weerlegging met betrekking tot verstening: Allereerst merkt het college op dat door gemachtigden diverse verwijzingen naar voren zijn gebracht met betrekking tot de plantoelichting. Een plantoelichting heeft geen bindende kracht. Daar is alleen geen sprake van indien de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven als de bestemming en de bijbehorende planregels waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn. de betreffende planregel duidelijk is.
Het begrip agrarisch is in de planregeling voldoende duidelijk gedefinieerd. Voor een uitleg van die planregel is derhalve geen plaats. Aan de plantoelichting komt daarom in zoverre geen betekenis toe. De uitspraak waarna gemachtigden verwijzen gaat over het vaststellen van een bestemmingsplan en niet om een (geweigerde) vergunningsaanvraag. Daarnaast gaat het in die zaak om al dan niet extra bebouwing toe te staan bij een woonbestemming. In de onderhavige casus gaat het om een illegaal gebouwd bouwwerk in agrarisch bestemd gebied waarvoor ter mogelijke legalisering een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend. De raad heeft bij de voorgenomen weigering om de vvgb te weigeren zijn eigen uitgangspunten als toetsingskader gebruikt zoals deze zijn vastgelegd in het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de toelichting daarop. Zoals al eerder hiervoor genoemd is de ingediende aanvraag het uitgangspunt en niet de later opgeworpen mogelijke alternatieven. Met betrekking tot de wens om verstening tegen te gaan wordt gewezen op de toelichting van het bestemmingsplan “Buitengebied Zederik” waarin het beleid is geformuleerd waaruit blijkt dat verstening in het buitengebied dient te worden voorkomen. Dit is uitgewerkt in de Visie Landschap in Beeld Giessen, Linge, ZouweIntergemeentelijk Landschapskader (2010).
In 2010-2011 hebben de gemeenten Zederik, Giessenlanden en Leerdam een Intergemeentelijk Landschapskader (ILK) vastgesteld. Doel van het landschapskader is een integraal, praktisch en uitvoeringsgericht instrument te ontwikkelen om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap aan te kunnen toetsen en om te sturen in de gewenste richting. Behoud en ontwikkeling van de streekeigen identiteit van het landschap, de verscheidenheid en de beleving staan daarbij centraal.
De meest relevante tekstdelen noemen wij hierna, zonder het overige van de toelichting uit te sluiten: Pag 50 De algemene doelstellingen van het ILK zijn: − behouden en versterken van de verschillen tussen de landschapstypen van de uiterwaarden en stroomruggen van Lek en Linge en van de polders van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden; − behouden van de agrarische identiteit (open veenweidelandschap en fruitteelt) en bieden van toekomstmogelijkheden en alternatieven aan de agrarische sector; − behouden en versterken van archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten; − optimaliseren van het beheer en de verbindingen tussen de natuurgebieden; − behouden van de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingslinten, randvoorwaarden stellen aan ontwikkelingen; − streven naar kwalitatieve overgangen tussen de kernen en het buitengebied, knelpunten verbeteren; − het versterken van de recreatieve gebruiksmogelijkheden en de samenhang van − het recreatieve netwerk In formele zin vormt het ILK een “compagnon” van de welstandsnota. Omgevingsvergunningaanvragen en principeverzoeken dienen voor de rode component aan Welstand getoetst te worden en voor de ruimtelijke en groene component aan het Landschapskader. Het Landschapskader gaat in op de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten, die behouden of ontwikkeld moeten worden.
Pag 54 Hiervoor geldt in feite hetzelfde als het gestelde onder Lekzone, namelijk dat de wijze van bestemmen is afgestemd op de kavelrichting. Bebouwing dient plaats te vinden binnen de toegekende bouwpercelen. Daardoor blijft als het ware automatisch de typische verkaveling en afwisseling behouden. Ook wordt een zekere compactheid in bebouwing bereikt: eventuele uitbreidingen (bij agrarische bedrijven) kunnen door de langgerekte vorm van de bouwpercelen doorgaans alleen achter op het perceel plaatsvinden. Daardoor blijft er in het straat- en bebouwingsbeeld een afwisseling bestaan tussen bebouwd en onbebouwd bestaan en blijven zichtlijnen behouden. Pag 55 De erven in de dijklinten kennen veelal een grote onderlinge afstand. Vergroting van het erf kan hier plaatsvinden in zowel de lengte als in de breedte, mits de erven niet aan elkaar groeien en doorzichten naar achtergelegen gronden niet verloren gaan. Het is wenselijk de erven in de juiste verhouding zo compact mogelijk te houden Pag 58/59 Aansluiting erf in de omgeving − Zoek naar een balans tussen een functioneel en voldoende ruim erf en een goede landschappelijke inpassing in de bestaande ruimtelijke structuur. Nieuwe ontwikkelingen dienen de patronen van de verkaveling en het landschap te volgen; − Houd rekening met de aanwezige zichtlijnen en doorzichten.
