Verordening Jeugd en Wmo 2024
Tekst van het document
Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Vijfheerenlanden 2024
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1
Begripsbepalingen ................................................................3
Hoofdstuk 2
Toegang en procedure ..........................................................7
Hoofdstuk 3
Voorzieningen ....................................................................10
Hoofdstuk 4
Een voorziening in de leveringsvorm pgb inclusief kwaliteitseisen . .......................................................................................16
Hoofdstuk 5
Financiële tegemoetkomingen Wmo ......................................20
Hoofdstuk 6
Kostprijs voorzieningen en eigen bijdrage ..............................21
Hoofdstuk 7
Kwaliteit en aanbesteding voorzieningen in natura ..................22
Hoofdstuk 8
Klachten en inspraak ..........................................................24
Hoofdstuk 9
Toezicht en handhaving voorzieningen ..................................25
Hoofdstuk 10
Overige bepalingen en slotbepalingen ...................................28
Toelichting
.......................................................................................29
1
Verordening van de gemeenteraad van gemeente Vijfheerenlanden met regels over jeugdhulp en Wet maatschappelijke ondersteuning (Jeugdhulp en Wmo verordening gemeente Vijfheerenlanden 2024) De raad van gemeente Vijfheerenlanden; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 augustus 2024; gelet op artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke Ondersteuning 2015; besluit: vast te stellen de Jeugdhulp en Wmo verordening gemeente Vijfheerenlanden 2024.
2
Hoofdstuk 1
Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder: aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die onder verantwoordelijkheid van het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening in natura te leveren. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, en daadwerkelijk beschikbaar is, en een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. algemene voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo of een voorziening als bedoeld in de Jeugdwet, die gericht is op alle inwoners van gemeente Vijfheerenlanden of op een specifieke doelgroep. Het betreft een voorziening die vrij toegankelijk is voor inwoners van gemeente Vijfheerenlanden. beschikking: een brief waarin het besluit van het college staat beschreven op de aanvraag die een inwoner heeft ingediend. In deze verordening wordt hiervoor het woord ‘besluit’ gebruikt. bezoekbaar maken: het aanpassen van een voormalige woning voor een inwoner die woont in een Wlz-instelling zodat deze de woning kan bezoeken. Het betreft waar nodig het toegankelijk maken van de woning en woonkamer en gebruik kunnen maken van een toiletvoorziening.
Bsn: Burgerservicenummer calamiteit: een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg, letsel of de dood van een inwoner heeft geleid. CRvB: Centrale Raad van Beroep centrale toegang: de organisatie die een besluit neemt over de toegang tot regionale voorzieningen voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Dit wordt uitgevoerd door de gemeente Utrecht. cliëntondersteuning: ondersteuning voor de inwoner die onafhankelijk van de gemeente en zorgaanbieder is. Het gaat om informatie, advies en algemene ondersteuning op grond van de Wmo en voor jeugdzaken zonder kosten voor de inwoner. collectief vervoer: vervoer van deur tot deur, op reservering, met een deeltaxi of op andere collectieve wijze georganiseerd vervoer (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden. dienst: door een persoon te leveren hulp of ondersteuning, niet zijnde een hulpmiddel. eenheid: een in de beschikking aangegeven tijdsperiode vastgesteld per voorziening.
3
fraude: het opzettelijk geven van onjuiste en/of onvolledige gegevens of informatie, of het opzettelijk achterhouden of niet (op tijd) geven van relevante gegevens of informatie. Het gaat om informatie die het college nodig heeft om te bepalen of er recht op een voorziening is en om de duur en hoogte van die voorziening te kunnen bepalen. gebruikelijke hulp: de hulp of ondersteuning die over het algemeen mag worden verwacht van echtgeno(o)t(e), inwonende partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten bij de normale, dagelijkse zorg bij taken die bij een gezamenlijk huishouden horen. Hieronder valt ook de plicht van een ouder(s) om de tot hun gezin horende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als een jeugdige een ziekte, beperking of een aandoening heeft en hierdoor belemmeringen ervaart. hoofdverblijf: het woonadres van de inwoner waar deze het grootste gedeelte van de week is. De wet Basisregistratie Personen is hiervoor van belang. inwoner: cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo of een ouder, pleegoudervoogd of jeugdige als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die in gemeente Vijfheerenlanden staat ingeschreven. jeugdhulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. kostprijs: de prijs die het college betaalt voor de voorziening in natura.
Deze kostprijs wordt bepaald door een aanbesteding, na marktconsultatie of op basis van een offerte. mantelzorg: vrijwillige ondersteuning die iemand uit het sociale netwerk aan een inwoner geeft. Het betreft het helpen bij opgroeien en zorg, jeugdhulp, zelfredzaamheid, participatie en wonen. Het kunnen ook overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet zijn. Het gaat nooit om betaalde ondersteuning en overstijgt de taken die vallen onder gebruikelijke hulp. ondersteuningsvraag: de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo en de behoefte van de inwoner aan jeugdhulp op grond van artikel 1.1 van de Jeugdwet. ouder: een ouder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Dit is de ouder met gezag, adoptieouder of stiefouder. Het kan ook iemand zijn die een jeugdige inwoner in het gezin verzorgt en opvoedt, die geen pleegouder is. participatie: de deelname aan het maatschappelijk verkeer, zoals mensen ontmoeten, contacten aangaan en onderhouden, boodschappen doen, aan maatschappelijke activiteiten meedoen en zich verplaatsen.
plan: waar in deze Verordening het woord Plan (komt tot stand aan de hand van de 5 stappen van de CRvB) wordt gebruikt, wordt bedoeld in voorkomende gevallen: • Plan van Aanpak (Wmo): een verslag dat het college opstelt, waarin de belemmeringen staan die de inwoner in het maatschappelijk leven heeft, waarin de gewenste ondersteuning wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. • Actieplan (Jeugdwet): een Plan dat het college opstelt naar aanleiding van het onderzoek. De ondersteuningsvraag van de jeugdige inwoner en/of de ouder(s) blijkt hieruit en de voorziening die mogelijk nodig is. persoonlijk plan: een plan dat door de inwoner zelf, eventueel met hulp, is opgesteld. In het plan beschrijft de inwoner welke problemen er worden ervaren en welke oplossingen,
4
zorg en ondersteuning de inwoner denkt dat passend is. Het kan ook het familiegroepsplan zijn zoals genoemd staat in artikel 1.1 van de Jeugdwet of een persoonlijk plan zoals genoemd staat in artikel 2.3.2 tweede lid, onderdelen a. tot en g. van de Wmo. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Dit is een geldbedrag waarmee een inwoner zelf ondersteuning, een voorziening of hulpmiddelen (in) kan kopen. Pgb-beheerder: een persoon die namens de inwoner het persoonsgebonden budget beheert. Pgb-plan: een plan waarin de inwoner beschrijft welke ondersteuning deze wil inkopen met het pgb, bij wie en op welke manier het pgb budget wordt besteed. Het college stelt hiervoor een format beschikbaar. prestatieverklaring: dit is een document dat gebruikt kan worden om periodiek te toetsen of de voorziening nog passend is. primaat van verhuizen: het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding voorrang kan hebben op een woningaanpassing. respijtzorg: het overnemen van de ondersteuning van een mantelzorger door een vrijwilliger of een professional, zodat de mantelzorger wordt ontlast. Het wordt ook wel vervangende mantelzorg genoemd. Het gaat vaak om kortdurend verblijf.
