vormvrije_mer_versie_januari_2023__pdf.pdf
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije M.E.R. Natuurinrichting Autenasekade
Opdrachtgever:
Provincie Utrecht Archimedeslaan 6 3508 TH Utrecht
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
202288 26-1-2023 C. Palmer B. Pegge M. van Amersfoort Concept 1
© 2022 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding....................................................................................................................................................... 4
1.1
Aanleiding ............................................................................................................................................... 4
2
Wettelijk kader............................................................................................................................................ 4
3
Locatie en kenmerken van het project ....................................................................................................... 6
3.1
Locatie van het project ........................................................................................................................... 6
3.2
Kenmerken van het project .................................................................................................................... 7
4
Beoordeling kenmerken van het potentiële effect ..................................................................................... 8
4.1
Archeologie ............................................................................................................................................. 8
4.2
Bodem .................................................................................................................................................... 9
4.3
Cultuurhistorie ...................................................................................................................................... 10
4.4
Natuur en emissie ................................................................................................................................. 12
4.5
Water .................................................................................................................................................... 14
4.6
Geluid ................................................................................................................................................... 18
4.7
Lucht ..................................................................................................................................................... 18
4.8
Cumulatie ............................................................................................................................................. 18
5
Conclusie ................................................................................................................................................... 19
Bijlagen/literatuurlijst ............................................................................................................................................ 20
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Provincie Utrecht is voornemens bos- en natuurcompensatie te realiseren aan de Autenasekade in Vianen, in de gemeente Vijfheerenlanden. De provincie heeft op deze locatie circa 30 hectare cultuurgrond in haar bezit. Circa 4 hectare is aangewezen als toekomstig Natuur Netwerk Nederland. De overige 26 hectare is beschikbaar voor de realisatie van bos- of natuurcompensatie. De voorgenomen ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo). Ten behoeve van de activiteiten die plaats vinden in het kader van de natuurinrichting Autenasekade is onderhavige m.e.r. beoordelingsnotitie opgesteld. Daarmee kan bevoegd gezag besluiten of de activiteiten m.e.r.-plichtig zijn.
2 Wettelijk kader Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling), van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De provincie Utrecht geeft aan dat voor de ontgrondingswerkzaamheden een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld dient te worden. Als de conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat er geen uitgebreide MER nodig is, dan dient Gedeputeerde Staten hierop een besluit nemen. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst beoordeeld moet worden of er een m.e.r. gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. 2.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 4
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in circa 30 hectare waarvoor een afwijkend planologisch gebruik wordt aangevraagd. Dergelijke ontwikkelingen zijn een activiteit op grond van onderdeel D, onder 9, ‘een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan’ daar er sprake is van een functiewijziging van gronden. Het gehele plangebied bevat 30 hectare grond waarmee ruim onder de drempelwaarde van 125 hectare gebleven wordt die te vinden is in kolom 2. Omdat ook onder de drempelwaarde belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden dient voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Aanmeldnotitie Voor de activiteit D9 (landinrichtingsproject) die planologisch mogelijk wordt gemaakt met een omgevingsvergunning, in afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo), is gemeente Vijfheerenlanden bevoegd gezag. Voorliggende aanmeldnotitie is als bijlage bijgevoegd bij de ruimtelijke onderbouwing in dit traject.
Hiervoor dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. Deze aanmeldingsnotitie is vormvrij, maar heeft wel een aantal inhoudelijke voorwaarden. De aanmeldingsnotitie moet in ieder geval informatie bevatten over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit, conform bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn1. Binnen zes weken nadat de initiatiefnemer deze informatie heeft verstrekt, moet het bevoegd gezag beslissen of een MER moet worden opgesteld. Deze notitie kan worden gezien als een aanmeldnotitie op grond waarvan het bevoegd gezag kan besluiten.
1
Richtlijn 2014/52/EU, geïmplementeerd in Wet milieubeheer per 16 mei 2017.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 5
3 Locatie en kenmerken van het project 3.1 Locatie van het project 3.1.1 Ligging en begrenzing plangebied Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden. Het projectgebied ligt in de oude polder Altena ten zuiden van Hagestein in de gemeente Vijfheerenlanden in de provincie Utrecht. Ten noorden van het gebied stroomt de rivier de Lek en aan de zuidzijde loopt de snelweg A2. Het projectgebied wordt aan de noordwestzijde begrenst door de Autenasekade en aan de noordzijde door de Tienhovenseweg en daaraan gelegen boerderijen. Aan de zuidzijde grenst het gebied aan de Middelwetering. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 30 hectare en beslaat de volgende kadastrale percelen: VAN00G965 - VAN00G500 - VAN00G849 - VAN00G850 - VAN00G967 - VAN00G497. Het hiernavolgend figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de omgeving.