Behoud het doorzicht tussen de erven door naar de achtergelegen gronden of de kern met de karakteristieke kerktoren; − Behoud het eeuwenoude slotenpatroon. De sloot als erfscheiding verdient de voorkeur boven hardhouten beschoeiingen.
Daarnaast wordt op een aantal punten de plantoelichting onjuist geïnterpreteerd
In toelichting staat De erfbebouwing is bepaald op maximaal 75 m2, waarbij een goothoogte geldt van 3 meter en een bouwhoogte van 4,5 m. De bijgebouwen dienen voorzien te zijn van een kap. Deze regeling sluit daarmee aan op het geldend regime, zij het dat de 75 m 2 nu bij recht is toegestaan, terwijl in het geldend bestemmingsplan dat pas mogelijk was na vrijstelling. Na afwijking is maximaal 150 m 2 mogelijk. Echter dit gedeelte is opgenomen onder het
hoofdstuk 4.4.5. bestemming wonen en niet onder het kopje Agrarisch gebruik. Derhalve is dit deel derhalve niet van toepassing op onderhavige aanvraag. Gemachtigden stellen terecht dat op grond van het Bor vergunningvrij bouwwerken ter plaatse kunnen worden opgericht. Dit is op rijksniveau geregeld en lagere overheden houden zich hier uiteraard aan. Echter conform de genoemde regeling betekent niet dat er in het wilde weg c.q. ongelimiteerd gebouwd mag worden. Een bouwwerk dient ondanks dat het vergunningvrij is wel aan een aantal criteria voldoen en daar wordt in het onderhavige geval niet aan voldaan. In het onderhavige geval is vergunningvrij bouwen is slechts mogelijk op het achtererf. De gronden waarop het bouwwerk is gerealiseerd kennen de bestemming agrarisch en behoren tot het achtererf van de boerderij die is gevestigd aan de Achthoven 24 en is gelegen in een ander bestemmingsplan dat waarop de woning van aanvrager is gelegen. De woning van aanvrager is een bijbehorend bouwwerk behorende bij de bestemming bedrijven en is gelegen in het bestemmingsplan “Achthoven 23A” die per 1 oktober 2020 onherroepelijk is geworden. Derhalve is de stelling dat enige verstening bij recht is toegestaan correct. Maar dat doet niets af van de intentie van de raad en het college om verstening in het agrarisch gebied zo mogelijk te voorkomen.
Vandaar dat ook bebouwing mogelijk is op bouwvlakken die zo zoveel mogelijk zijn ingetekend achter of in de directe nabijheid bij het hoofdgebouw, dat is ook in het onderhavige geval aan de orde. Het beoogde gebruik van de aangevraagde, reeds gerealiseerde, bouwwerk betreft geen bouwwerk bij een agrarische bestemming maar op agrarisch bestemde gronden ten behoeve van de bewoners van de bedrijfswoning op het als bedrijf bestemde perceel Achthoven 23a te Lexmond waarbij de bedrijfswoning een bijbehorend bouwwerk is binnen deze bestemming. Daarom gaat al het in de zienswijze gestelde ten aanzien van hobbyboeren niet op. Daarbij komt ook nog, dat Schotse Hooglanders hebben geen stal nodig. Deze dieren zijn grote grazers die bedoeld en geschikt zijn om het hele jaar rond buiten te blijven. Daarom wordt er juist voor het begrazen van natuurgebieden o.a. gebruik gemaakt van deze dieren. Er is geen noodzaak om een stal te realiseren voor deze dieren. Daarnaast is gebleken op een recente luchtfoto dat er in plastic gewikkelde hooibalen lagen op de agrarisch bestemde grond achter de schuur gezien vanuit de woning van aanvrager. Er is geen noodzaak om dergelijke balen in een schuur op te slaan, niet op het onderhavige perceel en ook niet bij andere agrariërs. Deze balen liggen nu buiten en niet in een schuur of onder een overkapping.