schriftelijk: onder schriftelijk wordt ook verstaan via de digitale weg (zoals e-mail, webformulier, inwonersportaal, DigID of whatsapp). SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie heeft. Het betreft o.a. familieleden, vrienden, buren, kennissen en mantelzorgers. SVB: Sociale Verzekeringsbank. vertrouwenspersoon: de persoon zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo. voorziening: een op de inwoner afgestemde passende individuele en niet vrij toegankelijke voorziening. Het kan een dienst of een product zijn. Het betreft een: - maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; - tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wmo; - individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet. Daar waar een algeme(e)n(e) (gebruikelijke) voorziening of voorliggende voorziening wordt bedoeld, wordt het steeds met deze woorden zo aangegeven. voorliggende (wettelijke) voorziening: een voorziening die mogelijk is op grond van een andere wet of regel die voor de inwoner de mogelijkheid biedt om ondersteuning of compensatie te ontvangen. Een voorliggende (wettelijke) voorziening gaat voor op een voorziening op grond van de Jeugdwet of de Wmo.
vrij toegankelijke ondersteuning: ondersteuning die beschikbaar is zonder dat het college hiervoor een onderzoek uitvoert, of die na een kort onderzoek beschikbaar is. Er is geen beschikking voor nodig om er gebruik van te kunnen maken.
5
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Wlz: Wet langdurige zorg woonplaats: de plaats waar de inwoner woont, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het zelfstandig kunnen (uit)voeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). O.a. het huishouden verzorgen, eten, wassen/douchen, aankleden, uitkleden, boodschappen doen en de administratie verzorgen. ZZP'er: zelfstandigen zonder personeel
6
Hoofdstuk 2
Toegang en procedure
Artikel 2.1 Toegang 1. Het college verzorgt de toegang tot jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.6 van de Jeugdwet. Dit kan ook via de huisarts, medisch specialist, jeugdarts en een gecertificeerde instelling. 2. Het college kan jeugdhulp inzetten die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichting arts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt en heeft bepaald bij een strafrechtelijke beslissing. 3. Het college verzorgt de toegang tot maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo. 4. De besluitvorming tot maatschappelijke opvang wordt uitgevoerd door de centrumgemeente Utrecht. 5. De besluitvorming tot beschermd wonen wordt uitgevoerd door de centrumgemeente Utrecht. 6. Het college kan nadere regels vaststellen om de toegang tot ondersteuning verder te duiden. Artikel 2.2 Melding of aanvraag tot ondersteuning 1. Een melding van een ondersteuningsvraag van een inwoner kan door iedereen bij het college vormvrij worden gedaan. Voor een ondersteuningsvraag van een jeugdige of ouder(s) in het kader van de Jeugdwet ziet het college de melding als een aanvraag. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een Wmo melding of jeugdhulpaanvraag aan de inwoner. 3. Het college wijst de inwoner op: a. de vervolgprocedure, en de rechten en plichten van de inwoner daarin; b.
de mogelijkheid om gebruik te maken van de hulp van een onafhankelijke cliëntondersteuner en/of vertrouwenspersoon; c. de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. d. de mogelijkheid dat het college als dat nodig is een jeugdige registreert in de verwijsindex risicojongeren. 4. Als de melding of aanvraag van de inwoner niet onder één van de verplichtingen van de gemeente valt, dan verwijst het college de inwoner naar de juiste instantie. 5. In geval van spoed kan het college na een jeugdhulpaanvraag of Wmo melding zo snel mogelijk een tijdelijke voorziening in natura treffen of een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet aanvragen. 6. Het college kan nadere regels vaststellen om voorwaarden te stellen aan de procedure in geval van spoed. Artikel 2.3 Onderzoek 1. Het college start na de aanvraag Jeugdhulp of Wmo melding, als dat nodig is, het onderzoek. Het college maakt zo snel als mogelijk met de inwoner een afspraak voor een gesprek. Het onderzoek kan bestaan uit meerdere gespreksmomenten. 2. De inwoner geeft het college de relevante gegevens, informatie en stukken die het college nodig heeft voor het onderzoek. De inwoner werkt mee aan het onderzoek en indien noodzakelijk werken huisgenoten ook mee aan het onderzoek. 3.
Het college neemt alle relevante gegevens en informatie van de inwoner die bij het college al bekend zijn in het onderzoek mee. Het college meldt dit aan de inwoner. 4. Als het college vindt dat de ondersteuningsvraag van de inwoner voldoende duidelijk is, stemt het college met de inwoner af om geen gesprek te hebben. 5. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de inwoner vast. Dit doet het college door voor jeugdhulp een BSN te vragen en voor Wmo ondersteuning door controle van een identificatie document van de inwoner te vragen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht.
7
6. Het college schenkt in het onderzoek in elk geval aandacht aan de onderwerpen zoals genoemd staan in artikel 2.3 Jeugdwet en artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo en een eventueel persoonlijk plan. 7. Als tijdens het onderzoek blijkt dat de inwoner de gewenste ondersteuning bij een andere organisatie kan krijgen, of als het onder een andere wet valt, dan kan het college de inwoner helpen om dit bij deze andere organisatie bespreekbaar te maken. In deze situatie rondt het college de Wmo melding af, als de inwoner hiermee instemt. Als de inwoner in deze situatie instemt met intrekking van de Jeugdhulpaanvraag, neemt het college geen besluit. 8. Het college kan nadere regels stellen over het bepaalde in dit artikel. Artikel 2.4 Verslaglegging onderzoek in het Plan 1. Als het onderzoek van artikel 2.3 afgerond is, maakt het college een schriftelijk Plan en stuurt dit naar de inwoner of wettelijk vertegenwoordiger van de inwoner. In geval van een Jeugdhulpaanvraag probeert het college dit binnen zes weken na de aanvraag te doen. In geval van een Wmo melding, doet het college dit binnen zes weken na de melding. 2. In het Plan staan tenminste: a. de persoonlijke gegevens van de inwoner; b. een samenvatting van de besproken onderwerpen en de relevante zaken uit het gesprek; c.