Figuur 1: Ligging plangebied Autenasekade ten opzichte van omgeving.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 6
Figuur 2: Exacte begrenzing van het plangebied
3.2 Kenmerken van het project Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen: de omvang van het project; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
3.2.1 Omvang van het project Het totale plangebied beslaat 30 hectare en is in eigendom van Provincie Utrecht.
3.2.2 Overige aspecten De ‘overige aspecten’ genoemd bij de ‘kenmerken van het project’ zijn minder relevant in het kader van deze beoordeling in relatie tot de gewenste ontwikkeling. Deze aspecten worden hieronder, voor zover relevant, kort omschreven: Tijdens de werkzaamheden kan er sprake zijn van hinder als gevolg van de werkzaamheden. De hinder waarvan sprake kan zijn op de omgeving betreft geluid. Graafmachines en een (geringe toename van) (vracht)verkeer naar het plangebied kunnen voor geluidhinder zorgen. Echter de werkzaamheden zijn van tijdelijke aard en de dichtstbijzijnde bebouwing (enkele woningen) ligt op geruime afstand van de werkterreinen. Gezien de tijdelijkheid en de aard en omvang van de ingreep wordt de eventuele geluidhinder voor de omgeving niet als onevenredig beschouwd. Het project is gericht op de ontwikkeling / instandhouding van natuur, waarbij het niet aannemelijk is dat er in het project afvalstoffen ontstaan. Een structurele toename is niet aan de orde. Dit zal geen grootschalig nadelig effect sorteren op het aanwezige bodemleven.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 7
-
-
-
-
Er zijn geen risico’s op het gebied van ongevallen. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt of verwerkt, wel vindt er sanering plaats van dammen met verontreinigd met asbesthoudend materiaal. De percelen zijn niet gelegen in het invloedsgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen over het spoor of het water. Een hogedruk aardgasleiding bevindt zich in de zuidwestelijke hoek van het plangebied, met het opstellen van het inrichtingsplan is rekening gehouden met de ligging van de buisleidingen en waar nodig worden maatregelen genomen om de leiding te beschermen. Een BEVI-inrichting met een 10-6 contour bevindt zich niet in de nabij omgeving van het plangebied, er zijn geen risicobronnen aanwezig en een aanvullend onderzoek naar externe veiligheid is niet noodzakelijk. Het plangebied ligt niet dicht bij de grens met een ander land. Er is dan ook geen sprake van grensoverschrijdend karakter van de werkzaamheden. Het afgraven heeft geen uitstralende effecten. De graafwerkzaamheden in het plangebied hebben geen gevolgen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. De werkzaamheden vormen geen bijzonder risico voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.
4 Beoordeling kenmerken van het potentiële effect In dit hoofdstuk worden de aanwezige en potentiële milieueffecten behandeld. Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: het bereik van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de autonome ontwikkelingen. De punten komen voor zover relevant aan de orde bij de verschillende thema's. Op dit moment zijn er geen autonome ontwikkelingen bekend of aan de orde die van invloed zijn op de effecten van de ontgronding.
4.1 Archeologie Aardkundige, archeologische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met voorgenomen ontwikkeling In opdracht van Eelerwoude is door Econsultancy in december 2021 archeologisch bureauonderzoek opgesteld (zie bijlage 1). Hieruit blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische waarden bevinden. Er geldt volgens de verwachtingskaart van Vianen een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten binnen de periode Prehistorie tot en met Romeinse tijd. Voor de periode Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd geldt een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 8
Uit het bureauonderzoek blijkt dat dieper dan 2,1 m -mv oeverafzettingen van de Tienhoven en/of Autena stroomgordel voorkomen. Op deze afzettingen kunnen archeologische resten uit het Neolithicum verwacht worden. Hierboven bevindt zich een pakket komafzettingen en klei, waarvoor een lage verwachting geldt. Historisch kaartmateriaal geeft aan dat binnen het plangebied geen bewoning heeft plaats gevonden. Het plangebied was in gebruik als natte weidegrond met sloten en deels in gebruik voor de aanplanting van loofbomen. Voor de periode Bronstijd –Nieuwe tijd geldt daarom een lage verwachting. Eventuele resten van vóór het Neolithicum worden niet verwacht, aangezien deze reeds geheel opgeruimd zullen zijn door de stroomgordels van Tienhoven en Autena. De initiatiefnemer is voornemens om binnen het plangebied circa 4 ha in te vullen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en 26 ha beschikbaar te stellen voor het realiseren van gemengd bos-of natuurcompensatie. Hierbij worden jonge dunne boompjes geplant, waarbij de wortelkluit nog niet groot is. Na overleg met de boomspecialiste (Z. Bosch) gaf zij aan dat de plantgaten voor dunne boompjes vaak niet dieper reiken dan 30 cm -mv. De wortels van de bomen zullen circa 40 –80 cm -mv reiken tot max 1,00 m -mv. Dit is echter wel afhankelijk van de bodem en de grondwaterstand.