De grondwal die voorheen aanwezig was, is geprojecteerd op de tekening van het Landschappelijke inpassingplan van bedrijfsperceel Achthoven 23a te Lexmond, behorend bij het op 1 oktober 2020 vastgestelde bestemmingplan ”Achthoven 23A”. In dat bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 4.4.1. 4.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
a. Binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan dient te worden voorzien in de inrichting en instandhouding van groenvoorzieningen overeenkomstig het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels. b. het bepaalde in dit lid onder a is niet van toepassing binnen een afstand van 30 meter vanuit de teen van de dijk. De landschappelijke inpassing ter plaatse wordt ingericht en instand gehouden nadat de geplande uitvoering van de dijkverbetering is voltooid. Onderdeel van deze verplichting is het beplanten van de grondwal met aanvullende beplanting. Door het weghalen van de grondwal is gehandeld in strijd met deze voorwaardelijke verplichting. Dat de grondwal een verstorende werking had is daarom niet juist. Deze grondwal en de daarop aan te brengen extra beplanting had juist mede ten doel om het zicht vanuit de polder richting het bedrijf en deze bestemming te verminderen. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel merkt het college op dat er geen illegale bouwwerken bekend zijn. Gemachtigden geven geen concrete gevallen aan. Wel is het college van de gemeente Vijfheerenlanden doende met diverse handhavingstrajecten met betrekking tot illegale bouwwerken en illegaal/afwijkend planologisch gebruik. Het erf kent geen verrommeling aangezien er voldoende mogelijkheid en ruimte bestaat om zaken op te slaan.
Dat een grondwal in strijd is met de landschapsvisie bestrijdt het college. Dat deze wellicht het zicht beperkte mag zo zijn, maar een al dan niet landschappelijk ingepast bouwwerk verstoord het openlandschap eveneens en draagt niet bij aan het behoud van het groene landschappelijke karakter van het gebied. Tot slot wordt met betrekking tot verstening verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 13 mei 2015 (ECLI:RVS:2015:1505), waarin onder 14.2. is vermeld: Het standpunt van de raad dat hij ter waarborging van de landschappelijke openheid van het plangebied eveneens terughoudend is omgegaan met het toestaan van nieuwe bouwmogelijkheden op de gronden van [appellante sub 3], mede vanwege de omstandigheid dat op deze gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan geen bebouwing was toegestaan, acht de Afdeling niet onredelijk.
Hieruit blijkt dat het beleid reeds in 2015 gelijkluidend was en is tussentijds niet gewijzigd. Zienswijzen met betrekking tot karakter van het landelijk of agrarisch gebied: Gemachtigde wijzen erop dat het bouwwerk geen negatief effect heeft op het karakter van het landelijk of agrarisch gebied en zijn van mening dat het bijgebouw gebiedseigen landschappelijk is ingepast. Het bijgebouw is natuurinclusief gerealiseerd en daardoor is van een negatief effect op het landelijk of agrarisch gebied geen sprake, althans niet in dusdanig grote mate dat de realisatie van het bijgebouw in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Weerlegging met betrekking tot karakter van het landelijk of agrarisch gebied: Ongeacht de wijze waarop het bouwwerk is gerealiseerd, betekent dat niet het bouwwerk op deze plaats is toegestaan. Het heeft door zijn aanwezigheid al een negatief effect op
de openheid van het gebied. Dat het van een natuurlijke (uitziend) bekleding is voorzien maakt dat niet anders. Zienswijzen met betrekking tot precedentwerking: Volgens gemachtigden verwijzen de raad en het college naar precedentwerking, terwijl zij niet duidelijk van welke precedentwerking dan sprake is, waarom deze precedentwerking bezwaarlijk is en waarom in dit concrete geval daar sprake van zou zijn. Gemachtigden wijzen nogmaals op het feit dat volgens hen diverse bouwwerken zijn al dan niet met vergunning zijn gebouwd in de omgeving van de woning van aanvrager. Weerlegging met betrekking tot precedentwerking: Wellicht is dit niet voldoende helder opgenomen in het besluit, echter met precedentwerking wordt bedoeld dat indien aanvrager een vergunning zou verkrijgen de vrees bestaat dat anderen eveneens een beroep op deze uitzondering zouden kunnen doen, al dan niet met een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit en de juridische gevolgen daarvan wenst het college te voorkomen wanneer te pas en te onpas vergunning worden verleend in strijd met het bestemmingsplan. Zienswijzen met betrekking tot bijzondere of zwaarwegende omstandigheden: Gemachtigden zijn van oordeel dat er wel degelijk sprake is van bijzondere of zwaarwegende omstandigheden waardoor zou moeten worden afgeweken van het bestemmingsplan.