het college vermeldt de geformuleerde doelen, wat er nodig en mogelijk is als oplossing voor de ondersteuningsvraag. 3. Als uit het onderzoek blijkt dat een Jeugdhulp voorziening nodig is, dan geeft het Plan de noodzakelijke ondersteuning aan. 4. Als uit het onderzoek blijkt dat een Wmo voorziening nodig is, dan wordt in het Plan de noodzakelijke ondersteuning aangegeven. Artikel 2.5 Plan en besluit voorziening 1. Een inwoner heeft de mogelijkheid om op- en aanmerkingen te geven op het Plan. Deze betrekt het college bij het besluit. 2. Het college legt het Plan in geval van een Jeugdhulpaanvraag ter ondertekening voor aan de inwoner (voor akkoord of voor gezien) en vraagt de inwoner het terug te sturen naar het college. De ondertekening van het Plan ziet het college als schriftelijke bevestiging van de eerder ingediende aanvraag voor een jeugdhulp voorziening als deze eerder ingediende aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gesteld aan een aanvraag. 3. Een inwoner kan schriftelijk of digitaal een aanvraag voor een Wmo voorziening indienen. Een door de inwoner ondertekend en geretourneerd Plan kan eveneens als aanvraag voor een Wmo voorziening worden aangemerkt. 4. Bij digitale indiening van het Plan, is de reactie van de inwoner op het Plan als handtekening voldoende. 5.
Het college kan, als dat in het belang is van de inwoner, een niet ondertekend Plan beschouwen als aanvraag. Dit wordt dan vermeld en toegelicht in het besluit. 6. Een Wmo aanvraag in een andere vorm dan een ondertekend Plan, moet voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in de nadere regels, om als aanvraag door het college in behandeling te kunnen worden genomen. 7. Het college neemt een besluit op de aanvraag, door het besluit vast te leggen in een beschikking. Het Plan maakt onderdeel uit van dit besluit of verwijst ernaar. 8. Als het college een voorziening toekent, dan beschrijft het college in het besluit in ieder geval: a. welke voorziening wordt toegekend, wat de omvang en het beoogde resultaat is; b. wat de ingangsdatum en de duur van de voorziening is; c. de leveringsvorm: of de voorziening in natura, in de vorm van een pgb of als financiële tegemoetkoming (alleen in kader van Wmo) wordt verstrekt;
8
d. of er sprake is van een te betalen eigen bijdrage in het kader van de Wmo; e. welke gecontracteerde aanbieder de voorziening uitvoert als het om een voorziening in natura gaat; f. onder welke voorwaarden en verplichtingen deze voorziening wordt toegekend. 9. In aanvulling op het voorgaande lid legt het college bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb, ook in het besluit vast: a. welke (kwaliteits-)eisen gelden voor de besteding van het pgb; b. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze berekend is; c. of het besluit inhoudelijk overeenkomt met het pgb-plan; d. hoe de besteding van het pgb moet worden verantwoord. 10. Als het college de ondersteuning niet of anders dan gevraagd toekent, dan legt het college in het besluit vast waarom de voorziening niet of op een andere manier wordt verstrekt. 11. Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere duiding en uitwerking van de onderwerpen die in het besluit moeten worden beschreven. Artikel 2.6 Advisering 1. Het college zorgt ervoor dat de medewerker die een Jeugdhulpaanvraag of Wmo melding behandelt, de deskundigheid heeft die nodig is om de melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Voor Jeugdhulp en -ondersteuning betreft dit in ieder geval een SKJ-registratie. 2. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt het college ervoor dat een externe deskundige een advies uitbrengt.
Dit advies (deskundig oordeel) neemt het college bij de beoordeling van de Jeugdhulpaanvraag of Wmo melding mee. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere duiding en verdere uitwerking van dit artikel. Artikel 2.7 Beslistermijn 1. Op een aanvraag om ondersteuning op grond van de Jeugdwet, beslist het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Het college beslist binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag Wmo en uiterlijk binnen acht weken nadat de melding Wmo is ontvangen. 3. Het college kan de beslistermijn schriftelijk opschorten als de inwoner instemt met opschorting van de termijn. Artikel 2.8 Verval van recht Het recht op een voorziening vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit de voorziening heeft ingekocht of de ondersteuning is gestart. Dit geldt niet als het de inwoner niet te verwijten is. Deze voorwaarde neemt het college op in het besluit.
9
Hoofdstuk 3
Voorzieningen
Artikel 3.1 Voorzieningen Jeugdhulp (art. 2.3/2.4 Jw) en Wmo (art. 2.1.2 Wmo) 1. Het college treft voor inwoners die Jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (algemene) voorzieningen Jeugdhulp op het gebied van onder andere: informatie, advies en/of cursussen ter ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien van de inwoner; (lichte) hulp- en opvoedondersteuning; jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts); (specialistische) jeugdhulp in de vorm van diagnostiek, begeleiding, ondersteuning en/of behandeling; activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen via jongerenwerk; dagbesteding; jeugdhulp met verblijf of pleegzorg. 2. Een voorziening Jeugdhulp betreft ook, als dat volgens het college nodig is, vervoer van en naar de locatie waar de Jeugdhulp geboden wordt. 3.
Het college treft voor de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de inwoner (algemene) voorzieningen Wmo op het gebied van: wonen in een geschikt huis (wonen); wonen in een beschermde omgeving en maatschappelijke opvang; verplaatsen in en om de woning (verplaatsen); lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoer); voeren van een huishouden (huishouden); regie en structuur in het dagelijks leven (begeleiding); zingeving, sport en activeren (activeren); maatregelen om mantelzorg vol te kunnen houden (mantelzorg); 4. Een voorziening als hiervoor bedoeld kan verstrekt worden: a. in natura; b. als pgb; c. in de vorm van een financiële tegemoetkoming als sprake is van een Wmovoorziening. 5. Het college kan in de nadere regels verduidelijken welke algemene voorzieningen en voorzieningen Jeugdhulp en Wmo beschikbaar zijn en welke aanvullende voorwaarden hieraan worden gesteld. Artikel 3.2 Algemene toekenningscriteria voorziening 1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een voorziening als de inwoner de ondersteuningsvraag volgens het college niet (deels) kan oplossen: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met gebruikmaking van een andere wettelijke, algemene of voorliggende voorziening; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk. 2.