Aangezien het archeologisch relevante niveau pas vanaf 2,1 m -mv verwacht wordt, zal dit niet worden aangetast bij de geplande bodemingreep. Aangezien het archeologische niveau vanaf 2,1 m -mv verwacht wordt, en de geplande bodemingreep slechts tot circa 1 m -mv reikt, wordt door Econsultancy geadviseerd om geen verder onderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor deze ontwikkeling. Per mail van 17-6-2022 heeft de ODRU akkoord gegeven op het onderzoek. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect archeologie verwacht.
4.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij het besluit in het kader van het Besluit m.e.r. dient te worden aangetoond dat er geen nadelige effecten zijn voor het milieu. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Adviesbureau Antea Group heeft in januari en februari 2016 een vooronderzoek en een verkennend (water)bodem- en nader asbestonderzoek uitgevoerd op enkele percelen bij de Autenasekade 11 te Hagestein (bijlage 2). Het onderzoek is uitgevoerd met de NEN 5725, NEN 5740, de NTA 5727 en de NEN 5707/5897 als leidraad. Hierbij is bij het asbestonderzoek uitgegaan van een nader onderzoek waarbij de dammen, dempingen en/of het pad afhankelijk van de ligging, het voorkomen van bijmengingen en/of asbestverdacht materiaal in hetzelfde deelgebied of kadastrale perceel als een ruimtelijke eenheid (RE) zijn beschouwd. Conform de opzet voor nader asbestonderzoek zijn sleuven in plaats van gaten gegraven. Uit de resultaten van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van één van de zuidelijke dammen op de perceel Vianen, G862 een sterke verontreiniging met asbest aanwezig is. Ter plaatse is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest.
De omvang van de sterke verontreiniging wordt geschat op ongeveer 10 m³. Er zijn geen actuele risico’s (stap 2) en er is geen sprake van spoedeisendheid om
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 9
sanerende maatregelen te treffen. Ter plaatse van perceel Vianen, G850 zijn in een dam en een demping sterke verontreinigingen aangetoond. Op basis van de geschatte omvang (15 respectievelijk 22 m³) is ter plaatse geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Daarnaast zijn plaatselijk nog matige verontreinigingen aangetroffen met asbest of PAK. Bij het huidige gebruik is het nemen van sanerende maatregelen of het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet nodig of zinvol. Ondanks het gegeven dat het onderzoek in februari 2016 is afgenomen is het nog steeds representatief. Dit komt vanwege de ongewijzigde situatie én het feit dat de aangetroffen verontreinigingen immobiel zijn. De verontreiniging ter plaatse van de dammen wordt binnen het project gesaneerd. Met het gegeven dat de verontreiniging wordt gesaneerd kan men stellen dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect bodem worden verwacht. Daarnaast brengt de realisatie van meer natuur brengt geen extra bodem belastende activiteiten met zich mee. Er wordt zorgvuldig omgegaan met verdachte bodem verontreinigde locaties.