De algemene belangen zouden niet moeten prefereren boven het belang van de aanvrager. Gemachtigden wijzen erop dat er op dit moment wel sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Hoewel het bijgebouw door aanvrager primair voor de privésituatie is gerealiseerd, dient deze momenteel een overwegend maatschappelijke functie. Vanaf 2 maart 2022 is het bijgebouw geschikt gemaakt om vluchtelingen uit Oekraïne op te vangen. Op dit moment zijn in het bijgebouw 20 personen (vluchtelingen) gehuisvest. Deze omstandigheden zijn, mede gelet op de schaarste aan structurele opvangplekken, dusdanig bijzonder en zwaarwegend dat zij aanleiding geven om ten gunste van de ontwikkeling af te wijken van het bestemmingsplan. Weerlegging met betrekking tot bijzondere of zwaarwegende omstandigheden: Het algemeen belang van het niet planologische medewerking willen verlenen van het bestemmingplan en het vertrouwen dat derde belanghebbenden hebben dat dit bestemmingsplan wordt nageleefd, en de belangen die gediend zijn met het behoud van de landschappelijke openheid van het plangebied prefereren het belang van de aanvrager tot het behoud van een reeds gebouwd bouwwerk op deze plaats.
Het feit dat op dit moment het reeds gebouwde bouwwerk voor andere doeleinden wordt gebruikt maakt niet dat de aanvraag om een omgevingsvergunning niet in strijd is met het bestemmingsplan en kan worden geweigerd. Het strijdige gebruik kan geen planologische gronden bieden om de omgevingsvergunning toch te verlenen. In de separate handhavingsprocedure wordt daar nader op ingegaan. Zienswijzen met betrekking tot overige argumenten:
Gemachtigden stellen dat de aanvrager voor de bouw van het bijgebouw toestemming heeft van de eigenaar van de gronden en dat hiervoor een verklaring is overgelegd, waarin aanvrager verklaard toestemming te hebben voor het (gedeeltelijk) gebruik van het betreffende perceel. Daarnaast heeft aanvrager eerder voorgesteld dat, indien het college van oordeel is dat het bijgebouw alleen vergunbaar is indien elders in de omgeving bebouwing wordt verwijderd, hij daartoe bereid is en heeft daar ook een concreet voorstel toegegaan. Hij heeft aangegeven dat ook andere opties mogelijk zijn en daarover graag met het college overlegt. Volgens het college kan het bijgebouw echter niet worden gelegaliseerd door het slopen van andere bebouwing gelegen binnen het grondgebied, omdat dit niet kan ten laste van de openheid van het agrarisch gebied en mogelijk ongewenste precedentwerking heeft. Om die reden wordt niet op dit voorstel van aanvrager ingegaan. Los van het feit dat deze voorstellen bij de besluitvorming hadden moeten worden betrokken, kan volgens provinciaal beleid wel degelijk een door de sloop van andere, verspreide bebouwing op (agrarische) bedrijfspercelen ook een of meerdere gebouwen worden teruggebouwd. Naast sloop kan ook een afwijkende, grotere omvang dan 75 m2 worden toegestaan.
Zoals werd overwogen, kan met inachtneming van beeldkwaliteitseisen dergelijke verdere toename van visuele verstening van het open landschap worden toegestaan (p. 16 van de plantoelichting). Het college kan dan ook niet reeds om die reden niet op het voorstel van aanvrager ingaan, laat staan dat dit als argument voor weigering in het licht van een goede ruimtelijke ordening kan dienen. Weerlegging met betrekking tot overige argumenten: In de aanvraag voor de omgevingsvergunning heeft aanvrager aangegeven niet de eigenaar van de gronden, waarop het bouwwerk is gerealiseerd. te zijn. Daarom is aanvrager verzocht een ondertekende verklaring te overleggen waarin door de eigenaar van de gronden wordt verklaard dat deze toestemming geeft voor het bouwen op zijn grond. Tot op heden heeft aanvrager nog steeds een dergelijke verklaring niet overgelegd. Een verklaring van aanvrager zelf waarin opgenomen staat dat hij toestemming heeft is geheel iets anders en toont niet aan dat aanvrager toestemming heeft of anderszins zakelijk gerechtigd is om deze gronden te gebruiken. Het college toetst de aanvraag zoals deze is ingediend, niet allerlei voorstellen. Overigens, hetgeen aanvrager wenst te slopen is niet gelegen in hetzelfde bestemmingsplan en ook niet op hetzelfde perceel. Daarnaast wordt daarmee de verstening van het gebied binnen dit bestemmingsplan niet tegen gegaan.
Immers de sloop vindt plaats op een gebied dat de bestemming bedrijven kent. Dit bestemmingsplan “Achthoven 23 A” kent veel bebouwing en het aanzien dan dit bedrijf wijzigt niet. Daarnaast is sloop geen onderdeel van deze vergunning aanvraag en behoeft derhalve niet getoetst te worden. Hetgeen allerlaatst is opgenomen bij de zienswijzen met betrekking tot overige argumenten is reeds eerder aan de orde gekomen en weerlegd. De zienswijzen leiden niet tot een ander oordeel.