Het college zorgt ervoor dat de voorziening voldoende inzet en kwaliteit heeft, past bij de inwoner en een passende bijdrage levert bij het: - veilig en gezond opgroeien, en/of - groeien naar zelfstandigheid en/of - zelfredzaam te worden of te zijn en/of - maatschappelijk te participeren. 3. Het college verstrekt de goedkoopst passende voorziening. 4. Bij het verlenen van een voorziening houdt het college zo goed mogelijk rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de inwoner.
10
5. Het college kan nadere regels stellen over de in dit artikel opgenomen algemene toekenningscriteria voor een voorziening. Artikel 3.3 Aanvullende criteria voorziening (Jeugd) gebruikelijke- en boven gebruikelijke hulp 1. Hulp of ondersteuning die in het kader van gebruikelijke hulp in redelijkheid mag worden verwacht van het sociaal netwerk van de inwoner, wordt gezien als eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de inwoner. 2. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: a. Het doen van het huishouden (Wmo); b. Het meegaan naar privé-afspraken met familie en vrienden en het meegaan naar medische afspraken; c. Het geven van aansporing bij het verrichten van algemeen dagelijkse handelingen die de persoon zelfstandig kan uitvoeren. Hieronder wordt niet verstaan het overnemen van deze handelingen; d. Het geven van begeleiding op het terrein van maatschappelijke participatie. Hieronder valt ook het bieden van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer; e. Het bieden van hulp of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen; f. Het leren omgaan van derden met de inwoner. 3. Ondersteuning bij gedrag dat past binnen de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige valt altijd onder het begrip gebruikelijke hulp. 4.
Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s) aan kinderen is tot en met de leeftijd van 17 jaar in principe gebruikelijke hulp. 5. Bij de beoordeling of er bij een handeling of toezicht sprake is van gebruikelijke hulp of boven gebruikelijke hulp, wordt in het bijzonder naar de volgende criteria en/of omstandigheden gekeken: a. leeftijd van de jeugdige; b. aard van de zorghandeling; c. frequentie van de uit te voeren zorghandeling en/of deze handeling meegenomen kan worden in het normale patroon van dagelijkse zorg voor de jeugdige; d. benodigde tijd bij uitvoering zorghandeling; e. planbaarheid van zorg; f. of sprake is van een kort- of langdurige hulp- of ondersteuningsbehoefte. 6. De in lid 5 van dit artikel benoemde criteria en/of omstandigheden worden door het college in samenhang beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de inwoner en zijn sociale netwerk. 7. Het college kan nadere regels stellen om de begrippen gebruikelijke- en boven gebruikelijke hulp verder te duiden en uit te werken. Artikel 3.4 Algemene weigeringsgronden voorziening 1. Het college kent geen voorziening toe als er sprake is van: a. realisering van de voorziening vóór de aanvraag voor Jeugdhulp of de melding Wmo of tijdens het onderzoek als er vooraf geen toestemming is gevraagd; b. een voorziening die niet veilig is of kan zijn voor de inwoner of de omgeving; c.
een voorziening die een anti-revaliderend effect zou hebben; d. een eerdere toegekende (algemene) voorziening die een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsvraag; e. een voorziening die algemeen gebruikelijk is of als de kosten ervan te zien zijn als normale maatschappelijke kosten; f. als de inwoner de gevolgen van de beperkingen kan verminderen door het leven anders te organiseren;
11
g. als de inwoner een individuele voorziening wenst en er een collectief voorliggende voorziening aanwezig is; h. als de voorziening primair een therapeutisch doel heeft en/of primair bedoeld is voor behandeling, die vallen onder een andere voorliggende wettelijke regeling, en wordt aangevraagd in het kader van de Wmo; i. als een inwoner de ondersteuningsvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en had kunnen voorkomen; j. als de inwoner, en indien van toepassing een huisgenoot, onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dan wel onvoldoende informatie geeft, zodat het college de noodzaak van de voorziening niet kan vaststellen. 2. Het college kan nadere regels stellen over het bepaalde in dit artikel. Artikel 3.5 1.
2.
3.
4. 5.
6.
7. 8.
Aanvullende criteria voorziening Jeugd – Draagkracht, draaglast en eigen kracht Een gezonde draagkracht betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor de normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Heeft de inwoner of ouder(s) zelf de mogelijkheid en/of het vermogen (eigen kracht) om de hulp- of ondersteuningsvraag op te lossen, dan kent het college geen voorziening toe. Als de noodzakelijke ondersteuning voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die jeugdigen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het college in zijn onderzoek de balans tussen draagkracht en draaglast mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de benodigde ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders (eigen kracht), samen met de personen die tot hun sociale netwerk behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen. Bij de weging of sprake is van draagkracht/eigen kracht bij ouders zijn onder meer de volgende zaken in algemene zin van belang: a.
Is de ouder in staat om de noodzakelijke hulp te bieden? b. Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijk hulp te bieden? c. Levert het bieden van de ondersteuning geen overbelasting van de ouder op? De genoemde factoren in lid 3 van dit artikel worden door het college in samenhang beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Wanneer de beslissing door het gezin is genomen om op eigen kracht hulp of ondersteuning te verlenen waarbij (een van) de ouder(s) minder betaalde arbeid is gaan verrichten en de draaglast van de hulp- of ondersteuningsvraag en de draagkracht van het gezin met elkaar in overeenstemming zijn, kent het college geen voorziening toe. Bij de weging van de draagkracht/eigen kracht is in het bijzonder van belang of een ouder door het verlenen van ondersteuning aan de inwoner niet (meer) in staat zou zijn om in het benodigde levensonderhoud van het gezin te voorzien. Bij deze weging zijn de volgende factoren van belang: a. Wat is de grens van de mogelijkheden van ouders? b. Wat is de aard van de benodigde ondersteuning en kunnen ouders deze veilig en doeltreffend leveren? c.
Kan de ondersteuning in het belang van de inwoner het beste door de ouder(s) worden geleverd? Als een ouder door het verlenen van ondersteuning aan de inwoner niet in staat is om daarnaast nog in het levensonderhoud van het gezin te voorzien door de ondersteuning die de inwoner nodig heeft, kan het college besluiten om een voorziening in te zetten. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het onderzoek naar de balans tussen draagkracht en draaglast en de uitwerking daarvan.