4.3 Cultuurhistorie Provincie Utrecht heeft een Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht (CHAT). Hierin zijn over verschillende kaarten de cultuurhistorische waarden ingedeeld. Op de kaart van het Erfgoedbeleid staat het plangebied niet aangemerkt. Op de overzichtskaart Cultuurhistorie is het gebied aangemerkt als agrarisch cultuurlandschap. Zie voor een uitsnede van deze kaart onderstaande afbeelding.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 10
Figuur 3: uitsnede overzichtskaart cultuurhistorie provincie Utrecht
Ten zuiden van de stad Utrecht strekt zich het gebied Lopikerwaard-Schalkwijk uit met Vijfheerenlanden aan de overzijde van de Lek. Het maakte tot de middeleeuwen deel uit van een langgerekt, aaneengesloten waardengebied van cope-ontginningen, dat van Culemborg tot aan de kust liep, ingesloten tussen rivieren en dijken. Binnen de heldere omgrenzing van de bedijkte rivieren de Lek, de Hollandsche IJssel en de Vlist kenmerkt de Lopikerwaard zich door een gaaf patroon van middeleeuwse ontginningen: een grootschalige lineaire oost-west structuur van ontginningsassen met strookverkaveling haaks daarop, verfijnd door een systeem van waterbeheersing met sloten, weteringen en boezems. De verdichting van de lange, doorgaande boerderijlinten heeft geleid tot een sterk contrast met de grote openheid van de polders. Naast enkele kleine kernen in de linten liggen aan de rand van het gebied de historische stadjes IJsselstein en Montfoort. Met uitzondering van het gebied rond IJsselstein hebben in de Lopikerwaard nauwelijks structurele ingrepen plaatsgevonden. Hierdoor is deze waard nog steeds te beleven als een open middeleeuws landschap. Het middengebied, begrensd door de A2 en de A27 tussen Utrecht en Vreeswijk, is door de opeenvolgende aanleg van de Vaartsche Rijn, het Merwedekanaal en het Lekkanaal geheel veranderd.
Het middeleeuwse copelandschap heeft plaatsgemaakt voor industriële en stedelijke ontwikkeling van Nieuwegein langs de noordzuid lopende transportassen. Naast de resten van enige oude, agrarische lijnen en ridderhofsteden (Oudegein) treffen we met name langs de Vaartsche Rijn industriecomplexen aan, vinden we historische bebouwing rond het unieke sluizencomplex van Vreeswijk en zijn er restanten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het oostelijke gebied rond Schalkwijk wordt bepaald door de drie in oost-westrichting lopende ontginningsassen van de Houtensche Wetering, de Schalkwijksche Wetering en de Waalsche Wetering. Stedelijke dynamiek
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 11
vanuit Vreeswijk en Houten en infrastructurele doorsnijdingen (A27, Amsterdam-Rijnkanaal) hebben het oude agrarische gebied van Schalkwijk verkleind. Rond Honswijk ligt een van de meest waardevolle militaire landschappen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vijfheerenlanden, dat sinds 2019 de nieuwste Utrechtse gemeenten vormt, heeft de sterke industrialisatie en verstedelijking buiten de ommuring weten te houden. Door de grootschalige uitbreidingen ten oosten en ten zuiden van de stad Vianen is het middeleeuwse bewoningspatroon op de stroomrug echter goeddeels verloren gegaan. De copeontginningen van Autena en Bolgerijen zijn bewaard gebleven, maar worden doorsneden door de A27 en de A2. De zuidelijker gelegen ontginningen zijn meer intact gebleven, waarbij het grote aantal verhoogde huisplaatsen langs de boerderijlinten opvalt. De belangrijkste cultuurhistorische kwaliteit hebben: de historische stad Vianen met resten van het kasteel Batestein, het terrein van de verdwenen middeleeuwse stad Hagestein, Fort Everdingen en de Diefdijk, als onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, het dorp Ameide, de stad Leerdam, het gebied van Hei- en Boeicop, het gebied van de Zouweboezem en het tracé van de Route Impériale no.2. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De Autenasekade vormt de grens tussen de eerste ontginningen vanaf Hagestein.
De percelen ten noordwesten hiervan hebben een oost-west gerichte verkavelingsstructuur. Ten oosten van de Autenasekade, waar het plangebied ligt, is een nieuwe ontginningsbasis gelegd vanaf de Tienhovenseweg. Dit behoort bij de copeontginning polder Autena, welke doorliep tot de Bolgerijsekade ten zuiden van de snelweg A2. De Tienhovenseweg diende als basis voor de ontginningen ten zuiden van de stroomrug van de Lek. Voorgenomen ontwikkeling heeft niet in sterke mate invloed op het agrarische cultuurlandschap. Te zien is dat het boerderijlint aan de Tienhovenseweg speciaal is aangemerkt, hier is de gewenste ontwikkeling niet van invloed op. Er zijn geen beschermde monumentale waarden aanwezig in het gebied. Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect cultuurhistorie verwacht.
4.4 Natuur en emissie Vanaf 1 januari 2017 is in de Nederland de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Met het van kracht worden van de nieuwe wet worden de provincies het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: bescherming van soorten, bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden. De volledige toetsing Wet Natuurbescherming is toegevoegd in bijlage 3.