12
Artikel 3.6 Gebruik Wmo voorzieningen in het buitenland 1. De inwoner mag een voorziening (tijdelijk) in het buitenland gebruiken als er vooraf toestemming is gevraagd en gegeven door het college. Het college kan toestemming geven met in achtneming van de volgende criteria: a. voor de inzet van een pgb in het buitenland gelden dezelfde eisen als het college stelt voor de inzet van een pgb in Nederland; b. de geïndiceerde ondersteuning is noodzakelijk om tijdens het verblijf in het buitenland te kunnen functioneren; c. een betrokken hulpverlener woont in Nederland of heeft een passende werkvergunning (in verband met betaling door de SVB). 2. Het college vergoedt geen aanvullende kosten voor het gebruik van de voorziening in het buitenland. 3. Het college kan nadere regels stellen over het gebruik van Wmo voorzieningen in het buitenland. Artikel 3.7 Aanvullende criteria Wmo 1. Het college kent géén Wmo voorziening toe als: a. de inwoner het feitelijk hoofdverblijf niet in de gemeente heeft; b. de inwoner geen extra kosten hoeft te maken als gevolg van de beperking, omdat de kosten al gemaakt werden voor de ondersteuningsvraag; c. de beperkingen en belemmeringen die de inwoner ervaart in zijn participatie en zelfredzaamheid van tijdelijke aard zijn. 2. Het college kent géén voorziening Wmo ‘Wonen’ toe als: a.
de voorziening wordt gevraagd voor verblijf in een hotel, pension, trekkerswoonwagen, (niet adequaat) gehuurde kamer, tweede woning, vakantieen recreatiewoning, of andere niet voor permanente bewoning bedoelde gebouwen; b. de voorziening wordt aangevraagd voor een gemeenschappelijke ruimte en de gevraagde voorziening het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw overstijgt; c. er sprake is van achterstallig onderhoud en/of van een algemeen gebruikelijke renovatie of van een voorziening die zonder veel meerkosten gerealiseerd kan worden; d. de voorziening nodig is vanwege een verhuizing zonder dat hiervoor aanleiding bestaat vanwege de beperkingen en/of belemmeringen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere belangrijke reden voor de verhuizing is; e. de inwoner niet is verhuisd naar de voor de beperkingen en/of belemmeringen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; f. de inwoner op een perceel woont waar een beschikbare (pré) mantelzorgwoning is gerealiseerd; g. de voorziening niet grotendeels op de inwoner zelf is gericht. 3. Bij het beoordelen van een aanvraag voor een voorziening Wmo ‘Wonen’ kan het college het primaat van verhuizen toepassen. Dat wil zeggen dat het college stelt dat verhuizen nodig en mogelijk is, in plaats van een voorziening. 4.
Bij het toekennen van een voorziening Wmo ‘Huishouden’, gebruikt het college het HHM-normenkader als leidraad. 5. Bij het toekennen van een voorziening Wmo ‘begeleiding’ hanteert het college het afwegingskader en productmodel individuele begeleiding. 6. Een voorziening Wmo ‘Collectief Vervoer’ of een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt toegekend voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving van de inwoner tot een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis. 7. Het college kan nadere regels stellen over de in dit artikel opgenomen aanvullende criteria voor een voorziening.
13
Artikel 3.8 Beschermd wonen 1. Het college zorgt ervoor dat de inwoner een voorziening kan krijgen in de vorm van beschermd wonen, als de inwoner als een direct gevolg van psychiatrische, psychosociale of meervoudige sociale problematiek een reële noodzaak heeft om in een beschermde woonomgeving te verblijven 2. De inwoner komt niet in aanmerking voor beschermd wonen als: a. de inwoner zelfstandig kan wonen en permanent beschikbare bescherming of begeleiding niet noodzakelijk is; b. de inwoner geen medisch vastgestelde diagnose kan overleggen waaruit de noodzaak tot beschermd wonen blijkt; c. de inwoner wel een medisch vastgestelde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar nog dagelijks onder medische behandeling staat. 3. De inwoner wordt door het college verwezen naar de centrumgemeente Utrecht voor de besluitvorming over beschermd wonen. 4. Voor inwoners die een voorziening in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening en nadere regels over dit onderwerp, die door de gemeente Utrecht als centrumgemeente bekend zijn gemaakt. Artikel 3.9 Maatschappelijke opvang 1. De toegang tot maatschappelijke opvang en besluitvorming hierover is belegd bij centrumgemeente Utrecht.
Via maatschappelijke opvang kan de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, worden opgevangen als deze zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. 2. Er bestaat geen recht op een voorziening voor maatschappelijke opvang als: a. de inwoner ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken; b. de inwoner een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvang niet of onvoldoende toegankelijk is; c. er duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleid kan worden en/of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening; d. de inwoner ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden; e. de inwoner niet instemt met de huisregels en de verblijfsregels van de opvanginstelling; f. de inwoner zich (na toegang tot de voorziening) ernstig misdraagt naar andere inwoners in de opvangvoorziening of naar de medewerkers van de instelling. 3. De inwoner wordt door het college verwezen naar de centrumgemeente Utrecht voor de besluitvorming over plaatsing in een opvangvoorziening in de regio Utrecht. Als dit nog mogelijk is, wordt er door de centrale toegang gezocht naar een alternatieve opvangvoorziening. 4.
Voor inwoners die een voorziening in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening en nadere regels over dit onderwerp, die door de gemeente Utrecht als centrumgemeente bekend zijn gemaakt. Artikel 3.10 Overgang van 18- naar 18+ 1. Het college kan een Jeugdhulp voorziening verlengen bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden voor verlengde Jeugdhulp zoals benoemd staat in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 2. Het college kan nadere regels stellen over de verlenging van Jeugdhulp.
14
Artikel 3.11 Afstemming met andere vormen van ondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat de ondersteuning zoveel mogelijk aansluit bij andere vormen van hulp en/of ondersteuning die de inwoner ontvangt. Om dat te bereiken kan het college afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over: procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp en/of ondersteuning; communicatie met andere organisaties en het college; afbakening van taken en verantwoordelijkheden; aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en individuele voorzieningen.
15
Hoofdstuk 4 Een voorziening in de leveringsvorm pgb inclusief kwaliteitseisen Artikel 4.1 Criteria leveringsvorm voorziening als pgb (art. 8.1.1. Jw/art. 2.3.6 Wmo) 1. Het college verstrekt een voorziening in de vorm van een pgb als het college vaststelt dat: a. de inwoner gemotiveerd aangeeft dat deze de voorziening in een pgb geleverd wil hebben en aangeeft waarom een voorziening in natura niet passend is; b. de inwoner begrijpt wat een pgb inhoudt, wat ervoor nodig is, het kan beheren of dat de inwoner een vertegenwoordiger heeft die dit kan overnemen; c. de pgb-beheerder in staat is om de belangen te behartigen van de inwoner die de hulp of ondersteuning ontvangt, het pgb kan beheren en de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren. De pgb-beheerder mag niet de zorgverlener zijn, en; d. de door de inwoner in te kopen voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht is en van goede kwaliteit is. 2. Het college vraagt de inwoner in geval van een gewenst pgb voor een dienst om een pgb-plan in te dienen. Het college stelt een format beschikbaar en betrekt het pgb-plan bij de besluitvorming. 3. Het college kan een voorziening in de vorm van een pgb weigeren: a. als een eerder verleende voorziening door het college is ingetrokken of teruggevorderd op grond van artikel 9.1, tweede lid onder a., d. of e. van de Verordening. b.
voor het deel dat de kosten van de te betrekken ondersteuning of voorziening hoger zijn dan de kosten van de voorziening in natura. 4. Het college kan een inwoner die een voorziening in pgb wenst te ontvangen verplichten om: a. een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten; b. een onderhoudscontract af te sluiten met de leverancier, voor de in het besluit genoemde periode. 5. Het college kan nadere regels stellen waarin de voorwaarden voor het ontvangen van een pgb worden beschreven. Artikel 4.2 Pgb en ondersteuning uit het sociaal netwerk 1. Een inwoner kan een persoon uit het sociaal netwerk, die geen opleiding heeft gevolgd voor de gevraagde ondersteuning, inzetten op basis van een pgb. 2. Ondersteuning die door een bloed- of aanverwant in de eerste, tweede of derde graad aan een inwoner wordt geboden, merkt het college altijd aan als ondersteuning uit het sociaal netwerk. 3. In geval van Jeugdhulp verleent het college alleen een pgb voor ondersteuning geboden door een persoon uit het (sociaal) netwerk, als de ondersteuning betrekking heeft op één of meerdere van onderstaande ondersteuningsbehoefte: a. vooraf niet goed te plannen is; b. op ongebruikelijke tijden nodig is; c. op veel korte momenten per dag nodig is; d. 24 uur per dag en op afroep nodig is; e.
vanwege de aard van de beperking nodig is van een persoon met wie de inwoner geen hechtings- of contactprobleem heeft; f. de continuïteit van de ondersteuning is gewaarborgd. 2. Het college kan in nadere regels de kwaliteitseisen die worden gesteld aan informele zorgverleners, verder uitleggen.
16
Artikel 4.3 Hoogte en tarieven pgb 1. De hoogte van een pgb berekent het college op basis van het tarief of prijs van de soortgelijke voorziening in natura. De hoogte van het pgb is maximaal de kostprijs in natura, mits beschikbaar. Indien niet beschikbaar, wordt de hoogte bepaald aan de hand van tenminste één offerte. 2. Als het pgb bedoeld is voor de aanschaf van een product of hulpmiddel, dan berekent het college het pgb op basis van de laagste prijs en het laagste tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college gecontracteerde aanbieder. Daarnaast kent het college een percentage van het aankoopbedrag toe voor onderhoud en reparatie en indien nodig voor verzekeringskosten. 3. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor Jeugdhulp of Wmo voorziening of een dienst, gebruikt het college de volgende berekeningswijze: a. voor gecertificeerde zorgaanbieders: 100% van het natura uurtarief; b. voor zzp'er: 75% van het natura uurtarief. 4. De hoogte van het pgb voor individuele begeleiding worden bepaald aan de hand van de tarieven van zorg in natura en bedraagt minimaal het wettelijk minimumloon tot ten hoogste de kostprijs van de voorziening in natura. 5.
Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor Jeugdhulp of -ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk, hanteert het college het op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geldende uurtarief voor hulp van niet-professionele zorgverleners; 6. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor Wmo ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk hanteert het college: a. voor huishoudelijke ondersteuning: 55% van het natura uurtarief; b. voor individuele begeleiding wordt aangesloten bij het informeel uurtarief zoals bepaald op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en in de Regeling langdurige zorg; 7. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk hanteert het college voor kortdurend verblijf en respijtzorg een op de NIBUD-normen gebaseerd tarief per etmaal. De normen worden opgenomen in het Financieel Besluit. 8. De hoogte van een pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding, op grond van de Wmo, berekent het college op basis van het in de regio gangbare tarief. Hierbij wordt uitgegaan van de afstand naar de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie. 9.
De hoogte van een pgb voor een noodzakelijke autoaanpassing, woningaanpassing(en) of bezoek baar maken van een woning bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie, goedkoopst passende voorziening in natura of een door het college vast te stellen tarief op basis van minimaal één offerte. 10. Als een inwoner ondersteuning wil inzetten van een niet-gecontracteerde zorgaanbieder of zzp-er die hogere kosten per eenheid hanteert dan de door het college maximaal vastgestelde pgb tarieven, zoals benoemd in dit artikel, dan verleent het college de voorziening in de vorm van een pgb voor het maximaal vastgestelde pgb tarief. De inwoner moet de extra kosten voor eigen rekening nemen. Dit wordt vastgelegd in het Plan en in het besluit. 11. Het college kan in de nadere regels de berekeningswijze van pgb’s verder duiden. Artikel 4.4 Besteding pgb, niet betrokken kosten 1. Als aan een inwoner een voorziening in de vorm van een pgb wordt toegekend, kan de inwoner alleen de ondersteuning uitbetalen, die daadwerkelijk is geleverd. 2. De inwoner kan het pgb alleen besteden voor het doel waarvoor de voorziening is toegekend en binnen de daarvoor gestelde termijn zoals genoemd in het besluit. 3. Indien van toepassing zijn de volgende kosten inbegrepen in het vastgestelde pgb budget:
17
a. alle bijkomende kosten voor de hulpverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskosten, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. b. vervoerskosten, alleen als er een beschikking is voor Wmo dagbesteding, samen met een indicatie voor vervoer van en naar de plek waar die dagbesteding geboden wordt. 4. Het pgb is bedoeld voor inkoop van een voorziening, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. De inwoner kan het pgb niet besteden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie of ondersteuning ontvangen voor het aanvragen en beheren ervan; c. kosten voor een feestdaguitkering of voor cadeaus aan de hulpverlener(s); d. eten en drinken; e. abonnement- of contributiekosten, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; f. ondersteuning bij het inkopen van ondersteuning buiten Nederland; g. overheadkosten, reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de hulpverlener. 5. Het pgb kent geen vrij besteedbaar bedrag en geen eenmalige uitkering. 6. Kosten die de hulpverlener bij een budgethouder in rekening brengt in verband met een opzegtermijn vallen niet onder het pgb.