Soortenbescherming Betreffende flora en fauna richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van soorten. De wet gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe, bepaalde handelingen waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 12
Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 2 uit te voeren. Werken binnen het broedseizoen is niet mogelijk doordat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat grond/oever broedende soorten als graspieper, kieviet, meerkoet en wilde eend aanwezig zijn. Op deze manier wordt voorkomen dat in gebruik zijnde nesten of kuikens worden verstoord of vernietigd. Amfibieën Een negatief effect op heikikker en poelkikker wordt niet verwacht zolang er geen werkzaamheden worden uitgevoerd aan de waterelementen. Werkzaamheden met betrekking tot de waterelementen zoals het opschonen, maaien en realiseren van natuurvriendelijke oevers dient plaats te vinden buiten de kwetsbare periode.
De kwetsbare periode is de periode dat de adulte dieren zich voortplanten en de eiklompen en larven in de sloten aanwezig zijn, globaal tussen maart en 15 september, afhankelijk van de weersomstandigheden. Indien de kwetsbare periode in acht wordt genomen is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk.
Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Ringslang, amfibieën en vissen In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om de werkzaamheden aan de oever en watergang uit te voeren wanneer de larven zijn volgroeid, vanaf 15 september, en voordat volwassen exemplaren zich ingraven voor de winterslaap, voor november. Om het doden van ringslang, amfibieën en vissen te voorkomen wordt aanbevolen de werkzaamheden onder ecologische begeleiding uit te laten voeren. Vissen in sloten die geïsoleerd komen te liggen door het afdammen dienen te worden verplaatst naar andere sloten in het plangebied om nadelige effecten door isolatie weg te nemen.
Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten 2
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 13
Momenteel is formeel een stikstofberekening middels AERIUS-Calculator noodzakelijk voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Gezien de beperkte omvang van het plan en de afstand tot het meest dichtbij gelegen Natura 2000 gebied verwacht de gemeente op basis van ervaring geen relevante bijdrage van stikstof op Natura 2000 gebieden in de gebruiksfase. In bijlage 5 is de stikstofberekening van de aanlegfase opgenomen waaruit blijkt dat de realisatie geen tijdelijke stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000 gebieden.
Natuurnetwerk Nederland De provincie Utrecht kent binnen het NNN een externe werking. Een negatief effect op het omliggende NNN kan echter worden uitgesloten. Het plangebied zal worden ontwikkeld tot natuur, hierdoor komt op de lange termijn meer rust en wordt het plangebied minder intensief agrarisch gebruikt. Hiernaast sluiten de te ontwikkelen natuurtypes aan op het omliggende NNN-gebied, wat deze juist versterkt. Een uitgebreide toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk. Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect natuur en emissie verwacht.
4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld.
Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied-beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 14
Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verdere reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.
Waterschap Rivierenland Het waterschap Rivierenland heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Watervisie 2050. In de Watervisie 2050 staat het gewenste toekomstbeeld; een toekomstbestendig rivierengebied. De principes uit de watervisie helpen ons om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. De principes zijn als volgt: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk. 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen. 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. 5. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. 6. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. 7. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied. De 7 doelstellingen zijn verder uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In het waterbeheerprogramma wordt de koers beschreven voor de komende jaren. Keur De keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen, behorende bij de regels van de Keur, vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De leggerkaart is geraadpleegd. Een uitsnede hiervan is weergegeven in figuur 4. Aan de westzijde en zuidgrens zijn primaire watergangen in het plangebied aanwezig. Dit betreffen watergangen met gedeelde onderhoudsplicht. De watergang aan de oostzijde is een secundaire watergang. Aan de noordzijde zijn twee duikers aanwezig. De overige watergangen zijn geclassificeerd als tertiair.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 15
De realisatie van natuurvriendelijke oevers vindt plaats in de tertiaire watergangen. In voorliggend plan blijven de beschermingszones van de primaire watergangen, welke in gedeeld beheer zijn, ongewijzigd bereikbaar. Het beheer van de overige watergangen ligt bij de grondeigenaren.
Figuur 4: Uitsnede legger (bron: Waterschap Rivierenland).