Ook kosten die de hulpverlener bij de inwoner in rekening brengt voor het niet nakomen van een afspraak, vallen niet onder het pgb. Dit geldt ook voor kosten van salarisadministratie, deze mogen niet vanuit het pgb betaald worden. Artikel 4.5 Besteding en verantwoording pgb 1. Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de met het pgb ingekochte ondersteuning van goede kwaliteit is en of de voorziening rechtmatig en doelmatig wordt uitgevoerd. 2. Het college kan de inwoner vragen om de besteding van het pgb te verantwoorden. 3. Het college kan nadere regels stellen over de besteding en verantwoording van het pgb. Artikel 4.6 Kwaliteitseisen formele ondersteuning met pgb Jeugd en Wmo 1. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte formele ondersteuning voldoet in beginsel aan de eisen die het college stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. 2. Pgb-zorgverleners die formele zorg verlenen: a. staan ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en voor Jeugdhulp vermelding van de Algemeen Gegevens Beheer (AGB-code); b. hebben een passende opleiding; c. kunnen een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overleggen van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers); d. zijn verzekerd tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid; e. beschikken over de benodigde kwaliteitscertificaten.
Voor ondersteuning op grond van de Jeugdwet betreft dit een SKJ- of BIG registratie; f. beschikken over een voor inwoners duidelijk en vindbaar klachtenprotocol. 3. Het college kan in nadere regels de kwaliteitseisen die aan professionele zorgaanbieders worden gesteld, verder duiden. Artikel 4.7 Kwaliteitseisen informele ondersteuning met pgb Jeugd en Wmo 1. Het college stelt de volgende eisen aan een persoon uit het sociaal netwerk die met een pgb wordt ingezet voor ondersteuning: a. de persoon is meerderjarig en handelingsbekwaam;
18
b. de persoon is voldoende op de hoogte van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn; c. de persoon levert veilige, doeltreffende, doelmatige en op de inwoner gerichte ondersteuning, afgestemd op de reële behoefte van de inwoner; d. de persoon biedt passende ondersteuning welke wordt geëvalueerd aan de hand van de gestelde doelen in een evaluatieplan; e. de persoon verricht geen handelingen die op grond van de wet alleen uitgevoerd mogen worden door een professional of handelingen die op grond van de verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden. f. de persoon is niet overbelast of raakt niet overbelast door het verlenen van de ondersteuning; g. de persoon kan aantonen in staat te zijn de ondersteuning te verlenen; h. de persoon hanteert een tarief dat niet hoger is dan het maximale tarief zoals vastgesteld in deze verordening; i. er is geen sprake (geweest) van het uitoefenen van druk door de persoon die de ondersteuning aan de inwoner gaat bieden of op de persoon die de ondersteuning uitoefent, om te kiezen voor een pgb of om de ondersteuning te geven; j. er zijn geen andere redenen waardoor de persoon uit het sociale netwerk van de inwoner niet in staat is om de gevraagde ondersteuning te bieden; k.
de persoon en ondersteuning voldoen in beginsel aan kwaliteitseisen die zijn opgenomen in deze verordening.
19
Hoofdstuk 5 Wmo
Financiële
tegemoetkomingen
Artikel 5.1 Criteria financiële tegemoetkoming als voorziening Wmo 1. Wmo voorzieningen die het college als financiële tegemoetkoming kan verstrekken, zijn tegemoetkomingen als bijdrage in de kosten van: a. Verhuizen en inrichten van de woning, als het college het primaat van verhuizen toepast zoals bedoeld in artikel 3.7, derde lid van deze Verordening. Dit geldt ook als een inwoner uit de gemeente Vijfheerenlanden een eerder aangepaste woning verlaat; b. Tijdelijke huisvesting, als de woning van de inwoner ingrijpend moet worden aangepast vanwege een Wmo woonvoorziening. De tegemoetkoming is gebaseerd op maximaal de kale huur per maand van sociale woningbouw. c. Een noodzakelijke voorziening om aangepast te kunnen sporten die bijdraagt aan de maatschappelijke participatie en niet voor recreatief gebruik bedoeld is; d. Individueel vervoer als dit de goedkoopst passende voorziening Wmo ‘Vervoer’ is. 2. Het college kan in het Financieel Besluit een maximumbedrag opnemen voor een financiële tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel. Artikel 5.2 Criteria financiële tegemoetkoming meerkosten (art. 2.1.7 Wmo) 1. Het college kan op aanvraag aan een inwoner een financiële tegemoetkoming meerkosten toekennen als bijdrage in de kosten van de inwoner voor de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. 2.
De financiële tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in het eerste lid verstrekt het college alleen: a. als de inwoner aannemelijke extra kosten heeft door een beperking of door chronische psychische of psychosociale problemen; b. er geen aanspraak op vergoeding van de extra kosten bestaat op grond van een andere voorziening. 3. Het college houdt bij de beoordeling van het vorige lid rekening met de hoogte van het inkomen van de inwoner en van een eventuele partner. Ook houdt het college rekening met de meerkosten ten aanzien van het hele kalenderjaar. 4. De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt een door het college in het Financieel Besluit genoemd bedrag per jaar per gezinslid dat aan de voorwaarden voldoet. Het bedrag wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de index van de meicirculaire gemeenten t-1 en wordt vermeld in het Financieel Besluit. 5. Het college kan in nadere regels voorwaarden vaststellen over de financiële tegemoetkoming van meerkosten.
20
Hoofdstuk 6 Kostprijs eigen bijdrage
voorzieningen
en
Artikel 6.1 Kostprijs voorzieningen 1. De kostprijs van een voorziening is gelijk aan de prijs die het college betaalt voor een voorziening in natura bij een gecontracteerde aanbieder. Hier komen waar nodig reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten bij. 2. Het college kan nadere regels stellen over het bepalen van de kostprijs. Artikel 6.2 1. 2. 3. 4. 5. 6.
7. 8.
Bijdrage kosten voorzieningen Wmo art. 2.1.4a/art. 2.1.5 Wmo en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AmvB) Het college kan aan de inwoner een eigen bijdrage opleggen bij de toekenning van een Wmo voorziening. De termijn van de eigen bijdrage betreft de termijn waarvoor de voorziening is verleend, de periode dat de voorziening in bruikleen is of de termijn loopt bij een koopvoorziening tot de volledige kostprijs is bereikt. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde bijdrage is gelijk aan het bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015 en wordt jaarlijks bepaald. De bijdrage wordt geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK). Met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AmvB) vraagt het college geen eigen bijdrage voor een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De inwoner is een ritbijdrage voor de collectieve vervoersvoorziening verschuldigd. De hoogte van deze ritbijdrage wordt vastgelegd in het Financieel Besluit. Gaat het om kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan wordt de bijdrage in de kosten opgelegd aan de onderhoudsplichtige ouder(s)/ verzorger(s). Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een ouderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek).
Het geldt ook voor diegene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner (zoals bedoeld in artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek). Naast de bepalingen in dit artikel kan er bij een inwoner sprake zijn van gebruikelijke kosten voor de inwoner bij het gebruik van een voorziening. Deze vergoedt het college niet. Het college kan nadere regels stellen over het vrijstellen van een inwoner van de te betalen bijdrage.
21
Hoofdstuk 7 Kwaliteit voorzieningen in natura
en
aanbesteding
Artikel 7.1 Kwaliteit voorzieningen 1. Het college zorgt dat zorgaanbieders kwalitatief goede voorzieningen leveren. Ook zorgt het college ervoor dat zorgaanbieders eisen aan beroepskrachten stellen met betrekking tot de deskundigheid. De zorgaanbieder zorgt ervoor dat: a. de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht wordt afgegeven; b. de voorziening afgestemd is op de persoonlijke situatie van de inwoner en op andere vormen van hulp en/of ondersteuning die de inwoner ontvangt; c. beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden handelen volgens de professionele standaard; d. beroepskrachten beschikken over relevante ervaring en diploma’s; e. de kwaliteit van de voorziening en de deskundigheid van beroepskrachten, voor zover van toepassing, tenminste voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de betreffende sector erkende keurmerken; f. de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt toegepast; g. een regeling is vastgesteld voor de afhandeling van klachten van inwoners over de geboden voorzieningen; h. de voorziening voldoet aan de normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard. 2. Bij inkoop en aanbesteding van voorzieningen eist het college van zorgaanbieders dat zij rekening houden met de in het beleid gestelde kwaliteitseisen. 3.
Het college controleert het in dit artikel gestelde door periodieke overleggen met zorgaanbieders, of door het uitvoeren van standaard kwaliteitsonderzoek of kwaliteitsonderzoek naar aanleiding van een signaal. Ook kan het college periodiek inwoner-ervaringsonderzoeken uitvoeren en/of als dat nodig is in overleg met een inwoner ter plaatse de (kwaliteit van de) geleverde voorziening in natura controleren. 4. Als het college door een medewerker van het Sociaal Team hulp of ondersteuning inzet, dan voldoet de medewerker die deze hulp en/of ondersteuning biedt aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in de wet en deze verordening. 5. Het college kan nader regels stellen over het bepaalde in dit artikel. Artikel 7.2
Verhouding prijs-kwaliteit ondersteuning door derden (art. 2.11/2.12 Jw en art. 2.6.4. Wmo) 1. Om te zorgen voor een goede prijs-kwaliteitverhouding van een door derde te leveren ondersteuning op het gebied van Jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering of Wmo hanteert het college: a. een vast tarief dat geldt voor inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. een reëel tarief dat geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met een derde; en een vast tarief, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de tarieven als bedoeld in het eerste lid vast: a. volgens de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert het vaste tarief of het reële tarief als bedoeld in het eerste lid in elk geval op de volgende kostprijselementen:
22
a. de kosten van de beroepskracht, waaronder de voor de sector voor de toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, werkoverleg en (bij)scholing; d. de reis- en opleidingskosten; e. indexering van de prijs voor het leveren van een dienst en f. overige kosten als gevolg van door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en/of administratieve verplichtingen. 4. De in het lid 3 genoemde kostprijselementen betreffen in elk geval voor preventie, Jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering: a. kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden); b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. indexatiekosten. 5. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van prijzen die het hanteert voor door derden te leveren voorzieningen Wmo niet zijnde diensten, in ieder geval rekening met: a. de kostprijs van de voorziening; b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals; het aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening en verzekering.
23
Hoofdstuk 8
Klachten en inspraak
Artikel 8.1 Klachten 1. De gemeentelijke klachtenregeling is van toepassing op klachten van inwoners als deze klacht gaat over de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen op grond van deze verordening. 2. Als een klacht van een inwoner over Jeugdhulp gaat, dan wijst het college de inwoner op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning, zoals een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 3. Op klachten van inwoners die betrekking hebben op voorzieningen in natura is de klachtenregeling van de zorgaanbieder van toepassing. Artikel 8.2 Inspraak 1. De Adviesraad Sociaal Domein adviseert het college gevraagd en ongevraagd over onderwerpen die deze Verordening betreffen conform de Verordening Adviesraad Sociaal Domein Vijfheerenlanden. 2. Het college ziet erop toe dat zorgaanbieders een regeling vaststellen voor de medezeggenschap van inwoners over besluiten die de zorgaanbieders willen nemen die van belang zijn voor de inwoner.
24
Hoofdstuk 9 Toezicht voorzieningen
en
handhaving
Artikel 9.1
Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, weigering en terugvordering voorziening 1. Een inwoner meldt op verzoek of uit zichzelf aan het college alle feiten en omstandigheden, waarvan het duidelijk is of moet zijn dat deze aanleiding kunnen geven tot heroverweging van de toegekende voorziening. 2. Het college kan een beslissing over het verstrekken van een voorziening herzien of intrekken, als: a. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven en als de juiste of volledige informatie door de inwoner was gegeven, dit tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner niet langer (geheel) op de voorziening is aangewezen; c. de voorziening niet meer toereikend is; d. de inwoner zich niet houdt aan de voorwaarden en/of verplichtingen zoals deze vermeld staan in het besluit over de voorziening; e. de inwoner de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bestemd is; f. het college niet kan vaststellen of een voorziening nog nodig is, omdat de inwoner niet (geheel) meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; g. de inwoner niet binnen zes maanden na het ontvangen van de toekenningsbeschikking de voorziening heeft ingekocht of de ondersteuning is gestart, tenzij dat de inwoner niet te verwijten is; h.
de inwoner langer dan 3 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens verwijtbaar heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner geheel of gedeeltelijk de geldwaarde terugvorderen van de ten onrechte genoten voorziening. 4. Het college hoeft geen voorziening toe te kennen als de inwoner onvoldoende meewerkt aan de voorwaarden genoemd in deze Verordening. 5. Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening in natura is ingetrokken, kan het college deze voorziening of de waarde daarvan terugvorderen. 6. Het college kan de voorziening gemotiveerd met terugwerkende kracht beëindigen en intrekken. 7. Het college kan nadere regels vaststellen over de in dit artikel genoemde voorwaarden. Artikel 9.2 Fraude, preventie en controle 1. Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Het college informeert de inwoner in begrijpelijke taal over de rechten en plichten die aan de voorziening zijn verbonden. Het college geeft ook aan wat de consequenties van misbruik zijn. 2. Om misbruik van de Jeugdwet en de Wmo te voorkomen, onderzoekt het college de doel- en rechtmatigheid van de verstrekte voorziening. 3.