Digitale watertoets Op maandag 16 mei 2022 is de digitale watertoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling (kenmerk watertoets: 00005051, zie ook bijlage 4). De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen,
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 16
waaruit blijkt dat de zogenaamde normale procedure wordt doorlopen bij waterschap Rivierenland. Dit houdt in dat op basis van locatie en gegeven antwoorden blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt. De initiatiefnemer staat in nauw contact met het waterschap en de plannen zijn reeds voorbesproken. Daarnaast wordt met de landschappelijke inrichting rekening gehouden met de aanwezigheid van de watergangen. Zie hiervoor hoofdstuk 3 en de separate technische inrichtingstekeningen. Er is contact met waterschap Rivierenland. Middels de watertoets wordt het waterschap nogmaals op de hoogte gebracht. Voorgenomen inrichtingsplan is opgesteld met behulp van het waterschap en haar belangen zijn daar goed in geborgd. Op korte termijn wordt een vervolgoverleg ingepland. Voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers kent waterschap Rivierenland een vrijstellingsoptie indien de natuurvriendelijke oever aan de volgende criteria voldoet (algemene regel WT11): 1. deze niet wordt aangelegd aan een oppervlaktewaterlichaam gelegen langs een weg van het waterschap en in een waterkering en/of bijbehorende beschermingszone, en; 2. deze wordt aangelegd langs B- en C wateren, met uitzondering van die oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden onderhouden, en; 3. geen oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt of versmald, en; 4. de natuurvriendelijke oever minimaal 25,00 m lang is, en; 5.
het oppervlaktewaterlichaam een minimale waterdiepte heeft van 0,50 m ten opzichte van zomer/streefpeil. De natuurvriendelijke oevers worden niet aangelegd in beschermingszones of waterkeringen. Ze worden aangelegd in tertiaire watergangen. Deze oppervlaktewaterlichamen worden niet gedempt, er zijn wel enkele tertiaire watergangen die worden verland. Met de realisatie van natuurvriendelijke oevers is er netto geen afname van areaal aan wateroppervlakte. De NVO’s zijn langer dan 25 meter en een minimale waterdiepte van 0.50 m ten opzichte van zomer/streefpeil. Er wordt er aan de vrijstellingsopties voldaan, ook aan de principetekeningen van natuurvriendelijke oevers (zie onderstaand voorbeeld).
Figuur 5: Principetekening Waterschap Rivierenland
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 17
4.6 Geluid Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone ter zake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De systematiek van de Wet geluidhinder wordt gebruikt als middel om aan te tonen dat er geen geluidsbelasting wordt veroorzaakt door de voorgenomen ontwikkeling. Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect geluid verwacht.
4.7 Lucht Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekenende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van agrarische grond naar vochtig bos, vochtig hooiland, kruidenrijk grasland en een hoogstamboomgaard. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling met zich meebrengt, zijn alleen tijdens de bouwfase merkbaar. In deze fase zal er tijdelijk sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen.
Zelfs tijdens de bouwperiode zal het aantal verkeersbewegingen met circa 20 verkeersbewegingen per dag, ruimschoots onder de 800 per dag blijven. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Daarnaast is in de Regeling NIBM een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De functiewijziging van agrarische naar natuur is een ontwikkeling die niet leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit tijdens de beheerfase. Het plan kan daarmee zonder verdere toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Er worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het thema lucht verwacht.
4.8 Cumulatie Fysiek is er geen samenloop met andere projecten. Het project wordt zelfstandig uitgevoerd en zal zelfstandig draaien. Er zijn geen milieueffecten welke, al dan niet cumulatief, leiden tot een verslechtering van het milieu.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 18
5 Conclusie Op basis van de onderbouwing uit de voorgaande paragrafen wordt er geconcludeerd dat vanwege de voorgenomen ontgronding geen belangrijke, nadelige milieugevolgen worden verwacht voor de milieuaspecten: archeologie; bodem cultuurhistorie; natuur en emissie; water; geluid; luchtkwaliteit. Er zijn gedurende de uitvoeringsfase geen nadelige effecten te verwachten. Het resultaat na de uitvoering van maatregelen heeft een positief effect op de aanwezige natuurwaarden. Procedure Het bevoegd gezag, in dit geval gemeente Vijfheerenlanden, moet op grond van de vormvrije m.e.r.beoordeling formeel het besluit nemen dat er geen milieueffectrapport opgesteld wordt in het kader van deze melding. Op basis van bovenstaande toetsing wordt geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om voor dit landinrichtingsproject een m.e.r. te doorlopen, omdat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uit te sluiten.
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 19
Bijlagen/literatuurlijst -
Bijlage 1: Archeologisch bodemonderzoek Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Toets Wet Natuurbescherming Bijlage 4: Watertoets Bijlage 5: Stikstofberekening
Natuurinrichting Autenasekade | Eelerwoude | 20